Posts tonen met het label Geert Mak. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geert Mak. Alle posts tonen

maandag 27 oktober 2025

In Europa – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)

In Europa – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)In Europa – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)
Geert Mak, van wie ik eerder dit jaar al Hoe God verdween uit Jorwerd besprak, doet in In Europa drie dingen waar ik een beetje jaloers op ben en die ik zelf slechts in te geringe mate kan: schrijven, reizen, en met geschiedenis bezig zijn. Weliswaar doet hij dat laatste in niet onbelangrijke mate door tijdens die reizen veelvuldig in bibliotheken ondergedoken te zitten en nog veelvuldiger met locals te spreken, twee dingen waar ik me zo weinig mogelijk mee bezig houd (op reis lees ik minder dan anders en ik vind – visueel ingesteld als ik ben - met de inboorlingen praten een verlies van tijd als ik ergens kom waar ik nog nooit geweest ben), maar zolang het schitterende werken oplevert als In Europa, ondertitel Reizen door de twintigste eeuw, zou ik het aan mensen als Geert Mak zeker blijven aanraden.

Je lezers gedurende achthonderdvijftig bladzijden (zoveel zitten er in de eenentwintigste druk, daterend van februari 2009, bij Uitgeverij Atlas) op sleeptouw kunnen nemen van Amsterdam, Parijs, Londen, Berlijn en Wenen voor de Eerste Wereldoorlog, naar Wenen (okee, die sprong was er geen), Ieper, Cassel, Verdun en Versailles tijdens de Eerste Wereldoorlog, is die inspanning waard. Ze vervolgens, met een kleine sprong terug in de tijd om aan boord van Lenins trein te komen, van 1917 tot 1924 meenemen naar Stockholm, Helsinki, Petrograd en Riga, om dan tussen de twee Wereldoorlogen op reis te gaan van Berlijn, over Bielefeld en München naar Wenen, en van Predappio, over Lamanère, Barcelona en Guernica, naar München, kunnen die lezers alleen maar leuker vinden. Vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog tot het einde daarvan over verschillende sporen denderen is logisch en niet minder interessant: van Fermont, over Duinkerken, Chartwell en Brasted, naar Londen; van Berlijn, over Himmlerstadt, Auschwitz, Warschau en Leningrad, naar Moskou; van Stalingrad, over Odessa, Istanbul, Kefallonía, Cassino, Rome en Vichy, naar Saint Blimont. En na het einde van de Tweede Wereldoorlog met tussenhaltes in 1956, 1980 en 1989 ook richting einde van de eeuw gaan, kan in een boek met de ondertitel Reizen door de twintigste eeuw niet meer dan logisch zijn, al moet er meteen bij gezegd worden dat waar de reis tot 1944 vijfhonderddertig bladzijden in beslag neemt, de reis vanaf dat jaartal nog amper tweehonderdzeventig bladzijden duurt (de laatste vijftig bladzijden zijn gereserveerd voor de Literatuur-lijst en het bijzonder goed opgestelde Register, iets wat bijvoorbeeld volkomen ontbrak in het voor de rest toch schitterende boek Mijn Duitsland van Geert van Istendael, een schrijver die Mak ook ontmoet tijdens zijn reis). Van Bénouville, over Oosterbeek, Dresden, Berlijn, Neurenberg en Praag, naar Budapest: dertien jaar geschiedenis in zeventig bladzijden. Van Brussel, over Amsterdam, Berlijn, Parijs, Lourdes en Lissabon, naar Dublin: vijfentwintig jaar geschiedenis in vijfenzeventig bladzijden. Van Berlijn, over Niesky, Gdańsk en Moskou, naar Tsjernobyl: tien jaar geschiedenis in vijftig bladzijden. En van Boekarest, over Novi Sad en Srebrenica, naar Sarajevo: nog eens tien jaar geschiedenis in veertig bladzijden. Je krijgt de vage indruk dat het interessantste aan de twintigste eeuw voorbij was na de Tweede Wereldoorlog (wie die indruk bevestigd wil zien, hoeft overigens maar binnen te lopen in de gemiddelde boekwinkel), en dat we – als West-Europese geschiedkundig geïnteresseerden – blij mogen zijn dat elf jaar voor het einde van de eeuw het IJzeren Gordijn aan metaalmoeheid ten onder ging en wat later een stukje van de twisten die onder de communistische knoet hadden begraven gelegen weer oplaaide, want anders was het na de Hongaarse Opstand, op wat gedoe rond Solidarność na, toch wel verdomd rustig geweest. Allemaal de fout van figuren als Jean Monnet en Robert Schumann, zou ik zeggen, figuren die vrij uitgebreid aan bod komen in de hoofdstukken vanaf September – 1944-1956 (in het geval van Monnet ook al eerder), figuren die inderdaad – laat ons wel wezen – geschiedenis gemáákt hebben, maar ook als je zo goed schrijft als Mak niet half zo interessant zijn om over te vertellen als Radovan Karadžić, Željko Ražnjatović (bijgenaamd Arkan) of Slobodan Milošević. Zoals P.J. O’Rourke al schreef in Vakanties in de hel: “Het zal altijd leuker zijn om met een wapen door de heuvels te lopen en met ideologisch verwarde studentes naar bed te gaan, dan je leven achter een waterbuffel door te brengen of wegrottend in een sloppenwijk.” Dat geldt zélfs als die waterbuffel Europese Economische Gemeenschap heet en die sloppenwijk bij het Brusselse Leopoldstation ligt, zelfs al heeft Mak het op een zeker moment ook over dat Leopoldstation.

Enfin, ik loop vooruit terwijl ik u van Maks boek nog niet eens het eerste stukje van de Proloog heb laten lezen: “In het dorp had niemand ooit de zee gezien – behalve de Hollanders, de burgemeester en Jószef (sic) Puszka, die in de oorlog was geweest. De huizen lagen rondom een smalle beek, een handvol vergeelde, verbrokkelde boerderijen, groene tuinen, kleurige appelbomen, twee kerkjes, oude wilgen en eiken, houten hekken, kippen, honden, kinderen, Hongaren, Zwaben, en zigeuners. De ooievaars waren al vertrokken. Hun nesten stonden stil en leeg op de schoorstenen. De zomer gloeide na, de burgemeester maaide zwetend het gemeentegras. Er was geen mechanisch geluid te horen; alleen stemmen, een hond, een haan, overstekende ganzen, een houten paardenkar die krakend over de weg reed, de zeis van de burgemeester. Later op de middag werden de ovens aangestoken; een dunne sluier blauwe rook trok over de daken. Zo nu en dan krijste een varken.” Het lijkt bijna alsof Mak een Hongaars dorpje aan het begin van de twintigste eeuw omschrijft en zijn keuze voor Vásárosbéc als filosofisch vertrekpunt voor zijn reis is ongetwijfeld niet willekeurig geweest (“In dit Zuid-Hongaarse dorp (…) bleef het almaar 1925.”), maar aan het einde van zijn boek komt hij er – uiteraard al evenmin toevallig – terug om vast te stellen dat de twintigste eeuw aan het begin van de eenentwintigste het dorp aan het inhalen is: de EU bemoeit zich met alles, maar de burgemeester heeft daar ook subsidies gevonden om een cultureel centrum op te trekken; “Bijna alle mannen hadden nu werk, de lonen gingen omhoog”; “Iedereen was een beetje rijker geworden”; “Het laatste stuk zandweg was geasfalteerd”; “De gemeente had een maaimachine gekocht (…) de stilte werd zeldzaam”.

Ik ben zelf nooit in Vásárosbéc geweest (al ga ik er wel prat op ‘heel’ Hongarije bezocht te hebben) - zelfs wie aan de hand van Google Maps op zoek gaat naar wat dan ook dat toeristisch bezienswaardig is in de streek zal met een zeer magere oogst thuiskomen -, dichter dan in het twintig kilometer lager liggende Szigetvár en het dito hoger liggende Kaposvár kwam ik niet in de buurt, maar ik heb in het volgende decennium (ik bereisde Hongarije voornamelijk tussen 2010 en 2020) in grote delen van het land een nog veel snellere evolutie kunnen waarnemen. Zelfs in een land dat na geruïneerd te zijn door de Eerste en de Tweede Wereldoorlog vijftig jaar onder het communisme heeft geleefd, is de tijd sinds 1989 niet blijven stilstaan, ook niet in plaatsen die tussen de plooien van de geschiedenis lijken gevallen te zijn. Plaatsen waar weinig geschiedenisboeken aandacht aan schenken, zoals ook geldt voor veel van de feiten waar Mak het over heeft, het soort feiten dat er voor zorgt dat je bij In Europa nooit gaat denken: ‘Weer een geschiedenisboek…’ Het soort feiten waarvan ik er – uiteraard – een hele resem heb aangeduid als mogelijk citerenswaardig, maar waardoor ik me bij het schrijven van deze bespreking niet mag laten meeslepen. Bijvoorbeeld dít over de fameuze Dreyfus: “Toen een groep intellectuelen decennia later aan de bejaarde Dreyfus vroeg of hij een appèl wilde ondertekenen om de levens van Sacco en Vanzetti te redden – twee Amerikaanse slachtoffers van een politiek proces – werd hij woedend: hij wilde niets meer met dat soort zaken te maken hebben.” Of dit over de jonge Adolf Hitler: “Er bestaat een merkwaardige tekening van de Michaelerplatz uit 1911 of 1912, waarop de jeugdige kunstschilder A. Hitler het plein volledig weergeeft, op één gebouw na, een herenmodezaak, een ontwerp van de moderne architect Adolf Loos uit 1910. In plaats daarvan kopieerde hij een achttiende-eeuwse voorstelling. Hoewel het ‘huis zonder wenkbrauwen’ van Loos toen al grote bekendheid genoot, mocht het van Hitler niet bestaan.” Of dit over de realiteit van het front: “De doodsbrief van de Britse regering aan de nabestaanden bevatte standaard de volgende zin: ‘Hij stierf door een kogel, recht in het hart.’ In werkelijkheid was maar een enkeling zo’n dood gegund. Tallozen bloedden langzaam dood tussen de linies waar niemand hen kon helpen, tussen de stervende ezels en de jammerende paarden. Na de eerste dag van de slag aan de Somme steeg, zo vertelde de Britse luitenant Hornshaw later, vanuit het niemandsland een onaards gejammer en gekreun op, ‘een geluid alsof natte vingers over een enorme ruit schraapten’”. Of een aantal paragrafen over Köpenick (die ik ook al tegenkwam in Op het vinkentouw van Godfried Bomans), de nazaten van Karel Cogge (“De Cogges in Nieuwpoort gaan gewoon voort, ze trekken zicht van geen geschiedenis wat aan.”), of de arbeider Jemeljanov die op een ‘mooie’ dag Lenin en Zinovjev hielp ontsnappen aan de Voorlopige Regering: “Jemeljanov, de enige echte arbeider in het hele verhaal, vervloekte naderhand de dag dat hij Lenin had overgeroeid. Hij werd van kamp naar kamp gesleept. ‘Stalin was er ook bij, bij die vlucht in de boot,’ zeiden de partijchefs jarenlang, maar Jemeljanov wist dat het in werkelijkheid Stalins rivaal Grigori Zinovjev was. Dat was voldoende om de arme man het leven eeuwig zuur te maken. Hij stierf in 1958. Zelfs na zijn dood werd nog met hem omgesold. De arbeiders van de nabijgelegen fabriek wilden hem op hun schouders naar de begraafplaats dragen, maar om een of andere reden besloot het lokale partijcomité dat hij clandestien begraven moest worden. Het werd uiteindelijk een heel getrek: de politie wilde zijn kist in een vrachtauto duwen, de arbeiders trokken hem er weer uit. ‘Christus nog aan toe,’ zei de buurman die ons het verhaal vertelde. ‘Het was alsof Jemeljanov nog in leven was. Eerst in de gevangenis, dan er weer uit, dan er weer in. Goeie genade, wat een bestaan!’”

En dat terwijl Mak onderweg ook nog eens, zonder ooit zijn belezenheid te benadrukken, losjes verwijst naar onder andere Sebastian Haffner (auteur van, onder meer, een zeer sterke ooit nog bij Knack verschenen Hitler-biografie), Robert Musil (bekend van onder andere De man zonder eigenschappen), Hannah Arendt (Totalitarisme, De banaliteit van het kwaad, Over geweld, enzovoort), Ernst Jünger (In Stahlgewittern, Luitenant Sturm, Der Arbeiter), F. Scott Fitzgerald (voornamelijk bekend van De grote Gatsby), Ivan Goncharov (“Zo beleef ik mooie dagen in huize Oblomov.”), Thomas Mann (van wie ik onlangs nog het, vond ik, minder geslaagde Felix Krull besprak), George Orwell (als schrijver van Homage to Catalonia), en Antoon Coolen (u uiteraard bekend van mijn bespreking van diens Kinderen van ons volk), of een waarneming neerpent over de tegenwoordige tijd of plaats: “Dinsdag 9 februari 1999. Over de vlakte achter Diksmuide jagen luchten vol sneeuw. De wolken komen niet aandrijven, ze rijzen op uit het land, als een brede zwarte muur. Achter mijn rug schijnt de zon nog, fel licht, op de modder van de akkers, op de sneeuw in de voren, de handvol rode huizen, de scherpe torenspitsen in de verte. Tegelijk heeft dit landschap iets gelatens. Je veegt er een paar elektriciteitsmasten van af, wat varkensstallen, en je hebt weer een slagveld.”

Bij dat alles merk je onvermijdelijk dat de sympathie van de auteur ter linkerzijde ligt – ook een (amateur)historicus is nooit objectief -, maar dat lijkt er slechts hoogst zelden toe te leiden dat hij weinig politiek-correcte feiten vermijdt. “In totaal zijn naar schatting ongeveer twee miljoen Duitse vrouwen verkracht [door sovjetsoldaten, noot van mij], meestal meerdere malen. De sovjetleiding wist heel goed wat er gebeurde, maar deed er niets tegen.” “In de middag van 30 januari voer het enorme vakantieschip Wilhelm Gustloff van Kraft durch Freude de Oostzee op, volgepakt met zes- à tienduizend vluchtelingen, onder wie zo’n vierduizend kinderen. Midden in de ijskoude nacht werd het door een sovjetonderzeeër getorpedeerd. Dertienhonderd evacués konden zich redden in sloepen en te hulp geschoten marineschepen. Duizenden raakten benedendeks door het binnenstromende water opgesloten. Met ‘een collectieve eindschreeuw’ ging de Wilhelm Gustloff ten onder, een ramp die vele malen groter was dan die van de Titanic, maar die ruim een halve eeuw later pas dankzij Günter Grass in brede kring bekendheid kreeg.” “Bij de Duitse bombardementen op Engeland vielen in totaal ongeveer zestigduizend burgerdoden, plus nog eens negentigduizend zwaar- en honderdvijftigduizend lichtgewonden. Bij de geallieerde raids op Duitsland zijn naar schatting vijfmaal zoveel mensen omgekomen, rond driehonderdduizend, onder wie vijfenzeventigduizend kinderen. Bijna achthonderdduizend mensen werden ernstig gewond. Zeven miljoen Duitsers werden dakloos, een vijfde van alle woningen werden vernield. Het effect van de bommen op de oorlogsindustrie viel ernstig tegen. Albert Speer schatte het totale productieverlies over 1943 op hooguit 9 procent, een daling die gemakkelijk kon worden opgevangen. Hij vond, zei hij, tijdens zijn latere verhoren, de tactiek van de geallieerden ‘onbegrijpelijk’: waarom hadden ze niet de basisindustrie (staal, olie) en het transportnetwerk aangevallen? Nu bleef, ondanks de enorme branden, de industriële capaciteit van een stad als Berlijn tot de laatste maanden van de oorlog voor een groot deel intact. (…) Deze wanverhouding tussen industriële schade en burgerslachtoffers was geen toeval. Het was bewust beleid. Al voor de oorlog hadden de Britten het ‘strategische bombardement’ ontwikkeld, de methode om de vijand uit te schakelen door zijn bevolkingscentra te vernietigen. De bombardementen op Duitsland waren dus geen reactie op Duitse aanvallen op Londen, Coventry en andere Britse steden, ze waren, integendeel, onderdeel van een al veel eerder geplande strategie. Coventry was geen aanleiding, maar enkel een rechtvaardiging.” Ik heb, in alle eerlijkheid, rechtse auteurs geweten die op kousenvoeten om deze feiten heen liepen, alleen al daarom hoedje af voor Geert Mak dus.

Daarom en omwille van zo ongeveer iedere regel in dit prachtige boek. Dit is er eentje waar je regelmatig naar terug zal grijpen als een of andere naam valt die wel een belletje doet rinkelen, maar waarvan je niet meer weet waarom, of als je voorafgaand aan een bezoek eraan minstens het wedervaren van een stad in de vorige eeuw wil leren kennen. Ik zou er nog wat superlatieven willen bij kappen, maar daarvan zijn er nauwelijks genoeg om dit boek voldoende eer aan te doen.

Björn Roose

dinsdag 11 februari 2025

Hoe God verdween uit Jorwerd – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)

Hoe God verdween uit Jorwerd – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)

Er schijnt in geschiedkundige kringen enige discussie te zijn over het geschiedkundig gehalte van Geert Mak. Aan de ene kant ontving hij tot tweemaal toe een prijs als Historicus van het Jaar (waarbij ik me niet uitspreek over de waarde van die prijs, want meer weet ik er ook niet over) en eredoctoraten van de in het Nederlandse Heerlen gevestigde Open Universiteit en de Duitse Universität Münster (tot vorig jaar Westfälische Wilhelms-Universität), aan de andere kant zei de in 2018 overleden historicus Hermann von der Dunk over hem: “Het is goed geschreven en historisch correct, maar het is niet, zoals ik het noem, academische geschiedschrijving.”

Wat zou kunnen, want Mak (geboren in 1946) ís geen geschiedkundige. Maar wat dan wel? “Journalist en non-fictieschrijver” misschien, zoals Wikipedia stelt, maar ook – zij het allemaal voormalig - fractiemedewerker van de in 1991 ter ziele gegane Pacifistische Socialistische Partij, docent staats- en vreemdelingenrecht aan de Universiteit van Utrecht, redacteur van De Groene Amsterdammer, medewerker van de buitenlandredactie van VPRO, medewerker van NRC Handelsblad, en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Niet zo heel erg van belang allemaal. Wat voor de potentiële lezers van voorliggend Hoe God verdween uit Jorwerd belangrijker is, is dit: vanaf de tweede helft van de jaren 1970 probeerde hij samen met een aantal journalisten en auteurs de “zogenaamde literaire non-fictieboeken nieuw leven (…) in [te] blazen”. En vanaf de jaren 1990 ging hij zich zelf ook met werken in dat genre bezighouden. In Europa: Reizen door de twintigste eeuw is één van die werken – de “ingekorte” editie, nog steeds goed voor achthonderdvijftig bladzijden, daarvan staat in mijn boekenkasten - en leidde (voor mensen die hun ogen ook eens voor wat anders dan lezen willen gebruiken) tot een vijfendertig delen tellende documentairereeks, Hoe God verdween uit Jorwerd: Een Nederlands dorp in de twintigste eeuw is een zeker niet minder succesvol exemplaar. De eenentwintigste druk (uit 2001), uitgegeven bij Olympus, een onderdeel van Uitgeverij Contact (in 2012 gefuseerd met Atlas tot Atlas Contact), heb ik hier in mijn handen, maar volgens Wikipedia verschenen er tussen 1996 (eerste druk) en 2006 zomaar even veertig drukken van het boek, dus zal “de succesvolle paperback” intussen mogelijk nóg wat herdrukken beleefd hebben.

Hoeveel het er ook zijn, elke herdruk is terecht. Deze, dixit de achterflap, “inmiddels klassieke biografie van een dorp tijdens de stille revolutie tussen 1945 en 1995” is wat mij betreft het enige boek dat wie dan ook moet lezen over de ondergang van dorpen overal ter wereld – Jorwerd is door Mak van zeer nabij bestudeerd én meegemaakt, maar het kan model staan voor zoveel andere dorpen – én van degenen die die dorpen zovele eeuwen lang ziel gaven: de boeren. Mak vertelt, aldus nog steeds de achterflap, “het verhaal van de boeren en het geld, van de kleine winkeliers en de oprukkende stad, van de kerktoren die instortte en de import die niet meer groette, van de natuur die terugkeerde en tegelijk verdween”, en hij heeft het daarbij heus niet alleen over de genoemde vijftig jaren. De ondergang van de dorpen was reeds veel vroeger ingezet, de ondergang van de boeren ook – al is er voor zover ik weet nooit eerder sprake geweest van de duidelijk van overheidswege gewilde ondergang die we vandaag de dag meemaken -, maar de vraag “Wat is er gebeurd op het platteland toen de machines kwamen, en de subsidies en de banken, en toen de echte boeren langzaam ten onder gingen?” verdiende een antwoord zoals Mak dat bij mekaar geschreven heeft. Niet ex cathedra geschreven, niet vanuit de ivoren toren van een of andere universiteit of instelling, maar, zoals hij zelf in zijn Verantwoording meegeeft, “voor een deel in het geboortehuis van Folkert en voor een ander deel in de voormalige keuken van Minne de Koe”, met de uitgebreide hulp van “de dorpsgemeenschap van Jorwerd” die zich voor hem openstelde, in die mate dat hij zijn “rol van buitenstaander niet kon volhouden, en (…) onvermijdelijk in een situatie gleed waarbij (…) [hij] niet alleen toeschouwer was, maar ook deelnemer.” Hij “was al snel niet meer, zoals in de stad, enkel aanwezig als journalist, maar ook als buurman, kennis, vriend. Bovendien: mensen legden tijdens de interviews niet zelden hun hele lief en leed op tafel, en dat kweekt banden.” Banden die ook op het platteland, waar ik toch het grootste deel van mijn leven gewoond heb en nog steeds woon, inmiddels – we zijn alweer bijna dertig jaar verder – grotendeels verdwenen zijn, net zoals (al heb ik Jorwerd nooit bezocht) alles waar de dorpen ooit voor stonden. “Het was stil geworden in het dorp. Soms reden er schoolkinderen langs de weg, gebogen, driftig trappend, in lange slierten, tassen vol huiswerk achterop. Soms zag je in de verte een boer, hollend langs een sloot. Soms was er iets met een schaap, of er zat een trekker vast. Soms kwam er rook uit een schoorsteen”, ademt een stilte die mogelijk intussen ook in Jorwerd verdwenen is, maar toont meteen ook aan wat Mak bedoelde toen hij zich aan literaire non-fictie ging wagen. Vergelijk dit met de stijl van Patrick Joyce in Boerencultuur – Hoe het platteland uit onze herinnering verdwijnt dat ik in oktober 2024 besprak en je weet meteen wat de lezer bij Joyce mist en bij Mak vindt: de capaciteit om die lezer tot op de plaats van het gebeuren te brengen, hem de sfeer te doen opsnuiven, hem in zijn lijf te doen voélen wat die “boerencultuur” was. Een “boerencultuur” die volgens Mak ook niet eenduidig te beschrijven valt: “Het is dan ook te eenvoudig om te spreken van ‘de’ boerencultuur in haar algemeenheid. De bijna-horigheid van de Russische boer tegenover de stedeling en de grootgrondbezitter had weinig te maken met het individualisme van de Franse bergboeren. De Griekse boer, die generaties lang voornamelijk voor zijn eigen eiland produceerde, had een andere instelling tot de markt dan de Duitse graanboer bij de Oostzee. En de immense armoede van de boeren in Brabant en Gelderland bracht een heel andere houding met zich mee dan de handelsgeest van de boeren in de ‘zeeprovincies’ Holland, Zeeland, Friesland en Groningen, die al eeuwenlang onder de invloed van grote steden leefden.” Joyce zal ongetwijfeld breder gedocumenteerd geweest zijn dan Mak, beduidend grotere stapels vakliteratuur doorworsteld hebben (bij Mak blijft de Literatuur-lijst beperkt tot vier bladzijden – zijn bronnen leefden immers nog), dus beter geïnformeerd zijn dan Mak, maar bij Joyce voél je niks, tenzij dan de kriebels omdat het sociologengezwets op je systeem gaat werken.

Al voel je bij Mak meteen ook dat het een beetje een moeilijke bevalling dreigt te worden. Na nog geen twintig bladzijden weet je wanneer de leesbibliotheek, het postkantoor en de laatste bakkerij uit het dorp verdwenen zijn, wanneer de haven werd gedempt en Tijssen en zijn vrouw ophielden met hun huiskamercafé (een fenomeen dat ik in 2010 overigens bij een fietstocht in hetzelfde Friesland waar Jorwerd ligt nog wel aantrof, maar dat ongetwijfeld veel meer op ons, toeristen, gericht was dan op de lokale bevolking), wanneer de buslijn werd opgeheven en de kerkraad met een andere fuseerde, wanneer de beurtschipper, de slager en de laatste jager het voor bekeken hielden, enzovoort, en je vraagt je als lezer met nog zo’n tweehonderdzeventig bladzijden voor de kiezen toch wel af waar hij het verder nog over gaat hebben. Met het, toen nog, langzaam ‘verdwijnen’ van de boeren kan een schrijver zich per slot van rekening ook niet zó lang bezig houden.

Geen angst, dat is ook niet zo. Na het in sneltreinvaart door de evoluties van de jongste decennia lopen, gaat Mak op het tempo van het dorp, of toch op het vroegere tempo van het dorp, en aan de hand van de mensen die daar nog in of rond leven of ooit in of rond geleefd hebben, op het hoe en het waarom van die evoluties in. Op de “witte schimmel”, bijvoorbeeld: “De wet van het kleine getal werd voor veel dorpen actueel toen aan het eind van de jaren tachtig de bouwers en projectontwikkelaars het platteland opnieuw ontdekten. ‘Wonen aan het water!’ adverteerden de dagbladen in de Randstad. Aan de flank van kleine oude dorpen, naast verzande slootjes en stille watertjes, verschenen plotseling overal villa’s met ‘carports en eigen aanlegplaats’, het ene wijkje na het andere.” Op menselijke achteruitgang: “In 1972 werd Fedde ziek. Een slok petroleum – sinds zijn jeugd hét middel tegen alle kwalen – hielp ditmaal niet”, een zinnetje dat me meteen deed terugdenken aan Kolyma – Verhalen uit de Goelag Archipel van Varlam Sjalamov (wie wil weten waarom, leze mijn bespreking daarvan). Op de (voormalige?) cultuurkloof: “Terwijl de grenzen verdwenen en de afstanden steeds kleiner werden liep er zelfs aan het einde van de twintigste eeuw nog een diepe cultuurkloof door ieder land. Het was de breuklijn die voor iedereen zichtbaar was, maar waar je zelden iemand over hoorde: die tussen stedelingen en boeren, tussen consumenten en overlevers.” Of op de geesteswereld, om het maar bij die paar dingen te houden: “Bij die duisternis [op het platteland werden de straten niet verlicht door kunstlicht, noot van mij] hoorde een duistere bevolking. In het lege, vlakke land zijn eeuwenlang verhalen verteld – en soms ook opgetekend – over witte wijven die over de velden zweefden, reuzen die zich opeens, van achteren, over de argeloze wandelaar heen bogen zodat deze hun gezicht ondersteboven voor zich zag, katten die meeliepen en onderweg steeds groter werden, schelmen zonder hoofd die de wegen onveilig maakten, schimmen die een eenzame schaatser volgden, spookachtige mensenmassa’s die ‘wee’ roepend op het water stonden, wanhopige armen die uit het veen te voorschijn kwamen, zuigelingen die in de avond opeens op het roer van een schipper verschenen, smekend om een doodskleed”. Ik, plattelandsjongen die in zijn jeugd nog angst aangejaagd werd met verhalen over het ruggepetje, een soort boeman die zich verborg tussen de gewassen (met allicht een lichte voorkeur voor rogge), dacht onmiddellijk aan wat Frans Verleyen in Handelingen van een inboorling schreef over Cornwall.

Niet allemaal kommer en kwel (of bijgelovigheid) overigens: “In de negentiende eeuw zou die onafhankelijkheid leiden tot een nieuwe scheiding tussen stad en land, maar nu vooral in de geest. De meer romantische stedelingen begonnen de boerenstand te idealiseren, en de boeren zelf begonnen zich bewust te onderscheiden van de stad. In Friesland en elders ontstond een beweging om de eigen taal te stimuleren en overal werden klederdrachten en oude gebruiken bewust in ere gehouden. Tot in de jaren vijftig van deze eeuw zat de Jorwerter kerk iedere zondagochtend vol blinkende achttiende-eeuwse oorijzers. Ook in de manier waarop de boeren hun huizen inrichtten gaven ze blijk van standsbesef, met bepaalde meubels, met bepaalde kleuren en patronen, en met bepaalde statussymbolen. De verhouding tussen stad en land lag door de eeuwen heen in Nederland dus minder vast dan men gewoonlijk denkt. En er is vermoedelijk een vrij lange periode geweest waarin de verschillen tussen steden en dorpen zelfs kleiner waren dan nu, deels omdat de steden in hun omvang ‘dorpser’ waren, deels ook omdat men in de dorpen ‘stadser’ leefde.” Of: “Al leek het landelijke leven nog altijd even simpel, onder die uiterlijke schijn bestond rond het jaar 1600 al een soort Europese landbouwindustrie. De Oostzeelanden produceerden enorme hoeveelheden graan voor de Lage Landen en Zuid-Europa. Friesland maakte boter en kaas voor Engeland en Holland. En Denemarken produceerde duizenden stuks slachtvee voor de steden in Holland.”

U heeft het al begrepen, ik kan blijven citeren uit dit prachtige boek. Over de, beslist niet door de boeren zelf aangedreven, steeds verder gaande mechanisering van de landbouw. Over koeltanks, kunstmest, en bestrijdingsmiddelen. Over melkquota en de strop die deze vormen voor iedere boer die nog wil beginnen. Over vrijhandelsakkoorden, subsidie- en tariefmuren. Maar ook uit gedichten van Jan Slauerhoff, geen zoon van Jorwerd, maar er gedurende enige tijd toch wel een vaste bezoeker. Hoeveel ik echter ook citeer, ik kan u maar één raad geven: als u – de hoeveelste druk maakt niet uit – dit boek in handen kan krijgen, koop het dan en lees het dan. Lees het voor de boeren helemaal weggedrukt zijn. Vooraleer de biefstuk op uw bord vervangen is door sojaburgers. Vooraleer het platteland volledig omgezet is in “natuurgebied” (doorgaans een gebied dat niks met natuur maar alles met cultuur te maken heeft) en nieuwe woonwijken. Vooraleer elke weide en elke akker verworden is tot ‘strategisch groenproject’, “polders weer meertjes worden, en elders (…) graslanden weer teruggegeven worden aan het bos, de hei en het kale zand”. Vooraleer het niet meer kan omdat behalve de koeien ook de mensen met “‘blikken’, de gele oormerken die iedere koe moet dragen, de meest gehate van alle wetten, richtlijnen en registraties”, in hun oren moeten lopen. Vooraleer ieder dorp er als de zoveelste stadswijk gaat uitzien: “Opvallend was de teruggang van het bomenbestand. In het begin van de jaren vijftig konden veel dorpen nog betiteld worden als lommerrijk. Ze stonden vol eiken, beuken en lindebomen, groot en hoog, niet zelden honderd of honderdvijftig jaar oud. Twintig jaar later was daar vaak weinig meer van over. Als de bomen al niet voor het verkeer gevallen waren, dan waren het wel de omvangrijke ruilverkavelingen die als stormen over het land waren gegaan. In de meeste dorpen werden ze vervangen door het soort beplanting dat ook in de stadsplantsoenen furore maakte: heesters, coniferen, het soort ondefinieerbare gewassen dat gemakkelijk met motortrimmers in het gareel was te houden. Een plaats als De Knipe, ten oosten van Heerenveen, langgerekt en bepaald door hoge bomen en een dromerige vaart in het midden, werd zeker voor de helft uitgekleed tot een kale doorgangsweg. Ook het beeld dat een dorpsgemeenschap van zichzelf had, het dorp als dorp, veranderde door een dergelijke ingreep op subtiele wijze, zoals het zelfbeeld van een mens verandert als een been wordt geamputeerd of het gelaat geschonden.”

Lees dit boek vóór er van dat gelaat helemaal niks meer te zien is. Een gelaat dat nog kan getuigen van die oude, heidense orde: “Het was een orde die vaak vervat was in regels van Kerk en godsdienst – maar die in wezen gebaseerd was op de normen van de boerentraditie. Het was een orde waarbinnen de tijd geen almaar voortgaande lijn was, maar een cyclus als de natuur zelf. Het was een orde waarbinnen het leven niet een doel was, zoals in de stad, maar een tussenspel, met idealen in het verleden en met verplichtingen in de toekomst. En bovenal was het een orde die onkreukbaar was – en de plot van ieder plattelandsboek, van de Odysee tot en met de streekromans van Reinder Brolsma draait dan ook altijd om dat ene thema: het herstel van deze Goddelijke Orde. Alleen op die manier kon men in de chaos van de natuur het noodlot te lijf. Alleen zo kon men rampen, ziektes, misoogsten en ander onheil bezweren – afgezien van de eeuwige dood, het noodlot van ieder mens. En zelfs die kon overwonnen worden, omdat een mens in onsterfelijkheid kon voortleven, dankzij dochters en zonen.”

“De laatste weken die ik in Jorwerd doorbracht”, schrijft de auteur, “vroeg ik me vaak af hoe al deze veranderingen de dorpsgeschiedenis zouden ingaan. Hoe zou later verteld worden over de vier merkwaardige decennia waarin opeens alle knechten en meiden van de boerenerven verdwenen, waarin na duizenden jaren de samenwerking tussen mens en dier verbroken werd door de komst van de tractor, waarin andere belangen de landbouw verdrongen, waarin de bedrijvigheid in het dorp binnen tien jaar was weggesmolten? Hoe zou deze vreemde tijd beschreven worden? Zou er later nog verteld worden over de stilte en de ontberingen, over de warmte van de oude stallen, over de bel en het geschuifel in de dorpswinkels, over de goedheid van Akke van Zuiden?” Ik weet daarop geen antwoord te verzinnen, tenzij dan dat de mensen van later, zoals die van nu, mogelijk datgene zullen zeggen wat een van de toenmalige boeren volgens een onderzoek van de Franse historicus Emmanuel Le Roy Ladurie naar het middeleeuwse dorp Montaillou verklaarde: “Er is geen andere tijd dan de onze.” Een kortzichtigheid die te betreuren valt, maar die tenminste een heel klein beetje goedgemaakt wordt door werken als dit Hoe God verdween uit Jorwerd. Het kan er voor zorgen dat Jorwerd niet verdwijnt uit ons.

Björn Roose