vrijdag 6 maart 2026

Dood in Arles – Axel Bouts (boekbespreking door Björn Roose)

Dood in Arles – Axel Bouts (boekbespreking door Björn Roose)
Ik was wat boeken bij mekaar aan het zoeken vooraleer op reis te vertrekken toen ik Dood in Arles van Axel Bouts tegenkwam. Bij het zien van de titel en de auteursnaam wíst ik dat ik dit bij De Clauwaert vzw verschenen exemplaar eerder gelezen had, maar toen ik het opzocht onder mijn boekbesprekingen vond ik het nergens. Toch maar meegenomen dus en van bij de eerste bladzijde lezen, wíst ik dat ik me niet vergist had: ik had dat eerder gedaan. Een déjà vu dan? Nee, een geval – en zo zijn er klaarblijkelijk meerdere (zie een van mijn volgende boekbesprekingen) – waarin ik een korte boekbespreking geplaatst had op Librarything, maar nergens anders. Niet iets wat ik vaak gedaan heb, denk ik, maar als ik nóg eens een boek vast heb waarvan ik vermoed dat ik het al eerder gelezen heb, moet ik dat dus ook dáár even gaan controleren.

Tweede eigenaardigheid: het zát nog in mijn boekenkasten. Ik heb immers al jaren de gewoonte boeken die me niet bevallen zijn of die me minstens niet interesseren (en waarvan ik dus niet wil dat ze nog plaats innemen in die kasten) naar mijn zolder te verhuizen, en Dood in Arles had maar één ster (op vijf) van me gekregen (waarmee het zeker onder de te verhuizen categorie thuishoorde). Waarom was dit exemplaar dan niet verhuisd? Mogelijk om dezelfde reden dat ik de gegevens ervan niet correct had aangepast op het al eerder genoemde Librarything. Daar had ik immers de uitgave op Den Gulden Engel (Wommelgem) 1987 laten staan (waar het ook werkelijk oorspronkelijk uitgegeven is, met dezelfde cover dan nog), terwijl de editie die ik nu (en toen) voor me liggen heb (en had) wel uit hetzelfde jaar dateert maar dus bij een andere uitgever verschenen is. Slordigheid, met andere woorden. Of het nog niet vermoeden dat ik van boekbesprekingen ooit min of meer ‘ernstig’ werk zou maken.

“Iedereen verdient een tweede kans”, schreef ik in die eerste, na jaren terug opgedoken boekbespreking. Iets wat toen op een ander werkje van hem, Oorlog in Kieltje, sloeg (een boekje waarvan ik de bespreking meteen maar meenam in die van Dood in Arles, wat ik nu niet zal doen), maar waarvan ik dan maar besloten heb nog eens voor hetzelfde boek toe te passen ook. Al blijft de eindconclusie wel dezelfde: “Ik kon de stijl van dat boekje (…) als niets anders dan vreselijk pretentieus omschrijven en het verhaal als voorspelbaar en volkomen overbodig. Op de vraag ‘Hoe lang blijft een literair werk overeind?’ die het hoofdpersonage in het boekje zichzelf stelt, kon ik in dit geval alleen maar antwoorden met: ‘Niet meer dan een paar bladzijden’. En de stelling ‘De recensenten hebben gelijk: zijn laatste werken zijn inderdaad te cerebraal, te weinig vlees en bloed, te weinig leven.’, kon ik van harte beamen, al vind ik aan dikdoenerij weinig cerebraals.”

Ik voeg daar bij deze echter graag aan toe dat schrijvers die over zichzelf als een andere schrijver gaan schrijven wellicht de automatische neiging hebben zo’n dingetjes te creëren, of dat wie zo’n dingetjes creëert dikwijls zichzelf als onderwerp neemt zonder zulks rechtstreeks te doen. Vervang ‘ik’ door ‘hij’ en noem Axel Bouts Thomas Adam en dan mag dat, lijkt het wel.

Ik voeg daar eveneens aan toe dat Bouts in deze, wat dan op de achterflap genoemd wordt, “intrigerende en compositorisch sterke novelle die je in één adem uitleest”, bij nader inzien geprobeerd lijkt te hebben een magisch-realistisch verhaal af te leveren. Magisch-realisme zijnde een genre dat me ligt, maar waarbinnen ik al bijna zoveel mislukkingen gelezen heb als successen. Een wereld creëren die zeer sterk overlapt met de bekende, maar daar door bepaalde elementen iets aan toevoegen dat duidelijk maakt dat hij de onze niet is, en dan overstappen van de ene wereld naar de andere en terug, lijkt iets te zijn dat nogal wat schrijvers geprobeerd hebben, maar die andere wereld lijkt maar al te vaak nauwelijks het niveau van de (late) teenage fantasy nauwelijks te overtreffen en de weg terug komt maar al te vaak neer op ‘Het was maar een droom’. Bouts kleedt het met wat meer woorden in, maar daar komt het ook bij Dood in Arles op neer. Na het ternauwernood vermijden van een kritiek die ik al eerder gegeven heb op een aantal andere uitgaves van De Clauwaert, zijnde dat ze af en toe op geromantiseerde reisgidsjes lijken, heeft hij dié kritiek niét weten te vermijden.

Ik zou die ook kunnen leveren wat de belachelijke keuze van de naam ‘Walter Stichelbaut’ voor een chocoladefabricant betreft (iedereen weet waar Bouts daarvoor zijn, euh, cacao heeft gehaald), maar wil deze bespreking – al was het maar omdat ik dat vorige keer nagelaten heb – wel beëindigen met een stuk uit een zogezegd spontaan gesprek dat die chocoladefabricant met de eveneens per trein naar Arles op reis zijnde auteur Thomas Adam heeft. Adam heeft daarbij de Divina Commedia van Dante Alighieri voor zich liggen en de twee heren hebben net daarvoor ruzie gemaakt over wie de coupé gereserveerd heeft, maar dan krijg je dit:

“‘Ik heb geen van uw boeken gelezen, mijnheer Adam, maar hebt u zo’n personage reeds beschreven?’

‘Ik ben méér met het avontuur van de geest dan met dat van het lichaam begaan.’

‘Een mooi lichaam aanschouwen schenkt ook geestelijk genot. Of niet, mijnheer Adam?’

‘Over het verband tussen eros en schoonheid had Socrates het reeds. Tot Phaidros zei dat we van de schoonheid moeten houden, omdat zij de enige idee is die we met onze ogen kunnen aanschouwen. Niet zien of bekijken, maar aanschouwen zoals u treffend zei. Pas in het aanschouwen beroert schoonheid de geest, maar…’ Thomas lachte wrang. ‘Socrates had het over jonge knapen.’

‘Dan zal Dante hem wel diep in de hel hebben geduwd.’ Stichelbaut wees de Commedia aan.

‘Toch niet. Reeds in de eerste limbus treffen we de klassieke trits aan: Socrates, Plato, Aristoteles. Voor de verdedigers van lichamelijke schoonheid was Dante zeer goedertierend, en voor wie het in de praktijk toepasten evenzeer, want in de tweede limbus verblijven de grote minnaars: Helena en Paris, Tristan en Isolde… Weliswaar in de hel, maar toch in de meer comfortabele verdiepingen. Geweldigaards, bedriegers en verraders zitten helemaal onderaan in de nabijheid van Lucifer.’”

Mogelijk gaat een chocoladefabricant daar niet meteen bij lopen (persoonlijk ken ik er geen), maar ik als lezer ben bij het lezen van zo’n, zogenaamd ‘spontaan’ gesprek toch wel blij dat het boekje niet meer dan een zestigtal bladzijden duurt. Zestig bladzijden van een geblaseerdheid die mij bij een toevallige ontmoeting met de auteur alvast zou doen kiezen voor een plaatsje op de gang in plaats van het delen van de coupé.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !