vrijdag 30 januari 2026

Een leeuw in Peking – Marcel Van Nieuwenborgh (boekbespreking door Björn Roose)

Een leeuw in Peking – Marcel Van Nieuwenborgh (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb wel eens vaker ‘eigenaardige’, en vooral niet lezenswaardige, boekjes uitgegeven door (Boekengilde De) Clauwaert (vzw) gelezen, maar met voorliggend Een leeuw in Peking hebben ze daar toch wel de hoofdvogel afgeschoten. Niet omdat dit uit 1996, en overigens onder de toen al min of meer verenigde uitgeverij Davidsfonds/Clauwaert uitgegeven, stammende werkje van Marcel Van Nieuwenborgh met zijn vierenveertig bladzijden dunner is dan de andere (die dikte is bij Clauwaert min of meer standaard), maar omdat de inleiding, voorzien van de titel Ferdinand de handige bijna net zo lang is als het verhaal. En omdat dat verhaal eigenlijk uit twee verhalen bestaat: datgene waarvan de titel ook de titel van het geheel vormt (en dat tien bladzijden lang is) en datgene wat er aan voorafgaat, Toen de hemel zichtbaarder werd dan de aarde (dat veertien bladzijden lang is). Een redelijk eigenaardige constructie dus, waarvan de snel van begrip zijnde lezer op basis van de gegevens ‘Peking’ en ‘Ferdinand’ misschien al begrepen heeft dat ze als geheel gewijd is aan Ferdinand Verbiest, de in 1623 in het West-Vlaamse Pittem geboren jezuïet die in 1657 als missionaris naar China werd gezonden op vraag van een reeds aldaar aan het keizerlijk hof verblijvende andere jezuïet, Johann Adam Schall von Bell, en daar vervolgens tot bij zijn dood in 1688 (hij viel van zijn paard) verbleef.

De hele geschiedenis van Verbiest geef ik u in deze boekbespreking niet mee. Wat er interessantst aan is, kan u namelijk, mocht u dit boekje op de kop wensen te tikken, lezen in de reeds genoemde inleiding, zelfs al wordt daarin met geen – bad pun intended – gebenedijd woord gesproken over de meer dan dertig boeken die de man schreef, bijvoorbeeld zijn vertaling in het Mantsjoe van de eerste zes boeken over de Elementen van Euclides van Alexandrië (een serie die in totaal overigens dertien delen besloeg). Maar goed, ook voor Marcel Van Nieuwenborgh ligt er misschien een kern van waarheid in de eerste paragraaf van zijn inleiding: “Henry Kissinger vertelde dat hij ooit eens aan een Chinees historicus had gevraagd wat hij dacht over de Franse Revolutie. De Chinees zou hem hebben geantwoord: ‘Het is nog veel te vroeg om daarover iets te kunnen zeggen!’ Het is nu meer dan drie eeuwen geleden dat de West-Vlaamse jezuïet Ferdinand Verbiest in Peking overleed. En nog altijd is door de Chinese historici het laatste woord niet gezegd of geschreven over Nan Huai Ren, zoals hij door Chinees én Mandsjoe werd genoemd.” Een hiaat dat wellicht ten dele toe te schrijven is aan de jezuïeten zelf: “Ze hadden Loyola’s raad strikt opgevolgd ‘dat in brieven naar huis niets mocht staan wat niet in de handen van elkeen kon komen’. In de 17de eeuw wilden de jezuïetenbrieven uit China niet alleen édifiantes zijn maar hadden ze op de eerste plaats de bedoeling gezaghebbende kerkelijke milieus in Europa niet te ‘ontstichten’, door bewijsmateriaal te leveren van hun grote handigheid, hun vrij verregaande tegemoetkomingen aan de Chinese gewoonten en gebruiken en hun haast slaafse onderdanigheid aan het centrale gezag”. “Aanvankelijk hadden ze zich als nieuwsoortige bonzen bij de Chinese bevolking aangemeld, maar toen ze merkten dat ze daar niet vlug genoeg mee vooruitkwamen, hadden ze hun pij van vandaag op morgen ingewisseld voor de tuniek van de confuciaanse intellectueel, en in plaats van er gladgeschoren bij te lopen hadden ze zich de lange baard van de Chinese geleerden laten groeien (…) Er ligt niet alleen een wereld tussen de eerste gladgeschoren jezuïeten en de lange baard van Ferdinand Verbiest maar ook tussen de eerste ‘samaritaanse daad’ van de paters die een arme Chinese bedelaar onderdak geven (stichtend verhaal van de eerste China-jezuïeten) en ‘de gouden kooi’ waarin Verbiest, bij wijze van spreken, op het einde van zijn dagen in de exclusieve hofkringen heeft geleefd. Verbiest heeft zich duidelijk een aantal begoochelingen gemaakt met betrekking tot de keizer, voor wie hij op het einde eigenlijk niet meer is geweest dan een hooggewaardeerd huisdienaar (een ‘bond-servant’, een slaaf op vrijwillige basis).”

Nu goed, het is niet mijn bedoeling een samenvatting te maken van de samenvatting die Van Nieuwenborgh van het leven van Verbiest en de aanwezigheid van de jezuïeten in China maakte. Ik ga het dus niet mét de auteur hebben over de “gadgets” die Verbiest voor de Chinezen maakte, over “een soort van wonderfontein in de keizerlijke hovingen en een heuse Hollandse windmolen”, noch over het vervaarlijker spul, zijnde de kanonnen en het handboek dat hij schreef om de Chinezen toe te laten zélf kanonnen te maken. Wat die laatste betreft volstaat het hoe dan ook te verwijzen naar de laatste paragraaf van de inleiding: “Nochtans hebben de kanonnen van Verbiest hun deugdelijkheid bewezen. Het beste bewijs daarvan is dat de wapentuigen van het merk ‘Verbiest’ in China nog jaren na zijn dood werden vervaardigd. En de ironie van de geschiedenis heeft gewild dat meer dan twee eeuwen later, zijn eigen kerk in Peking, tijdens de Boksersopstand van 1900, werd in puin gelegd door een kanon waarop de naam Verbiest prijkte.”

“Twee eeuwen later” waar we in het eerste echte verhaal, Toen de hemel zichtbaarder werd dan de aarde, hoe dan ook nog niet aan toe zijn: “Op kerstavond van 1668 zaten in Peking drie jezuïeten-missionarissen, onder wie Ferdinand Verbiest, onder huisarrest in hun eigen kerk”, - allicht die kerk dus waarover Van Nieuwenborgh het in zijn inleiding had. “Ze zagen, op die kerstavond van 1668, de toekomst van de Chinese missie zeer somber in. Tot er zich in die nacht enkele onverwachte gebeurtenissen voordeden, die we in dit verhaal pogen te reconstrueren. Aan het woord is Ferdinand Verbiest, kroongetuige van het kerstwonder”. Jawel, een keer je de grote inleiding gehad hebt, krijg je ook nog een inleiding tot het eerste verhaal, wat dat verhaal zelf reduceert tot nog amper twaalf bladzijden. Zoals de inleiding tot het tweede verhaal dát verhaal verder verkort tot negen bladzijden. Wat echter niet kan verhinderen dat ik ín dat eerste verhaal iets tegen kwam dat me onmiddellijk deed terugdenken aan een ander boek dat ik recent las, het vijfendertigste deel uit de serie Phoebus Focus, Heilige Familie in Nazareth getiteld en van de hand van Katharina Van Cauteren. Een boek met als ondertitel Over Diego Quispe Tito (ca. 1611-1681), de kunst van Cuzco, en Antwerpen als Hollywood aan de Schelde waarin Van Cauteren het onder andere heeft over – en ik citeer even mezelf omdat ik te lui ben om het anders te formuleren - “de gebroeders Hiëronymus en Johannes Wierix, twee Virtuoze schobbejakken, zonen van Anton I Wierix en broers van Anton (II, zeker?) Wierix. Het zijn zij en een latere zoon van Anton (II) ‘die een stempel zullen drukken op de kunstgeschiedenis: samen behoren ze tot de meest productieve graveurs van de laatzestiende- en vroegzeventiende-eeuwse Nederlanden. In totaal zijn de gebroeders en hun neefje goed voor niet minder dan 2 333 prenten’. Prenten die met de hulp van religieuze ordes, in eerste instantie de jezuïeten, de markt en het land zouden overspoelen in Peru en daar aldus hun religieuze en kunstzinnige invloed zouden gaan uitoefenen”. Niet alleen Peru, kennelijk, want wat lezen we bij Van Nieuwenborgh, via spreekbuis Ferdinand Verbiest?: “De schilderijen waren zeer kostbare hulpmiddelen voor onze missionering. Franciscus Xaverius moet reeds een goddelijke ingeving hebben gehad toen hij naar deze streken reisde met in zijn koffer een Vlaamse afbeelding van een madonna. En van de mooie prenten uit Nadals bijbel, die ons uit de drukkerij van Plantijn werden geleverd, konden de Chinezen niet genoeg krijgen. We hadden trouwens op die kerstavond de Heilige Schrift opengelegd bij de prent waarop de gebroeders Wierix zo kunstig de grot van Betlehem hadden uitgebeeld.”

Altijd leuk als je in een volgend boek iets tegenkomt dat je doet terugdenken aan een vorig, maar zelfs al zijn ‘we’ (bij het schrijven van deze tekst) bijna halferwege december, ik zal u dan weer niet verblijden met de ontknoping van deze kersthistorie an sich. Net zomin als ik die van Een leeuw in Peking, het tweede kortverhaal in deze, aheum, bundel zal meegeven, al krijgt u ook daarvan wel een deel uit de inleiding tot het verhaal te lezen: “In het zeventiende jaar van de Qing-keizer Kangxi (1678) beval deze, in zijn strijd om Taiwan, van waaruit de aanhangers van de verdreven Ming-dynastie het Qing-rijk bestookten, alle kusten te ontruimen. Op het eiland Macao kreeg de bevolking het bevel weg te trekken en de Chinese vloot blokkeerde de vaargeul. Portugese schepen mochten niet meer aanleggen en de Portugese versterkingen dreigden te worden gesloopt. Voor de missionarissen in Peking betekenden deze maatregelen een ramp. Macao was het centrum van de katholieke kerk en de vertrekbasis voor toekomstige missionarissen op het Chinese vasteland.” Wat me dan weer deed denken aan twee andere dingen. Ten eerste het feit dat de vijandschap tussen het Chinese vasteland en Taiwan dus niet, zoals ik tot nog toe dacht, dateren van het moment dat Chiang Kai-shek en z’n aanhangers in 1949 vluchten van dat vasteland naar Taiwan om daar de Republiek China voort te zetten zonder het overgrote deel ervan. Een mens leest natuurlijk, onder andere, om te leren, maar nu ik dit hiaat in mijn kennis heb ontdekt, ben ik bijna zedelijk verplicht om op afzienbare tijd meer te lezen over Taiwan en (de rest van) China (in Taiwan moeten ze nu ook niet kleinzerig gaan doen als de rest van China het eiland opeist, dat heeft Taiwan per slot van rekening ook lang genoeg gedaan voor wat betreft het vasteland). Ten tweede de eerste prenten die ik ooit in, als ik me niet vergis, Ons Volkske zag uit de stripreeks Bob Morane. Die kwamen namelijk uit het album… De keizer van Macao, en ik was meteen niet alleen onder de indruk van de tekeningen van William Van Cutsem (beter bekend als Vance, en onder andere ook verantwoordelijk voor Howard Flynn, Ringo, Bruno Brazil, Ramiro, Bruce J. Hawker, en de eerste twintig albums – op één na - van XIII), maar ook van het er wel bijzonder crimineel uitziende Macao. Een album dat ik veel later, net zoals een groot deel van de serie, kocht, en waarin de jezuïeten geen enkele rol spelen, maar waar op pagina drieëntwintig (van de eerste druk bij Lombard, voor wie het even zou willen opzoeken) zowaar in de achtergrond een vrij grote kerk opduikt. Het is een nachtscène, dus Vance heeft de kerk niet tot in detail uitgewerkt, maar toch goed genoeg om ze te herkennen als een jezuïetenkerk en ze terug te vinden op het internet. Het gaat nog louter om een façade, wat je bij Vance niet kan zien, maar zelfs dat er alleen maar dát overschiet van de Sint-Pauluskerk belet klaarblijkelijk niet dat dit het meest gewaardeerde icoon van de voormalige kolonie is. Een icoon dat nog lang na de in Een leeuw in Peking als historische achtergrond gebruikte feiten in al zijn glorie zou blijven bestaan, maar uiteindelijk – op genoemde voorgevel na – vernield zou worden door brand tijdens een tyfoon die op 26 januari 1835 de kolonie trof. Een icoon dus dat véél langer zou meegaan dan de twee leeuwen die de jezuïeten in Afrika lieten vangen om ze cadeau te doen aan de keizer: “Hoewel de leeuwen op hun zeven maanden lange tocht waren vergezeld van een kapelaan, iemand die de geneeskust beheerste, een leeuwentemmer en zes slaven, was onderweg de leeuwin gestorven”. Nog geen maand na zijn aankomst aan het hof verwisselde ook de leeuw het tijdelijke voor het eeuwige: “De Chinese bewaker had hem ‘s morgens slapend aangetroffen, had voor de tralies staan tieren: ‘Hou hsing shih tze!’, word wakker leeuw, maar het beest had niet meer verroerd.” Eigenlijk twee stukjes petite histoire, dit boekje, niet genoeg om het in mijn kasten te houden, maar het feit dat het me deed denken aan een ander boek, een stukje geschiedenis, en een strip die ik vijfenveertig jaar geleden voor het eerst onder ogen kreeg, maakt het uurtje lezen toch het herinneren waard.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !