vrijdag 16 januari 2026

Xanthippe – Paul Lebeau (boekbespreking door Björn Roose)

Xanthippe – Paul Lebeau (boekbespreking door Björn Roose)
Over Paul Lebeau, de auteur van voorliggend werk, Xanthippe, kan u, en dat is niet met alle Vlaamse auteurs het geval, een en ander lezen op Wikipedia. Dat hij geboren werd in Borgerhout in 1908, bijvoorbeeld, en stierf in Brussel in 1982. Of dat hij in 1930 doctoreerde met een proefschrift Het dilettantisme in de Nederlandse literatuur, in 1931 een loopbaan in het onderwijs begon, in 1934 “met succes had deelgenomen aan een interuniversitaire wedstrijd” waardoor hij de kans kreeg verder te studeren, en dat hij “cursussen [volgde] in vergelijkende literatuurstudie te Parijs en Berlijn”. Of dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog “enkele artikels [publiceerde] in Volk en Staat, waarin hij sympathie uitdrukte voor de Nieuwe Orde”, “lezingen in collaborerende verenigingen [gaf]”, en “als gevolg [daarvan] (…) bij de Bevrijding korte tijd [werd] aangehouden”. Of dat hij “na de oorlog (…) redacteur van Dietsche Warande en Belfort en bestuurslid van Boekengilde De Clauwaert [was]”, “onder het pseudoniem van Lambert Stiers (…) toe[trad] (…) tot de redactie van het Vlaams-nationale, culturele maandblad Golfslag” en “In 1953 (…) de literaire kring De Tafelronde [stichtte] en (…) mederedacteur van het gelijknamige tijdschrift [was]”. Of dat hij “les [gaf] aan verschillende athenea, tot hij in 1958 werd aangesteld als docent aan de toenmalige Economische Hogeschool Sint-Aloysius en vanaf 1960 ook aan de Facultés Universitaires St.Louis”, functies die hij bleef “uitoefenen tot zijn pensionering in 1978”. Of dat hij “in 1970 (…) lid [werd] van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde als opvolger van Stijn Streuvels”. Maar ook dat hij “vooral [naam maakte] met zijn historische roman Xanthippe (1959), waar hij zijn vroegere productie ruimschoots overtrof, en waarvoor hij drie maal bekroond werd. In deze roman laat hij, met veel medegevoel en begrip, de beruchte echtgenote van Socrates haar levensverhaal vertellen”.

Van wat u hierboven las als ‘feiten’ – ook daarover is af en toe wat te vinden op Wikipedia – vindt u ook heel wat terug in het boek. Of toch in de versie die ik daarvan heb, de in 1969 door voormelde Boekengilde De Clauwaert (u ongetwijfeld ook bekend van talloze andere door mij besproken boeken) in de serie Caleidoscoop der Nederlandse Letteren uitgegeven versie. Die is namelijk voorzien van aantekeningen “door Dr. P. Govaerts & Dr. B.F. Van Vlierden” (van wie ik de volledige namen niet achterhaald heb), die ook gezorgd hebben voor een tweeëndertig bladzijden lange bijlage onder de titel Vragen en opgaven, wat er dan weer schijnt op te wijzen dat deze uitgave voor het onderwijs was bedoeld (niemand dacht er in die tijd aan Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur te geven en boeken lezen op en/of voor school was toen nog een serieuze bezigheid). Behalve die bijlage, in de titel niet voor niets voorzien van een Romeins cijfer VII, vinden we achteraan in het boek dan ook hoofdstukken over De auteur (I), De generatie van 1936-39 (II), De motieven van Paul Lebeau (III), een Bibliografie met A. Werk van Paul Lebeau, B. Andere literaire werken over Xanthippe, en C. Over Paul Lebeau (IV), Xanthippe, legende of historie? (V), en Wat schrijvers en critici denken over Xanthippe (VI), toevoegingen waardoor de toenmalige scholieren het zonder twijfel zónder Wikipedia konden doen én… zich niet lieten misleiden door diezelfde ‘online encyclopedie’. De schrijvers en critici van toen waren namelijk niét van oordeel dat Xanthippe een “historische roman” was. En daar hadden ze volkomen gelijk in. Al is het maar omdat, zoals het in V. Xanthippe, legende of historie? luidt, men “Van Xanthippe, Sokrates’ echtgenote, (…) bitter weinig en eigenlijk niets met zekerheid [weet]”: “Ze wordt vermeld door de twee grote antieke schrijvers, Platoon en Xenophoon, die ons veel over Sokrates meegedeeld hebben. Meermaals gebeurt het dat men de grootheid van een historische en stilaan legendarisch geworden figuur meent te moeten steunen op de bekrompenheid van haar omgeving. De grote wijsheid van Sokrates werd een absoluut begrip, en Xanthippe betaalde zijn roem met haar slechte naam. Allerhande legenden ontstonden rondom haar persoon, waarvan de waarheid niet te achterhalen valt en overigens dikwijls mag betwijfeld worden. De geest van de Griekse wijsbegeerte uit die tijd heeft deze strekking ongetwijfeld voedsel gegeven: zij koesterde een grote minachting voor de vrouw, en zelfs de liefde tot haar werd als minderwaardig beschouwd. Slechts als moeder vond ze daarin genade. Zo werd de naam ‘Xanthippe’ synoniem en symbool van alle vrouwelijke gebreken, vooral van domheid en kijfzucht.”

“Het is een van de grootste verdiensten van Paul Lebeau”, luidt het dan ook verder in datzelfde hoofdstuk, “dat hij de legendarische figuur van Xanthippe een volledig menselijke en psychologische verantwoording heeft geschonken, die terzelfder tijd een rechtvaardiging is geworden. Aan de vlakke en eenzijdige karikatuur heeft hij een dimensie toegevoegd: die van het leven zelf dat hij in zijn boeiende roman heeft opgeroepen.” Vandaar dat Albert Westerlinck in Dietsche Warande en Belfort schreef: “Historische roman? De personen, de feiten en de milieuschildering zijn voor een deel historisch. Wie enigszins vertrouwd is met de klassieke oudheid zal worden bekoord door de fijnzinnige – en nergens pedante – schildering van het Griekse milieu in de eeuw van Perikles. Lebeau heeft er zelfs naar gestreefd, aan zijn roman een objectief waarheidskarakter, of liever de schijn daarvan, te geven door aan zijn stijl een klassieke allure te schenken. Beelden en taalwendingen roepen voortdurend klassieke herinneringen wakker. Toch zijn opzet en uitwerking van deze roman grotendeels subjektief-persoonlijk. Een groot deel van de handelingselementen en van de psychologische karakterinhoud van ‘Xanthippe’ is inventie van Lebeau. Het is hem ook niet om het vertellen van een antieke historie te doen. Hij wil integendeel een probleem, dat hem persoonlijk heeft getroffen, in een antiek verhaal vermommen zoals moderne auteurs vaak hebben gedaan (…)”.

De rest van de schrijvers en critici – Paul Hardy, Raymond Herreman, Feniks (van ‘t Pallieterke), Hubert Lampo, André Demedts, Bernard Kemp, Maria Rosseels, J. Snyders, H. Prijs, R. Van de Moortel, Urbain van de Voorde, en de “jury van de Literatuurprijsvraag der gemeente Hilvarenbeek 1960” –, of toch hun mening betreffende Lebeau’s Xanthippe, laat ik over aan wie dit boek in handen zou krijgen, maar sluit zeer nauw bij die van Westerlinck aan. Iets waar ik mee kan leven en wat ik niet as such ga herhalen. Ik voeg er liever een paar dingen aan toe. Deze Xanthippe is geschreven vanuit de positie van de hoofdpersoon zelf, die haar verhaal begint als een afscheidsbrief aan haar kinderen (en die van Socrates dus), een afscheidsbrief die ze opmaakt nadat ze al in den vleze – maar zonder dat de kinderen dat als dusdanig opgevat hebben – van hen afscheid genomen heeft en vóór dat ze zelf de gifbeker zal ledigen. Een afscheidsbrief die misschien – zoals de zelf nu ook niet meteen vlot schrijvende Hubert Lampo aangeeft – “ietwat stroef” begint, maar waardoor je als lezer al snel in de stijl van het verhaal zit en waar je na verloop van tijd, al helemaal als vanaf hoofdstuk II (niet te verwarren met bijlage II) het voortdurende letterlijk aanspreken van de kinderen vervalt, volkomen aan went: “Weent niet mijn zoons, nu gij deze rol uit mijn dode handen hebt losgemaakt, maar luistert naar mijn woorden. Ik heb de scheerlingbeker gedronken zoals destijds uw vader Sokrates. Want mijn taak is volbracht nu ook Menexenos gehuwd is en gij allen gelukkig woont in uw eigen huis. Ik ben niet heengegaan omdat gij mij verlaten hebt en nu een andere vrouw uw kleren weeft en uw maal bereidt. Ook niet omdat ik oud ben en mijn schoonheid sinds lang vervlogen weet als de rook van een uitgebrand vuur. En vooral niet omdat gij, mijn goede Hippobotos, die mij en de mijnen zoveel goeds gedaan hebt al die jaren, iets zou nagelaten hebben om mij gelukkig te maken. Maar zoals de slavin, die ‘s avonds de kinderen van haar meesteres heeft te ruste gelegd en even aan de deur van hun kamer luisteren wil naar de regelmaat van hun ademhaling, slechts het onrustig kloppen voelt van haar eigen hart om zich dan te spoeden naar de duistere boomgaard achter ‘t huis waar haar geliefde wacht, zo spoed ik mij, nu ik u bezorgd weet, naar de duistere Hades, want waar mijn man is daar hoor ook ik. (…) Immers dood ben ik al lang, want met Sokrates ben ik gestorven. Maar terwijl mijn ziel hem achterna wou, had hij mijn lichaam hier vastgepend met jullie zwakke armpjes. Ik kon niet, zoals hij, met een licht gemoed de kinderen overlaten aan hun lot. Zijn faam van deugdzaam burger was hem liever dan de zorg voor zijn gezin. Maar in deze stad, waar gewetenloosheid de zekerste waarborg lijkt voor de hoogste eer, bezit een vrouw geen recht en dus geen burgereer; en zelfs al had ze die, dan zou ik ze geestdriftig prijsgegeven hebben, als ik daardoor beter de toekomst van mijn kinderen kon beschutten.” Een uitgebreid citaat waarmee voor een niet onbelangrijk deel ook het karakter van Xanthippe is geschetst: in essentie wil ze haar man volgen, maar ze heeft haar verantwoordelijkheid genomen door dat niet te doen, en ze neemt hem kwalijk dat hij niet zijn verantwoordelijkheid genomen heeft om zo niet voor haar dan toch voor haar kinderen te zorgen. Omdat hij zich drukker maakte, ook voor hij de gifbeker ledigde, over zijn principes dan over zijn naasten. Omdat hij wel met de fysieke gevolgen van z’n keuzes voor zichzelf kon leven, maar geen rekening wenste te houden met de fysieke en psychische gevolgen van z’n keuzes voor en met anderen. Een gedragswijze die niet specifiek was of is voor Socrates – zie de rol van Alcibiades in dit verhaal (en in de werkelijkheid) -, maar die ík in ieder geval moreel verwerpelijk vind, wat het me dan weer makkelijk maakte sympathie op te vatten voor de hoofdrolspeelster. Iets waarvan ik geloof dat het ook in de bedoeling van Lebeau lag, al heeft hij niet geprobeerd Xanthippe ‘beter’ af te schilderen dan de ‘gemiddelde’ vrouw, in tegendeel, hij heeft hier de verdediging van precies die ‘gemiddelde’ vrouw op zich genomen. Een ‘gemiddelde’ vrouw die perfect van haar vader kan houden tot bij zijn dood, van één man, van haar kinderen, en toch (en niet alleen daarom) niet wil beschouwd worden als quantité négligeable. Zoals een ‘gemiddelde’ man dus. “En daarom trouwde ik de enige man in Athene, die geen onderwerping eiste van zijn vrouw.”

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !