dinsdag 1 september 2026

Verzamelde verhalen – Maarten ‘t hart (boekbespreking door Björn Roose)

Verzamelde verhalen – Maarten ‘t hart (boekbespreking door Björn Roose)
Ik moet toegeven dat ik minder lang gelezen heb aan de Verzamelde verhalen van Maarten ‘t Hart (verschenen bij De Arbeiderspers in 2001) dan ik er over gedaan heb om aan de bespreking ervan te beginnen. Ten eerste omdat ik eindelijk werk moest maken van de voorbereiding van onze Italiaanse reis (al was die qua literair niveau uiteraard niet te vergelijken met de Italienische Reise van Johann Wolfgang von Goethe); ten tweede omdat ik nadat ik als vervolg op het boek in kwestie Werner Herzogs Ieder voor zich en god tegen allen had gelezen eerst dát boek moest bespreken (wegens geleend in de openbare bibliotheek en dus niet voor een eeuwigheid ter beschikking); ten derde omdat ik per slot van rekening maar één avondje werk had aan de bespreking van Steden doorkruisen het heelal van James Blish; ten vierde… ach wat, ik had in deze bespreking eigenlijk geen zin en uitstelgedrag was daarvan het gevolg.

Maar waaróm had ik in deze bespreking geen zin? Wel, alvast niet omdat Maarten ‘t Hart geen goede schrijver zou zijn, want dat is hij wel, en dat wist ik ook al van bij mijn bespreking van zijn Mozart en de anderen. En ook niet omdat de in deze bundel verzamelde verhalen van mindere kwaliteit zouden zijn dan zijn andere werk. Daarvan ken ik ten eerste alleen maar het voornoemde Mozart en de anderen en ten tweede moet ik het eens zijn met wat de op de achterflap geciteerde recensenten te vertellen hebben: “Ook als Maarten ‘t Hart geen romans had geschreven zou hij zijn meesterschap in onze literatuur hebben vastgelegd […] als verhalenschrijver”; “Deze bundel bewijst ten overvloede dat hij als een van de weinigen in staat is een op zichzelf niet opzienbarende anekdote om te werken tot een voortreffelijke vertelling”; en “Hij vertelt bevlogen waar dat moet, wordt ironisch waar dat passend is. De dialogen zijn pittig. De nostalgie waarmee hij terugblikt op zijn kindertijd heeft een warmte waaraan velen zich graag koesteren”. Maar misschien zag ik wél tegen het schrijven van deze bespreking op omdat meer dan duizend bladzijden met daarop zesenzeventig verhalen (ik kan er een naast zitten) nu eenmaal nauwelijks samen te vatten zijn en ik u niet wil lastig vallen met een bespreking van 30.000 tekens.

Laten we het dus maar systematisch aanpakken: “In deze verzamelbundel zijn”, zoals ‘t Hart zelf schrijft in de helemaal aan het einde opgenomen Verantwoording, “alle verhalen uit Het vrome volk, Mammoet op zondag, De zaterdagvliegers, De huismeester en De unster [waarvan ik het titelverhaal, me dunkt, al eens gelezen had, noot van mij] opgenomen, evenals drie verhalen die in de bundel Ongewenste zeereis waren verstopt”. Als u al die boeken dus gelezen heeft, kan u zich het lezen van de Verzamelde verhalen wel besparen, ware het niet dat “ten slotte (…) ook [zijn] opgenomen ‘Een treurige geschiedenis’, dat eerder verscheen in Tussen de vesten, dertien Leidse schrijvers (Bzztôh, Den Haag 1977), ‘De posthoornspion’, dat eerder verscheen in Intermagazine van december 1981, ‘De witte nacht’, dat eerder verscheen in het winternummer van De tweede ronde van 1981 en ‘Sex-appeal’, eerder verschenen in Liefde, anders niet (De Arbeiderspers, Amsterdam 1992)”.

Als u alléén al Een treurige geschiedenis niét zou gelezen hebben, dan moet u – zelfs als u alle eerder genoemde boeken wél gelezen heeft, uiteraard dit boek toch in huis halen, want het is – al zou ik de verhalen van ‘t Hart in doorsnee niet als humoristisch kenmerken – een hilarisch exemplaar. Terwijl het toch ook “sterk autobiografisch” is, zoals “alle in deze verzamelbundel opgenomen verhalen, behalve de verhalen ‘De beproeving’ en ‘De vogelbezorging’ uit De huismeester en de verhalen ‘Mijn vrouw’, ‘Bethesda’, ‘De veenmollenplaag’ en ‘De draagmoeder’ uit De unster [waarvan Mijn vrouw en Bethesda overigens beslist tot de minder goede in deze bundel horen, noot van mij] (…) of zoals in ‘Een principieel weekend’, ‘Huwelijk rijmt op gruwelijk’ en ‘De ruitenwissers’ aan (…) [de auteur] als ik-figuur verteld worden”. Voor wie al vele verhalen van ‘t Hart gelezen heeft, is dít misschien een extra motivatie om alsnog deze bundel ter hand te nemen: “(…) voor deze uitgave [heb ik ze] gerangschikt in chronologische volgorde naar de leeftijd van de ik- of hij-figuur. Een enkele maal leverde dat problemen op omdat sommige verhalen zich op verschillende tijdstippen in het leven van de ik-figuur afspelen. In die gevallen zijn de verhalen zo veel mogelijk in de meest passende context geplaatst”. En, als kers op de taart: “Aan deze herdruk”, want een eerste druk verscheen in 1992, “zijn vier nieuwe verhalen toegevoegd. Omdat zij, daar ze alle in een recent verleden spelen, geen specifieke problemen opleverden ten aanzien van de chronologie, zijn ze niet tussen de eerdere verhalen geplaatst, maar aan het eind van deze verhalenbundel.” Die verhalen heten De glazen toren (over hoe de auteur er voor het eerst op uittrekt verkleed als vrouw), De hockeystick (over sadomasochisme), Kramsvogels (over zijn hartstoornissen) en Het gouden kruisje (over het verdriet van een vriend om een hoer), en die moet u dus missen als u wél alle andere boeken van ‘t Hart heeft gelezen (tenzij er intussen weer een andere verzameling is verschenen, natuurlijk), maar Verzamelde verhalen niét.

Aan dat uitgebreide geciteer uit de Verantwoording – had ie die maar niet moeten schrijven – voeg ik graag nog een en ander toe dat Wikipedia weet te melden en dat ook als materiaal gebruikt is in deze (grotendeels) autobiografische verhalen: ‘t Hart werd geboren in een gereformeerd gezin (al zegt dat een gemiddelde Vlaming zo goed als niks) als zoon van een grafmaker en bezocht het Groen van Prinstererlyceum in Vlaardingen alvorens biologie te gaan studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij werkte als etholoog en was de auteur van “populair-wetenschappelijke” publicaties als Ratten (1973) en De stekelbaars (1978). Hij brak met het christelijk geloof (en dat niet op de manier waarop katholieken dat doorgaans doen, zijnde door het ergens in een hoek te laten liggen omdat ze er sowieso geen last van hadden, maar vanuit een kwaadheid die hij ook al wist te verzamelen in Wie God verlaat heeft niets te vrezen en De bril van God), brak als romanschrijver door met Een vlucht regenwulpen (verfilmd met onder andere Jeroen Krabbé en Willeke van Ammelrooy, een film die het onderwerp is van het verhaal De witte nacht), kreeg vanwege De vrouw bestaat niet de wind van voren vanuit “feministische kringen”, en verkleedde zich – zoals hierboven reeds kort vermeld - wel eens als vrouw. En dat hij “een zeer hartstochtelijk liefhebber en kenner van klassieke muziek” is, iets wat onder andere te pas komt in de verhalen Hoogzomer in april en Het Russische Concert, dat wist u natuurlijk al, tenminste als u mijn bespreking van Mozart en de anderen heeft gelezen.

Ik ga u dus – ik lui, u blij – verder niet meer al te veel lastig vallen met het (auto)biografische aspect van deze verhalen. Het is voldoende dat u weet dat dat groot is en voor móói werk heeft gezorgd. Mooi werk dat in verhalen als Het dal van Hinnom, Het braakland, De bunzing, en Het paard ook enorm nostalgisch is en getuigt (of moet getuigen, ook autobiografieën worden nu eenmaal bijgekleurd vanuit het latere ik) van een vroege dierenliefde, een niet passen in het ruwe milieu dat de jonge ‘t Hart omringde, en een wel zeer premature twijfel aan het geloof dat ook al eigen is aan dat milieu. Het brandende braambos lijkt bij die verhalen aan te sluiten, het handelt per slot van rekening over het eerste – niet echt doorgegane – seksuele avontuur van de auteur, maar ‘t Hart weet het zo grappig te brengen, dat heen en weer geslingerd worden tussen hel (een ongelovig meisje) en hemel (waar hij en zij heen kunnen als hij haar kan bekeren), dat ik er een aantal keren strike van gelegen heb en dat het beslist aparte vermelding verdient.

Bij De aardbeving komt nauwelijks een aardbeving kijken, maar wel veel school, in De hond komt de hond er met de schrik vanaf, in Velasques Keurkorps Major is de man van de sigarenbandjes de sigaar, in Jaap Schaap mag het Schaap uiteindelijk eens de kudde toespreken, en bij De tegenspeler draait het om schaatsen en schaken en krijg je er deze prachtige beschrijving van kou en blauw bovenop: “De koude kreeg steeds meer vat op me, bevond zich al onder mijn muts en achter mijn oren, had, op twee fronten aanvallend, ook mijn knieën al bereikt, begon zich tussen mijn dijen te nestelen. Maar de wereld was blauw, diepblauw, enkel nog blauw – een kleur die geen kleur was, maar iets duurzamers, wezenlijkers en tegelijk onwerkelijkers.”

De vloekende dievegge is eigenlijk te kort om er wat over te vertellen, tenzij dan dat de dievegge in kwestie geen ekster is maar een kauw. Het stilleven roept toch wel een en ander wakker bij degene voor wie het bestemd is. In Derde liefde speelt de jonge Maarten een beetje buiten zijn leeftijdscategorie (met een gevoel dat iedere jongen kent die wel eens verliefd geweest is op, pakweg, die toch niet zo veel oudere juffrouw van tekenen). In Handel speelt diezelfde Maarten al orgel. En Concurrentie blijkt er ook in diens vaders business te zijn.

In Tijdelijk dienstverband maken we kennis met de vrijgezel tegen heug en meug Hendrik Boog. In De zaterdagvliegers vernemen we dat er ook zondagvliegers zijn van wie één zaterdagvlieger in het bijzonder verneemt wat vliegen op weduwschap is. In Een nachtgezicht compenseert een man voor zijn leven als quasi-weduwnaar. In Sintmichielszomer leert ‘t Hart waar kinderen vandaan komen. En in Mammoet op zondag komt een mammoet-droogdok voorbij het Maassluis waar ‘t Hart opgroeit en leert de lezer dat ‘hervormd’ iets anders is dan ‘gereformeerd’ en zélfs nog iets anders dan ‘hervormd op grote wielen’: “Zij zou niet in de kerk zitten, zij was hervormd op grote wielen, een groot gevaar dus voor elke geformeerde jongen. Erger dan hervormd op grote wielen bestond niet: dat het mogelijk zou zijn om iets met een meisje te hebben dat helemaal niets was, was zo ondenkbaar dat er niet eens over gesproken werd. Hervormd op grote wielen was de uiterste grens. Misschien was ik daarom wel verliefd op haar geworden”.

En in deze boekbespreking ga ik beslist niet élk verhaal op deze manier afhandelen. Ouderlingenbezoek deed me wat denken aan een bepaalde scène in Een vlucht regenwulpen. Die waarin de ouderlingen op bezoek komen, inderdaad. Maar in dat verhaal duidde ik ook deze ene zin aan: “Bij elke naam stokte hij even; sommige namen verlieten in brokstukken zijn mond.” Zoals ik in Microklimaat die ene zin helemaal aan het begin aanstreepte: “Het alfabet had ons samengebracht”. En in Het betegelde pad: “Ik nam een paar kroketten die zo goedkoop bleken te zijn dat ze wel voor driekwart uit subsidie moesten bestaan.” En in Rat op rum deze paar zinnen: “Hier zou zo dadelijk, daar kon vergif op worden ingenomen, het vreselijkste beginnen dat de schepping te bieden heeft: een vergadering. Ja, misschien zijn concentratiekampen nog veel erger maar aan de stichting daarvan liggen ongetwijfeld ook steeds vergaderingen ten grondslag”. En in De waterstaafwants deze: “Kennen jullie overigens, nu we het over kevers hebben, het mooie verhaal van Schrödinger die het prachtige boekje What is life schreef? Als je de hele schepping nu overziet, meneer Schrödinger, vroegen ze hem, wat kun je dan concluderen over God? Dat Hij een abnormale voorliefde voor kevers heeft, zei Schrödinger. Dat is goed gezien: veertig procent van alle insectensoorten zijn kevers, en er zijn op de hele wereld veel meer kevers dan enig ander soort dier”. En in De onbekenden wou ik de hele eerste paragraaf citeren, maar uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat de kennismaking van ‘t Hart met die andere Maarten, Biesheuvel (beter bekend als J.M.A. Biesheuvel, auteur van onder andere de verhalenbundel In de bovenkooi) als geheel zo grappig was dat het niet loont er één paragraaf uit te halen. Iets wat ook geldt voor De ziekte van Ménière, De huismeester, Engagement, Drempel, Zondagavondslang, Een principieel weekend, De eerste lichting, Onder de witte knop (over voortdurend gestoord worden door de telefoon in tijden waarin er nog niet eens sprake was van gsm’s), De glasplaat, en het al eerder vermelde Een treurige geschiedenis (een verre van treurige geschiedenis), maar in het geheel niet voor De versnijdenis en Het longvolume, waar de lezer vooral uit kan leren waar een leraar moet mee leven als hij, zoals ‘t Hart, absoluut niet geschikt is om dat vak uit te oefenen: “De eerste leerlingen betraden joelend het lokaal. Dat moment – het is niet te beschrijven. Het lijkt of er iets in je afsterft, of je spijsvertering tot stilstand komt, op de galblaas na. Vanaf de nek tot het staartbeentje kruipt er een schorpioen over je ruggenwervels en de tenen krommen zich als voor een noodsprong.”

Iets wat mijn tenen niet doen als ‘t Hart aan een van zijn verhalen over zijn liefdesperikelen begint (zie onder andere Paard jagend op buizerd en De beproeving), verhalen die zoals de andere mooi verteld zijn, verhalen waar ik niet van ga lopen, maar verhalen die voor mij ook niet hoeven. Andermans zieleroerselen interesseren me eigenlijk bitter weinig – van de mijne ben ik ook niet meteen bezeten –, evenmin als de pathetische afkeer die ‘t Hart voelt voor het Sinterklaasfeest (zie De oneindigheid), of z’n interesse voor hoeren (zie Wonen op de Wallen), maar ik eindig deze boekbespreking graag met het feit dat zijn beschrijving van zijn ontmoeting met Werner Herzog, die ik uiteraard niet zomaar noemde in het begin van deze bespreking, een ontmoeting waarvan de gevolgen beschreven worden in het meer dan dertig bladzijden lange verhaal Ongewenste zeereis (klaarblijkelijk echt een soortement gruwelavontuur voor ‘t Hart), me aanzette om me te verdiepen in werken van en over Herzog. Zeker geen ongewenst vervolg van een zeer graag gelezen verhalenbundel.

Björn Roose