Eerlijk is eerlijk, de naam Adriaan van Dis deed bij mij tot voor
kort alleen belletjes afgaan in verband met tv-programma’s die ik
nooit gezien had. Dat zijn gewoon de meeste tv-programma’s, voor
alle duidelijkheid, maar Van Dis was dus, onder andere maar vooral,
presentator van – hoe onverwacht – Hier is… Adriaan van Dis.
Een van die vele programma’s die ik nooit gezien en nooit gemist heb.
In tegenstelling tot het feit dat hij ook schrijver was (of is, want
zijn voorlopig laatste werk dateert uit 2024, al wordt hij volgend
jaar tachtig) en wel al sinds 1983. Shame on me bijgevolg,
maar voorliggend Op oorlogspad in Japan heeft me er in ieder
geval van overtuigd dat ik behalve het daarnaast reeds in mijn
boekenkasten staande Het beloofde land bij gelegenheid ook
maar eens wat andere boeken van hem moet in huis halen, al zullen dat
dan eerder Tikkop, Casablanca of In Afrika zijn
dan Zilver of Dubbelliefde. De tweeledigheid van de
auteur wat betreft zijn afkomst (half Nederlands-Indisch, half
Nederlands) interesseert me immers beduidend meer dan de
tweeledigheid van de auteur wat zijn seksuele smaak aangaat.
Op oorlogspad in Japan gaat dan ook niet over dat laatste, maar, om
even kort door de bocht te gaan, over de ervaringen van zijn ouders
met de Japanse overnemers van Nederlands-Indië tijdens de Tweede
Wereldoorlog. Bij momenten is dat meer een kapstok dan het eigenlijke
onderwerp, maar het werd klaarblijkelijk wel de rode draad doorheen
Van Dis’ reis naar Japan in het voorjaar van 2000, een reis waartoe
hij samen met een aantal andere Nederlandse schrijvers was
uitgenodigd om op de Boekenbeurs in Tokio hun naar het Japans
vertaalde boeken voor te stellen: “(…) ik zou een lezing houden
ter ere van de nieuwe behuizing van het Japan-Nederland Instituut.
Niet dat ik van het bestaan afwist – ik ben geen Japan-kenner –
maar naast alle officiële sprekers verlangden de organisatoren naar
een minder opgepoetste spreker. En waarom dan geen schrijver, ze
liepen nu toch los. Ik was vrij in mijn onderwerp. ‘Niet over de
oorlog,’ zei ik zonder dat me iets was gevraagd. Het opgeluchte
ademhalen aan de andere kant van de lijn had een waarschuwing moeten
zijn; eager to please als ik ben, had ik mezelf nog voor de eerste
regel op schrift stond een verbod opgelegd en daarmee had ik meteen
het onderwerp te pakken: ik zou het hebben over hoe verboden Japan
voor mij was; en natuurlijk kwam dat allemaal door die stomme oorlog.
Erg beleefd vond ik het niet tegenover mijn gastheren, en was het ook
niet tamelijk bot om op de dag van de viering van vierhonderd jaar
Japans-Nederlandse betrekkingen met een dieptepunt te beginnen? Maar
een beetje oorlog moest – alleen aan het begin: ik had schaduw
nodig om de contouren van mijn fascinatie voor Japan te kunnen schetsen.”
Met de tekst van genoemde toespraak, onder de titel Verboden land,
begint dus dit boek. Waarmee die toespraak op zich weer de contour
vormt van wat daarna volgt. Het hoofdstuk Moeder keurt de lezing
in de eerste plaats. Moeder die denkt dat ze eventueel nog inspraak
heeft, terwijl de lezing al lang en breed gedrukt is. Moeder die nog
eens ondervraagd wordt door haar zoon (“Wie interviewt er nou zijn
eigen negentigjarige moeder?”). Maar ook moeder die haar zegen geeft.
Waarna het enige nog resterende hoofdstuk volgt, Toeristenbrieven,
naar de reisbrieven uit Azië die Louis Couperus schreef, al is dat
hoofdstuk dan ingedeeld in een dozijn subhoofdstukken. Eentje met de
titel Naar het uiterste oosten helemaal aan het begin,
natuurlijk: “Couperus heeft me al lekker gemaakt… mooier dan de
Betuwe zal het daar bloeien, de Japanse kersenboom draagt een
grotere, vollere bloesem en heel het land zal in feeststemming zijn.
Jarenlang knippen en manipuleren heeft van de bomen kunstwerken
gemaakt – de smaak van kers is eraan opgeofferd: men viert de vorm,
niet de vrucht.” En men wil die vorm proper houden, zo blijkt uit
het daaropvolgende hoofdstuk Buigen en boenen: “Dichter bij
Tokio bestudeer ik het ingehouden rijden. In colonne, zij aan zij,
niemand die de aangegeven snelheid overschrijdt. Later, als ik
uitgepakt en opgefrist de stad inga, verbaas ik me over het
gedisciplineerde wachten voor de stoplichten, niet één die door
rood loopt, ook als de weg vrij is. Ik voeg me in kaarsrechte rijen,
neem de juiste kant van de trap – dalers links, stijgers rechts –
en schuif aan achter de witte streep waar om de twee minuten de deur
van een metrowagon zal openzoeven. Mijn ogen likken perrons zonder
peuk en de glimmende gangpaden in de wagons. Reclameborden bungelen
boven mijn hoofd, nergens een snor op de modellen, geen graffiti,
junk of zwerver, geen penetrante geur tijdens het spitsuur; zweten de
mensen hier niet, pist er dan niemand in zijn broek? Een paar haltes
verder poetsen twee mannen de leuning van de roltrap, ze duwen met
volle kracht een met alcohol bedwelmde doek tegen het voortdraaiende
rubber. En daar staan er weer twee op een ladder, plastic
wegwijsborden open te schroeven en dooie muggen uit te bezemen. Ik
wil ook een Japanse poetser thuis (…) Ik verplaats me in een
geboende stad en ik vind het héérlijk.”
Maar niet heus. Want in het daaropvolgende Vuile handen probeert
hij er al achter te komen hoe hij achter de façade komt, een vraag
die hij stelt aan Ian Buruma, jaren in Tokio woonachtig, spreker en
lezer van de taal. Onder andere in hun voorliefde voor manga’s,
klaarblijkelijk: “De stripblaadjes die jong en oud, man en vrouw,
in de ondergrondse lezen. Dankzij mijn lengte las ik al menig verhaal
over vreemde schouders mee. Je hoeft geen Japans te kennen om te
begrijpen waar het over gaat. Schiet-, schop- en donderavonturen met
veel seks. Op de Boekenbeurs liggen ze bij honderden uitgestald, want
de uitgevers mogen dan deftig met westerse vertaalde literatuur
flirten, het aanbod van plaatjes is groter dan dat van het woord. Ik
zag al manga in automaten onderweg – op kleuterhoogte - maar in
deze buurt, niet ver van Yoshiwara, de oude hoerenwijk, liggen ook de
allerblootste varianten voor het grijpen, de ero-manga – het meest
verkochte genre, gewoon bij de kruidenier, naast de rijstballen.”
Maar daar houdt de fysieke verkenning van de stad en het land wel zo’n
beetje op (als je het avondje kijken naar “countertenor” – wat
is er mis met ‘contratenor’?, vraag ik me dan af – Tomotaka
Okomoto en het niet gerealiseerde bezoek aan het Yasukinischrijn niet
meerekent). Volgen de schermutselingen op en rond de boekenbeurs.
Schermutselingen met oude Japanners die de gebeurtenissen in
Nederlands-Indië op een heel andere manier dan Van Dis’ vader en
moeder of zelfs helemaal niet hebben gezien. Of toch hun best doen om
die niet te hebben gezien. “Wat weet ik eigenlijk van die oorlog?”,
vraagt Van Dis zich desalniettemin af. “Ik ken alleen de verhalen
van thuis – de achterafverhalen van na het grote zwijgen; de
geschiedenis heb ik nooit willen lezen.” En aan de andere kant wat
Ian Buruma hem zegt: “Stel je voor, je vocht voor een ideaal en de
rest van je leven wordt je verteld dat het eigenlijk schandalig was.
Die spanning knaagt!” En niet alleen voor Japanners, zou ik daar
aan toevoegen, zó ver hoef je daarvoor niet te lopen. Ook al niet
wat de uitgedeelde straffen betreft: “(…) een tweede luitenant
kreeg”, aldus amateur-historicus Morohoshi, “levenslang –
‘omdat hij de administratie van zijn kamp verbrandde’; de ‘army
doctor’ vijftien jaar – ‘een man die nooit een wapen had
vastgehouden’. De luitenant-generaal die de verantwoordelijkheid
droeg voor het bestuur op héél Sumatra werd ter dood veroordeeld –
‘opgehangen’. De hoogste commandant van Morohoshi’s eigen
bataljon kreeg geen straf, een man onder hem levenslang. ‘Het was
pure wraak. Er heeft geen enkel onderzoek plaatsgevonden. Waarom de
een wel, de ander niet? De gestraften hebben als symbool gediend.’”
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !