Ik gaf het al aan bij mijn bespreking van Axel Bouts’ Dood in Arles: kennelijk heb ik in het verleden hier en daar een steek
laten vallen bij het publiceren van mijn boekbesprekingen. Een aantal
daarvan heb ik alleen op Librarything gepubliceerd, waardoor ik ze zelfs uit het oog verloren ben bij het
verzamelen ervan. Zo kwam behalve voornoemd Dood in Arles ook
het eveneens eerder gelezen Gipsy van Paul Brondeel in mijn
valies terecht toen ik daar begin januari mee op reis naar Bretagne
vertrok. Geen absolute ramp: ik had (uiteraard) nog veel meer
leesvoer mee (Gipsy is met vijftig bladzijden zelfs nog dunner
dan Dood in Arles) én aan Gipsy had ik – ik citeer
even uit mijn oorspronkelijke boekbespreking - geen negatieve
herinneringen overgehouden: “Ik ‘liefhebber’ namelijk niet zo
héél erg in fictie (al kan dat de laatste tijd aan de hand van mijn
boekbesprekingen anders lijken) [iets wat nog steeds niet veranderd
is, noot van mij], maar voor, bijvoorbeeld, boekjes als dit (amper 50
pagina’s) maak ik graag een uitzondering. Terecht ook, in dit
geval. Beetje moeilijk om daar veel uitleg over te geven – het boek
is zélfs qua verhaallijn niet al te dik -, maar Brondeel slaagt er
in je dit verhaal in één keer te doen uitlezen. En dat terwijl je
dat verre van verwacht als je van bij de eerste bladzijden beseft dat
dit niet meer inhoudt dan de gedachtegang van een door haar man
bedrogen vrouw tijdens één dag op haar werk.”
Paul Brondeel, geboren in 1927 en overleden in 2009, had volgens Wikipedia
een “literair mensbeeld (…) getekend door een somber pessimisme
dat niet zelden een existentiële angst verwoordt”, wat kan zijn,
maar hij wist in ieder geval de gedachten van die bedrogen vrouw van
begin tot einde schitterend neer te zetten. Iets waar de volgende
paar paragrafen helemaal aan het begin van het eerste hoofdstuk,
Ochtend genaamd (en gevolgd door Voormiddag, Namiddag,
en, uiteraard, Avond), mogen van getuigen:
“Ik weet wat thuis gebeurt als ik vertrokken ben. Mijn man, Philip Moons,
denkt dat ik het niet weet, of dat ik het niet meer weet, of dat ik
niet alles weet.
Hij weet wel dat ik onverwacht naar huis kan terugkeren. Hij laat zich
niet betrappen, hij maakt een tocht, hij lost op, hij gaat naar
oorden die ik niet ken – of wel ken -, hij verdwijnt uit het
dagelijkse leven en is nergens te bespeuren.
Ik bel nooit meer; naar familie van hem, naar kennissen, naar cafés of
kloosters, naar ziekenhuizen of gevangenissen, zoals ik destijds
deed. Ik stelde me aan.
Hij is sluw en handig. Bereidwillig en behulpzaam voor iedereen. Ook voor
mij, te gepasten tijde. Als ik bij voorbeeld mijn auto niet kan
starten, om iemand af te schepen die ik niet wens te zien of om een
avondmaal voor mij klaar te maken.
Philip berekent nu hoe ver ik al gevorderd ben op mijn weg naar de firma
waar ik al twaalf jaar werk. Hij kijkt op zijn horloge en zegt: ‘Ze
is bijna op haar werk, het is acht uur.”
Een minutieusheid in de kennis van ‘s mans bezigheden waarvan je (ook
als je dit bij Davidsfonds/Clauwaert in 1995 uitgegeven boekje
voor de tweede keer leest) al snel hoopt dat de ik-figuur er gebruik
van zal maken om ‘meneer’ Moons het hoekje om te helpen, maar
da’s iets wat niet gebeurd. Ook niet als die ‘meneer’ vraagt om
een stevig pak rammel door haar als bedrieger zelf bedrog aan te
proberen wrijven: “(…) heb jij tijdens de middagpauze alweer met
smachtende ogen staan kijken naar een of andere plankierschilder? Heb
je je kleertjes niet uitgetrokken, om je aanbiddelijke lijf, je
zoete boezem, aan die plankierman te tonen?” De vaststelling “Hij
heeft al jaren een verhouding met een vrouw die ik ken. Ze is vijf
jaar jonger dan ik, ze heeft glanzend, zwart haar, kleine borsten, ze
is slank en mager, ze heeft gitzwarte, opwindende ogen en een
schitterende glimlach die elk hart in vuur en vlam kan zetten. Ze is
eigenlijk niet mooier dan de meeste vrouwen. Ze is aantrekkelijker:
die glimlach. Ze is lichtbruin van huid, ze ziet eruit als een
zigeunerin. Ik noem haar Gipsy. Ik heb die vrouw zelf in ons huis
gebracht en gezien hoe zij en mijn echtgenoot verliefd werden op
elkaar.” leidt niet tot een moord, ook niet op de zigeunerin in
kwestie. En vijftig bladzijden is ook niet genoeg om de lezer
gedeprimeerd achter te laten (mij in ieder geval niet), maar “somber
pessimisme” is inderdaad hetgene waarvan dit verhaal doordrenkt is.
In die mate zelfs dat je je niet kan inbeelden dat er na Avond niet
weer eenzelfde soort Ochtend, Voormiddag, Namiddag
en weer een Avond komt, en dat alles in endless repeat.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !