vrijdag 20 maart 2026

Gipsy – Paul Brondeel (boekbespreking door Björn Roose)

Gipsy – Paul Brondeel (boekbespreking door Björn Roose)
Ik gaf het al aan bij mijn bespreking van Axel Bouts’ Dood in Arles: kennelijk heb ik in het verleden hier en daar een steek laten vallen bij het publiceren van mijn boekbesprekingen. Een aantal daarvan heb ik alleen op Librarything gepubliceerd, waardoor ik ze zelfs uit het oog verloren ben bij het verzamelen ervan. Zo kwam behalve voornoemd Dood in Arles ook het eveneens eerder gelezen Gipsy van Paul Brondeel in mijn valies terecht toen ik daar begin januari mee op reis naar Bretagne vertrok. Geen absolute ramp: ik had (uiteraard) nog veel meer leesvoer mee (Gipsy is met vijftig bladzijden zelfs nog dunner dan Dood in Arles) én aan Gipsy had ik – ik citeer even uit mijn oorspronkelijke boekbespreking - geen negatieve herinneringen overgehouden: “Ik ‘liefhebber’ namelijk niet zo héél erg in fictie (al kan dat de laatste tijd aan de hand van mijn boekbesprekingen anders lijken) [iets wat nog steeds niet veranderd is, noot van mij], maar voor, bijvoorbeeld, boekjes als dit (amper 50 pagina’s) maak ik graag een uitzondering. Terecht ook, in dit geval. Beetje moeilijk om daar veel uitleg over te geven – het boek is zélfs qua verhaallijn niet al te dik -, maar Brondeel slaagt er in je dit verhaal in één keer te doen uitlezen. En dat terwijl je dat verre van verwacht als je van bij de eerste bladzijden beseft dat dit niet meer inhoudt dan de gedachtegang van een door haar man bedrogen vrouw tijdens één dag op haar werk.”

Paul Brondeel, geboren in 1927 en overleden in 2009, had volgens Wikipedia een “literair mensbeeld (…) getekend door een somber pessimisme dat niet zelden een existentiële angst verwoordt”, wat kan zijn, maar hij wist in ieder geval de gedachten van die bedrogen vrouw van begin tot einde schitterend neer te zetten. Iets waar de volgende paar paragrafen helemaal aan het begin van het eerste hoofdstuk, Ochtend genaamd (en gevolgd door Voormiddag, Namiddag, en, uiteraard, Avond), mogen van getuigen:

“Ik weet wat thuis gebeurt als ik vertrokken ben. Mijn man, Philip Moons, denkt dat ik het niet weet, of dat ik het niet meer weet, of dat ik niet alles weet.

Hij weet wel dat ik onverwacht naar huis kan terugkeren. Hij laat zich niet betrappen, hij maakt een tocht, hij lost op, hij gaat naar oorden die ik niet ken – of wel ken -, hij verdwijnt uit het dagelijkse leven en is nergens te bespeuren.

Ik bel nooit meer; naar familie van hem, naar kennissen, naar cafés of kloosters, naar ziekenhuizen of gevangenissen, zoals ik destijds deed. Ik stelde me aan.

Hij is sluw en handig. Bereidwillig en behulpzaam voor iedereen. Ook voor mij, te gepasten tijde. Als ik bij voorbeeld mijn auto niet kan starten, om iemand af te schepen die ik niet wens te zien of om een avondmaal voor mij klaar te maken.

Philip berekent nu hoe ver ik al gevorderd ben op mijn weg naar de firma waar ik al twaalf jaar werk. Hij kijkt op zijn horloge en zegt: ‘Ze is bijna op haar werk, het is acht uur.”

Een minutieusheid in de kennis van ‘s mans bezigheden waarvan je (ook als je dit bij Davidsfonds/Clauwaert in 1995 uitgegeven boekje voor de tweede keer leest) al snel hoopt dat de ik-figuur er gebruik van zal maken om ‘meneer’ Moons het hoekje om te helpen, maar da’s iets wat niet gebeurd. Ook niet als die ‘meneer’ vraagt om een stevig pak rammel door haar als bedrieger zelf bedrog aan te proberen wrijven: “(…) heb jij tijdens de middagpauze alweer met smachtende ogen staan kijken naar een of andere plankierschilder? Heb je je kleertjes niet uitgetrokken, om je aanbiddelijke lijf, je zoete boezem, aan die plankierman te tonen?” De vaststelling “Hij heeft al jaren een verhouding met een vrouw die ik ken. Ze is vijf jaar jonger dan ik, ze heeft glanzend, zwart haar, kleine borsten, ze is slank en mager, ze heeft gitzwarte, opwindende ogen en een schitterende glimlach die elk hart in vuur en vlam kan zetten. Ze is eigenlijk niet mooier dan de meeste vrouwen. Ze is aantrekkelijker: die glimlach. Ze is lichtbruin van huid, ze ziet eruit als een zigeunerin. Ik noem haar Gipsy. Ik heb die vrouw zelf in ons huis gebracht en gezien hoe zij en mijn echtgenoot verliefd werden op elkaar.” leidt niet tot een moord, ook niet op de zigeunerin in kwestie. En vijftig bladzijden is ook niet genoeg om de lezer gedeprimeerd achter te laten (mij in ieder geval niet), maar “somber pessimisme” is inderdaad hetgene waarvan dit verhaal doordrenkt is. In die mate zelfs dat je je niet kan inbeelden dat er na Avond niet weer eenzelfde soort Ochtend, Voormiddag, Namiddag en weer een Avond komt, en dat alles in endless repeat.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !