Even dacht ik geluk te hebben: bij het opzoeken van de naam Leen
Wuyts, de naam dus van de auteur van voorliggend in 1990 bij De
Clauwaert verschenen kortverhaal (een goeie zeventig bladzijden)
De belofte, vond ik zowaar een Wikipedia-artikel. Beter
dan niks, maar toch niet echt: hoewel de Leen Wuyts aan wie het lemma
op Wikipedia is gewijd ook geboren werd in 1950 in het
Antwerpse, was dat in Berchem en niet in Wijnegem. En dat de
schrijfster ook speerwerpster zou geweest zijn, of de speerwerpster
ook schrijfster, vind ik niet meteen terug. Laat ons voor de
biografie van de schrijfster dus maar afgaan op wat op de achterflap
vermeld staat: “Leen Wuyts (Wijnegem, 1950) is werkzaam op de
juridische dienst van het ministerie van Onderwijs. Naast
filmscenario’s, o.a. voor de tv-film Mijn papa, mama (1990),
schreef ze drie prozawerken waaronder de novelle Morgen wellicht
(De Clauwaert, 1983)”. Toevallig heb ik dat laatste boekje óók
nog liggen en op de achterflap dáárvan staat dat ze geboren werd
“in de winter van 1950”. Tenzij iemand 20 maart, de geboortedatum
van de speerwerpster, nog zou beschouwen als “de winter”, mogen
we er dus effectief van uit gaan dat de schrijfster niet de atlete is.
Waarmee ik dan ook alles gezegd heb wat ik te weten kwam over die
schrijfster. Zelfs op plaatsen die doorgaans een goede bron van info
blijken met betrekking tot Vlaamse schrijvers, bijvoorbeeld
Schrijversgewijs en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, kom
ik verder niks te weten, al zijn er op die laatste pagina wel een
paar verwijzingen te vinden naar tijdschriften waarin anderen,
waaronder Dries Janssen (van wie ik in maart 2025 Weekend
in augustus besprak), het over Leen Wuyts (de schrijfster) hebben. Maar die
tijdschriften bevinden zich niet in mijn bezit. Wat ook niet zo heel
erg is, want De belofte vond ik, net zoals het leeuwendeel van
de in de serie Novellenbibliotheek verschenen boekjes, noch
een belofte noch een vervulling daarvan.
Waarom? Omdat dit ook weer zo’n voor De Clauwaert typisch dramaatje
is, een trieste tranche de vie, een rit van diep in de put
naar – nu ja, dat houd ik voor mezelf. “Myriam is een jonge vrouw
die als kind de dood van haar vader niet heeft kunnen verwerken”,
luidt het over die rit op de achterflap. “Zij blijft nog steeds op
hem wachten en op wat hij beloofde: de vrijheid voluit te leven en
gelukkig te zijn. Niemand heeft echt hart voor haar verdriet,
verlangens en angst. Ze sluit zich meer en meer op in een eigen,
intense ervaringswereld. Tot Myriam bij Walter voldoende vertrouwen
vindt om los te komen van het verleden. Maar zij heeft tijd nodig,
heel veel tijd. En die wordt haar niet gegund. Niet door haar
possessieve moeder, niet door haar vrienden en niet door Walter. Ook
hij zal de belofte niet inlossen. Er blijft nog één vluchtweg…”
“De belofte is een krachtige novelle met een sublieme
sfeerschepping die bijblijft”, heet het dan, maar voor mij is het
gewoon weer luisteren naar dat meisje aan de toog dat mij zo’n
vijfendertig jaar geleden half zat vertelde hoe zielig haar leven wel
was. En bleef vertellen. Tot ik lachte waar ik niet mocht lachen.
Omdat ik door de luide muziek de helft niet hoorde van wat ze te
vertellen had en ook niet echt geïnteresseerd was in wat ze te
vertellen had. Een excuus – dat van die luide muziek – dat
ik bij het lezen van een boek uiteraard niet kan aangrijpen, maar ik
neem aan dat de intussen vijfenzeventig jaar oude schrijfster (als ze
nog onder de levenden is) ook niet zo kwaad zal worden als dat meisje
als ik ná het lezen van het hele verhaal zeg dat die zielepoterij
bij mij vooral een sfeer schept die leidt tot het stante pede naar de
zolder verbannen van het boek in kwestie.
Maar goed, u heeft toch wel recht op een citaatje úit dat boek. Eentje
waarin genaamde Myriam in Walter haar vader terugvindt dan maar: “Ze
zwijgt, slaat de deken als een schulp om zich heen. Walter gaat naar
het raam, kijkt de straat op, sluit de gordijnen. En dan herkent ze
de man. De beweging van zijn arm, de kracht van zijn lichaam. Op hem
heeft zij gewacht. En er is geen vrees meer, geen benauwdheid om zijn
woorden. Vliezen breken stuk en soepel vormen haar lippen dagen en
uren tot een keten van woorden, een verhaal. Hij zet zich bij haar,
hij luistert, hij kijkt. Vertellend drinkt ze gulzig zijn aandacht.
Zo zij wil kan zij hem aanraken. En zij geniet als had hij haar
opgesloten in zijn armen. Ze praat en praat tot ze gelooft in de
leugen, het geluk.” Dat die “leugen” een bladzijde verder een
leugen blijkt, spreekt voor zich.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !