vrijdag 17 april 2026

Mensen in de oorlog – Andreas Latzko (boekbespreking door Björn Roose)

Mensen in de oorlog – Andreas Latzko (boekbespreking door Björn Roose)
Enigszins tot mijn verbazing vond ik op Wikipedia bijna méér informatie over de auteur van voorliggend Mensen in de oorlog, Andreas Latzko, dan in het Nawoord van vertaler Marcel Misset bij deze in 2025 bij Uitgeverij Jurgen Maas verschenen Nederlandstalige versie van het in 1917 voor het eerst in het Duits uitgegeven Menschen im Krieg. Minder verbazingwekkend was dan helaas weer dat het Wikipedia-artikel niet up-to-date was en dat ik bij het lezen ervan al meteen geconfronteerd werd met iets wat datzelfde Nawoord tegensprak. Niet up-to-date, want dit boek wordt niet vermeld in de Selectie van zijn werk; in tegenspraak met het Nawoord omdat de schrijvelaars van Wikipedia beweren dat “in 1915 (…) de overtuigde pacifist [Latzko] vrijwillig naar het front [ging] om met autoriteit tegen de oorlog te kunnen schrijven.” Terwijl Misset schrijft: “Latzko was geen pacifist. Hij had zijn dienstplicht vervuld, een opleiding tot reserveofficier gevolgd maar zich met doktersbriefjes aan vervelende herhalingsoefeningen weten te onttrekken en hij had een grondige afkeer van alle oorlogsretoriek en nationalisme”. Een parcours waaruit geen pacifistische instelling blijkt, een afkeer die er niet mee gelijk te stellen valt. En een gang naar het front die niet gemotiveerd werd door het idee dan “met autoriteit tegen de oorlog te kunnen schrijven”, maar gerechtigd te zijn er over te schrijven tout court: “Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen (…) Oorlogstegenstander uit angst? – Dat zou voldoende zijn, om mijn stem in een hoongelach te doen verstikken. (…) Voor dit visioen van ongeneeslijke morele verlamming verstomde iedere bedenking tegen het ingrijpen in het eigen noodlot. Vlug verklaarde ik de reeds half afgewende militaire arts, dat ik mij krachtig genoeg voelde voor de wapendienst.”

Krachtig genoeg ook om die “wapendienst” te overleven, maar – zoals de meeste van zijn ‘wapenbroeders’ en ‘tegenstanders’ aan het Oostenrijks-Italiaanse front – niet met zoveel geluk toegerust dat hij er niks aan overhield: “Precies veertien maanden later rest van hem een wrak in een rolstoel. Hij weegt nog maar negenendertig kilo; van puur afgrijzen kan hij al maanden geen hap voedsel meer binnenhouden. (…) ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’ (…) hij schrijft om de waanzin van de oorlog een halt toe te roepen. Op 3 juli 1917 verschijnt, nog steeds anoniem [één van de delen was ook al anoniem verschenen in een Duits tijdschrift dat noodgedwongen in Zwitserland werd uitgegeven, noot van mij], Menschen im Krieg.”

Het verscheen en… het sloeg in als een bom. “Mensen in de oorlog werd een groot internationaal succes. Met de grootst mogelijke moeite weet Latzko aan vervolging door het leger te ontkomen; uiteindelijk zal hij, schuw en blijvend gebroken, in de anonimiteit verdwijnen. Via zijn vriend Nico van Suchtelen, de directeur van Uitgeverij Wereldbibliotheek, belandde hij na vele omzwervingen in Nederland, zijn latere werk zou alleen nog in Nederlandse vertaling verschijnen.” Zijn latere én het voorliggende werk overigens, want Menschen im Krieg werd in 1918 al bij genoemde Wereldbibliotheek uitgegeven onder de titel Menschen in den oorlog. Wat niet belette dat de auteur na zijn overlijden in 1943 grotendeels vergeten raakte. “Al decennia is Andreas Latzko weer even onzichtbaar als hij was toen Stefan Zweig een stukgelezen exemplaar van Menschen im Krieg in handen kreeg”, schrijft de vertaler verwijzend naar het ook in deze nieuwe uitgave opgenomen Voorwoord van Zweig (al verscheen dat Voorwoord, aldus de voetnoot erbij, “oorspronkelijk in de Franse vertaling van Latzko’s novelle Der letzte Mann in 1920”). Wat kan kloppen als de Selectie van zijn werk van Wikipedia voor de rest enigszins strookt met de feiten: in 1946 verscheen postuum nog De achterhoede, waarin datzelfde voorwoord gebruikt werd (Zweig kon er geen nieuw meer schrijven, want hij had in 1942 zelfmoord gepleegd), in 1950 Levensreis (waarvan de Duitse versie uiteindelijk in 2017 onder de titel Lebensfahrt uitgegeven werd), en daarna niks meer.

Eeuwig zonde, voornamelijk wat betreft het klaarblijkelijk ook niet meer verschijnen van herdrukken van Mens(ch)en in de(n) oorlog. Want dit is een ongelooflijk aangrijpend boek. Ongelooflijk aangrijpend omdat wat de auteur er in verkondigt, wat hij er in uitbeeldt, niets aan werkelijkheid heeft ingeboet. Ja, Mensen in de oorlog gaat over de Eerste Wereldoorlog, over een front dat we in de Lage Landen niet echt kennen bovendien (ik wist bijvoorbeeld wel dat de Italianen ook betrokken waren bij de slachtpartij, maar had er nooit aan gedacht dat ze bijgevolg tegenover de Oostenrijkers moesten hebben gestaan en dat dat mogelijk óók in een loopgravenoorlog zoals die in Vlaanderen en Noord-Frankrijk geweest was), maar eigenlijk gaat het over élk front, élke oorlog, elk ‘spel’ waarbij mannen in uniform en politici pionnen over een kaart schuiven, pionnen die in hun menselijke vorm aan flarden worden geschoten zonder dat zij zelfs maar een kans maken te delen in de winsten die die mannen in uniform en politici tijdens en na dat spel oprapen. “Wie Latzko’s klassieker heden ten dage (her)leest”, schrijft Misset, “ontkomt niet aan de conclusie dat zijn aanklacht tegen de oorlog tevergeefs is gebleven, en dat Europa inmiddels weer één grote kazerne lijkt. Er woedt een oorlog aan zijn grenzen, maar in een vreedzame oplossing – hoe ver weg ook, lijkt hier niemand geïnteresseerd. Pacifisten, zelfs mensen die menen dat ‘een nadelige vrede beter is dan de meest rechtvaardige oorlog’ [een uitspraak van de toch niet dwaze Erasmus, noot van mij], worden in het ooit ‘neutrale’ Nederland [en evengoed in belgië, noot van mij] nog altijd beschouwd als idioten, die alleen de vijand in de kaart spelen.”

Wie, zoals ik, en met de jaren meer overtuigd - daar waar ik vroeger minstens geen grote problemen had met oorlogen die anderen elders voerden - inderdaad de kant tegenóver de oorlog gekozen heeft, wie zich niet laat meeslepen in de onnozele spelletjes van ‘Zij zijn begonnen’ en ‘Wij willen vrede, maar ze moeten ons die geven onder onze voorwaarden’, weet dat dat waar is. We zijn allemaal uitgemaakt voor, en ik grabbel maar even in de ton, ‘Poetinpijpers’, ‘roebelhoeren’, ‘landverraders’, en tutti quanti, door - vooral - mensen die net zomin als wij belang hebben bij oorlog, maar wel ‘denken’ dat ze dat hebben. We zijn bij het groot vuil gezet als ‘extreem-rechts’, ‘smerige communist’, of ‘Russische spion’ door mensen die effectief, politiek of economisch belang hebben bij oorlog, of – weerom – ‘denken’ dat te hebben. We zijn weg gesist door mensen die, zoals velen van ons, een stuk meegegaan zijn in de retoriek en nu niet meer weten hoe ze zonder gezichtsverlies op hun stappen kunnen terugkeren. En we hebben en masse geleerd dan maar onze grote bek te houden in het openbaar omdat we in zo’n behandeling geen zin hadden. Laat die ‘we’ waaronder ik in dit geval mezelf reken dit boek zeker lezen en laat de rest dat niet doen, dat geeft niet. Er komt nooit een dag waarop datgene uitkomt wat Latzko op de eerste bladzijde schreef, “Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen, waarin iedereen net zo denkt als ik”, maar elke man (en in voorkomend geval vrouw) die zich niet laten reduceren tot “mensenmateriaal”, zich niet tot “mensenworst” laat vermalen voor “het Vaderland” (“Die dachten zeker dat voor een boerentrien een man met één oog en een halve neus nog goed genoeg zou zijn? Vaderland?… Zou ze dan met het vaderland aan de arm naar het altaar schrijden? Kon ze met het vaderland goede sier maken, als andere vrouwen haar vol medelijden zouden nakijken? Reed het vaderland soms met wapperende linten op de hoed door het dorp?”), voor “de vrijheid”, voor “de Europese waarden”, is er een gewonnen. Een die dan misschien niet in een hedendaagse versie van De afmars, tevens de titel van het eerste hoofdstuk, terechtkomt: “Dag en nacht floten locomotieven, rolden zwaarbeladen treinen met zingende, opgetuigde soldaten, met hoog opgestapelde hooibalen, loeiend slachtvee, zorgvuldig vergrendelde, sinistere munitiewagons richting front; andere kropen langzaam huiswaarts, gemarkeerd met een bloedig kruis dat de oorlog over de wanden en de inzittenden had geworpen.” “Je vertrekt, en dat ze je laten vertrekken, dat is verschrikkelijk!” “Dat vrouwen wreed zijn, dat was de verrassing! Dat ze kunnen glimlachen, rozen kunnen gooien, dat ze hun mannen afstaan, hun kinderen, hun jongens die ze duizend keer naar bed hebben gebracht, duizend keer hebben ingestopt, geaaid, die ze zelf hebben gedragen, dat was de verrassing! Dat ze ons hebben afgestaan – dat ze ons hebben uitgeleverd, weggestuurd! Omdat iedereen zich schaamde daar zonder helden te staan, dat was de grote teleurstelling, mijn beste! Of denk je dat wij waren gegaan als ze ons niet hadden gestuurd? Denk je dat echt? Vraag dan eens aan de domste boerenknecht aan het front waarom hij zo graag een medaille wil, voor hij op verlof gaat. Omdat zijn meisje dan meer van hem houdt, omdat de meiden dan in trossen achter hem aan lopen, omdat hij met zijn medaille de wijven voor ieders neus kan wegkapen. Daarom, alleen maar daarom. De vrouwen hebben ons gestuurd! Geen generaal had iets kunnen beginnen als de vrouwen ons niet in die treinen hadden laten proppen, als ze hadden geschreeuwd dat ze ons geen blik meer waardig zouden gunnen als we moordenaars werden. Niemand was vertrokken als ze hadden gezworen dat geen van hen nog het bed zou delen met een man die schedels had gespleten, mensen had neergeschoten, mensen had neergestoken.”

Onder bevel van een kapitein Marschner misschien, een man die zich al vóór hij aan het front komt afvraagt wat hij die “eerbiedwaardige gezinshoofden die nog maar een paar uur in het veld stonden en nu pas hun vuurdoop zouden beleven, die voor het eerst kruit zouden ruiken” aandoet, of onder dat van een luitenant Weixler, “die aan niets anders dacht dan aan het Kruis van Verdienste dat hij zo snel mogelijk wilde verdienen, (…) zo’n twintigjarige ijzervreter, voor wie de wereld alleen om zijn eigen uiterst gewichtige persoon draaide en die nog geen tijd had gehad om het leven te leren waarderen”. In ieder geval op weg om even grote sukkels naar het leven te staan: “Wat restte die simpele mannen nog, die metselaars, monteurs en landarbeiders die zonder enig dieper inzicht over hun werkdag gebogen hadden geleefd, als de hoge heren, de knappe koppen en de kapitein met die drie gouden sterren op zijn kraag hun verzekerden dat het hun plicht en uiterst eervol was om Italiaanse metselaars, monteurs en landarbeiders overhoop te schieten?” En dat alles op een slagveld, “troosteloos grijs. Geen boom, geen vlekje groen. Een steenwoestijn, verpulverd, uitgeput, omgewoeld, zonder een enkel teken van leven. De loopgraven, die vanuit de diepte van het dal omhoog slingerden naar de heuvelrand, waaruit het prikkeldraad klauwde, zagen eruit als vingers die zich spanden om iets te grijpen, boorden zich diep in de gewurgde bodem (…) Al dat leven ging ten onder, als neergebulderd door het geschut, het huilen en knallen, als de polsslag van een onvoorstelbaar hoge koorts, hamerend daar beneden, in het dal. De ene na de andere granaattrechter gaapte daar, dikke, zwarte zuilen aarde spoten her en der op, onttrokken even een deel van de tot as verbrande woestenij, waarin versplinterde boomstronken honend oprezen, als een uitdaging aan de machteloze fantasie: om in dit dodenlandschap vol puin het landschap te herkennen dat er was geweest voor de waanzin erlangs had gestreken en het met puin bezaaid had achtergelaten, als een dansvloer waarop twee werelden om een meisje hadden gevochten. En in die hel moest hij afdalen! Daar beneden leven, vijf dagen en vijf nachten lang, met een groepje verdoemden dat daar werd uitgespuugd, levend aan de haak van een hengel werd gespietst, als aas voor de vijand!”

Aas uitgeworpen door wie zelf niet zal riskeren aas te worden: “Wat was het voor waanzin, hier wegduiken en met een stompzinnig geduld de dood af te wachten – tussen vuilnis en bloed, als een beest op de naakte aarde te verrekken, terwijl anderen vrolijk, schoon, opgedirkt in hel verlichte zalen zaten, zich een muziekje lieten voorspelen, in hun zachte bedden kropen zonder angst, zonder gevaar, beschermd door een wereld die verontwaardigd over iedereen heen zou vallen die hen maar een haartje probeerde te krenken?” “De oorlog droeg in deze kringen de vermomming van de goedheiligman, met een zak vol gulle gaven op de rug en in de hand een aanbeveling voor een glansrijke carrière. Weliswaar droegen enkele heren een rouwband om de arm, voor een broer of zwager die als troepenofficier het andere, dood en verderf zaaiende gorgonengezicht van de oorlog had aanschouwd, maar dat gezicht bevond zich op zo’n grote afstand – hemelsbreed meer dan zestig kilometer – dat een enkel uitstapje die kant op een opwindend uitstapje was, een spannend avontuurtje. Binnen een uur snelde de auto weer terug naar veiliger oorden, naar een warm bad, en liep men weer op halfhoge laarzen over geasfalteerde straten.” “Niet alleen ‘tafeltje-dek-je’ was hier realiteit, was hier tastbare werkelijkheid geworden. De wonderen waren nog niet uitgeput nadat negenentwintig dagen lang alle voorraadkasten waren gevuld. Op de dertigste dag verscheen ook nog de ezel, die zich strekte en rijkdom bracht, en in plaats van vervelende rekeningen fladderden er bankbiljetten door het huis. In plaats van onmin, ruzie en gierigheid lijdzaam te ondergaan propte men verveeld zijn zakken vol met bankbiljetten, die toch overbodig waren in het luilekkerland dat de oorlog voor zijn vazallen had ontsloten.”

Een oorlog waarvan zijn vazallen bijgevolg hopen dat ie zal blíjven duren: “‘Wanneer denkt Uwe Excellentie dat wij op vrede mogen hopen?’ ‘Hopen?’ Dat was toch niet te geloven? Dat een mens, die vast wel iets beters te doen had, met zijn beroep – anders had hij nooit een aanbevelingsbrief van het hoofdkwartier meegekregen – met een dergelijk onbenul over militaire gevoeligheden sprak? Op vrede hopen? Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag; een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult? En naar die stomvervelende tredmolen moest hij terugverlangen? Moest hij, omwille van die geachte burger, ‘hopen’ op een tijd waarin de glorieuze leider van het ...ste leger alleen nog inspecties uitvoerde, moest hij als Jan en alleman uitzien naar het voeren van een uitzichtloze strijd tussen een te krappe wedde en een stralend opgepoetste levensstijl, waarin geldgebrek toch weer van maand tot maand zou zegevieren?”

Een militairenhoop voor de uitvoering waarvan ook in onze dagen de politici nog niet kunnen nalaten alle logica te laten vallen – de gelijkenis is sinds de opeenvolging van de zogenaamde corona-pandemie en het conflict in Oekraïne zelfs zéér opvallend: “‘Front’ – ‘vijand’ – ‘heldendood’ – ‘overwinning’ – met hun tong uit hun bek en met rollende ogen jagen die bloedhonden door de wereld. Miljoenen die uit voorzorg zijn ingeënt tegen tyfus, pokken en cholera worden tot razernij opgehitst! Miljoenen worden in treinen geperst – zowel hier als daar – rijden elkaar zingend tegemoet – en hakken, steken, schieten op elkaar in, blazen elkaar op en geven hun vlees en hun botten voor de bloederige brij waarvan vredeskoek wordt gebakken voor de gelukkigen, die hun kalfs- en runderhuid met honderd procent winst offeren voor het vaderland in plaats van hun eigen huid zelf op de markt aan te bieden voor vijftien cent per dag!” “De arme mensen moeten hun gezonde lijf en leden geven, zodat de vijand niets van de overvloed van de rijken afneemt!” Een opoffering waarvan ook ná de oorlog geen ‘return on investment’ te verwachten valt: “Dan mag u, voor zover u nog niet wegrot in de aarde of als bedelaar van deur tot deur strompelt, weer naar huis, naar uw half verhongerde gezin, en mag u – nee: moet u! – weer met verdubbelde ijver aan het werk, onvermoeibaarder en machtelozer dan ooit, om de schoenen die u in honderd dodenmarsen hebt versleten, de kleren die aan uw lijf beschimmelden met zweet en ontbering te kunnen betalen!” Wat toch een groot verschil is met ouderwetse oorlogen, het soort oorlogen zoals we die kenden vóór de twintigste eeuw: “Waren ‘oorlog’ en ‘buit’ niet ooit onverbrekelijk met elkaar verbonden? Werd de lansknecht niet gedreven door hoop op een teugelloos leven – hoop op vrouwen, dukaten en hengsten met leidsels van goud? Mag dit buigen voor een ijzeren tucht, dit bukken, dit passieve alles-of-nietsspel met monsters die vanuit de blauwe verten hun helse heksenketels over elkaar uitstorten – mag dat nog wel ‘oorlog’ heten? Oorlog was de gewelddadige botsing van overvloedige krachten – woestelingen aller landen, jeugd, voor wie het stadje te klein, het wambuis te nauw werd, trokken eropuit, beneveld door hun eigen spierkracht. En nu zou datzelfde woord ervoor moeten opdraaien dat mannen, die allang zijn verankerd aan huis en haard, worden losgescheurd, met de zweep naar het front worden gejaagd en uitgeleverd aan de vijand, om in machteloze gelatenheid, weerloos, als figuranten op te treden in deze krachtmeting tussen munitieconglomeraten?”

Een krachtmeting waarin hun lijden ook nog eens – en zelfs op dát vlak is er niks veranderd – volkomen genegeerd wordt door de pers: “Vriendelijke heren waren het, in hun sprookjesachtig elegante rijbroeken, met reispetten als uit een Sherlock Holmes-film! Ze waren bereid brieven mee te nemen, groeten over te brengen, vonden het geweldig bij mij, lachten uit volle borst om mijn matras van wilgentenen – en waren nog eens dubbel zo dankbaar toen de kar klaarstond vóór het dagelijkse bombardement van de Italianen zou beginnen. Bij het verlaten van het bos moesten ze toch nog een keer langs de man die met zijn afschuwelijk verwrongen gezicht roerloos in het gras lag. Maar ze zagen hem weer niet! Als op commando wendden ze hun hoofden af en bekeken ze de verwoestingen die een luchtaanval een dag eerder had aangericht, opgewonden gebarend, alsof ze alweer tussen de spiegels aan de wanden van een koffiehuis zaten.” “Niemand protesteert! Niemand ziet in donkere hoeken de geschonden, verminkte, opgedregde mensen liggen met opengescheurde lijven of met een blauw oplichtende wang. Ze lopen onder mijn raam door, druk gebarend, opgewonden: omdat de krijgshaftige taal dagelijks vers geslagen uit de Munt komt, iedereen zich geborgen en door instemming beneveld voelt als hij ze rondbazuint. Ik weet dat ze zwijgen, al zeggen ze dat ze zouden willen schreeuwen, brullen; dat ze jacht maken op ‘drossers’, maar geen scheldwoord hebben voor de duizendmaal ergere lafbekken die de totale zinloosheid van het uitmoorden van miljoenen helder beseffen maar toch hun mond niet opendoen. Dat ze jacht maken op mensen die zich proberen te drukken, maar geen scheldwoord hebben voor de duizend keer ergere lafaards die, niet bedwelmd door alle leuzen, de zinloosheid van dit uitmoorden van miljoenen duidelijk inzien en beseffen, maar toch hun mond niet opendoen, uit angst door de onnadenkenden te worden berispt.” Die “onnadenkenden” die ‘His masters voice’ verkondigen en misschien niet eens tot wat anders in staat zijn: “Maar de eerste luitenant Kadar hoorde hem niet. Voelde ook de zware hand niet die op zijn knieën lag, want tegenover hem zat nog steeds de cadet Meltzar, met op zijn nek zijn platte, zwarte ronde kop, waarin de Rákóczi-mars spiraalvormig was gegraveerd. Plotseling was het de eerste luitenant zonneklaar dat hij die arme Meltzar groot onrecht had aangedaan, zes maanden lang! Wat kon die arme duivel doen aan zijn domheid, aan die zouteloze patriottistische kletspraatjes van hem? Hoe had hij met een grammofoonplaat als hoofd helder kunnen nadenken? (…) Met die platte, ronde schijf die ze hem hadden opgezet kon hij natuurlijk nooit begrijpen dat de Italiaanse soldaten die gehavend en bebloed langs de batterij defileerden, natuurlijk ook veel liever thuis waren gebleven, als een aanplakbiljet op de straathoek ze niet had gedwongen om alles uit hun handen te laten vallen (…)”.

Beter is het het niet zo ver te laten komen, de oorlogshitsers te stoppen voor ‘het volk’ zijn hoofd vol marsmuziek heeft en even later vol shrapnel, als het tenminste nog een hoofd heeft. Maar áls ‘het volk’ al iets doorkrijgt, dan is dat pas ná de feiten, zoals Johann Bogdán in het laatste hoofdstuk, De thuiskomst. Wees niet zoals Johann Bogdán, laat je hoofd niet vervangen door een grammofoonplaat, kijk niet weg, laat je niet verblinden door de holle praatjes van politici en militairen, mensen horen niet in de oorlog. Maar dit boek hoort u wel gelezen te hebben.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !