vrijdag 24 april 2026

Portret van Lady Dering – Marcus II Gheeraerts en het gezicht van het vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)

Portret van Lady Dering – Marcus II Gheeraerts en het gezicht van het vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)
Trouwe lezers van mijn boekbesprekingen – nee, laat ons mekaar maar niet voor de gek houden, die heb ik niet, maar ook af-en-toe-lezers kunnen het weten – zien intussen al voor de zevenendertigste keer een bespreking van een in de serie Phoebus Focus verschenen boekje bij mij opduiken en vragen zich misschien af wanneer dat ooit zal ophouden. Het antwoord luidt: voorlopig nog niet. Dit nummer XXXVII, voluit getiteld Portret van Lady Dering – Marcus II Gheeraerts en het gezicht van het vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland, verscheen in 2024 en werd (naar een ook al enkele jaren oude traditie) meegestuurd met het nieuwste nummer van het tweemaandelijks verschijnende OKV-Magazine, en op dat magazine heb ik voor dit jaar weer een abonnement genomen. Wetende dat inmiddels in de serie Phoebus Focus ook nog de nummers XXXVIII (Mercurius draagt Psyche naar de Olympus), XXXIX (Maria van Bourgondië deelt aalmoezen uit), XL (Portret van Mary Sidney Herbert), en XLI (Twee vissersjongens) uitgegeven zijn, en hopend dat er toch nog minstens één nummer bij komt dit jaar, zou dat – al geeft het te denken voor volgend jaar – toch nog vijf besprekingen van deze aard in 2026 moeten betekenen.

Maar, één ding ineens, eerst dit honderdachtentwintig glanzende bladzijden dikke, van massa’s illustraties, en behoorlijk goed van tekst voorziene (wat niet met elk nummer zo is) boekje van de hand van “stafchef (…) van de Kanselarij van The Phoebus Foundation en (…) gedelegeerd bestuurder van The Phoebus Foundation Stichting van Openbaar Nut” Katharina Van Cauteren maar eens bekijken. Nog niet zo lang geleden kreeg u van mij de bespreking van Heilige Familie in Nazareth (het nummer XXXV in de serie), in april 2025 Suzanna en de ouderlingen (XXX), en in november 2020 Het meermonster van Tagua Tagua (V), telkens zeer lezenswaardige, goed geschreven boekjes, een oordeel dat ik ook zonder enig probleem kan uitspreken over het voorliggende.

Waarbij dat “goed geschreven” zeker niet als een gratuite commentaar moet beschouwd worden: Van Cauteren schrijft zéér goed en om die reden is het eigenlijk altijd een genoegen haar vaste vervanger Paul Huvenne het Voorwoord te zien afleveren. Hij het Voorwoord, zij de eigenlijke tekst, is vooral omwille van dat laatste een goede combinatie. Wat niet wil zeggen dat Huvenne – misschien voor het laatst: geen idee of er nog boekjes in deze serie met een voorwoord van hem gedrukt zijn, maar hij overleed eerder deze maand - een minderwaardige intro heeft afgeleverd: “Een goed portret betekent een ontmoeting. Je staat oog in oog met een onbekende die, om redenen waar je de vinger niet op kan leggen, toch bekend aanvoelt. De geportretteerde heeft dan ook zijn, of in dit geval: haar, best gedaan. Je gaat niet elke dag op de foto. En dus stelt de jongedame die centraal staat in deze Phoebus Focus zichzelf voor volgens de regel van de kunst. Haar gezicht is getooid met de edelste karaktertrekken en een laagje make-up. Ze is gehuld in haar paasbeste kostuum. De geborduurde bloemen en de ragfijne kant verbeelden de deugden die een dame hoog moet zien te houden.” Maar dan, aan het einde van zijn introductie, slaat hij de bal enigszins mis: “Meestal koestert dr. Katharina Van Cauteren een voorliefde voor de grote verhalen. Politieke propaganda is haar geliefkoosde thema, met alle dynastieke troebelen, allianties, gewonnen en verloren oorlogen, kortom toeters en bellen die daarbij horen. Ook kunsthistorisch cultiveert ze doorgaans een helikopteroverzicht, vol grote lijnen en patronen, zonder echter het herkenbare, menselijke element uit het oog te verliezen. Het Portret van Frances Bell, Lady Dering bleek voor de auteur echter het beklijvende voorwendsel om zich onder te dompelen in het leven van een schijnbaar gewone vrouw uit het laat-zestiende- en vroeg-zeventiende-eeuwse Engeland.” Iets waarvan we voelen dat het niet klopt. Nú kan iedereen, elke “schijnbaar gewone vrouw” en dito man, uiteraard dan wel een portret van zichzelf laten maken, een fotografisch exemplaar dan toch, maar rond de wisseling van de zestiende naar de zeventiende eeuw was dat helemaal niet het geval. Je moest toch wel wat bijzonders wezen om een schilder – voor mij tot het lezen van dit boek een onbekende, maar in werkelijkheid, zeker destijds, een bekende – genoeg te kunnen betalen om zoveel uren in het penselen van je tweedimensionale evenbeeld te steken. En dat was ze. Zoals ook Van Cauteren meteen al in haar eerste hoofdstuk Toeters en bellen aangeeft.

Frances Bell was namelijk de dochter van Robert Bell, parlementslid, Speaker of the House of Commons, ridder, “een van de toprechters” in het rijk van Queen Elizabeth I, en diens derde echtgenote Dorothy, “de enige erfgename van Sir Edmund Beaupré”. Een vader die machtig genoeg is om een beetje z’n eigen zin te doen: als hij overlijdt aan vlektyfus laat hij zijn rijkdom in z’n geheel achter aan zijn jongere zoon, John I Peyton, volkomen tegen de toenmalige geplogenheden in (alles ging toen naar de oudste). Een manoeuvre dat de jongere zoon vervolgens op geheel eigen wijze interpreteert: alles is alles, dus behalve het geld en het vastgoed neemt hij ook de titel van parlementslid over én zijn stiefmama, die zo zijn vrouw wordt en, een tijdje later, moeder van zijn zoon John II.

Over een gearrangeerd huwelijk valt John I dus niet (in zijn tijd deden weinigen dat) en hij arrangeert er, zoals Van Cauteren beschrijft in het hoofdstuk Sense zonder Sensibility (wie uitleg nodig heeft bij die titel, begrijpt de mop niet), ook een voor zijn zusje-annex-dochter-van-zijn-vrouw als hij “aan tafel schuift met Richard Dering (ca. 1530-1611) van Surrenden Dering, het naar de familie genoemde landgoed in het Kentse dorpje Pluckley. Richards zoon, de achtendertigjarige Anthony (ca. 1558-1636), is intussen acht jaar weduwnaar en dat is acht jaar te lang. Anthony’s dochtertje Jane kan wel een nieuwe moeder gebruiken, en Anthony’s carrière een zetje: de (relatief) jonge Dering is rechter, en Dering weliswaar een eerbiedwaardige familie, maar ook hier is de sociale honger groot.” En die sociale honger werkt: “de unie tussen Frances en Anthony lijkt een succesverhaal. Er zullen alvast volop kinderen worden gemaakt, en die krijgen ook weer kinderen, en kleinkinderen, en achterkleinkinderen, helemaal tot aan de geboorte van een zekere Camilla Parker Bowles, née Shand – alias Queen Camilla – in 1947.” Waarmee de “schijnbaar gewone vrouw” waarover Huvenne het in zijn Voorwoord heeft dus uitgegroeid is tot een vertrouweling van één koningin en de verre voorouder van een tweede. Mij dunkt dat je dan tóch wel te midden van “de grote verhalen” zit, de “politieke propaganda (…), met alle dynastieke troebelen, allianties, gewonnen en verloren oorlogen, kortom toeters en bellen die daarbij horen”.

Grote verhalen waarover we soms interessante details vernemen dankzij een Handgeschreven teletijdmachine als degene die Sir Edward Dering, de oudste zoon van Frances en Anthony bijhield toen hij tussen 1617 en 1628 “een minutieus overzicht bij[hield] van zijn uitgaven”. Een overzicht waarvan een detail me deed denken aan die aflevering van Blackadder the Third waarin prins-regent en latere koning George IV voortdurend nieuwe kousen moet kopen omdat Blackadder die buiten zijn weten verkoopt: “Het meeste koopt Sir Edward handschoenen, gigantische hoeveelheden handschoenen, want die verslijten blijkbaar snel.” Geen idee of Van Cauteren die link gezien heeft, misschien kent ze Blackadder wel helemaal niet, maar die tussen schilder Gheeraerts en zijn vader schetst ze op deze manier: “Marcus Gheeraerts de Jonge is, dat mag geen geweldige verrassing zijn, de zoon van Marcus Gheeraerts de Oude. Beide Marcussen werden geboren in Brugge – de vader zo ergens omstreeks 1520, de zoon in 1561/62. In 1568 duiken ze echter samen op in Londen: ‘Markus Gerott of Bridgis, painter, Ducheman, came for relygyon; Philippus de la Valla, his servant; Markus Gerott, his sonne; all theas goe to the Douche churche. Dutche perons iij (three).’ Ze zijn dus op de vlucht voor de door de hertog van Alva georganiseerde godsdienstige troebelen, maar hebben geen moeite gedaan moeder de vrouw mee te nemen: “Zijn echtgenote, Johanna Struve, laat Marcus Senior achter in Brugge. Hoopt hij later, wanneer alles weer wat rustiger is geworden, terug te keren naar huis? Of komt het echtpaar Gheeraerts overeen dat manlief eerst een leven zal uitbouwen in Londen, waarna Johanna zal overkomen? Wat ook de bedoeling is, er komt niets van: enkele jaren na het vertrek van haar man overlijdt mevrouw Gheeraerts alleen, in Brugge.”

Vrouwen waren duidelijk van niet zo heel veel tel, tenzij dan als springplank, zoals Van Cauteren ergens schrijft, met de belangrijke uitzondering van de reeds genoemde Queen Elizabeth I, die weigerde zich tot springplank te laten degraderen, maar het op een andere manier desondanks toch wel kon worden. Voor de – even gebruik maken van de teletijdmachine – intussen zo’n dertig jaar oude Marcus Gheeraerts de Jongere bijvoorbeeld: “(…) intussen is ook Marcus II meester-schilder. Vanaf de jaren 1590 rijgt hij de opdrachten aan elkaar. Het begint met het beschilderen van rijtuigen en zelfs trappen, maar dan maakt hij een portret van Queen Elizabeth, en prompt wordt hij omschreven als een kunstenaar die de schilders van de oudheid een poepje kan laten ruiken. Als het goed genoeg is voor de koningin, is het goed genoeg voor de rest van de upper class: prompt staan de opdrachtgevers in de rij voor die exotische modernist uit Brugge. Nooit eerder was er in Engeland een schilder op het idee gekomen om zijn modellen ten voeten uit te portretteren. Nooit eerder leken de geportretteerden in Engeland op zichzelf, en niet op een platgestreken icoon.” En dat in een tijd dat Vlamingen en Brabanders ook vorm gaven aan de rest van Engeland, noteert Van Cauteren in De Vlaamse making of England: “Al snel zijn er tienduizenden, nee, honderdduizenden mensen op de vlucht. Ze overspoelen de Engelse kusten in het zuiden: via de havens van Rye, Winchelsea of Sandwich trekken ze noordwaarts, naar Canterbury en Maidstone, richting Londen. Velen blijven echter onderweg plakken. Sandwich wordt er zowaar een ‘Vlaamse’ stad van. In 1596 stellen de voormalige Nederlanders het er zo goed dat ze de lokale overheid een lening kunnen geven. Want de Vlamingen en de Brabanders arriveren dan wel met (bijna) lege handen, maar ze hebben een hoofd vol kennis. Al snel bouwen ze in Engeland windmolens en weefgetouwen. In het landschap verschijnen hopvelden, want een café zonder bier klinkt misschien erg, maar wat heb je aan bier zonder hop? De Engelsen rijmelen: ‘Hops, Reformation, Bays and Beer / All came to England in a single year.’ Intussen worden zompige moerasgronden ingepolderd, en het land kundig opgemeten en in kaart gebracht – het is geen toeval dat Mercator in 1564 op vraag van de Engelsman William Camden een prent maakt met de Britsche Eilanden. Ze kopen massaal (zee)atlassen, en voor je het weet, staan ze in Noord-Amerika. Maar in de Vlaamse en Brabantse bagage zitten ook traktaten over wapenkunde (altijd handig in tijd van oorlog) en over geneeskunde (idem).” Geen idee of de Engelsen, wier kusten dezer jaren weer massaal overspoeld worden met ‘vluchtelingen’, nog steeds hopen op een nieuw mirakel van die aard, maar tot nog toe is van een dergelijk effect weinig te zien, terwijl de beschrijving van het zestiende-eeuwse wonder ons wel tot een volgende deel in dit boekje brengt: de kledij die genaamde Lady draagt op het schilderij. Ook “luxegoederen” zitten er namelijk in die Vlaamse bagage, “en de technologie om ze te maken (…): stijfsel, zodat de alsmaar groter wordende kragen netjes blijven zitten, en vooral nog groter kunnen worden. Kant en opengewerkte borduursels, om diezelfde kragen af te biezen, hoepels om de jurken volume te geven, en zijde om die jurken van te maken”. Plus de schilders die dat allemaal in beeld brachten: “Vader en zoon Gheeraerts, Lucas De Heere, maar ook Hans Eworth (wellicht Ewouts), Hiëronymus Custodis, Lievine Teerlinc en Susanna Horenbout, Livinus De Voogelaere en Cornelis II De Neve”.

Op de hoofdstukken Flowers are the new black, Schotse muis, en Bloempjes en bijtjes zal ik hier niet dieper ingaan – deze bespreking moet nu ook weer niet te lang worden -, maar het portret in kwestie gezien en de uitleg over allerlei borduursel dat daarop getoond wordt gelezen hebbende, denk ik wel dat Van Cauteren gelijk heeft als ze schrijft: “Met al die meer en minder expliciete amoureuze verwijzingen ruikt het portret van Lady Dering vaag naar een huwelijksportret, of toch naar een voorstelling die die bijzondere gebeurtenis in het leven van Frances moest gedenken. Misschien droeg ze deze jurk op de grote dag – (effen) wit wordt pas mode in de negentiende eeuw, dus het valt alvast op papier niet uit te sluiten. Al is haar bebloemde jurk ook gewoon geweldig modieus, en zijn alle bovenstaande symbolische verklaringen mogelijk ondergeschikt aan het feit dat je als vrouw niet uit de toon wilt vallen als al je vriendinnen bloemenjurken dragen.” Wat dan weer niet wil zeggen dat de vestimentaire keuze ook praktisch was: “Met zo’n molensteenkraag kun je je hoofd amper bewegen, en als je niet uitkijkt, raakt je haar erin verstrikt – zeker in het soort populaire kraagmodellen van omstreeks 1600, waarbij de achterzijde ook nog eens steil naar boven oploopt. Door die verticale kanteling lijkt het hoofd van Lady Dering haast gescheiden van haar lichaam.” Wat niet het geval was met het haar van het hoofd, maar dan ook alleen maar omdat vrouwen dat haar – vanwege “al die kant en gaas en metalen constructies” – wel moesten opsteken, “wat dan weer mogelijkheden biedt als het gaat om complexe knotten en vlechten. Maar ook de kleur is van belang, want koningin Elizabeth heeft de kenmerkende Tudor-haarkleur – een beetje tussen zanderig kastanjebruin en Venetiaans blond in” en “Wie de vorstin wil flatteren, verft het haar in diezelfde tint, met een mengeling van saffraan en solferpoeder, dat helaas even duur is als giftig”. “Voor je het weet, heb je géén haar meer om te verven”, al verloopt dat proces misschien iets trager dan als het constant verstrikt raakt in je kraag, wat dan weer geen probleem is omdat je, net zoals de koningin (die er meer dan tachtig had) uiteraard een pruik kan dragen. Trouwens, wie maalt er om wat extra vergif, als hij ook nog make-up gemaakt van geweldig materiaal als “kwik, antimoon, lood en vermiljoen” gebruikt. “Mooi zijn, is lijden”, schrijft Van Cauteren dan ook terecht.

Nu goed, ik ga een einde maken aan uw lijden in plaats van het ook nog te hebben over de hoofdstukken en hoofdstukjes Pluckley: het dorp van Lady Dering, Hostages to fortune, Paradijs van getrouwde vrouwen, Better than yours, De bovenlip van Cindy Crawford, Chique Saksisch, en De verdwenen landhuizen van Engeland, al zijn die elk op zich niet minder interessant dan de voorgaande. Een mens moet immers érgens eindigen. In het geval van dit boekje dus bij de vaststelling dat het zoals vele van zijn voorgangers in deze serie weerom de moeite van het hebben en lezen waard is.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !