maandag 26 januari 2026

Aanvaard het leven – Filip De Pillecyn (boekbespreking door Björn Roose)

Aanvaard het leven – Filip De Pillecyn (boekbespreking door Björn Roose)
Een mens zou haast gaan denken dat Filip De Pillecyn, of minstens zijn boeken en andere teksten, meer dan zestig jaar na zijn overlijden weer of nog steeds goed in de markt ligt (of liggen): in 2020 verscheen (en ik houd het bij de uitgaves die ik in handen kreeg, want er waren er nog meer) bij Doorbraak een ont-censureerde uitgave van Mensen achter de dijk, in 2024 bij Manteau/Standaard Uitgeverij het driehonderdzesendertig bladzijden tellende De dwarsligger, een bundeling van een aantal tussen 1922 en 1928 in Pallieter verschenen teksten van zijn hand, en in november van 2025 een heruitgave, eveneens ont-censureerd, van Aanvaard het leven. De kans dat u dat laatste, tevens voorliggende boek ooit in handen krijgt, is echter klein: het werd uitgegeven op amper 100 exemplaren en naar de opkomst op de boekvoorstelling te oordelen, zijn de meeste daarvan intussen in goede handen.

Een boekvoorstelling? Inderdaad. Het was zéér lang geleden dat ik er nog eens een had bijgewoond en het was mijn eerste van het Filip De Pillecyn Genootschap (ook wel, zelfs intern, aangeduid als het Filip De Pillecyn Comité), al bestaat dat intussen al sinds 2003 en woon ik sinds 2010 in de thuishaven ervan (en van de in 1962, helaas in Gent, overleden schrijver). Een Genootschap dat allicht ook de drijvende kracht is geweest achter de eerstgenoemde twee uitgaves, want stichter en voorzitter (annex motor) Emmanuel Waegemans (wiens De Russische Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland ik eerder besprak) mocht er telkens het Ten geleide bij leveren. Zoals hij dat ook deed voor Aanvaard het leven, al heet het voorwoord daarin niet Ten geleide, maar Aanvaard het leven in de Vlaamse pers, wat een beetje een knullige titel is aangezien het over veel meer gaat dan wat in die ‘Vlaamse’ pers bij het verschijnen van de oorspronkelijke uitgave (in 1956) geschreven werd. Bijvoorbeeld over de reden waarom er überhaupt een uitgeverij als De Clauwaert (ook bekend als Boekengilde De Clauwaert, al dan niet aangeduid als ‘vzw’), sinds 1999 opgegaan in Davidsfonds en in 2009 na een goede zestig jaar bestaan te hebben ‘vereffend’, werd gesticht: “In 1956 verscheen de roman Aanvaard het leven van Filip De Pillecyn bij De Clauwaert, de uitgeverij die in 1949 was opgericht om het werk van de auteur te kunnen uitgeven, omdat de net vrijgekomen schrijver taboe was voor Scriptores Catholici. Tussen 1949, het jaar van de vrijlating van De Pillecyn en de oprichting van De Clauwaert, en 1956, het verschijnen van Aanvaard het leven, publiceerde deze uitgeverij ook nog andere nieuwe werken van Filip De Pillecyn: De veerman en de jonkvrouw, Rochus en Vaandrig Antoon Serjacobs.” Wat mij altijd een raadsel was geweest, namelijk dat in 1998 bij Davidsfonds/Clauwaert De Pillecyns novelle De aanwezigheid verscheen terwijl De Clauwaert zich, naar mijn smaak, altijd bezig gehouden had met het uitgeven van voornamelijk emo-rommel, werd daarmee afdoende verklaard, al had wat meer rondkijken in mijn eigen boekenkasten me misschien ook al eerder kunnen aanzetten tot speurwerk: De veerman en de jonkvrouw in de uitgave van De Clauwaert zit daar namelijk ook in, net zoals Elizabeth, Face au mur, Mensen achter de dijk (waarvan ik meerdere edities staan heb), Monsieur Hawarden (in de bespreking waarvan ik nochtans opmerkte dat het uitgegeven was bij De Clauwaert), en Rochus. Even had ik na deze ‘ontdekking’ dan ook de neiging nooit meer een kwaad woord te schrijven over De Clauwaert, maar het valt toch wel jammer te noemen dat er niet méér auteurs van het kaliber van De Pillecyn in het fonds van de uitgeverij zaten.

Soit, we hadden het over Aanvaard het leven, een verhaal dat ik ook al in mijn boekenkasten had voor ik de uitgave van het Filip De Pillecyn Genootschap kocht, zijnde in een omnibus uitgegeven door het Davidsfonds in 1985, maar dan niet helemaal. Zoals aangegeven is de versie van het Filip De Pillecyn Genootschap immers ont-censureerd, wat wil zeggen dat er in vorige versies, ook als die als eerste verschenen bij een uitgeverij die hij mee oprichtte kennelijk, gecensureerd werd. Omdat Emmanuel Waegemans de oorspronkelijk weg gecensureerde woorden en zinnen in deze uitgave schuin heeft laten afdrukken (hij vertelde tijdens de boekvoorstelling dat het een helse klus was het hele boek weer over te tikken vanaf het oorspronkelijke manuscript) is ook makkelijk na te gaan of dat klopt, al viel het aantal passages waarin dat zo was in dit geval toch wel zeer goed mee. “Het was het verlies van zijn geloof in de mens, grondslag van ieder geloof” blijkt inderdaad veranderd geweest te zijn in “Het was het verlies van zijn geloof”. “En heel deze bezettingstijd verliep zonder onlusten met onderdrukte ontevredenheid” werd inderdaad “En heel deze bezettingstijd verliep zonder onlusten”. Maar “Zij was opgenomen in het misprijzen van de mensen dat zijn avontuur hem had geleerd” werd gelukkig niet vermassacreerd tot “Zij was opgenomen in het misprijzen van de mensen dat zijn hem had geleerd”. Het “avontuur” werd in die zin vervangen door de “ervaring”. Muggenzifterij van de censor, natuurlijk, en ook wel een beetje van mij, maar in dit geval had behalve het schuin gedrukte, weg gecensureerde woord ook het woord waardoor het vervangen werd mogen vermeld worden.

Waarna ik toekom aan een ander klein gebrek aan dit boek: de er in opgenomen, voor zover ik begrepen heb, speciaal voor dit boek door lokaal schilder Luc Verbist gemaakte ‘illustraties’, werden (op een drietal uitzonderingen na) gefotografeerd op het doek waarop ze geschilderd werden, maar terwijl dat doek tegen de muur hing. Ik besef dat croppen een beetje meer werk was geweest, maar de schilderijen konden dan wel groter afgebeeld worden en niet voorzien van de slagschaduwen die doeken nu eenmaal op beige achtergronden werpen. Er valt voor de rest ook nog wel wat te zeggen over het bronnenmateriaal dat Verbist in sommige gevallen gebruikte – de foto van zijn met sigaar toneelspelende vader als basis voor zijn schilderij van de ‘meester’, bijvoorbeeld -, maar dat het in een formaat van soms nog geen derde van een bladzijde niet helemaal tot zijn recht komt, is duidelijk.

Nu goed, het onderwerp: Paul Danneels heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront gevochten tegen de Russen - iets wat nu zou toegejuicht worden, maar toen ze er daar echt nog een zeer mensonvriendelijk wereldbeeld op nahielden fout geacht -, heeft daarvoor een tijdje in de gevangenis gezeten, en moet bij zijn vrijlating terug aarden bij zijn familie (vader, moeder, zus) en in zijn dorp (Hamme uiteraard, voor de inboorlingen onder andere herkenbaar aan De Pillecyns beschrijving van het café dat ooit De Koolputten was of De Kroon waar nu het Belfius-kantoor zit, maar ook aan een zin als “deze verachterde fabrieksgemeente die nog steeds de sporen vertoonde van tientallen jaren deemoedig analfabetisme”). Terwijl hij daar nog mee bezig is en een job als medisch vertegenwoordiger heeft aangenomen omdat hij als ‘collaborateur’ zijn studies niet terug mag aanvatten, ontmoet hij het meisje waarmee hij samen was voor hij naar het oosten trok, een meisje dat intussen getrouwd is en waarmee hij, ondanks het feit dat hij de liefde niet meer voelt die hij voorheen voelde, een geheime relatie begint. En dan komt in het dorp ook nog een ‘collega’ uit het kamp van Lokeren bij hem terecht die op de vlucht is voor de arm der wet en even moet onderduiken alvorens verder te trekken naar Antwerpen alwaar hij hoopt aan boord te gaan van een of andere oceaanstomer. Tussen dat alles door: de gesprekken met zijn oud-leraar, genoemde ‘meester’, die eveneens aangepakt is na de oorlog, volkomen gebroodroofd zelfs, die ook als vertegenwoordiger ‘de baan doet’, maar zijn wijsheid niet is kwijtgespeeld. Ik ga er wat kort door, korter dan Emmanuel Waegemans in zijn inleiding ook, maar als u het hele verhaal wil, dan leest u dat maar zelf, inclusief het einde dat door velen kennelijk bezien werd “als een mislukking, dit einde zou ‘gans het evenwicht van het boek aan het wankelen brengen’”. “Die ommekeer”, schrijft Waegemans daarover, “maakte weliswaar geen deel uit van het oorspronkelijke manuscript, pas later voegde De Pillecyn deze ‘hoopvolle toekomstblik’ toe, omdat hij het niet over zijn hart kreeg zijn ‘lotgenoten’ uitsluitend met rancune te overstelpen.” Wat natuurlijk een goede uitleg is, klaarblijkelijk ingegeven door De Pillecyn zelf, maar van mij niet gehoeven had. Ik vind dat einde zelfs essentieel. Ja, het boek had kunnen eindigen met de begrafenis van de ‘meester’, maar aan die begrafenis gaat wel de in de titel opgenomen boodschap “Aanvaard het leven” vooraf (een titel die oorspronkelijk Legioensoldaat Danneels had moeten worden, trouwens) en ‘aanvaarden’ heeft meerdere betekenissen. Een daarvan is kennelijk degene waartoe nogal wat mensen die willen beperken: iets onaangenaams dulden, iets met tegenzin accepteren. Een andere is echter: beginnen, ondernemen. En wat Danneels doet in het laatste hoofdstuk is ondernemen: hij gaat terug studeren in plaats van te blijven zitten in een job die hij niet graag doet, ook als dat studeren nog niet helemaal officieel toegelaten is, en hij begint aan een nieuwe liefde, in plaats van zinloos te blijven vasthangen aan de oude (of zich te laten koppelen aan degene die zijn ouders en het halve dorp wél zien zitten als zijn toekomstige). Ik zie dat laatste hoofdstuk dus als essentieel, niet als iets dat wringt. “Hij had er in zijn dagelijks leven veel ontmoet die zich hadden aangepast”, klinkt het ergens halverwege het boek nog. “Het was of, na de onderbreking, zij weer met het oude hadden aangeknoopt. Arbeiders werkten of gingen stempelen met de massa. Het was alsof op hem de vloek van de intellectueel woog. Hij kon niet aanknopen met het leven van vroeger”, en hij besluit dat uiteindelijk ook wijselijk niet te doen.

Nu goed, los daarvan, en zelfs los van de inhoud, bewijst De Pillecyn met dit boek eens te meer dat hij prachtig kon schrijven. Wie over iemand die losgelaten wordt uit de gevangenis het volgende schrijft, heeft een zeer ‘averechtse’ kijk op de wereld: “Het kleine deurtje van de grote poort van de gevangenis was in de voormiddag gesloten.” Wie een paar pagina’s later dit schrijft, bewijst dat hij er gezeten heeft: “Zijn hart klopte in de onzekerheid van zijn gemoed, want hij wist dat die thuis nooit meer dezelfde zou zijn omdat hij zelf anders was geworden.” En wie dit schrijft, heeft volkomen gelijk: “Zoals het recht dienaar is van de macht, zo wordt de moraal aan eigen voor- of afkeur dienstbaar gemaakt.”

Ik wil u tot slot van deze bespreking alleen nog een stuk van het gesprek dat Paul voert met de onderpastoor, die toen het huis van Pauls ouders door het naoorlogse ‘verzet’ geplunderd werd stond te grinniken, meegeven:



- En zijt ge ‘t al gewoon thuis, vroeg hij.

- Wel ja, zei Paul, maar ik kan moeilijk wennen aan die nieuwe meubels, ik was met die oude, soliede meubels opgegroeid.

- Het zijn toch schone meubels, meende de onderpastoor, en dure ook, zoudt ge zeggen.

Het was Paul of hij een bittere smaak in de mond kreeg.

- Gij hebt de oude zien kapot slaan, gij moet weten welke van beide de schoonste waren.

De onderpastoor schrok even op.

Ja, dat waren allemaal verdrietige zaken geweest, maar dat was nu, Goddank, voorbij. Het werd tijd dat er meer vrede in de harten kwam. Hij dronk een slokje van zijn porto.

- Het schijnt niet zo verdrietig te zijn geweest, zei Paul, vermits gij er zoveel plezier bij hadt.

- Dat is allemaal fel overdreven, was het antwoord, en ge moogt ook niet alles geloven wat de mensen zeggen.

Het was zeker overdreven, meende Paul, de meubels van de ouders kapot slaan omdat de zoon volgens hen misdaan had.

- Misschien is dat wel bijbels, mijnheer de onderpastoor, maar wat het met rechtvaardigheid, laat staan met christelijke naastenliefde te maken heeft, dat begrijp ik niet. Misschien kunt gij mij dat uitleggen vermits gij aangesteld zijt om van op de predikstoel het ware woord te verkondigen.

De onderpastoor was geen welsprekend man. Hij stotterde een beetje toen hij antwoordde:

- Mijnheer Paul, de tijden waren moeilijk en het was onmogelijk tegen de volkswoede in te gaan en dan gebeuren er dingen die de mensen later betreuren.

- Volkswoede, viel Paul uit, de jonge snaken die gij maanden lang de rol geleerd hebt die zij moesten spelen, en die gij toegejuicht hebt toen zij hun handwerk verrichten. Waarom zoudt gij de betreurenswaardige dingen, zoals gij dat noemt, belet hebben vermits gij ze zelf hebt voorbereid.

- Abuus, abuus, riep de onderpastoor uit, de geestelijkheid mocht haar gezag niet riskeren om op te treden in zo’n moeilijke tijden.

- Als een priester maar priester is als het gemakkelijk gaat, waarom predikt gij dan over de belijders en de martelaars. Het is in moeilijke omstandigheden dat gij moet tonen dat gij priester zijt. Ik vraag aan u geen martelaarschap, maar rechtvaardigheid en naastenliefde. En ik vraag mij af wat priesterlijks er in u was als gij de gemeente rondliept en uw hart ging ophalen overal waar er geslagen, geplunderd en verwoest werd. Gij zegt nu: ‘Dat is allemaal voorbij,’ maar bij God, het is niet voorbij. Of meent gij dat gij dat alles kunt wegmoffelen in de mouw van uw soutane?”

Een stuk waarin De Pillecyn één van de frustraties meegaf van de Vlaamse Beweging na de repressie. Frustraties die hij ook voor de rest één voor één de revue laat passeren in dit boek. Frustraties waar hij desalniettemin een prachtig boek van wist te maken. Dat De Pillecyn desondanks of juist daarom voor zovele lezers een volslagen onbekende is en blijft, is daarom des te frustrerender.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !