Posts tonen met het label Aster Berkhof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Aster Berkhof. Alle posts tonen

dinsdag 23 april 2024

Veel geluk, professor – Aster Berkhof (boekbespreking door Björn Roose)

Veel geluk, professor – Aster Berkhof (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb jaren gedacht dat Aster Berkhof een vrouw was. Toen ik van dat idee genezen was, dacht ik dat het een Nederlander was. Alleen in Nederland komt het immers voor dat een man genoemd wordt naar een bloem (met zijn voornaam, bedoel ik uiteraard, ik hoor u al komen). Toen bleek dat ook dat niet klopte – Rijkevorsel, waar hij geboren werd, ligt dan wel vlak bij de grens, maar Lodewijk Van Den Bergh, zoals zijn naam echt luidde, is géén Nederlandse naam -, bleef me als waandenkbeeld alleen maar over dat hij jeugdboeken schreef. Dát klopte gelukkig wel, maar… niet helemaal. De noodklok, bijvoorbeeld, die ik al jaren in mijn kast heb hangen, excuseer, dat al jaren in mijn kast staat, is ‘gewoon’ volwassenenliteratuur, Veel geluk, professor, dat er onlangs bij kwam, eveneens.

Al had ik dan tot op zo ongeveer pagina honderd van dat boek durven zweren dat het – weerom met die bloemige voornaam in mijn hoofd – een vroege voorloper van het chicklit-genre was. Een zéér vroege voorloper, want Veel geluk, professor dateert van 1949, iets wat overigens in het geheel niet aan de stijl te merken valt (het boek had gisteren geschreven kunnen zijn óf morgen geschreven kunnen worden). Veel geluk, professor was ook een van zijn succesvolste boeken (en hij schreef er honderdeneen); Ja maar neen, professor uit 1985, De professor wordt minister uit 1986, en Saluut, professor uit datzelfde jaar, waren geen vervolgen op het boek, maar wel overduidelijke pogingen om het succes van nieuwer werk te boosten middels verwijzing naar ouder werk. De drie boeken van halverwege de jaren tachtig werden overigens halverwege de jaren negentig nog eens uitgebracht in een bundel.

Enfin, dat doet er niet toe. Toch minder dan wat ik net schreef over dat chicklit-genre. Het moge duidelijk wezen dat Veel geluk, professor, honderdnegentig bladzijden dik in de uitgave van Het Laatste Nieuws, alleen al omwille van het feit dat het dus niét geschreven is door een vrouw ook niet in dat genre thuishoort, maar feel good en lichtzinnig is het toch. Mínder lichtzinnig na de eerste honderd bladzijden, dat wel, en Berkhof weet in de laatste negentig bladzijden nog een wending te creëren die je even doet denken dat het toch niet zal eindigen op rozengeur en maneschijn, maar als je van dit boekje niet vrolijk wordt, moet je simpelweg in therapie. Het lijkt bijna met dat doel – vrolijk worden, niet lezers richting therapie sturen – geschreven en kan ongetwijfeld nog steeds dat doel dienen, zelfs al moet je om tegenwoordig het soort oord te vinden waar het zich afspeelt wellicht eerder naar een enigszins achtergebleven ski-oord in de Verenigde Staten dan naar eentje in het Zwitserse Sankt Moritz, waar het boek zich afspeelt: “De grote eetzaal van het hotel veranderde rond zeven uur geheel van uitzicht. Tijdens de dag was het er een ordeloos weg-en-weer-geloop van skiërs, schaatsers en wandelaars, allemaal nonchalant gekleed in jongensachtige sportpakken. Ze riepen mekaar grappen toe, stonden tussen de tafeltjes hete grog te drinken, knabbelden koekjes, aten sandwiches zonder te gaan zitten en plaatsten achteloos hun voet op een stoel om hun schoen dicht te binden. Wie vóór zeven uur ‘s avonds al ‘gekleed’ was, viel geheel uit de toon. Zelfs oudere dames die nooit buitenkwamen, droegen kleurige jumpers en dikke wollen rokken of broeken en zware skischoenen. En de oude heren liepen rond in bruine en blauwe jasjes, loshangend over een gekleurd hemd of een pull-over met mannetjes, en ze rookten pijpen of sigaretten, staken de handen in de broekzakken en gingen ongegeneerd op de tafeltjes zitten om te praten. ‘s Avonds veranderde dat helemaal. Na zeven uur was er geen enkel skipak meer te bemerken. De tafeltjes werden netjes in de rij geschoven. De gebloemde namiddagkleedjes werden vervangen door witte tafellakens. De schemerlampjes werden aangebracht, en het zilveren eetgerei, en de met goud beschilderde borden, en de kristallen glazen. En als een halfuur nadien de eerste avondtoiletten verschenen, werd er alleen nog zachtjes gepraat, en wie zich verplaatste, ging langzaam en waardig, en als ze iets uitlegden, deden ze het met stijlvolle, hoofse gebaren, en het geroep en het gelach van ‘s namiddags maakten plaats voor de gedempte galante gesprekken en de beheerste glimlachjes van mensen die ‘hun wereld kennen’. De heren, die tijdens de dag luidruchtig met de sportief als jongens geklede meisjes hadden geschertst, bogen nu schroomvallig voor hun zachte, mysterieuze vrouwelijkheid, en ze hielden een stoel voor hen gereed en dienden hen met een tedere verering, waarvoor de meisjes met een stille, gracieuze lieftalligheid dankten.” Ik schreef “een enigszins achtergebleven ski-oord in de Verenigde Staten”, maar voor hetzelfde geld beeld ik me dat alleen maar in: de enige keren dat ik in een ski-oord ben geweest was het telkens midzomer en ál die ski-oorden leken vooral lawaaierig, lelijk, en – desondanks – prijzig.

Nu goed, bovenstaande citaat is wel zo ongeveer het enige wat ik aangeduid heb in dit boek. De andere betroffen stukjes humor die niet in de dialogen lagen (dialogen die – eerlijk is eerlijk – behoorlijk humoristisch zijn, al halen ze dan niet het niveau van, pakweg, die van Oscar Wilde). Dit bijvoorbeeld: “En dan zag hij twee bomen verder een tak op de grond liggen, een pols dik, krak afgebroken van de stam, een meter boven de grond. Hij raapte hem op, en terzelfder tijd begon de grote, blauwe plek op zijn schouder ineens weer pijn te doen, en hij dacht: die twee kennen mekaar.” Of de reactie van “de kolonel” als de dame met de vijf honden wéér eens een van haar beesten kwijt is en hem vraagt of hij hem niet gezien heeft: “Ja (…) Ik heb hem opgegeten. Ik wilde konijn hebben, maar er was er geen. Dan heb ik dat mormel van u gepakt, naar de keuken gebracht, en gezegd: stoof dat. Ze hebben het gedaan. Het was heel lekker. Morgen kom ik een andere halen.”

Wat ook een gepaste reactie zou kunnen zijn na het lezen van dit boek: het was licht verteerbaar, het heeft gesmaakt, morgen ga ik er nog eentje lezen. Perfect aanvaardbaar voor wie daar op uit is, maar voor mij mag het toch net ietsje meer zijn.

Björn Roose

donderdag 23 november 2017

De Noodklok (Aster Berkhof)

My rating: 4 of 5 stars

Voor de verandering bespreek ik eens werk van een schrijver die nog leeft. En, eerlijk is eerlijk, De noodklok dateert al van 1973, maar de naam Aster Berkhof (pseudoniem voor Louis Paulina van den Bergh) klinkt nog steeds als een klok in het Vlaamse schrijverslandschap. De intussen 97-jarige schrijver publiceerde in 2013 nog een misdaadroman, De marmeren meisjes; zijn eersteling, De heer in grijze mantel, dateert van 1944; daartussen zitten zo'n 100 (!) boeken. En nee, die zijn ongetwijfeld niet allemaal van grote kwaliteit (Berkhof beweerde ooit van zichzelf dat hij veel middelmatige werken heeft, een paar slechte, maar toch ook een paar goede), maar ik ben zo vrij te denken dat De Noodklok tot die laatste categorie behoort.

Ik kocht het boek simpelweg omdat het zich afspeelt "in de beroerde Alva-tijd, onder de Spaanse overheersing in de Nederlanden", zoals de achterflap vermeldt. Centrale gebeurtenis, historisch kerngegeven is de op handen zijnde onthoofding van de graaf van Egmont. En Berkhof geeft zelf de verdere uitleg over de situering in de eerste alinea's van het boek: "In augustus 1567 was de hertog van Alva naar Brussel gekomen om de opstand in de Nederlanden te onderdrukken en de beeldenstormers te straffen. In april 1568 wou hij zich voor een retraite terugtrekken in het klooster van Groenendaal. Bij die gelegenheid werd een samenzwering tegen hem op touw gezet. De samenzwering mislukte door verklikking. In de roman wordt deze samenzwering verschoven van april naar begin juni. Ze wordt verplaatst van Groenendaal naar de abdij van Ter Kameren. En het plan wordt pas verklikt en daardoor verijdeld op het ogenblik dat Alva al in het klooster aangekomen is, waar dit in werkelijkheid gebeurde vóór zijn vertrek uit het paleis. De samenzwering verloopt in de roman in grote lijnen zoals ze, waarschijnlijk, verlopen zou zijn als de verklikker wat later het plan bekendgemaakt had."

Zo, nu kent u het hele verhaal. Aster Berkhof verklapt het zelf aan het begin van zijn boek. Geen historische fictie dus, geen "wat als ?"-verhaallijn, nee, gewoon een klein beetje geschuif met de feiten, maar die feiten blijven wel wat ze zijn: de graaf van Egmont verloor zijn hoofd, de hertog van Alva leefde nog lang en gelukkig. Waarom dit boek dan nog lezen ? Omdat dat van dat "gelukkig" in vorige zin misschien niet klopt.

Zoals Berkhof óók al vertelt in zijn inleidende bladzijde: "Uit enkele brieven van Alva, en ook uit de geschriften van zijn biechtvader, blijkt dat Alva in zijn laatste levensjaren een dramatische angst gekend heeft, vooral in verband met zijn bloedig optreden in de Nederlanden. Alles wat hij deed, was hem bevolen door Filips II, maar de twijfel leefde in hem of hij als mens wel het recht had dat soort bevelen uit te voeren. Tijdens zijn veldtocht in Portugal, niet lang voor zijn dood, was het zo erg, dat Filips hem schreef: 'Wees niet bang. Ik, als koning, zal alles wat ik u heb doen uitvoeren, voor God verantwoorden.' Of deze angst al in Alva leefde toen hij in de Nederlanden was, staat niet vast. Maar het lijkt wel zo. In het jaar van de terechtstelling van Egmont was Alva over de zestig, voor die tijd een heel hoge leeftijd, die ernstig aan de dood deed denken. Bovendien was hij ziek. En we weten dat hij, terwijl Egmont op de Grote Markt te Brussel onthoofd werd, geschreid heeft. Schijnheilige tranen, zeggen sommigen. Maar dat lijkt onwaarschijnlijk: Alva was niet naar de Nederlanden gekomen om verzoening te wekken door mildheid en goedhartigheid, maar om terreur te zaaien door schrikwekkende wreedheid. Ik kan niet inzien hoe die tranen, als ze bedoeld zijn als vertoning, daarbij kunnen passen."

En dat, die insteek, is waar het in deze roman om draait. Niet de feiten zijn hier belangrijk, maar de motivatie van Alva, van de abt van Ter Kameren, van de samenzweerders, van de monniken, van Egmont, van de laffen en de lauwen, van de dapperen en de durvers. Die wordt knap uiteengezet in gesprekken tussen Alva en de abt, tussen de samenzweerders en beide eerstgenoemden. Zowel Alva als de abt als de samenzweerders in de figuur van Kasper van Karloo voeren de discussies op het scherp van de snede en zijn in zekere zin, ondanks al hun meningsverschillen, kopieën van elkaar. Alva trouw aan zijn koning en zijn idee van god, de abt trouw aan zijn idee van god en aan zijn vriend Alva, Kasper van Karloo trouw aan zijn idee van vrijheid en aan degene die dat idee voor hem vertegenwoordigt, de graaf van Egmont. Elk van hen ook bereid, ook na hun discussies, om voor die trouw zijn leven te geven. Wat in het geval van Kasper van Karloo en wellicht in dat van de abt ook de prijs is die ze voor die trouw moeten betalen. Alva lijkt er zónder prijs te betalen van af te komen, maar misschien is die enorme angst waar Berkhof het in zijn inleiding over heeft wel een grotere prijs dan het leven zelf.

Dat Aster Berkhof doctor in de wijsbegeerte is, is ongetwijfeld te merken in dit boek. Dat hij een bijzonder goed schrijver is eveneens. Een aanrader dus.

View all my reviews

Was getekend,

Björn Roose