maandag 11 mei 2026

Kwadratuur – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)

Kwadratuur – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)
Het laatste nog niet gelezen boek van Frank Liedel (geboren als Leo Lode Frans Van Assche in 1924, overleden in 2012) dat ik nog in mijn kasten had staan, is bij deze gelezen: Kwadratuur. Ook dít exemplaar werd gepubliceerd bij De Clauwaert v.z.w. - al was die uitgeverij in het jaar van uitgifte (1993) intussen aan z’n bijna laatste mutatie toe en heette ze intussen Davidsfonds/Clauwaert - maar het was wel iets dikker dan de vorige boeken die ik van de auteur las, zijnde zo’n tachtig bladzijden. Niet helemaal verspild papier, want Liedel kon aardig schrijven, iets wat ik al eerder vastgesteld had, maar Kwadratuur zal, in tegenstelling tot Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua en De krant uit Santa Fé, niet in mijn boekenkasten blijven staan. Het volgt de weg van Schildpad, Dover, en De late zaligheid van Mon De Cocker, en gaat richting zolder.

Waarom? Omdat ik me twee weken nadat ik het gelezen heb al nauwelijks meer herinner waarover het gaat, bijvoorbeeld. Iets wat niet aan mijn geheugen ligt – zo erg is het daarmee niet gesteld -, maar aan het feit dat dat me ook al grotendeels ontging toen ik het las, ondanks het verkoopspraatje op de achterflap: “Wittemeer is de invloedrijke en meedogenloze personeelschef van een belangrijk farmaceutisch bedrijf. Hij is weduwnaar. Zijn vriendin, Margreet, is de echtgenote van een gedegradeerde directeur-generaal bij een ministerie. Ze is ongelukkig bij haar egocentrische man, maar heeft een hechte band met haar kinderen. Daarom wil ze de halfslachtige levenswijze behouden, die ze door haar verhouding met Wittemeer noodgedwongen heeft aangenomen. Wanneer Wittemeer een jeugdvriend verlies, beseft hij dat het hoog tijd wordt om van het leven te gaan genieten. Of gebruikt hij de dood van zijn vriend slechts als aanleiding om zijn doel te bereiken, en Margreet voor zich alleen op te eisen?”

Ik houd het op dat laatste (Liedel op het einde ook, heb ik de indruk), Wittemeer komt op geen enkel moment op mij over als iets anders dan een vent die minstens zo egocentrisch is als de echtgenoot van zijn vriendin, een eigenschap waaraan hij na de dood van zijn jeugdvriend Crabbé alleen maar sterker toegeeft. Hij wil niet langer zijn vriendin delen met haar man, hij wil haar helemaal voor zich alleen, en wel nu. Dat ik op geen enkel moment lijk getwijfeld te hebben aan het karakter van Wittemeer, kan natuurlijk aan een gebrek aan inzicht van mijnentwege liggen, maar ik heb dat probleem niet met romanfiguren in het algemeen (de weinig dubbelzinnige steken me door de band genomen zelfs snel tegen), dus ik denk dat die “dunne lijn tussen afgunst en vriendschap, ijdelheid en liefde”, waarvan verder op de achterflap sprake is, niet echt uit de verf komt in Kwadratuur.

Iets wat ik ook bevestigd zie in wat de auteur te melden heeft over Frederik Colijn, de in de loop van het verhaal gedegradeerde (en vervolgens weer opgewaardeerde) “directeur-generaal bij een ministerie” en zijn vervanger Willockx, minister Bostoen (ex-minister nadat de regering gevallen is over “een taalkwestie”, in de vroege jaren negentig nog net aanvaardbaar als geloofwaardige fictie) en zijn opvolger Hermanne, en de andere figuren die een rol spelen in het socialistische schaduwspel dat boven en rond Colijn wordt gespeeld. Een socialistisch schaduwspel waaraan Liedel te veel aandacht besteedt om het vaag te laten maar te weinig om het duidelijk te maken (iets wat Piet Van Aken, ondanks de gebreken van dat boek, veel beter gedaan heeft in De blinde spiegel), terwijl het ook geen enkel belang heeft. De staat van het huwelijk tussen Margreet (het is me ontgaan of die ergens van een eigen familienaam voorzien is) en Frederik Colijn heeft niets te maken met diens positie op het ministerie, Liedel geeft zelfs aan dat die haar totaal niet interesseert, terwijl hij aan de andere kant nauwelijks tijd geïnvesteerd heeft in het verduidelijken van het waarom van de staat van dat huwelijk.

Idem dito voor de op de achterflap niet vermelde verhaallijn rond “de man uit Malle”, een werknemer die teleurgesteld raakt in Wittemeer omdat een bonus aan zijn neus voorbijgaat, een teleurstelling die meteen omgezet wordt in de wil Wittemeer dood te schieten. De psychologische motivatie daar is absoluut nul en absoluut nul is ook wat er uiteindelijk van de plannen van “de man uit Malle”, later kortweg “Malle” genoemd maar nooit van een eigen naam voorzien, terechtkomt. Niet alleen dát, die verhaallijn eindigt ook stomweg zonder dat er een werkelijke kruising met die rond Wittemeer plaatsvindt, net zoals er geen plaatsvindt tussen die rond Colijn en die rond Wittemeer. “Levens die mekaar kruisen en weer uit elkaar gaan”, zoals het ook al op de achterflap vermeld staat, valt dus nogal letterlijk te nemen: in het geval van Wittemeer en Colijn hebben ze mekaar zelfs al gekruist voor het begin van het verhaal. “Wel, wel, haar hoofdkussen heeft ze mee. Ze heeft anders niet veel meegenomen, Margreet. Frederik strekt behaaglijk zijn onderste ledematen; zijn lijf voelt zich goed. En Colijn voel zicht te belangrijk om zich ongelukkig te voelen”, is meer dan onderkoeld, en het laat – ik citeer nog een laatste keer de achterflap – “de krachtig uitgezette verhaallijnen” absoluut niet “harmonieus in elkaar overvloeien”, het doet zelfs het volkomen tegengestelde van aan “deze boeiende novelle een heel aparte spankracht [geven]”. Om het maar niet uitgebreid te hebben over het laatste wat we van “Malle” te zien krijgen: “één voornemen zal hij uitvoeren, en hij mag zich spoeden, want er komt groen blad: de beukenhaag van ‘Topless’, de camouflage van de kloten, steekt hij in brand.”

Kwadratuur zal wellicht slaan op de ‘kwadratuur van de cirkel’, een wiskundig raadsel dat spreekwoordelijk geworden is in de zin dat verschillende dingen samengebracht worden die zo verschillend zijn dat ze normaal niet samen kunnen bestaan, maar met dit boek heeft Liedel eigenlijk alleen maar drie verhalen samengebracht die niet afgewerkt zijn en niet samen horen. Het was officieel zijn laatste niet-verhalenbundel (daarna volgden er nog twee, euh, wél-verhalenbundels), maar elk van de lijnen uitwerken tot een verhaal op zich en die vervolgens bundelen was misschien een beter idee geweest.

Björn Roose