Ik was wat boeken bij mekaar aan het zoeken vooraleer op reis te
vertrekken toen ik Dood in Arles van Axel Bouts tegenkwam. Bij
het zien van de titel en de auteursnaam wíst ik dat ik dit bij De
Clauwaert vzw verschenen exemplaar eerder gelezen had, maar toen
ik het opzocht onder mijn boekbesprekingen vond ik het nergens. Toch
maar meegenomen dus en van bij de eerste bladzijde lezen, wíst ik
dat ik me niet vergist had: ik had dat eerder gedaan. Een déjà vu
dan? Nee, een geval – en zo zijn er klaarblijkelijk meerdere (zie
een van mijn volgende boekbesprekingen) – waarin ik een korte
boekbespreking geplaatst had op Librarything,
maar nergens anders. Niet iets wat ik vaak gedaan heb, denk ik, maar
als ik nóg eens een boek vast heb waarvan ik vermoed dat ik het al
eerder gelezen heb, moet ik dat dus ook dáár even gaan controleren.
Tweede eigenaardigheid: het zát nog in mijn boekenkasten. Ik heb
immers al jaren de gewoonte boeken die me niet bevallen zijn of die
me minstens niet interesseren (en waarvan ik dus niet wil dat ze nog
plaats innemen in die kasten) naar mijn zolder te verhuizen, en Dood
in Arles had maar één ster (op vijf) van me gekregen (waarmee
het zeker onder de te verhuizen categorie thuishoorde). Waarom was
dit exemplaar dan niet verhuisd? Mogelijk om dezelfde reden dat ik de
gegevens ervan niet correct had aangepast op het al eerder genoemde
Librarything. Daar had ik immers de uitgave op Den Gulden
Engel (Wommelgem) 1987 laten staan (waar het ook werkelijk
oorspronkelijk uitgegeven is, met dezelfde cover dan nog),
terwijl de editie die ik nu (en toen) voor me liggen heb (en had) wel
uit hetzelfde jaar dateert maar dus bij een andere uitgever
verschenen is. Slordigheid, met andere woorden. Of het nog niet
vermoeden dat ik van boekbesprekingen ooit min of meer ‘ernstig’
werk zou maken.
“Iedereen verdient een tweede kans”, schreef ik in die eerste, na
jaren terug opgedoken boekbespreking. Iets wat toen op een ander
werkje van hem, Oorlog in Kieltje, sloeg (een boekje waarvan
ik de bespreking meteen maar meenam in die van Dood in Arles,
wat ik nu niet zal doen), maar waarvan ik dan maar besloten heb nog
eens voor hetzelfde boek toe te passen ook. Al blijft de
eindconclusie wel dezelfde: “Ik kon de stijl van dat boekje (…)
als niets anders dan vreselijk pretentieus omschrijven en het verhaal
als voorspelbaar en volkomen overbodig. Op de vraag ‘Hoe lang
blijft een literair werk overeind?’ die het hoofdpersonage in het
boekje zichzelf stelt, kon ik in dit geval alleen maar antwoorden
met: ‘Niet meer dan een paar bladzijden’. En de stelling ‘De
recensenten hebben gelijk: zijn laatste werken zijn inderdaad te
cerebraal, te weinig vlees en bloed, te weinig leven.’, kon ik van
harte beamen, al vind ik aan dikdoenerij weinig cerebraals.”
Ik voeg daar bij deze echter graag aan toe dat schrijvers die over
zichzelf als een andere schrijver gaan schrijven wellicht de
automatische neiging hebben zo’n dingetjes te creëren, of dat wie
zo’n dingetjes creëert dikwijls zichzelf als onderwerp neemt
zonder zulks rechtstreeks te doen. Vervang ‘ik’ door ‘hij’ en
noem Axel Bouts Thomas Adam en dan mag dat, lijkt het wel.
Ik voeg daar eveneens aan toe dat Bouts in deze, wat dan op de
achterflap genoemd wordt, “intrigerende en compositorisch sterke
novelle die je in één adem uitleest”, bij nader inzien geprobeerd
lijkt te hebben een magisch-realistisch verhaal af te leveren.
Magisch-realisme zijnde een genre dat me ligt, maar waarbinnen ik al
bijna zoveel mislukkingen gelezen heb als successen. Een wereld
creëren die zeer sterk overlapt met de bekende, maar daar door
bepaalde elementen iets aan toevoegen dat duidelijk maakt dat hij de
onze niet is, en dan overstappen van de ene wereld naar de andere en
terug, lijkt iets te zijn dat nogal wat schrijvers geprobeerd hebben,
maar die andere wereld lijkt maar al te vaak nauwelijks het niveau
van de (late) teenage fantasy nauwelijks te overtreffen en de
weg terug komt maar al te vaak neer op ‘Het was maar een droom’.
Bouts kleedt het met wat meer woorden in, maar daar komt het ook bij
Dood in Arles op neer. Na het ternauwernood vermijden van een
kritiek die ik al eerder gegeven heb op een aantal andere uitgaves
van De Clauwaert, zijnde dat ze af en toe op geromantiseerde
reisgidsjes lijken, heeft hij dié kritiek niét weten te vermijden.
Ik zou die ook kunnen leveren wat de belachelijke keuze van de naam
‘Walter Stichelbaut’ voor een chocoladefabricant betreft
(iedereen weet waar Bouts daarvoor zijn, euh, cacao heeft gehaald),
maar wil deze bespreking – al was het maar omdat ik dat vorige keer
nagelaten heb – wel beëindigen met een stuk uit een zogezegd
spontaan gesprek dat die chocoladefabricant met de eveneens per trein
naar Arles op reis zijnde auteur Thomas Adam heeft. Adam heeft
daarbij de Divina Commedia van Dante Alighieri voor zich
liggen en de twee heren hebben net daarvoor ruzie gemaakt over wie de
coupé gereserveerd heeft, maar dan krijg je dit:
“‘Ik heb geen van uw boeken gelezen, mijnheer Adam, maar hebt u
zo’n personage reeds beschreven?’
‘Ik ben méér met het avontuur van de geest dan met dat van het
lichaam begaan.’
‘Een mooi lichaam aanschouwen schenkt ook geestelijk genot. Of
niet, mijnheer Adam?’
‘Over het verband tussen eros en schoonheid had Socrates het reeds.
Tot Phaidros zei dat we van de schoonheid moeten houden, omdat zij de
enige idee is die we met onze ogen kunnen aanschouwen. Niet zien of
bekijken, maar aanschouwen zoals u treffend zei. Pas in het
aanschouwen beroert schoonheid de geest, maar…’ Thomas lachte
wrang. ‘Socrates had het over jonge knapen.’
‘Dan zal Dante hem wel diep in de hel hebben geduwd.’ Stichelbaut
wees de Commedia aan.
‘Toch niet. Reeds in de eerste limbus treffen we de klassieke trits
aan: Socrates, Plato, Aristoteles. Voor de verdedigers van
lichamelijke schoonheid was Dante zeer goedertierend, en voor wie het
in de praktijk toepasten evenzeer, want in de tweede limbus
verblijven de grote minnaars: Helena en Paris, Tristan en Isolde…
Weliswaar in de hel, maar toch in de meer comfortabele verdiepingen.
Geweldigaards, bedriegers en verraders zitten helemaal onderaan in de
nabijheid van Lucifer.’”
Mogelijk gaat een chocoladefabricant daar niet meteen bij lopen
(persoonlijk ken ik er geen), maar ik als lezer ben bij het lezen van
zo’n, zogenaamd ‘spontaan’ gesprek toch wel blij dat het boekje
niet meer dan een zestigtal bladzijden duurt. Zestig bladzijden van
een geblaseerdheid die mij bij een toevallige ontmoeting met de
auteur alvast zou doen kiezen voor een plaatsje op de gang in plaats
van het delen van de coupé.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !