dinsdag 13 januari 2026

Op oorlogspad in Japan – Adriaan van Dis (boekbespreking door Björn Roose)

Op oorlogspad in Japan – Adriaan van Dis (boekbespreking door Björn Roose)
Eerlijk is eerlijk, de naam Adriaan van Dis deed bij mij tot voor kort alleen belletjes afgaan in verband met tv-programma’s die ik nooit gezien had. Dat zijn gewoon de meeste tv-programma’s, voor alle duidelijkheid, maar Van Dis was dus, onder andere maar vooral, presentator van – hoe onverwacht – Hier is… Adriaan van Dis. Een van die vele programma’s die ik nooit gezien en nooit gemist heb.

In tegenstelling tot het feit dat hij ook schrijver was (of is, want zijn voorlopig laatste werk dateert uit 2024, al wordt hij volgend jaar tachtig) en wel al sinds 1983. Shame on me bijgevolg, maar voorliggend Op oorlogspad in Japan heeft me er in ieder geval van overtuigd dat ik behalve het daarnaast reeds in mijn boekenkasten staande Het beloofde land bij gelegenheid ook maar eens wat andere boeken van hem moet in huis halen, al zullen dat dan eerder Tikkop, Casablanca of In Afrika zijn dan Zilver of Dubbelliefde. De tweeledigheid van de auteur wat betreft zijn afkomst (half Nederlands-Indisch, half Nederlands) interesseert me immers beduidend meer dan de tweeledigheid van de auteur wat zijn seksuele smaak aangaat.

Op oorlogspad in Japan gaat dan ook niet over dat laatste, maar, om even kort door de bocht te gaan, over de ervaringen van zijn ouders met de Japanse overnemers van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij momenten is dat meer een kapstok dan het eigenlijke onderwerp, maar het werd klaarblijkelijk wel de rode draad doorheen Van Dis’ reis naar Japan in het voorjaar van 2000, een reis waartoe hij samen met een aantal andere Nederlandse schrijvers was uitgenodigd om op de Boekenbeurs in Tokio hun naar het Japans vertaalde boeken voor te stellen: “(…) ik zou een lezing houden ter ere van de nieuwe behuizing van het Japan-Nederland Instituut. Niet dat ik van het bestaan afwist – ik ben geen Japan-kenner – maar naast alle officiële sprekers verlangden de organisatoren naar een minder opgepoetste spreker. En waarom dan geen schrijver, ze liepen nu toch los. Ik was vrij in mijn onderwerp. ‘Niet over de oorlog,’ zei ik zonder dat me iets was gevraagd. Het opgeluchte ademhalen aan de andere kant van de lijn had een waarschuwing moeten zijn; eager to please als ik ben, had ik mezelf nog voor de eerste regel op schrift stond een verbod opgelegd en daarmee had ik meteen het onderwerp te pakken: ik zou het hebben over hoe verboden Japan voor mij was; en natuurlijk kwam dat allemaal door die stomme oorlog. Erg beleefd vond ik het niet tegenover mijn gastheren, en was het ook niet tamelijk bot om op de dag van de viering van vierhonderd jaar Japans-Nederlandse betrekkingen met een dieptepunt te beginnen? Maar een beetje oorlog moest – alleen aan het begin: ik had schaduw nodig om de contouren van mijn fascinatie voor Japan te kunnen schetsen.”

Met de tekst van genoemde toespraak, onder de titel Verboden land, begint dus dit boek. Waarmee die toespraak op zich weer de contour vormt van wat daarna volgt. Het hoofdstuk Moeder keurt de lezing in de eerste plaats. Moeder die denkt dat ze eventueel nog inspraak heeft, terwijl de lezing al lang en breed gedrukt is. Moeder die nog eens ondervraagd wordt door haar zoon (“Wie interviewt er nou zijn eigen negentigjarige moeder?”). Maar ook moeder die haar zegen geeft.

Waarna het enige nog resterende hoofdstuk volgt, Toeristenbrieven, naar de reisbrieven uit Azië die Louis Couperus schreef, al is dat hoofdstuk dan ingedeeld in een dozijn subhoofdstukken. Eentje met de titel Naar het uiterste oosten helemaal aan het begin, natuurlijk: “Couperus heeft me al lekker gemaakt… mooier dan de Betuwe zal het daar bloeien, de Japanse kersenboom draagt een grotere, vollere bloesem en heel het land zal in feeststemming zijn. Jarenlang knippen en manipuleren heeft van de bomen kunstwerken gemaakt – de smaak van kers is eraan opgeofferd: men viert de vorm, niet de vrucht.” En men wil die vorm proper houden, zo blijkt uit het daaropvolgende hoofdstuk Buigen en boenen: “Dichter bij Tokio bestudeer ik het ingehouden rijden. In colonne, zij aan zij, niemand die de aangegeven snelheid overschrijdt. Later, als ik uitgepakt en opgefrist de stad inga, verbaas ik me over het gedisciplineerde wachten voor de stoplichten, niet één die door rood loopt, ook als de weg vrij is. Ik voeg me in kaarsrechte rijen, neem de juiste kant van de trap – dalers links, stijgers rechts – en schuif aan achter de witte streep waar om de twee minuten de deur van een metrowagon zal openzoeven. Mijn ogen likken perrons zonder peuk en de glimmende gangpaden in de wagons. Reclameborden bungelen boven mijn hoofd, nergens een snor op de modellen, geen graffiti, junk of zwerver, geen penetrante geur tijdens het spitsuur; zweten de mensen hier niet, pist er dan niemand in zijn broek? Een paar haltes verder poetsen twee mannen de leuning van de roltrap, ze duwen met volle kracht een met alcohol bedwelmde doek tegen het voortdraaiende rubber. En daar staan er weer twee op een ladder, plastic wegwijsborden open te schroeven en dooie muggen uit te bezemen. Ik wil ook een Japanse poetser thuis (…) Ik verplaats me in een geboende stad en ik vind het héérlijk.”

Maar niet heus. Want in het daaropvolgende Vuile handen probeert hij er al achter te komen hoe hij achter de façade komt, een vraag die hij stelt aan Ian Buruma, jaren in Tokio woonachtig, spreker en lezer van de taal. Onder andere in hun voorliefde voor manga’s, klaarblijkelijk: “De stripblaadjes die jong en oud, man en vrouw, in de ondergrondse lezen. Dankzij mijn lengte las ik al menig verhaal over vreemde schouders mee. Je hoeft geen Japans te kennen om te begrijpen waar het over gaat. Schiet-, schop- en donderavonturen met veel seks. Op de Boekenbeurs liggen ze bij honderden uitgestald, want de uitgevers mogen dan deftig met westerse vertaalde literatuur flirten, het aanbod van plaatjes is groter dan dat van het woord. Ik zag al manga in automaten onderweg – op kleuterhoogte - maar in deze buurt, niet ver van Yoshiwara, de oude hoerenwijk, liggen ook de allerblootste varianten voor het grijpen, de ero-manga – het meest verkochte genre, gewoon bij de kruidenier, naast de rijstballen.”

Maar daar houdt de fysieke verkenning van de stad en het land wel zo’n beetje op (als je het avondje kijken naar “countertenor” – wat is er mis met ‘contratenor’?, vraag ik me dan af – Tomotaka Okomoto en het niet gerealiseerde bezoek aan het Yasukinischrijn niet meerekent). Volgen de schermutselingen op en rond de boekenbeurs. Schermutselingen met oude Japanners die de gebeurtenissen in Nederlands-Indië op een heel andere manier dan Van Dis’ vader en moeder of zelfs helemaal niet hebben gezien. Of toch hun best doen om die niet te hebben gezien. “Wat weet ik eigenlijk van die oorlog?”, vraagt Van Dis zich desalniettemin af. “Ik ken alleen de verhalen van thuis – de achterafverhalen van na het grote zwijgen; de geschiedenis heb ik nooit willen lezen.” En aan de andere kant wat Ian Buruma hem zegt: “Stel je voor, je vocht voor een ideaal en de rest van je leven wordt je verteld dat het eigenlijk schandalig was. Die spanning knaagt!” En niet alleen voor Japanners, zou ik daar aan toevoegen, zó ver hoef je daarvoor niet te lopen. Ook al niet wat de uitgedeelde straffen betreft: “(…) een tweede luitenant kreeg”, aldus amateur-historicus Morohoshi, “levenslang – ‘omdat hij de administratie van zijn kamp verbrandde’; de ‘army doctor’ vijftien jaar – ‘een man die nooit een wapen had vastgehouden’. De luitenant-generaal die de verantwoordelijkheid droeg voor het bestuur op héél Sumatra werd ter dood veroordeeld – ‘opgehangen’. De hoogste commandant van Morohoshi’s eigen bataljon kreeg geen straf, een man onder hem levenslang. ‘Het was pure wraak. Er heeft geen enkel onderzoek plaatsgevonden. Waarom de een wel, de ander niet? De gestraften hebben als symbool gediend.’”

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !