Even dacht ik met Het veulen Wanfried het kortverhaal
teruggevonden te hebben waarnaar ik al verwees in mijn besprekingen
van Russische verhalen van deze tijd (meer bepaald dat van Michaïl Sjolochov daarin, Het veulen)
en Hondehart van Michail Boelgakov, maar zulks bleek niet het geval. Evenmin had
ik het – wat zou gekund hebben omdat ik het óók al meenam in mijn
valies toen ik op reis ging naar Bretagne – al gelezen en eerder
besproken, zoals het geval was met Dood in Arles van Axel
Bouts en GIPSY van Paul Brondeel. Dat de titel me toch
bekender voorkwam dan die van het gemiddelde kortverhaal in mijn
boekenkasten, zal dus wellicht gelegen hebben aan het feit dat ik die
al noemde in mijn bespreking van De harlekijn op de
ruit,
een ander, eveneens bij De Clauwaert vzw verschenen,
kortverhaal van auteur Jaak Stervelynck, een kortverhaal waar ik
werkelijk geen bal aan vond. Ook Het veulen Wanfried was dus
in zekere zin, zoals Dood in Arles en Gipsy, een
‘herkansing’. Een geslaagde herkansing in dit geval. Want hoewel
Het veulen Wanfried, typisch voor het werk dat bij deze
uitgeverij verscheen, een zogenaamde tranche-de-vie is, is het
geen melodramatische, of voelt ze toch niet zo aan, en getuigt ze van
enige originaliteit.
“Dit is het verhaal van een merrie en van een veulen”, luidt het
op de achterflap. “Maar ook van de rijke eigenares ervan, een
kinderloze weduwe, die terwille van haar paarden heel wat verzaakt:
een huwelijkskans, de opvolging in de zaak van haar vader. Het is
vooral het verhaal van een grote eenzaamheid, die slechts om de week
onderbroken wordt door een bridgenamiddag met vriendinnen. De
kommentaren van die vriendinnen begeleiden het gebeuren, enigszins
zoals de koren het deden in de oude Griekse tragediën.” Een
lichtelijk, zeg maar sterk, overtrokken samenvatting van het verhaal
waarvan ik graag het volgende maak: de “kinderloze weduwe” heeft
haar leven voor een groot deel laten leven, of minstens laten
beheersen, door haar man (over wie we verder zo goed als niks
vernemen), haar vader, haar vriendinnen, maar slaagt erin,
geconfronteerd met de kans weer een man te vinden (hij vindt haar
eigenlijk), tot het besef te komen dat die “grote eenzaamheid”
ook een deugd kan zijn. Dat je eigen koers varen dan wel tot enig
verlies leidt, maar ook tot winst. Een gegeven dat niet – zo lomp
is Stervelynck niet geweest – rechtstreeks verbonden wordt met de
evolutie van het veulen, en daar in de zin dat er bij het veulen geen
vrijwilligheid bij te pas komt ook niet rechtstreeks mee verbonden
kan worden, maar in die evolutie toch duidelijk zijn parallel vindt:
het beestje is oorspronkelijk nauwelijks levensvatbaar, moet
voortdurend verzorgd worden door “de rijke eigenares”, wil
vervolgens (zoals alle veulens, neem ik aan) vooral niet gescheiden
worden van de merrie, wordt zelfs niet onafhankelijk als het op een
zekere, schijnbaar nog overbrugbare, afstand van haar gezet wordt,
maar leert toch op eigen benen staan als die afstand onoverbrugbaar
wordt, als het ertoe gedwongen wordt met zijn “grote eenzaamheid”
om te leren gaan. Waarbij “de rijke eigenares” dus tijdelijk in
de rol zit van haar overleden man, haar vader, haar vriendinnen,
enzovoort, maar van die rol net gebruik maakt om de onafhankelijkheid
van dat wat van haar afhankelijk is te bewerkstelligen.
Of dat doet denken aan “de oude Griekse tragediën” weet ik niet,
ik ben daar niet echt in thuis, maar Stervelynck heeft het wel mooi
gebracht, zonder dat er evenwel veel het citeren waard is. Een slim
in mekaar gestoken verhaal waarvan de ‘moraal’ je eigenlijk pas
helemaal duidelijk wordt een keer je er weer wat afstand van genomen
hebt, maar qua taal nauwelijks een verwezenlijking te noemen. Op een
pareltje, een toevalligheid misschien, als dit na: “Hij grinnikte
en staarde haar aan met een blik, die ondeugend wilde zijn. Hij was
bepaald grof.” Bondig, maar net in zijn bondigheid nog krachtiger
dan als Stervelynck er meer woorden zou aan vuil gemaakt hebben. Veel
krachtiger dan bijvoorbeeld volgende passage: “Hij kuchte en
schraapte de keel. Bescheiden geluiden, die haar door merg en been
gingen. Nu zou het komen, nu zou ze de woorden horen, die haar leven
overhoop moesten gooien. Haar hart ging hevig aan het bonzen. Plots
keek ze onwillekeurig naar hem. Haar blik kruiste de zijne. Zijn ogen
lachten, zijn mond vertrok in een grijns, een korte schater deed
Wanfried opschrikken. ‘Ik stel me voor,’ zei hij met slepende
stem, en onderwijl drukte zijn elleboog harder tegen de hare, ‘ik
stel me voor dat jij elke avond naar dit paardejong staat te kijken,
terwijl het eet. Vind je het niet een beetje belachelijk?’ Ze
antwoordde niet. Ze had het gevoel dat er ineens iets stuk viel.
Woede stak op, woede tegen zichzelf. Ze was onvergeeflijk naïef
geweest.” Het veulen Wanfried kon dus nog korter en daarmee
sterker geweest zijn, maar desalniettemin is het, ook omdat het met
zijn vierenvijftig bladzijden sowieso niet te breed uitgemeten is,
een blijvertje in mijn boekenkast.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !