dinsdag 20 januari 2026

De Tawl – Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde – Philip Dröge (boekbespreking door Björn Roose)

De Tawl – Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde – Philip Dröge (boekbespreking door Björn Roose)
Philip Dröge, schrijver van voorliggend De Tawl, ondertitel Hoe de Nederlandse taal (bijna) Amerika veroverde, was me tot ik dit boek kocht, volkomen onbekend. Geboren in 1967 in Groningen, regelmatig gastspreker en commentator in radio- en televisieprogramma’s, aan de slag voor National Geographic, Quote, Forbes, NRC, Kijk, Trouw en – horresco referensDe Morgen, en al sinds 2002 schrijver van boeken over toch niet geheel oninteressante zaken als “het geheime leven van prins Bernhard”, de zakelijke kant van het Nederlandse koningshuis, de uitbarsting van de Tambora in 1815, Neutraal Moresnet, en de geschiedenis van Jakarta, maar me toch onbekend, inderdaad. En dan was in 2023 ook nog eens dít boek van ‘m verschenen, waarop mijn oog pas viel toen het toe was aan de “speciale editie extra druk oktober 2025”, zoals het heet in deze bij Spectrum, maar “exclusief” voor “de Libris en Blz-boekhandels, aangesloten bij Libris Blz. B.V.”, uitgegeven versie.

Nah ja, misschien róók ik gewoon dat dit, ondanks de harde kaft, het leeslint (altijd handig), en de als geheel verzorgde uitgave, een goedkoop boek was. Want waar de adviesprijs voor de oorspronkelijke uitgave nog steeds 25,99 euro is, kost déze uitgave je bij de boekhandels in kwestie (onder andere Standaard Boekhandel) slechts 10 euro. Of kostte (minstens in het geval van Standaard Boekhandel) slechts 10 euro, want inmiddels vermeldt de webstek: “Uitverkocht, nooit meer verkrijgbaar”. Wat jammer is, maar (in zoverre u het boek niet tweedehands of bij de bib gaat zoeken) niet onoverkomelijk als u die zestien euro extra op tafel wil leggen, iets wat deze tweehonderdvijftig bladzijden voor liefhebbers van taal en geschiedenis, of taalgeschiedenis, eigenlijk wel waard zijn.

Zelfs al is de ondertitel licht overdreven. Het Nederlands heeft nooit een serieuze kans gemaakt Amerika te veroveren, maar het is er sinds het begin van de kolonisatie wel aanwezig, heeft er een serieuze evolutie doorgemaakt, is pas sinds een goede halve eeuw in zijn geëvolueerde vorm van de kaart geveegd (toch wat actieve sprekers betreft), en moet – gaat u even dat zoutvaatje halen – ook voor de toekomst niet noodzakelijk beschouwd worden als volkomen kansloos. Zoals Dröge immers schrijft in zijn Epiloog: Het post mortem van de Tawl “spreken [tegenwoordig] nog zo’n 150.000 Amerikanen Nederlands (…) Het zijn hoofdzakelijk recente migranten en mensen die lang in Nederland hebben gewoond. Procentueel kent de kleine staat Delaware het hoogste aantal Nederlandstaligen. Het noordelijke deel van die staat maakte korte tijd deel uit van de kolonie Nieuw-Nederland, maar de huidige sprekers hebben daar niets meer mee te maken”. Die huidige sprekers zijn allicht ook iets minder hardnekkig dan de ‘oude’ sprekers, terwijl ook van hen Charles Gehring, “de man die duizenden documenten vanuit de Tawl [zoals u al begrepen had, de in Noord-Amerika verder geëvolueerde variant van het Nederlands, noot van mij] vertaalde naar modern Engels”, al zei: “Duits heeft in bepaalde gemeenschappen in Pennsylvania ook overleefd. Misschien als de omstandigheden anders waren geweest, mensen andere prioriteiten hadden gehad. Maar de Nederlandse aard heeft niet geholpen.” Zoals de Vlaamse aard dat in Canada, in Wallonië en Brussel ook niet deed: wij Nederlandstaligen passen ons een beetje té vlot aan.

Maar goed, ik wil hier niet aan politiek doen, we waren bezig over dat boek van Philip Dröge. Een boek dat eindigt met iets dat dan Verantwoording heet, maar eigenlijk neerkomt op een van enige tekst en uitleg voorziene bibliografie. Per hoofdstuk georganiseerd weliswaar, dus niet per auteur, maar ook in die vorm op zich al een interessant gedeelte van dit boek. Verwijzingen naar ‘verdere literatuur’ zijn dat immers altijd. Net zoals de wijze waarop Dröge zijn onderzoek heeft opgevat: een soortement roadmovie met hemzelf in de hoofdrol, als volger van de Nederlandstaligen die in de eeuwen voorafgaand aan zijn bezoek de weg aflegden die hij aflegt, maar dan – hoe Nederlands kan het worden? – met de fiets. De route die hij daarbij volgt, staat in de binnenflap vooraan en achteraan afgedrukt en ook nog eens kleiner op pagina 6, en leidt, grof samengevat, van New York naar Amsterdam (zijnde dan wel het Amsterdam een paar tientallen kilometers links boven Albany), zij het dat ze niet altijd in de meest logische volgorde lijkt afgelegd: New York, Claverack, Kinderhook, Katsbaan, Albany, Schenectady, Mohawk-vallei, East Village (Manhattan), Hackensack, Paterson, Mahwah en Suffern, Ringwood, Ramapo-bergen, Pascack, Paramus, nog eens Albany (maar dan specifiek het New Netherland Institute, met de toevoeging “Pop. 1”), West Glenville, en Closters vormen de ondertitels van evenveel hoofdstukken, al heeft Dröge tussen al die plaatsen door wel meer haltes aangedaan dan enkel die. Fairfield en Clifton, onder andere, of minstens ergens daartussen: “Fairfield heette bijvoorbeeld ooit Gansegat; Clifton was het privébezit van een landmeter uit Utrecht.” Tussen die twee – of toch in het hoofdstuk dat tussen die twee als ondertitel heeft – komt hij ook tot een conclusie die regelmatig terugkomt in dit boek en wellicht even goed zal kloppen als die over de aard van ons Nederlandse volk: “De forenzen exporteerden de stad naar het platteland. ‘Deze nieuwkomers willen alles modern hebben, en voor zover de omgeving het toelaat, creëren ze in hun huizen in de voorsteden het comfort en gemak dat essentieel is voor stadswoningen,’ klaagde een regionale krant in 1893 over de verstedelijking en het ruimtebeslag van de nieuwe bewoners. De ecologie holde achteruit, bossen verdwenen richting de zagerij. Al dat omspitten en exploiteren van deze rijke gronden leidde tot het uitsterven van de Tawl. Dit is het verhaal van die opmerkelijk oude en taaie variant van het Nederlands. Het is zowel geschiedenis als een waarschuwing voor het moderne Nederlands, dat ook steeds meer onder druk staat van het Engels.”

Een verhaal waarvan de trieste afloop dus al van in het begin aangekondigd wordt – als dat niet zo geweest was, waren we daar wellicht van op de hoogte -, maar dat belet niet dat Dröge af en toe ook humor bovenhaalt. Bijvoorbeeld als hij het heeft over Manhattan (New York): “Wandelend door het oudste deel van de stad, het zuidpuntje van het eiland Manhattan, kijk ik toch naar ordinaire imitatie [van Amsterdam, noot van mij]. En niet eens heel erg goede. Rond de kruising van Stone en William Street, niet ver van het wereldberoemde beursgebouw aan Wall Street, staan een paar huizen die heel hard proberen om Amsterdam te zijn, maar de plank volledig misslaan. Alles klopt op het eerste gezicht, de bakstenen panden hebben klokgevels en de ramen zijn omzoomd door witte sluit- en aanzetstenen. Alleen hebben ze de verkeerde schaal, niet de juiste verhoudingen en vooral een bombastische uitstraling die in niets aan de grachten doet denken. Eerder aan een slecht Hollywood-decor. Het enige wat aan de Nederlandse hoofdstad herinnert, is dat er veel vrijgezellenfeesten door de straatjes lallen en dat niemand Nederlands spreekt.” Of even later, als het gaat over het feit dat de Nederlanders datzelfde, maar veel ‘legere’ Manhattan kochten van de aldaar toen heersende Lenape-indianen: “De Nederlanders dachten het netjes te hebben gedaan, ze kóchten het puntje van Manhattan. De zijkant van het monument toont een reliëf van een man in typische Nederlandse dracht uit de zeventiende eeuw. Hij geeft een indiaan – verentooi, ontbloot bovenlijf, vierkante kaak – een kralenketting. De versteende gezichtsuitdrukking van beide mannen moet aantonen dat ze erg tevreden waren met deze transactie. Wat betreft de Nederlander is dat goed voor te stellen, een flinke lap grond op een A-locatie in ruil voor wat spiegeltjes en kralen. Donald Trump had een zakenpartner bij een vastgoeddeal geen betere poot uit kunnen draaien. Alleen is het ronkende verhaal over de verkoop van Manhattan voor slechts een paar tientjes aan prullaria in de afgelopen eeuw ontkracht. De Nederlanders betaalden met ijzeren spullen die de indianen zelf niet konden maken, zoals scharen, ketels en bijlen. Die waren bijzonder waardevol voor ze. Bovendien kenden de Lenape op dat moment helemaal geen grondbezit, de aarde was van niemand. Land kon je net zomin verkopen als een zonsondergang of de stroming van de rivier, dachten ze, tot het moment dat ze Europeanen tegenkwamen met andere ideeën over eigendom en fortuin. De indiaan op het monument kreeg dus betaald in kostbare handelswaar voor iets wat eigenlijk niet van hem was. Vandaar zijn vergenoegde oogopslag, hij was de eerste New Yorker die een nietsvermoedende toerist had beetgenomen.”

Waarna u er zo’n beetje begint mee in te zitten dat dit weer zo’n hele lange boekbespreking wordt. ‘Achtduizend vijfhonderd karakters en we zitten nog steeds in Manhattan… Als we de rest van de eerder beschreven route ook nog moeten afleggen, dan duurt deze bespreking een eeuwigheid.’ En, eerlijk is eerlijk, ik heb inderdaad genoeg passages aangeduid om ze zo niet een eeuwigheid, dan toch wel redelijk lang te laten duren. Maar dat wil ik u niet aandoen, dus houd ik het verder bij kortere citaten en commentaar in telegramstijl. Over Franstaligen die zich tot twee keer toe aanpasten, bijvoorbeeld: “Een snelle blik in het online-telefoonboek leert dat in een straal van vijftig kilometer van haar graf nog altijd zeven families Rapelje wonen. De naam is afkomstig uit de stad Valenciennes in wat nu Noord-Frankrijk is. Het waren Walen die eerst in Amsterdam woonden en tot de eerste kolonisten in Amerika hoorden.” Of over Nederlandstaligen in de onafhankelijkheidsstrijd: “In de grafstenen aan de achterkant staan namen gebeiteld als Vrooman, Hogeboom, Van Deusen en Van Tassel. Daar ligt Robert van Rensselaer, de generaal van het rebellenleger dat de Britten uit Amerika gooide, held van de Slag bij Ticonderoga. Hij sprak als eerste taal Nederlands, net als een belangrijk deel van zijn troepen. Naast Van Rensselaer zijn nog 57 veteranen van de Onafhankelijkheidsoorlog hier begraven, bijna allemaal sprekers van de Tawl.” Of over de oorsprong van de afkorting OK, voluit Old Kinderhook, Martin van Buren, “de enige Amerikaanse president in de geschiedenis die niet Engels als eerste taal had. Een bijzondere man en een onalledaagse president. Hij sprak thuis en op straat in Kinderhook de Tawl, de Amerikaanse versie van het Nederlands.” Of over die merkwaardige gelijkenis met Zuid-Afrika: “Begin negentiende eeuw schaften New York en New Jersey geleidelijk de slavernij af, want dat ging in de Verenigde Staten aanvankelijk staat per staat. Op dat moment sprak een vijfde van de slaven in die staten Nederlands, hebben historici ontdekt. Daarnaast gebruikten ook vrije mensen van Afrikaans-Nederlandse afkomst de Tawl. Het gaf deze groep zelfs een heel eigen culturele identiteit. Sommigen voelden zich meer Nederlands dan Afrikaans.” Of – nog eentje dan – over Beverwijck, tegenwoordig Albany genaamd: “Wie geblinddoekt in het hart van Albany wordt gedropt, zal even schrikken. Het regeringscentrum van de staat New York lijkt wel erg veel op de hoofdstad van Noord-Korea. Op een vijftien meter verhoogd en reusachtig plein staan vier massieve, hermetische en identieke wolkenkrabbers. Kantoren voor de werkbijen van de staat, maar vooral de verzinnebeelding van een overheid die zichzelf heel belangrijk vindt.”

Waarmee meteen is aangegeven dat dit boek behalve voor taal- en geschiedkundig geïnteresseerden ook een mooie inleiding kan vormen tot (delen) van de moderne Verenigde Staten. Delen waarop geen enkele Europeaan jaloers hoeft te zijn, delen die ook mogen doen besluiten dat de Verenigde Staten alle redenen hebben om wat van het geld dat ze in buitenlands ‘beleid’ steken te investeren in eigen land, delen die voor een groot deel ontstaan zijn door wat de auteur elders aanduidt als een telkens weer voorkomende (en in de Amerikaanse aard liggende) sequentie van proberen, falen, en elders nog eens proberen, delen die hij verder ook nog omschrijft uitgaand van de uitleg die hij kreeg over hoe “het oude Albany op Haarlem leek”: “(…) je steekt alle huizen rond de Grote Markt in de fik en gooit een sloopkogel tegen de Sint Bavo. Op de plek die is vrijgekomen, bouw je vervolgens de natte droom van Le Corbusier”. Laat duidelijk zijn dat Dröge geen fan is van modernisme. Maar hij mag wat mij betreft ook nog een keer proberen over de grens met Vlaanderen te kijken en na te denken over wat hij op pagina 96 schrijft: “Een van de belangrijkste veranderingen op Amerikaanse bodem is dat de typisch Nederlandse ij of ei verdwijnt. De klank wordt ai. Dat is eenzelfde ontwikkeling als het Standaardnederlands nu al een tijdje ondergaat. Trijntje Oosterhuis heeft het over verleden taid, Paul de Leeuw zingt blaif bai mai, Sylvana Simons is dol op schraivers. Poldernederlands, zoals taalkundige Jan Stroop het noemt. Sommige mensen vinden het pain laiden om naar te luisteren, maar het heeft dus een lange geschiedenis. In Nederland is het begonnen onder hoogopgeleide vrouwen in de Randstad, maar hebben ook mannen en andere groepen deze uitspraak ondertussen opgepikt”. Zouden de Antwerpenaren hun dialect, dat bij mij ook tot “pain laiden” leidt, dan overgenomen hebben van Sylvana Simons of van de Amerikanen, dat vraag ik me af.

Nu goed, dat is één puntje van kritiek op wat Dröge in dit boek allemaal aan informatie verzameld heeft, en misschien vindt dat Antwerpse spraakgebrek wel elders zijn oorsprong. Erg veel leed veroorzaakt dat laatste nu ook weer niet bij mij, ik kom zeer zelden in het stad. Wat voor John Taylor waarschijnlijk ook gold, maar niet voor zijn mogelijkheden mensen die Nederlands spraken te ontlopen: “Een Britse priester die deze reis in westelijke richting in 1802 te paard maakte, was verbaasd over de Nederlandstalige mensen die hij tot zijn afgrijzen steeds weer tegenkwam. The reverend John Taylor had van alles verwacht, maar niet dat ze hier een taal spraken met van die vreselijke raspende keelklanken.” Zoals het voor een – in tegenstelling tot Dröge – niet vooraf goed geïnformeerde Nederlander of Vlaming nogal verrassend zal zijn als hij in het Arkell Museum in Canajoharie een schilderij tegenkomt dat hij van het Rijksmuseum kent: “De lichten floepen aan door de bewegingssensor, ik ben de eerste gast van de dag. Daardoor doemt gelijk het kunstwerk op waarvoor ik ben gekomen. De kapitein is er, met zijn ietwat verbaasde blik. Naast hem de luitenant, met zijn wufte hoed met grote veer. En dat wat merkwaardige meisje in een gele jurk dat uit beeld lijkt te lopen. Ik bekijk ze van heel dichtbij. Dat zou ik bij de originele Nachtwacht nooit mogen. Het schilderij is een bijna exacte kopie van het toppunt van Rembrandts kunnen, in opdracht gemaakt door de Rotterdamse kopiist Martin Korpershoek in 1927. Pas toen het klaar was, kon dit museum open. Het is alleen een paar centimeter kleiner dan het origineel. ‘Om in deze tentoonstellingsruimte te kunnen passen,’ vertelden de mensen achter de balie me. Er was wat miscommunicatie geweest met Korpershoek over de afmetingen.”

Help, zeg, daar heb ik er toch weer een veel uitgebreider citaat tegenaan gegooid. Tijd om er echt mee te stoppen. En u dit boek ook voor het overige ten zeerste aan te bevelen. U zal genieten van, om maar een paar dingen te noemen, het verhaal over de oorsprong van de kerstman (een oorsprong die uiteraard, zoals de enigszins welopgevoeden onder ons weten, in Nederland ligt), en dat over The Legend of Sleepy Hollow en Rip van Winkle. Over hoe de naam van de New York Knicks verwijst naar het werk van Washington Irving, en die van Vanderbilt en Roosevelt (die zijn eed aflegde “op een Zeeuwse bijbel uit 1686”) naar hun Nederlandse afkomst. Over John D. Rockefellers landhuis dat de naam Kykuit droeg. Over de Stuyvesant-boom. Over (New) Jersey gezien vanuit New York (“het andere kengetal, de verkeerde postcode”). Over Het Oosten en de New Jersey Telegraaf. Over Dyneley Prince en zijn ‘ontdekking’ van het Leeg Duits (“Eindelijk heeft de wetenschap de Tawl ontdekt”, dixit Dröge). Over “Indianen uit Overijssel”, “Indianen” met familienamen als “De Freese, De Groat, Van (der) Dunk en Mann”. Over “feest of”, “the glim”, “clove” en “bockies”. Over John Storm en Lawrence Gwyn van Loon. Over hoe Afrikaans en de Tawl lijken op mekaar, maar ook van mekaar verschillen. Over zoveel meer nog dat ik hier niet zal beginnen opnoemen omdat deze boekbespreking alsnog dubbel zolang geworden is als toen ik tot de conclusie kwam dat ze riskeerde te lang te worden...

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !