Ik weet niet of het werkelijk zo is, maar op basis van het aantal
boekjes dat ik van Frank Liedel in mijn boekenkasten heb (of had)
staan, moet ik bijna afleiden dat hij een van de meest actieve
schrijvers in de stal van De Clauwaert (v.z.w.) was. Na
voorliggend Om de linkerhand van St.-Antonius van Padua rest
me nog slechts Kwadratuur, maar in de voorbije jaren besprak
ik van hem ook al De krant uit Santa Fé,
De late zaligheid van Mon De Cocker,
Dover,
en Schildpad,
waarvan het eerste na lezing zelfs bleef staan in mijn boekenkasten,
wat toch een absolute zeldzaamheid is wat de in de
Novellenbibliotheek verschenen boekjes betreft.
Dat, het in mijn bibliotheek blijven staan na lezing, lijkt (ik
behoud me het recht voor tijdens deze bespreking van gedacht te
veranderen) ook het geval te gaan worden met Om de linkerhand van
St.-Antonius van Padua. Niet omdat dit veel beter geschreven is
dan De late zaligheid van Mon De Cocker, Dover en
Schildpad, want ook die boekjes waren goed geschreven, waarmee
ik er maar op wil wijzen dat ‘goed geschreven’ niet het enige
criterium is om een boek(je) in mijn boekenkasten te houden: enige
originaliteit vanwege de schrijver en enige interesse in het verhaal
van mijnentwege dragen daar evenzeer toe bij.
Wat die interesse in het verhaal betreft: Om de linkerhand van
St.-Antonius van Padua is het verhaal van een bedrogen geliefde
en ligt daarmee niet bijzonder hoog in mijn interesseschuif. Maar…
het is een post-mortemverhaal. Dat de geliefde bedrogen is,
komt hij pas te weten na zijn dood, en wel door zijn vriendin te
betrappen met zijn voormalige garagehouder. Als zoiets gebeurd was
terwijl hij nog leefde, zou dit uiteraard gewoon een lullig verhaal
geweest zijn, tenzij er moord en doodslag gevolgd was en dan nog,
maar als na-de-doodervaring verteld, met een afstandelijkheid die
ongetwijfeld alleen een dooie kan opbrengen, is het bijzonder.
Wat de originaliteit van het verhaal aangaat: die ligt niet alleen in
het dood zijn van de ik-persoon, maar ook in de vorm waarin hij nog
is. Liedel maakt daar niet domweg een spook van, maar een
schim, met z’n schimmige moeilijkheden en voordelen. Onder die
voordelen uiteraard het fenomeen dat hij niet zichtbaar is – al zou
hij dat bij momenten wel eens willen -, onder die moeilijkheden zijn
gebrek aan invloed op de gebeurtenissen en het zich verplaatsen door
de wereld. Dat laatste is zelfs, zo meent hij helemaal in het begin,
als hij met de deur in huis valt, “het enige probleem”: “En dat
is merkwaardig, omdat je verwacht dat (…) [de voortbeweging]
flitsend zou gebeuren, zoals het overspringen van een elektrische
vonk op het schakelbord van onze Otis-lift. Wij bewegen ons
integendeel voort als slappe kinderballons in een lange gang nagenoeg
zonder tocht, amper een zuchtje door het sleutelgat van de deur naar
de andere kamer”. Een probleem dat al snel opgelost raakt een keer
hij er achter komt dat hij ook kan meeliften met een bewegend
voorwerp of persoon door zich daarrond te gaan draaien. Waarbij dat
voorwerp of die persoon nog wel de goede richting uit moeten gaan
natuurlijk, iets wat hem, als hij niet te vaak zomaar wil blijven
rondhangen, op zijn voorgenomen reis richting het uitgebrande wrak
van zijn auto in Aurillac (Frankrijk, ter hoogte van links Bordeaux
en rechts Turijn) het ongenode gezelschap doet worden van een trio
Zweden, in het bijzonder ene Shirly. Een gelegenheid waarbij hij niet
alleen enige genegenheid opvat voor genoemde Shirly, maar er ook
achterkomt dat hij wel degelijk een zekere invloed kan uitoefenen:
Shirly is vatbaar voor zijn influisteringen en Shirly zorgt er
uiteindelijk ook voor dat er vanuit het departement Cantal afgereisd
wordt naar Antwerpen. Taxi Shirly dus en later nog wat meer ook (dat
leest u zelf maar), maar ook in het algemeen zijn de voortbewegings-
en beïnvloedingsavonturen van die aard dat ze dit boekje het lezen
waard en bij momenten zelfs zeer grappig maken zelfs al ware het doel
van de hoofdpersoon (of hoofdschim, want er zijn er ook nog wel
andere, al treden die niet in de eerste persoon, euh, schim, op) niet
dat wrak en naderhand zijn (voormalig) lief geweest. Passages als
deze mogen daarvan getuigen: “Mijn hele leven lang ben ik bang
geweest van honden, en zeker van paarden. Dergelijke gevoelens
bestaan natuurlijk niet meer. Soms kies ik een hond als bewegende
gastheer en éénmaal heb ik me gevloeid om de kop van een paard dat
bereden werd door een rijkswachter, voor de eerste maal op weg naar
een universiteit.” Of: “In de patio neem ik een vrouw en op
straat een postbode.”
Zonder te veel weg te geven over het verloop van het verhaal – met
een exemplaar van nog geen vijftig bladzijden is dat nu eenmaal snel
gebeurd -, wil ik het wel, en ten slotte, nog even hebben over de
titel ervan. De fysieke verklaring ervoor komt op pagina
vierendertig, als de ik-schim terug in Antwerpen is, meer bepaald in
zijn eigen huis, of toch zijn voormalige huis, waar zijn vriendin
Minka nog steeds woont: “Vermits ik het voornemen heb me hier
definitief te nestelen, kies ik met overleg een plaats. In de nis
boven de open haard vloei ik me om de hand van Sint-Antonius van
Padua en begin te verblijven.” Dat van die hand herhaalt hij ook
nog verschillende keren, zonder er evenwel ooit bij te vertellen dat
het de linkerhand is. Een ‘detail’ dat hij alleen in de
titel toevoegde dus. Terwijl het al intrigerend is dat hij over die
hand blijft doorgaan. Dat die dus belangrijk is als
verblijfplaats. Terwijl er toch verder niks mee gebeurt. Voor jonge
of minder met de heilige Sint-Antonius bekende lezers dus een
raadsel; voor iemand die vroeger zijn snoep ging kopen in een winkel
naast een kapelletje gewijd aan Toontje, zoals hij in onze streek
genoemd werd, al een stuk minder: Sint-Antonius is namelijk niet
alleen de patroonheilige van de franciscanen, vrouwen en kinderen,
armen, bakkers, mijnwerkers, het huwelijk, reizigers en verliefden,
tegen schipbreuk, de pest en koorts, maar ook – en dat is waarom
hij het vaakst wordt aangeroepen in katholieke kringen – degene die
je kan helpen verloren voorwerpen terug te vinden. Ook in dit geval
dus, maar met de pech dat dat verloren voorwerp niet helemaal blijkt
te zijn wat de ik-persoon er van verwacht had. De heilige heeft hem
dus een handje geholpen, maar slechts een linkerhandje.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !