vrijdag 5 december 2025

De belofte – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)

De belofte – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)
Even dacht ik geluk te hebben: bij het opzoeken van de naam Leen Wuyts, de naam dus van de auteur van voorliggend in 1990 bij De Clauwaert verschenen kortverhaal (een goeie zeventig bladzijden) De belofte, vond ik zowaar een Wikipedia-artikel. Beter dan niks, maar toch niet echt: hoewel de Leen Wuyts aan wie het lemma op Wikipedia is gewijd ook geboren werd in 1950 in het Antwerpse, was dat in Berchem en niet in Wijnegem. En dat de schrijfster ook speerwerpster zou geweest zijn, of de speerwerpster ook schrijfster, vind ik niet meteen terug. Laat ons voor de biografie van de schrijfster dus maar afgaan op wat op de achterflap vermeld staat: “Leen Wuyts (Wijnegem, 1950) is werkzaam op de juridische dienst van het ministerie van Onderwijs. Naast filmscenario’s, o.a. voor de tv-film Mijn papa, mama (1990), schreef ze drie prozawerken waaronder de novelle Morgen wellicht (De Clauwaert, 1983)”. Toevallig heb ik dat laatste boekje óók nog liggen en op de achterflap dáárvan staat dat ze geboren werd “in de winter van 1950”. Tenzij iemand 20 maart, de geboortedatum van de speerwerpster, nog zou beschouwen als “de winter”, mogen we er dus effectief van uit gaan dat de schrijfster niet de atlete is.

Waarmee ik dan ook alles gezegd heb wat ik te weten kwam over die schrijfster. Zelfs op plaatsen die doorgaans een goede bron van info blijken met betrekking tot Vlaamse schrijvers, bijvoorbeeld Schrijversgewijs en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, kom ik verder niks te weten, al zijn er op die laatste pagina wel een paar verwijzingen te vinden naar tijdschriften waarin anderen, waaronder Dries Janssen (van wie ik in maart 2025 Weekend in augustus besprak), het over Leen Wuyts (de schrijfster) hebben. Maar die tijdschriften bevinden zich niet in mijn bezit. Wat ook niet zo heel erg is, want De belofte vond ik, net zoals het leeuwendeel van de in de serie Novellenbibliotheek verschenen boekjes, noch een belofte noch een vervulling daarvan.

Waarom? Omdat dit ook weer zo’n voor De Clauwaert typisch dramaatje is, een trieste tranche de vie, een rit van diep in de put naar – nu ja, dat houd ik voor mezelf. “Myriam is een jonge vrouw die als kind de dood van haar vader niet heeft kunnen verwerken”, luidt het over die rit op de achterflap. “Zij blijft nog steeds op hem wachten en op wat hij beloofde: de vrijheid voluit te leven en gelukkig te zijn. Niemand heeft echt hart voor haar verdriet, verlangens en angst. Ze sluit zich meer en meer op in een eigen, intense ervaringswereld. Tot Myriam bij Walter voldoende vertrouwen vindt om los te komen van het verleden. Maar zij heeft tijd nodig, heel veel tijd. En die wordt haar niet gegund. Niet door haar possessieve moeder, niet door haar vrienden en niet door Walter. Ook hij zal de belofte niet inlossen. Er blijft nog één vluchtweg…” “De belofte is een krachtige novelle met een sublieme sfeerschepping die bijblijft”, heet het dan, maar voor mij is het gewoon weer luisteren naar dat meisje aan de toog dat mij zo’n vijfendertig jaar geleden half zat vertelde hoe zielig haar leven wel was. En bleef vertellen. Tot ik lachte waar ik niet mocht lachen. Omdat ik door de luide muziek de helft niet hoorde van wat ze te vertellen had en ook niet echt geïnteresseerd was in wat ze te vertellen had. Een excuus – dat van die luide muziek – dat ik bij het lezen van een boek uiteraard niet kan aangrijpen, maar ik neem aan dat de intussen vijfenzeventig jaar oude schrijfster (als ze nog onder de levenden is) ook niet zo kwaad zal worden als dat meisje als ik ná het lezen van het hele verhaal zeg dat die zielepoterij bij mij vooral een sfeer schept die leidt tot het stante pede naar de zolder verbannen van het boek in kwestie.

Maar goed, u heeft toch wel recht op een citaatje úit dat boek. Eentje waarin genaamde Myriam in Walter haar vader terugvindt dan maar: “Ze zwijgt, slaat de deken als een schulp om zich heen. Walter gaat naar het raam, kijkt de straat op, sluit de gordijnen. En dan herkent ze de man. De beweging van zijn arm, de kracht van zijn lichaam. Op hem heeft zij gewacht. En er is geen vrees meer, geen benauwdheid om zijn woorden. Vliezen breken stuk en soepel vormen haar lippen dagen en uren tot een keten van woorden, een verhaal. Hij zet zich bij haar, hij luistert, hij kijkt. Vertellend drinkt ze gulzig zijn aandacht. Zo zij wil kan zij hem aanraken. En zij geniet als had hij haar opgesloten in zijn armen. Ze praat en praat tot ze gelooft in de leugen, het geluk.” Dat die “leugen” een bladzijde verder een leugen blijkt, spreekt voor zich.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !