vrijdag 2 januari 2026

Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)

Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua – Frank Liedel (boekbespreking door Björn Roose)
Ik weet niet of het werkelijk zo is, maar op basis van het aantal boekjes dat ik van Frank Liedel in mijn boekenkasten heb (of had) staan, moet ik bijna afleiden dat hij een van de meest actieve schrijvers in de stal van De Clauwaert (v.z.w.) was. Na voorliggend Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua rest me nog slechts Kwadratuur, maar in de voorbije jaren besprak ik van hem ook al De krant uit Santa Fé, De late zaligheid van Mon De Cocker, Dover, en Schildpad, waarvan het eerste na lezing zelfs bleef staan in mijn boekenkasten, wat toch een absolute zeldzaamheid is wat de in de Novellenbibliotheek verschenen boekjes betreft.

Dat, het in mijn bibliotheek blijven staan na lezing, lijkt (ik behoud me het recht voor tijdens deze bespreking van gedacht te veranderen) ook het geval te gaan worden met Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua. Niet omdat dit veel beter geschreven is dan De late zaligheid van Mon De Cocker, Dover en Schildpad, want ook die boekjes waren goed geschreven, waarmee ik er maar op wil wijzen dat ‘goed geschreven’ niet het enige criterium is om een boek(je) in mijn boekenkasten te houden: enige originaliteit vanwege de schrijver en enige interesse in het verhaal van mijnentwege dragen daar evenzeer toe bij.

Wat die interesse in het verhaal betreft: Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua is het verhaal van een bedrogen geliefde en ligt daarmee niet bijzonder hoog in mijn interesseschuif. Maar… het is een post-mortemverhaal. Dat de geliefde bedrogen is, komt hij pas te weten na zijn dood, en wel door zijn vriendin te betrappen met zijn voormalige garagehouder. Als zoiets gebeurd was terwijl hij nog leefde, zou dit uiteraard gewoon een lullig verhaal geweest zijn, tenzij er moord en doodslag gevolgd was en dan nog, maar als na-de-doodervaring verteld, met een afstandelijkheid die ongetwijfeld alleen een dooie kan opbrengen, is het bijzonder.

Wat de originaliteit van het verhaal aangaat: die ligt niet alleen in het dood zijn van de ik-persoon, maar ook in de vorm waarin hij nog is. Liedel maakt daar niet domweg een spook van, maar een schim, met z’n schimmige moeilijkheden en voordelen. Onder die voordelen uiteraard het fenomeen dat hij niet zichtbaar is – al zou hij dat bij momenten wel eens willen -, onder die moeilijkheden zijn gebrek aan invloed op de gebeurtenissen en het zich verplaatsen door de wereld. Dat laatste is zelfs, zo meent hij helemaal in het begin, als hij met de deur in huis valt, “het enige probleem”: “En dat is merkwaardig, omdat je verwacht dat (…) [de voortbeweging] flitsend zou gebeuren, zoals het overspringen van een elektrische vonk op het schakelbord van onze Otis-lift. Wij bewegen ons integendeel voort als slappe kinderballons in een lange gang nagenoeg zonder tocht, amper een zuchtje door het sleutelgat van de deur naar de andere kamer”. Een probleem dat al snel opgelost raakt een keer hij er achter komt dat hij ook kan meeliften met een bewegend voorwerp of persoon door zich daarrond te gaan draaien. Waarbij dat voorwerp of die persoon nog wel de goede richting uit moeten gaan natuurlijk, iets wat hem, als hij niet te vaak zomaar wil blijven rondhangen, op zijn voorgenomen reis richting het uitgebrande wrak van zijn auto in Aurillac (Frankrijk, ter hoogte van links Bordeaux en rechts Turijn) het ongenode gezelschap doet worden van een trio Zweden, in het bijzonder ene Shirly. Een gelegenheid waarbij hij niet alleen enige genegenheid opvat voor genoemde Shirly, maar er ook achterkomt dat hij wel degelijk een zekere invloed kan uitoefenen: Shirly is vatbaar voor zijn influisteringen en Shirly zorgt er uiteindelijk ook voor dat er vanuit het departement Cantal afgereisd wordt naar Antwerpen. Taxi Shirly dus en later nog wat meer ook (dat leest u zelf maar), maar ook in het algemeen zijn de voortbewegings- en beïnvloedingsavonturen van die aard dat ze dit boekje het lezen waard en bij momenten zelfs zeer grappig maken zelfs al ware het doel van de hoofdpersoon (of hoofdschim, want er zijn er ook nog wel andere, al treden die niet in de eerste persoon, euh, schim, op) niet dat wrak en naderhand zijn (voormalig) lief geweest. Passages als deze mogen daarvan getuigen: “Mijn hele leven lang ben ik bang geweest van honden, en zeker van paarden. Dergelijke gevoelens bestaan natuurlijk niet meer. Soms kies ik een hond als bewegende gastheer en éénmaal heb ik me gevloeid om de kop van een paard dat bereden werd door een rijkswachter, voor de eerste maal op weg naar een universiteit.” Of: “In de patio neem ik een vrouw en op straat een postbode.”

Zonder te veel weg te geven over het verloop van het verhaal – met een exemplaar van nog geen vijftig bladzijden is dat nu eenmaal snel gebeurd -, wil ik het wel, en ten slotte, nog even hebben over de titel ervan. De fysieke verklaring ervoor komt op pagina vierendertig, als de ik-schim terug in Antwerpen is, meer bepaald in zijn eigen huis, of toch zijn voormalige huis, waar zijn vriendin Minka nog steeds woont: “Vermits ik het voornemen heb me hier definitief te nestelen, kies ik met overleg een plaats. In de nis boven de open haard vloei ik me om de hand van Sint-Antonius van Padua en begin te verblijven.” Dat van die hand herhaalt hij ook nog verschillende keren, zonder er evenwel ooit bij te vertellen dat het de linkerhand is. Een ‘detail’ dat hij alleen in de titel toevoegde dus. Terwijl het al intrigerend is dat hij over die hand blijft doorgaan. Dat die dus belangrijk is als verblijfplaats. Terwijl er toch verder niks mee gebeurt. Voor jonge of minder met de heilige Sint-Antonius bekende lezers dus een raadsel; voor iemand die vroeger zijn snoep ging kopen in een winkel naast een kapelletje gewijd aan Toontje, zoals hij in onze streek genoemd werd, al een stuk minder: Sint-Antonius is namelijk niet alleen de patroonheilige van de franciscanen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers en verliefden, tegen schipbreuk, de pest en koorts, maar ook – en dat is waarom hij het vaakst wordt aangeroepen in katholieke kringen – degene die je kan helpen verloren voorwerpen terug te vinden. Ook in dit geval dus, maar met de pech dat dat verloren voorwerp niet helemaal blijkt te zijn wat de ik-persoon er van verwacht had. De heilige heeft hem dus een handje geholpen, maar slechts een linkerhandje.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !