Posts tonen met het label Jos Vandeloo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jos Vandeloo. Alle posts tonen

maandag 29 december 2025

De vijand – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)

De vijand – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)
Het is nog niet eens zo lang geleden – iets meer dan een jaar – dat ik het enige andere boek besprak dat ik van Jos Vandeloo in mijn boekenkasten staan had (en ook na lezing nog steeds heb): Het gevaar. Zoals ik bij die gelegenheid aangaf, was het de tweede keer dat ik dat boek las (de eerste keer was in mijn middelbare-schooltijd, toen ik er een open-boekexamen over moest afleggen), maar voor zover ik me kan herinneren, is dat niet het geval met voorliggend De vijand. Dat is nochtans, aldus de flaptekst, “zonder twijfel een der mooiste en beste verhalen van Jos Vandeloo”, maar Wikipedia staat er op dat behalve Het gevaar vooral De muur en Het huis der onbekenden Vandeloo’s “bekendste werken” waren, dus misschien staat “mooiste en beste” niet in rechtstreeks verband met “bekendste”. Wat best kan zijn en niet verhindert wat verder op de achterflap gezegd wordt: “Nadat dit verhaal in de gelijknamige bundel verscheen, die spoedig uitverkocht was, herschreef de auteur de tekst in zijn huidige en definitieve vorm”.

“Herschreef” en ‘breidde uit’ zou dat volgens de al genoemde online ‘encyclopedie’ dan weer moeten wezen, maar alla, laat ons het over het boek met de tegenwoordig weer op veler lippen bestorven terminologie als titel hebben, De vijand. Niet de Russen, maar de Duitsers werden in de tijd waarin het verhaal speelt, de Tweede Wereldoorlog, en in onze contreien nog aldus aangeduid (nu worden de Duitsers geacht onze beste vrienden te zijn), al is net dát, die eenzijdige alomvattendheid van dat etiket, het thema van dit een goeie honderd bladzijden dikke boekje: “‘De vijand’ speelt aan het einde van de oorlog in een dorp bij het Belgisch-Nederlands grensgebied, dat beurtelings door de Duitsers en de Amerikanen wordt bezet en weer heroverd. De hoofdfiguur is een vijftienjarige jongen, die door de oorlog als het ware tussen hamer en aambeeld wordt geplet.”

“(…) tussen hamer en aambeeld”, inderdaad, waarmee meteen wordt aangegeven dat De vijand aan beide kanten kan zitten. Ook aan de Amerikaanse kant, al moet je op dat ‘nieuws’ wachten tot halverwege het boek. Daar, in het laatste hoofdstuk gewijd aan de vier Amerikanen die al vijf weken in een wei nabij het dorp kamperen, ziet het vijftienjarige hoofdpersonage hoe Bea, “een lief meisje met een witrond gezicht en donkere haren, donkerrood eigenlijk”, “even oud als ik, ook vijftien”, waarmee hij is opgegroeid, en waarop hij voorheen verliefd is geworden, het veldbed ingelokt is door een van die Amerikanen. In een van die op het internet circulerende boekbesprekingen las ik dat ze “verkracht” werd, maar daarvan is voor zover ik nog kan lezen geen sprake: “Ik ga naar de tent en trek het zeil opzij voor de ingang. Het is er donker. Een klad licht valt naar binnen en ik hoor Karl ontstemd vloeken. Ik zie het meisje Bea op het veldbed. Haar schoenen liggen op de grond. Er liggen ook nog andere kledingstukken. De regenjas van haar moeder en de kap en nog meer. Haar rok is opgeschort. Ze heeft een heel witte huid. Karl hangt gebogen over haar heen met zijn mager, ongezond lichaam. Haar buik is een zeldzame witte schelp, hij moet zeer zacht zijn, van fluweel. En hij is vooral zeer blank. Een glanzende vlek in het halve duister. Karl maakt een boos gebaar omdat ik zo plots en onverwacht in de opening van de tent sta. Bea wendt het hoofd af. Ik laat het zeil voor de opening vallen. Het is een bliksemschicht geweest, een weerlicht, één ondeelbaar ogenblik. De onsplitsbare kern van de tijd. Nu is het binnen weer donker. Ik heb nog net gezien hoe Karl op haar neerstreek. Behoedzaam en geruisloos als een grote vogel.”

“Maar wie is tenslotte de vijand?”, vraagt de verteller zich op het einde van dat hoofdstuk af. “Iedereen is de vijand en niemand is de vijand. Ik geloof dat vrienden en vijanden aan dezelfde tafel zitten, soms op dezelfde stoel. Misschien zijn wij onze eigen vijand?”

Waarna de helft van het boek komt die aan de Duitse vijand is gewijd. Niet omdat die Duitse vijand de kamperende Amerikanen verjaagt, maar omdat Vandeloo daar een zeer verwarrende kunstgreep heeft uitgehaald, een kunstgreep waarbij geen enkele uitleg voorzien is: de verteller maakt een sprong naar de weken vóór de Amerikanen hun kampement opsloegen, de weken waarin, zoals op de achterflap aangegeven is, de ene keer de Duitsers het terrein beheersten, de andere keer de Amerikanen. Waaróm Vandeloo zo gewerkt heeft, is me in alle eerlijkheid ontgaan. En of die kunstgreep meteen in het verhaal zat of niet, weet ik niet. Resultaat is in ieder geval dat de conclusie die het hoofdpersonage trekt halverwege het boek staat en de lezer hoe dan ook de boodschap meekrijgt dat wat de Duitsers in dat tweede deel doen érger is dan wat die Amerikaan in het eerste deel doet. Wetende dat het tweede deel eindigt met de voorgenomen executie van een aantal mannen, waaronder de vader van het hoofdpersonage, valt daar ook wel iets voor te zeggen, natuurlijk, maar je krijgt de indruk dat Vandeloo de impact van het tweede deel niet wou afzwakken door er chronologisch correct het eerste deel achter te plakken. “Het boek zit vol van innerlijke spanning”, heet het dan op de achterflap, maar misschien was dat een beetje te veel spanning. Of te veel evenwicht, want het grootste part van het tweede deel gaat eigenlijk net over een Duitser die de dorpelingen niet echt als vijand kunnen beschouwen, een soldaat die, in zijn buik geschoten, ligt te creperen, een soldaat die ze wegens de omstandigheden niet kunnen verzorgen terwijl ze dat als mensen wel zouden wíllen, een soldaat die je ook zonder dat hij kansloos lag te lijden niet zomaar als vijand kon beschouwen: “We zaten in een niemandsland. Het was een situatie waar niemand iets van begreep. Door de zakken voor de ingang van de schuilkelder even opzij te trekken, kon ik soms een glimp opvangen van gebogen lopende soldaten, maar je kon bijna nooit zeggen of het vrienden of vijanden waren. Wat ik wel kon zien, was de angst die ze allemaal hadden. Ze waren bang, doodsbenauwd, je kon ze zelfs zien zweten. Ze waren allemaal vreselijk bang voor de dood en misschien nog veel meer voor de verwondingen of verminkingen en de daarbij horende pijn. Ze zagen er niet als helden uit, aan geen van beide kanten. Het waren kleine, angstige mensen die vooruit of achteruit moesten en hun best deden om het er levend af te brengen.”

Misschien is dat wel wat je moet onthouden over ‘de vijand’. En moet je de warrige structuur van het boek er maar bij nemen.

Björn Roose

vrijdag 25 oktober 2024

Het gevaar – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)

Het gevaar – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)

Ik herlees zelden boeken en als ik dat wel doe, dan gaat het doorgaans om boeken van – nah ja, laat het ons dan maar zo noemen – mijn lievelingsauteur Isaac Asimov, maar Het gevaar van Jos Vandeloo (een goeie honderd bladzijden, oorspronkelijk verschenen in 1960) was dus ook al een tweede keer aan de beurt. Met dien verstande dat de eerste keer dateert van mijn middelbare-schooltijd, als ik het goed heb mijn vijfde of zesde middelbaar, dus ergens tussen 1988 en 1990.

Zo’n vijfendertig jaar geleden las ik dit boekje dus als schoolopdracht – ik denk zelfs dat we een open-boekexamen over Vandeloo’s werk hadden -, niet geheel vrijwillig (al las ik ook toén al massa’s boeken, meestal veel dikkere dan dit) en met in het achterhoofd steeds het idee dat we er vragen over zouden gaan krijgen. Nu las ik het vrijwillig, met in datzelfde (wat ouder geworden) achterhoofd alleen de immer aanwezige notie dat ik er ook een boekbespreking zou aan wijden, maar tevens met het groeiend bewustzijn dat ik me ten eerste nog steeds grote delen van het verhaal herinnerde (het is dan ook geen super ingewikkeld verhaal) en dat ik het ten tweede jammer vind dat leerlingen met een minder grote interesse in lezen er wellicht ook nooit meer een zullen krijgen als ze na het lezen van een boek er een examen over moeten afleggen. Het gevaar (en samen met Het gevaar een enorm aantal andere boeken) is té goed om het plezier van het lezen te laten verkloten door de stress van een opdoemend examen.

Te goed ondanks (of eigenlijk net dankzij) het feit dat er géén moraal verbonden is aan wat de aanleiding tot de actie is (een aanleiding die al heeft plaatsgevonden bij het begin van het boek), een ongeval in een kerncentrale. De auteur, in 2015 op zijn negentigste overleden, “beschreef in zijn werken”, aldus Wikipedia, “meestal de funeste gevolgen van de moderne maatschappij, zoals eenzaamheid en vervreemding”, maar die “eenzaamheid en vervreemding” zijn in Het gevaar verbonden aan de manier waarop er met de drie hoofdpersonen, Alfred Benting, Harry Dupont, en Martin Molenaar, wordt omgegaan ná het ongeval. Ze zijn als slachtoffers gedoemd te sterven op een ziekenzaal, buiten bereik van hun geliefden, omringd door mensen in isolerende pakken die in hen op z’n minst evenveel een kans zien om medische kennis op te doen als mensen die behoefte hebben aan mededogen. Méér zelfs.

Je weet gewoon van meet af aan – we gaan mekaar niet voor de gek houden – dat Benting, Dupont en Molenaar gaan sterven, elk aan zijn eigen tempo, maar vóór die honderd bladzijden om zijn. Je snapt dat ze daar geen zin in hebben, dat ze niet in die ziekenkamer, in die afzondering willen blijven en er liefst vandoor zouden gaan, en dat er in datzelfde bestek van honderd bladzijden geen ellenlange achtervolgingscènes zullen zitten. Je weet, ook als je geen uitleg omtrent het verhaal gelezen hebt, zelfs al met zekerheid dat Alfred Benting op de loop gaat voor iéts, en vermoedt dat hij dood gaat als je pas aan het einde van de Proloog bent, terwijl er in die Proloog met geen woord gerept wordt over een ongeval in een kerncentrale. Maar je weet niét dat Vandeloo in die Proloog (die op de tijdlijn eigenlijk helemaal achterin zit, met de Epiloog op diezelfde tijdslijn er meteen achteraan) zelf een belangrijke ‘nuance’ aanbrengt in het daaropvolgende verhaal van “eenzaamheid en vervreemding”. Je realiseert je dat pas als je na lezing van dat hele verhaal terug naar die Proloog grijpt. “Hij zocht zorgvuldig een hoekplaats bij het raam. Er was keus genoeg. Vier of vijf mensen zaten verspreid te wachten over wel veertig banken in de wagen. Als oesters, dacht hij. Ze sluiten dadelijk hun schelp. Ze zijn zwart en vol wantrouwen”. Wat in lijn lijkt te liggen met een aanklacht over “eenzaamheid en vervreemding”, maar het volgende wijst er net op dat Benting die “eenzaamheid en vervreemding” zelf opzoekt: “Er waren nog overal plaatsen leeg. Hij zag hoe de zwarte raaf [een passagier die na Benting op de trein is gestapt, noot van mij] behoedzaam om zich heen keek. Dan moest hij met een zekere wrevel vaststellen, hoe de ander ineens met beslistheid de zitplaats koos in de hoek recht tegenover hem. Het irriteerde hem bovenmate.” Wat alleen maar bevestigd wordt als “de zwarte raaf” hem aanspreekt: “Waarom zei hij iets? Was het volstrekt nodig? Moest er gepraat worden in de trein? Was het een valstrik of wou hij alleen maar een praatje maken?”

Ik kan me niet herinneren of ik die dubbelzinnigheid ook al zag toen ik dit boekje voor het eerst las, maar nu ik er zo over nadenk, blijkt die dubbelzinnigheid zelfs de hoofdlijn van het verhaal te vormen. Benting en Dupont (Molenaar sterft al vrij vroeg) slaan op de vlucht omdat ze niet afgezonderd van de wereld, van hun naasten, willen creperen, ze maken zich zelfs wijs dat ze in ‘vrijheid’ wel zullen genezen, maar Dupont weigert, met zijn ziekte als alibi, zijn vrouw zelfs maar te zien, terwijl Benting naar een tante gaat die hem nooit gemogen heeft en hem alleen maar een kamer geeft omdat hij er voor betaalt. Dupont vlucht verder naar een café en gaat daar met zijn rug naar de andere bezoekers toe zitten om er uiteindelijk ook zo te sterven. Benting vlucht verder met een trein waarop hij eveneens de eenzaamheid zoekt en sterft. Terwijl ze eerst nog mekaar hadden, deelgenoten in hetzelfde lot, hebben ze uiteindelijk, quasi meteen na hun vlucht al, niemand meer behalve zichzelf. De “eenzaamheid en vervreemding” lijkt hun doel te zijn, niet iets wat ze willen bestrijden.

Sterker nog, als Benting er Dupont op wijst dat ze gezien ze radioactief bestraald zijn een rechtstreeks gevaar vormen voor anderen, zegt Dupont: “Je bent het hier even beu als ik. Maar jij denkt aan de anderen. Denken de anderen ook aan jou? Denken ze ooit aan jou, Alfred Benting? Ze laten je gewoonweg stikken. Ze weten niet eens dat je bestaat. Niemand geeft wat om je. Het is voor bijna iedereen hetzelfde of je leeft of dood bent.” Met die gedachte en dodelijk ziek vluchten, betekent toch dat je simpelweg ergens achter een schutting wenst te sterven, als een eenzame door iedereen in de steek gelaten hond? Niet dat je uit je eenzaamheid weg wil, maar dat die eenzaamheid het laatste is wat je nastreeft.

“Ik vraag me af wat die mannen eigenlijk bezield heeft?”, zegt de voor hen verantwoordelijke professor Wens tot zijn assistent: “Het was een wanhoopsdaad die meteen nog andere mensen in gevaar heeft gebracht. Misschien hebben ze hun noodlottig einde voelen aankomen en wanhopig een laatste gok gewaagd. Of anders zijn ze door een oerimpuls naar de vrijheid gedreven. U weet dat gevangen dieren soms de poot waarmee ze in de klem vastzitten, zonder meer afbijten. Het is me allemaal een raadsel.”

Zoals de Epiloog mij eigenlijk een beetje een raadsel is. Benting, al dood van bij de Proloog, blijft gewoon dood, maar schijnt dat nog niet te beseffen. Zijn geest heeft zich teruggetrokken achter de schutting waar zijn lichaam niet meer geraakte. “Zijn lichaam was moedwillig en onbeweeglijk. Ergens woonde hij nog in een klein plekje, een laatste bunker. Een weerstandsnest om in weg te kruipen.” Alhoewel… plotseling komt hij tot het besef: “Vluchten was zich begraven in een eindeloze illusie. Er waren geen plekjes meer om rustig te leven.” Of om rustig te sterven, zou ik zeggen, want dat leven, dat was alleen maar een voorwendsel. Denk ik. Denk ik misschien ten onrechte. Want misschien zat er tóch niet meer dan één laag in dit boek en heb ik het boek in mijn middelbare school, waarschijnlijk, zo simpel begrepen als het bedoeld was. “Het is me allemaal een raadsel.”

Björn Roose