Philip Dröge,
schrijver van voorliggend De Tawl, ondertitel Hoe de
Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde, was me tot ik dit
boek kocht, volkomen onbekend. Geboren in 1967 in Groningen,
regelmatig gastspreker en commentator in radio- en
televisieprogramma’s, aan de slag voor National Geographic,
Quote, Forbes, NRC, Kijk, Trouw en
– horresco referens – De Morgen, en al sinds 2002
schrijver van boeken over toch niet geheel oninteressante zaken als
“het geheime leven van prins Bernhard”, de zakelijke kant van het
Nederlandse koningshuis, de uitbarsting van de Tambora in 1815,
Neutraal Moresnet, en de geschiedenis van Jakarta, maar me toch
onbekend, inderdaad. En dan was in 2023 ook nog eens dít boek van ‘m
verschenen, waarop mijn oog pas viel toen het toe was aan de
“speciale editie extra druk oktober 2025”, zoals het heet in deze
bij Spectrum, maar “exclusief” voor “de Libris en
Blz-boekhandels, aangesloten bij Libris Blz. B.V.”, uitgegeven versie.
Nah ja, misschien róók ik gewoon dat dit, ondanks de harde kaft,
het leeslint (altijd handig), en de als geheel verzorgde uitgave, een
goedkoop boek was. Want waar de adviesprijs voor de oorspronkelijke
uitgave nog steeds 25,99 euro is, kost déze uitgave je bij de
boekhandels in kwestie (onder andere Standaard Boekhandel)
slechts 10 euro. Of kostte (minstens in het geval van
Standaard Boekhandel) slechts 10 euro, want inmiddels vermeldt
de webstek: “Uitverkocht, nooit meer verkrijgbaar”. Wat jammer
is, maar (in zoverre u het boek niet tweedehands of bij de bib gaat
zoeken) niet onoverkomelijk als u die zestien euro extra op tafel wil
leggen, iets wat deze tweehonderdvijftig bladzijden voor liefhebbers
van taal en geschiedenis, of taalgeschiedenis, eigenlijk wel waard zijn.
Zelfs al is de ondertitel licht overdreven. Het Nederlands heeft
nooit een serieuze kans gemaakt Amerika te veroveren, maar het is er
sinds het begin van de kolonisatie wel aanwezig, heeft er een
serieuze evolutie doorgemaakt, is pas sinds een goede halve eeuw in
zijn geëvolueerde vorm van de kaart geveegd (toch wat actieve
sprekers betreft), en moet – gaat u even dat zoutvaatje halen –
ook voor de toekomst niet noodzakelijk beschouwd worden als volkomen
kansloos. Zoals Dröge immers schrijft in zijn Epiloog: Het post
mortem van de Tawl “spreken [tegenwoordig] nog zo’n 150.000
Amerikanen Nederlands (…) Het zijn hoofdzakelijk recente migranten
en mensen die lang in Nederland hebben gewoond. Procentueel kent de
kleine staat Delaware het hoogste aantal Nederlandstaligen. Het
noordelijke deel van die staat maakte korte tijd deel uit van de
kolonie Nieuw-Nederland, maar de huidige sprekers hebben daar niets
meer mee te maken”. Die huidige sprekers zijn allicht ook iets
minder hardnekkig dan de ‘oude’ sprekers, terwijl ook van hen
Charles Gehring, “de man die duizenden documenten vanuit de Tawl
[zoals u al begrepen had, de in Noord-Amerika verder geëvolueerde
variant van het Nederlands, noot van mij] vertaalde naar modern
Engels”, al zei: “Duits heeft in bepaalde gemeenschappen in
Pennsylvania ook overleefd. Misschien als de omstandigheden anders
waren geweest, mensen andere prioriteiten hadden gehad. Maar de
Nederlandse aard heeft niet geholpen.” Zoals de Vlaamse aard dat in
Canada, in Wallonië en Brussel ook niet deed: wij Nederlandstaligen
passen ons een beetje té vlot aan.
Maar goed, ik wil hier niet aan politiek doen, we waren bezig over
dat boek van Philip Dröge. Een boek dat eindigt met iets dat dan
Verantwoording heet, maar eigenlijk neerkomt op een van enige
tekst en uitleg voorziene bibliografie. Per hoofdstuk georganiseerd
weliswaar, dus niet per auteur, maar ook in die vorm op zich al een
interessant gedeelte van dit boek. Verwijzingen naar ‘verdere
literatuur’ zijn dat immers altijd. Net zoals de wijze waarop Dröge
zijn onderzoek heeft opgevat: een soortement roadmovie met
hemzelf in de hoofdrol, als volger van de Nederlandstaligen die in de
eeuwen voorafgaand aan zijn bezoek de weg aflegden die hij aflegt,
maar dan – hoe Nederlands kan het worden? – met de fiets. De
route die hij daarbij volgt, staat in de binnenflap vooraan en
achteraan afgedrukt en ook nog eens kleiner op pagina 6, en leidt,
grof samengevat, van New York naar Amsterdam (zijnde dan wel het
Amsterdam een paar tientallen kilometers links boven Albany), zij het
dat ze niet altijd in de meest logische volgorde lijkt afgelegd: New
York, Claverack, Kinderhook, Katsbaan, Albany, Schenectady,
Mohawk-vallei, East Village (Manhattan), Hackensack, Paterson, Mahwah
en Suffern, Ringwood, Ramapo-bergen, Pascack, Paramus, nog eens
Albany (maar dan specifiek het New Netherland Institute, met
de toevoeging “Pop. 1”), West Glenville, en Closters vormen de
ondertitels van evenveel hoofdstukken, al heeft Dröge tussen al die
plaatsen door wel meer haltes aangedaan dan enkel die. Fairfield en
Clifton, onder andere, of minstens ergens daartussen: “Fairfield
heette bijvoorbeeld ooit Gansegat; Clifton was het privébezit van
een landmeter uit Utrecht.” Tussen die twee – of toch in het
hoofdstuk dat tussen die twee als ondertitel heeft – komt hij ook
tot een conclusie die regelmatig terugkomt in dit boek en wellicht
even goed zal kloppen als die over de aard van ons Nederlandse volk:
“De forenzen exporteerden de stad naar het platteland. ‘Deze
nieuwkomers willen alles modern hebben, en voor zover de omgeving het
toelaat, creëren ze in hun huizen in de voorsteden het comfort en
gemak dat essentieel is voor stadswoningen,’ klaagde een regionale
krant in 1893 over de verstedelijking en het ruimtebeslag van de
nieuwe bewoners. De ecologie holde achteruit, bossen verdwenen
richting de zagerij. Al dat omspitten en exploiteren van deze rijke
gronden leidde tot het uitsterven van de Tawl. Dit is het verhaal van
die opmerkelijk oude en taaie variant van het Nederlands. Het is
zowel geschiedenis als een waarschuwing voor het moderne Nederlands,
dat ook steeds meer onder druk staat van het Engels.”
Een verhaal waarvan de trieste afloop dus al van in het begin
aangekondigd wordt – als dat niet zo geweest was, waren we daar
wellicht van op de hoogte -, maar dat belet niet dat Dröge af en toe
ook humor bovenhaalt. Bijvoorbeeld als hij het heeft over Manhattan
(New York): “Wandelend door het oudste deel van de stad, het
zuidpuntje van het eiland Manhattan, kijk ik toch naar ordinaire
imitatie [van Amsterdam, noot van mij]. En niet eens heel erg goede.
Rond de kruising van Stone en William Street, niet ver van het
wereldberoemde beursgebouw aan Wall Street, staan een paar huizen die
heel hard proberen om Amsterdam te zijn, maar de plank volledig
misslaan. Alles klopt op het eerste gezicht, de bakstenen panden
hebben klokgevels en de ramen zijn omzoomd door witte sluit- en
aanzetstenen. Alleen hebben ze de verkeerde schaal, niet de juiste
verhoudingen en vooral een bombastische uitstraling die in niets aan
de grachten doet denken. Eerder aan een slecht Hollywood-decor. Het
enige wat aan de Nederlandse hoofdstad herinnert, is dat er veel
vrijgezellenfeesten door de straatjes lallen en dat niemand
Nederlands spreekt.” Of even later, als het gaat over het feit dat
de Nederlanders datzelfde, maar veel ‘legere’ Manhattan kochten
van de aldaar toen heersende Lenape-indianen: “De Nederlanders
dachten het netjes te hebben gedaan, ze kóchten het puntje van
Manhattan. De zijkant van het monument toont een reliëf van een man
in typische Nederlandse dracht uit de zeventiende eeuw. Hij geeft een
indiaan – verentooi, ontbloot bovenlijf, vierkante kaak – een
kralenketting. De versteende gezichtsuitdrukking van beide mannen
moet aantonen dat ze erg tevreden waren met deze transactie. Wat
betreft de Nederlander is dat goed voor te stellen, een flinke lap
grond op een A-locatie in ruil voor wat spiegeltjes en kralen. Donald
Trump had een zakenpartner bij een vastgoeddeal geen betere poot uit
kunnen draaien. Alleen is het ronkende verhaal over de verkoop van
Manhattan voor slechts een paar tientjes aan prullaria in de
afgelopen eeuw ontkracht. De Nederlanders betaalden met ijzeren
spullen die de indianen zelf niet konden maken, zoals scharen, ketels
en bijlen. Die waren bijzonder waardevol voor ze. Bovendien kenden de
Lenape op dat moment helemaal geen grondbezit, de aarde was van
niemand. Land kon je net zomin verkopen als een zonsondergang of de
stroming van de rivier, dachten ze, tot het moment dat ze Europeanen
tegenkwamen met andere ideeën over eigendom en fortuin. De indiaan
op het monument kreeg dus betaald in kostbare handelswaar voor iets
wat eigenlijk niet van hem was. Vandaar zijn vergenoegde oogopslag,
hij was de eerste New Yorker die een nietsvermoedende toerist had beetgenomen.”
Waarna u er zo’n beetje begint mee in te zitten dat dit weer zo’n
hele lange boekbespreking wordt. ‘Achtduizend vijfhonderd karakters
en we zitten nog steeds in Manhattan… Als we de rest van de eerder
beschreven route ook nog moeten afleggen, dan duurt deze bespreking
een eeuwigheid.’ En, eerlijk is eerlijk, ik heb inderdaad genoeg
passages aangeduid om ze zo niet een eeuwigheid, dan toch wel
redelijk lang te laten duren. Maar dat wil ik u niet aandoen, dus
houd ik het verder bij kortere citaten en commentaar in
telegramstijl. Over Franstaligen die zich tot twee keer toe
aanpasten, bijvoorbeeld: “Een snelle blik in het
online-telefoonboek leert dat in een straal van vijftig kilometer van
haar graf nog altijd zeven families Rapelje wonen. De naam is
afkomstig uit de stad Valenciennes in wat nu Noord-Frankrijk is. Het
waren Walen die eerst in Amsterdam woonden en tot de eerste
kolonisten in Amerika hoorden.” Of over Nederlandstaligen in de
onafhankelijkheidsstrijd: “In de grafstenen aan de achterkant staan
namen gebeiteld als Vrooman, Hogeboom, Van Deusen en Van Tassel. Daar
ligt Robert van Rensselaer, de generaal van het rebellenleger dat de
Britten uit Amerika gooide, held van de Slag bij Ticonderoga. Hij
sprak als eerste taal Nederlands, net als een belangrijk deel van
zijn troepen. Naast Van Rensselaer zijn nog 57 veteranen van de
Onafhankelijkheidsoorlog hier begraven, bijna allemaal sprekers van
de Tawl.” Of over de oorsprong van de afkorting OK, voluit Old
Kinderhook, Martin van Buren, “de enige Amerikaanse president in de
geschiedenis die niet Engels als eerste taal had. Een bijzondere man
en een onalledaagse president. Hij sprak thuis en op straat in
Kinderhook de Tawl, de Amerikaanse versie van het Nederlands.” Of
over die merkwaardige gelijkenis met Zuid-Afrika: “Begin
negentiende eeuw schaften New York en New Jersey geleidelijk de
slavernij af, want dat ging in de Verenigde Staten aanvankelijk staat
per staat. Op dat moment sprak een vijfde van de slaven in die staten
Nederlands, hebben historici ontdekt. Daarnaast gebruikten ook vrije
mensen van Afrikaans-Nederlandse afkomst de Tawl. Het gaf deze groep
zelfs een heel eigen culturele identiteit. Sommigen voelden zich meer
Nederlands dan Afrikaans.” Of – nog eentje dan – over
Beverwijck, tegenwoordig Albany genaamd: “Wie geblinddoekt in het
hart van Albany wordt gedropt, zal even schrikken. Het
regeringscentrum van de staat New York lijkt wel erg veel op de
hoofdstad van Noord-Korea. Op een vijftien meter verhoogd en
reusachtig plein staan vier massieve, hermetische en identieke
wolkenkrabbers. Kantoren voor de werkbijen van de staat, maar vooral
de verzinnebeelding van een overheid die zichzelf heel belangrijk vindt.”
Waarmee meteen is aangegeven dat dit boek behalve voor taal- en
geschiedkundig geïnteresseerden ook een mooie inleiding kan vormen
tot (delen) van de moderne Verenigde Staten. Delen waarop geen enkele
Europeaan jaloers hoeft te zijn, delen die ook mogen doen besluiten
dat de Verenigde Staten alle redenen hebben om wat van het geld dat
ze in buitenlands ‘beleid’ steken te investeren in eigen land,
delen die voor een groot deel ontstaan zijn door wat de auteur elders
aanduidt als een telkens weer voorkomende (en in de Amerikaanse aard
liggende) sequentie van proberen, falen, en elders nog eens proberen,
delen die hij verder ook nog omschrijft uitgaand van de uitleg die
hij kreeg over hoe “het oude Albany op Haarlem leek”: “(…) je
steekt alle huizen rond de Grote Markt in de fik en gooit een
sloopkogel tegen de Sint Bavo. Op de plek die is vrijgekomen, bouw je
vervolgens de natte droom van Le Corbusier”. Laat duidelijk zijn
dat Dröge geen fan is van modernisme. Maar hij mag wat mij betreft
ook nog een keer proberen over de grens met Vlaanderen te kijken en
na te denken over wat hij op pagina 96 schrijft: “Een van de
belangrijkste veranderingen op Amerikaanse bodem is dat de typisch
Nederlandse ij of ei verdwijnt. De klank wordt ai.
Dat is eenzelfde ontwikkeling als het Standaardnederlands nu al een
tijdje ondergaat. Trijntje Oosterhuis heeft het over verleden
taid, Paul de Leeuw zingt blaif bai mai, Sylvana Simons is
dol op schraivers. Poldernederlands, zoals taalkundige Jan
Stroop het noemt. Sommige mensen vinden het pain laiden om
naar te luisteren, maar het heeft dus een lange geschiedenis. In
Nederland is het begonnen onder hoogopgeleide vrouwen in de Randstad,
maar hebben ook mannen en andere groepen deze uitspraak ondertussen
opgepikt”. Zouden de Antwerpenaren hun dialect, dat bij mij ook tot
“pain laiden” leidt, dan overgenomen hebben van Sylvana
Simons of van de Amerikanen, dat vraag ik me af.
Nu goed, dat is één puntje van kritiek op wat Dröge in dit boek
allemaal aan informatie verzameld heeft, en misschien vindt dat
Antwerpse spraakgebrek wel elders zijn oorsprong. Erg veel leed
veroorzaakt dat laatste nu ook weer niet bij mij, ik kom zeer zelden
in het stad. Wat voor John Taylor waarschijnlijk ook gold,
maar niet voor zijn mogelijkheden mensen die Nederlands spraken te
ontlopen: “Een Britse priester die deze reis in westelijke richting
in 1802 te paard maakte, was verbaasd over de Nederlandstalige mensen
die hij tot zijn afgrijzen steeds weer tegenkwam. The reverend
John Taylor had van alles verwacht, maar niet dat ze hier een taal
spraken met van die vreselijke raspende keelklanken.” Zoals het
voor een – in tegenstelling tot Dröge – niet vooraf goed
geïnformeerde Nederlander of Vlaming nogal verrassend zal zijn als
hij in het Arkell Museum in Canajoharie een schilderij
tegenkomt dat hij van het Rijksmuseum kent: “De lichten floepen aan
door de bewegingssensor, ik ben de eerste gast van de dag. Daardoor
doemt gelijk het kunstwerk op waarvoor ik ben gekomen. De kapitein is
er, met zijn ietwat verbaasde blik. Naast hem de luitenant, met zijn
wufte hoed met grote veer. En dat wat merkwaardige meisje in een gele
jurk dat uit beeld lijkt te lopen. Ik bekijk ze van heel dichtbij.
Dat zou ik bij de originele Nachtwacht nooit mogen. Het
schilderij is een bijna exacte kopie van het toppunt van Rembrandts
kunnen, in opdracht gemaakt door de Rotterdamse kopiist Martin
Korpershoek in 1927. Pas toen het klaar was, kon dit museum open. Het
is alleen een paar centimeter kleiner dan het origineel. ‘Om in
deze tentoonstellingsruimte te kunnen passen,’ vertelden de mensen
achter de balie me. Er was wat miscommunicatie geweest met
Korpershoek over de afmetingen.”
Help, zeg, daar heb ik er toch weer een veel uitgebreider citaat
tegenaan gegooid. Tijd om er echt mee te stoppen. En u dit boek ook
voor het overige ten zeerste aan te bevelen. U zal genieten van, om
maar een paar dingen te noemen, het verhaal over de oorsprong van de
kerstman (een oorsprong die uiteraard, zoals de enigszins
welopgevoeden onder ons weten, in Nederland ligt), en dat over The
Legend of Sleepy Hollow en Rip van Winkle. Over hoe de
naam van de New York Knicks verwijst naar het werk van
Washington Irving, en die van Vanderbilt en Roosevelt (die zijn eed
aflegde “op een Zeeuwse bijbel uit 1686”) naar hun Nederlandse
afkomst. Over John D. Rockefellers landhuis dat de naam Kykuit
droeg. Over de Stuyvesant-boom. Over (New) Jersey gezien vanuit New
York (“het andere kengetal, de verkeerde postcode”). Over Het
Oosten en de New Jersey Telegraaf. Over Dyneley Prince en
zijn ‘ontdekking’ van het Leeg Duits (“Eindelijk heeft de
wetenschap de Tawl ontdekt”, dixit Dröge). Over “Indianen uit
Overijssel”, “Indianen” met familienamen als “De Freese, De
Groat, Van (der) Dunk en Mann”. Over “feest of”, “the
glim”, “clove” en “bockies”. Over John
Storm en Lawrence Gwyn van Loon. Over hoe Afrikaans en de Tawl lijken
op mekaar, maar ook van mekaar verschillen. Over zoveel meer nog dat
ik hier niet zal beginnen opnoemen omdat deze boekbespreking alsnog
dubbel zolang geworden is als toen ik tot de conclusie kwam dat ze
riskeerde te lang te worden...
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !