Het is kennelijk al van januari 2024 geleden dat ik nog een
bespreking gepubliceerd heb van een boek van Howard Phillips, ofte
H.P., Lovecraft, maar dat is slechts te wijten aan het feit dat ik
van de auteur in kwestie alleen dat ene boek in mijn boekenkasten had
staan, te weten Het gefluister in de duisternis.
Had en héb staan, eerlijk gezegd, want voorliggend Fantastische
verhalen, 1905-1921 (verschenen
bij Uitgeverij IJzer
in 2021) heb ik geleend uit de openbare bibliotheek. Een feit
dat enerzijds te danken is aan het gegeven dat ik nooit boeken van
Lovecraft tegenkom in kringwinkels of uitverkopen van bibliotheken
(nog steeds mijn voornaamste bronnen wat aanwinsten betreft), en
anderzijds aan het gegeven dat mijn vriendin het boek zien staan had
in de bib. Zij leende het, vond het na een paar verhalen gelezen te
hebben maar niks; ik leende het, vond het als geheel groots.
Wat kan liggen aan het goed lezen van de inleiding van vertaler Ivo
Gay. Die heeft namelijk niet alleen als vertaler zeer goed werk
geleverd – ongetwijfeld niet eenvoudig gezien Lovecrafts nogal
barokke stijl -, maar ook als inleider, een feit waarop ik ook al
wees in mijn bespreking van Hubert Lampo’s De zwanen vanStonehenge, zelfs al begint Gay die inleiding met het
voorspelbare: “De bewering dat Howard Phillips Lovecraft
(1890-1937) een merkwaardige man was, is een understatement; hij was
een hoogst merkwaardige man en dat in alle opzichten.” In
plaats van een soort minibiografie van die “hoogst
merkwaardige man” te schrijven – iets wat ook op de twintig
bladzijden die het Woord vooraf inneemt mogelijk was geweest
-, beperkt Gay zich namelijk tot dát deel van Lovecrafts leven
waarbinnen ook die “eerste negenentwintig fantastische verhalen”
zijn geschreven. De achtergrond waartegen die geschreven zijn, hoe ze
tot stand kwamen, waar ze gepubliceerd werden (als ze dat al werden),
dat soort door Gay meegegeven dingen zorgen ervoor dat de lezer niet
alleen uit de verhalen de innerlijke wereld van Lovecraft ziet
ontstaan, maar ook uit het leven van de man die ze schreef de
uiterlijke wereld waarbinnen/waardoor ze ontstonden. En je kan wel
zeggen dat dat laatste er niet echt toe doet – iets waarover je dan
ongetwijfeld nog gelijk hebt ook -, maar hoe fantastisch de verhalen
van Lovecraft ook zijn, je voelt dat de auteur zélf aanwezig is in
zijn hoofdpersonages. Waardoor meer weten over de auteur ook meer
weten over de hoofdpersonages betekent.
Maar dat is niet echt waarnaar ik verwees toen ik het had over “het
goed lezen van de inleiding”. Waar ik het wel over had, is het feit
dat je in die inleiding kan vernemen dat Lovecraft aan het eerste
verhaal in deze bundel, Het beest in de grot, begon in de
lente van 1904 en het voltooide op 21 april 1905. Lovecraft schreef
het verhaal dus van toen hij nog geen veertien was tot toen hij dat
al een half jaar was. Hij schreef toen al langere tijd
“populair-wetenschappelijke artikelen, die soms in lokale kranten
werden opgenomen” en had zich vóór zijn achtste (toen hij Edgar
Allan Poe ontdekte en tot de conclusie kwam dat hij er eigenlijk niks
van bakte) al wel eens vergrepen aan poëzie en kortverhalen, maar
behalve aan het behoorlijk voorspelbare einde van het verhaal valt
die onervarenheid met het schrijven van fictie nergens aan te merken.
En, eerlijk is eerlijk, er zijn ook hopen volwassen auteurs wiens
kortverhalen op zeer voorspelbare manier eindigen. “‘Het beest in
de grot’”, zo schrijft Gay, “is (…) het eerste verhaal van
Lovecraft dat een duidelijke overeenkomst vertoont met zijn latere
werk; hij had zijn idioom gevonden, hij moest het alleen nog
verfijnen.” Iets waarvoor hij de tijd nam: De alchemist, het
tweede verhaal uit deze bundel, schreef hij pas in 1908, dus drie
jaar later, en Het graf, het derde verhaal, zag pas in juni
1917 het licht. Tussendoor werd hij amateurjournalist, nam hij
functies op in organisaties ván amateurjournalisten, stichtte hij
een eigen blad, The Conservative, en nam hij positie in in een
aantal debatten die toen de wereld teisterden. Positie die hem
volgens Gay tot een racist maakte, iets waarvan – als je verhalen
van (meer dan) een eeuw geleden per se door een hedendaagse
moralistische bril wil bekijken – hier en daar wel iets terug te
vinden is in dit boek, maar dat hem “ondanks zijn antisemitisme”
niet belette een jodin te huwen en joodse vrienden te hebben. Wat dan
weer “weinig af [doet] aan de verwerpelijke standpunten die hij
vaak innam”, dixit Gay, maar volgens mij vooral in de benadering
van de biograaf toont wélk feit die het belangrijkste vindt.
Enfin, vanaf 1917 begon Lovecraft dus weer proza te schrijven, iets
waarmee hij pas in 1935, twee jaar voor zijn dood, ophield, maar
waarover Gay het maar tot in 1921 heeft. Althans, dat zegt de titel,
maar dat klopt niet met de inhoud. Het negenentwintigste verhaal in
deze bundel, Herbert West – Reanimator, is er namelijk zes,
en werd in serie gepubliceerd in het blad Home Brew van
februari tot en met juli 1922. Maar misschien volgde er toen
wat minder goed werk van Lovecraft, want die zes-in-één hadden wat
mij betreft niet in dit boek moeten opgenomen worden. De auteur
begint elk van die zes verhalen namelijk met een, uiteraard steeds
langer wordende, samenvatting van de vorige, en eigenlijk had het
hele zootje in plaats van veertig bladzijden maar tien bladzijden
mogen beslaan. Voor een variant op Frankenstein, zij het met veel
meer aandacht voor een aantal ‘wetenschappelijke’ details en
beduidend minder filosofische diepgang, was dat sowieso wel genoeg
geweest. En dat nog los van het feit dat deze zes verhalen niet in
het universum van Lovecraft passen, een universum dat je geleidelijk
ziet opgebouwd worden vanaf Het beest in de grot tot en met De
muziek van Erich Zann, het verhaal voorafgaand aan Herbert
West – Reanimator. Een universum waarin Lovecraft – of toch
zijn ik-personage (want bijna alle verhalen zijn verteld vanuit een
ik-personage, zij het telkens een ander) – iedere keer in de eerste
paragraaf van een verhaal al resoluut binnenstapt. In Het beest in
de grot: “De vreselijke conclusie die zich geleidelijk aan mijn
verwarde en weifelende geest had opgedrongen, was nu een
afschuwelijke zekerheid. Ik was verdwaald, volkomen en hopeloos
verdwaald in een enorme, labyrintische uithoek van de Mammoetgrot.”
In De alchemist: “Hoog verheven, de grazige top bekronend
van een hoog oprijzende heuvel wiens flanken aan de voet bebost zijn
met de knoestige bomen van het ongerepte woud, staat het oude kasteel
van mijn voorvaderen. Eeuwenlang hebben zijn hoge tinnen dreigend
neergekeken op het woeste, ruige land eromheen en diende het als
thuis en burcht voor het trotse geslacht waarvan de eervolle stamboom
ouder is dan de met mos begroeide kasteelmuren.” In Het graf:
“Terwijl ik vertel over de omstandigheden die leidden tot mijn
opsluiting in dit krankzinnigengesticht, ben ik me ervan bewust dat
mijn huidige situatie een voor de hand liggende twijfel kan doen
rijzen over de echtheid van mijn verhaal.” Geen gezapige inleiding,
geen voorzichtig aanloopje, neen, meteen les pieds dans le plat,
hupsakee, het zijn kortverhalen, we gaan geen tijd verliezen. Toen ik
me zelf nog wel eens aan een kortverhaal waagde, deed ik het net zo
(maar dan minder goed). Ik kan die stijl dus wel waarderen.
Maar latere verhalen als De lokroep van Cthulhu en De
bergen van waanzin gelezen hebbende, is het ook een werkelijk
plezier om in de in Fantastische verhalen 1905-1921 opgenomen
exemplaren geleidelijk de elementen te zien opduiken die in die
latere verhalen een steeds belangrijker rol gaan spelen. In Het
graf, waarin de verwijzing naar Robert Louis Stevensons Dr.
Jekyll en Mr. Hyde trouwens nauwelijks verborgen is, bijvoorbeeld
al de “oude en weinig bekende boeken”, die geleidelijk – in
andere verhalen – evolueren van bestaande, bijvoorbeeld Paradise
Lost van John Milton en “het zeldzame verslag van Pigafetta
over de Congo, in het Latijn geschreven naar de notities van de
zeeman Lopez en in 1598 in Frankfurt gedrukt” (in De afbeelding
in het huis), naar onbestaande als “het duivelse boek dat hem
naar zijn einde voerde – het boek dat hij in zijn binnenzak bij
zich droeg toen hij verdween - (…) in karakters geschreven die ik
nooit tevoren had gezien”, de “zinnen van Alhazred, de
waanzinnige Arabier”, of de Pnakotische Manuscripten. In De
doem die over Sarnath kwam later telkens weer opduikende steden
als het genoemde Sarnath, maar ook Ib, Kadatheron, Ilarnek en Thraa,
en een voorloper van de in deze bundel nog niet (met uitzondering van
in De andere goden en Nyarlathotep) voluit aanwezige
maar in het latere werk schering en inslag zijnde oude goden,
“Bokrug, de grote waterhagedis”. In Feiten over wijlen Arthur
Jermyn en zijn familie geheimzinnige voorwerpen, in dit geval
uiteindelijk nog wel geduid, maar in latere verhalen dikwijls
geheimzinnig blijvend tot voorbij de afloop van het verhaal. Tempels
onder water (in De Tempel), tempels onder de grond (in De
stad zonder naam), tempels op eilanden (in Het maanmoeras).
Mythisch-Grieks aandoende verhalen in mythisch-onbestemd aandoende
landschappen (in Celephaïs, in De queeste van Iranon,
in De boom). En uiteraard, van meet af aan eigenlijk, de toon
van wetenschappelijkheid (op zijn sterktst in Van daarginds),
het getuigenis afleggen, de universiteit van Miskatonic.
En dan zitten er tussen dat alles in ook nog pareltjes als De
Straat. Niet ‘typisch’ Lovecraft, er zit weinig ‘fantastisch’
aan, zou ik zeggen, maar deze levensgeschiedenis van een straat lijkt
een verre voorloper van Dropsie Avenue, Will Eisners uit 1995
daterende graphic novel. Of De verschrikkelijke oude man,
een verhaal waarvan je de clou kent van zodra je de naam “Peters”
gelezen hebt, maar dat ook al een voorloper van een aantal verhalen
van Eisner lijkt (net zoals De katten van Ulthar dat zou
kunnen zijn, overigens), zelfs al krijg je bij het ingeven van de
namen Eisner en Lovecraft vanwege meneer of mevrouw AI meteen
de respons dat er geen verband is tussen de twee.
Edoch, niet geklaagd daarover, voor een veelvraterige lezer
als ik is het sowieso leuk tot dat soort verbanden te komen, terwijl
ook de verbanden tussen de in deze bundel opgenomen verhalen
onderling en tussen deze verhalen en de latere zoals gezegd niet te
miskennen vallen. En ook los daarvan: als u in acht neemt dat de
eerste paar verhalen op zeer jeugdige leeftijd zijn geschreven en u
bereid bent zich enigszins te laten betoveren door Lovecraft, die –
zoals ik ook al meegaf in mijn bespreking van Gefluister in de
duisternis – nooit echt moeite lijkt te doen om de lezer
helemaal binnen te slepen in het verhaal, dan vormt deze bundel een
meer dan mooie inleiding tot het latere werk van de auteur.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !