maandag 8 december 2025

Fantastische verhalen 1905-1921 - H.P. Lovecraft (boekbespreking door Björn Roose)

Fantastische verhalen 1905-1921 - H.P. Lovecraft (boekbespreking door Björn Roose)
Het is kennelijk al van januari 2024 geleden dat ik nog een bespreking gepubliceerd heb van een boek van Howard Phillips, ofte H.P., Lovecraft, maar dat is slechts te wijten aan het feit dat ik van de auteur in kwestie alleen dat ene boek in mijn boekenkasten had staan, te weten Het gefluister in de duisternis. Had en héb staan, eerlijk gezegd, want voorliggend Fantastische verhalen, 1905-1921 (verschenen bij Uitgeverij IJzer in 2021) heb ik geleend uit de openbare bibliotheek. Een feit dat enerzijds te danken is aan het gegeven dat ik nooit boeken van Lovecraft tegenkom in kringwinkels of uitverkopen van bibliotheken (nog steeds mijn voornaamste bronnen wat aanwinsten betreft), en anderzijds aan het gegeven dat mijn vriendin het boek zien staan had in de bib. Zij leende het, vond het na een paar verhalen gelezen te hebben maar niks; ik leende het, vond het als geheel groots.

Wat kan liggen aan het goed lezen van de inleiding van vertaler Ivo Gay. Die heeft namelijk niet alleen als vertaler zeer goed werk geleverd – ongetwijfeld niet eenvoudig gezien Lovecrafts nogal barokke stijl -, maar ook als inleider, een feit waarop ik ook al wees in mijn bespreking van Hubert Lampo’s De zwanen vanStonehenge, zelfs al begint Gay die inleiding met het voorspelbare: “De bewering dat Howard Phillips Lovecraft (1890-1937) een merkwaardige man was, is een understatement; hij was een hoogst merkwaardige man en dat in alle opzichten.” In plaats van een soort minibiografie van die “hoogst merkwaardige man” te schrijven – iets wat ook op de twintig bladzijden die het Woord vooraf inneemt mogelijk was geweest -, beperkt Gay zich namelijk tot dát deel van Lovecrafts leven waarbinnen ook die “eerste negenentwintig fantastische verhalen” zijn geschreven. De achtergrond waartegen die geschreven zijn, hoe ze tot stand kwamen, waar ze gepubliceerd werden (als ze dat al werden), dat soort door Gay meegegeven dingen zorgen ervoor dat de lezer niet alleen uit de verhalen de innerlijke wereld van Lovecraft ziet ontstaan, maar ook uit het leven van de man die ze schreef de uiterlijke wereld waarbinnen/waardoor ze ontstonden. En je kan wel zeggen dat dat laatste er niet echt toe doet – iets waarover je dan ongetwijfeld nog gelijk hebt ook -, maar hoe fantastisch de verhalen van Lovecraft ook zijn, je voelt dat de auteur zélf aanwezig is in zijn hoofdpersonages. Waardoor meer weten over de auteur ook meer weten over de hoofdpersonages betekent.

Maar dat is niet echt waarnaar ik verwees toen ik het had over “het goed lezen van de inleiding”. Waar ik het wel over had, is het feit dat je in die inleiding kan vernemen dat Lovecraft aan het eerste verhaal in deze bundel, Het beest in de grot, begon in de lente van 1904 en het voltooide op 21 april 1905. Lovecraft schreef het verhaal dus van toen hij nog geen veertien was tot toen hij dat al een half jaar was. Hij schreef toen al langere tijd “populair-wetenschappelijke artikelen, die soms in lokale kranten werden opgenomen” en had zich vóór zijn achtste (toen hij Edgar Allan Poe ontdekte en tot de conclusie kwam dat hij er eigenlijk niks van bakte) al wel eens vergrepen aan poëzie en kortverhalen, maar behalve aan het behoorlijk voorspelbare einde van het verhaal valt die onervarenheid met het schrijven van fictie nergens aan te merken. En, eerlijk is eerlijk, er zijn ook hopen volwassen auteurs wiens kortverhalen op zeer voorspelbare manier eindigen. “‘Het beest in de grot’”, zo schrijft Gay, “is (…) het eerste verhaal van Lovecraft dat een duidelijke overeenkomst vertoont met zijn latere werk; hij had zijn idioom gevonden, hij moest het alleen nog verfijnen.” Iets waarvoor hij de tijd nam: De alchemist, het tweede verhaal uit deze bundel, schreef hij pas in 1908, dus drie jaar later, en Het graf, het derde verhaal, zag pas in juni 1917 het licht. Tussendoor werd hij amateurjournalist, nam hij functies op in organisaties ván amateurjournalisten, stichtte hij een eigen blad, The Conservative, en nam hij positie in in een aantal debatten die toen de wereld teisterden. Positie die hem volgens Gay tot een racist maakte, iets waarvan – als je verhalen van (meer dan) een eeuw geleden per se door een hedendaagse moralistische bril wil bekijken – hier en daar wel iets terug te vinden is in dit boek, maar dat hem “ondanks zijn antisemitisme” niet belette een jodin te huwen en joodse vrienden te hebben. Wat dan weer “weinig af [doet] aan de verwerpelijke standpunten die hij vaak innam”, dixit Gay, maar volgens mij vooral in de benadering van de biograaf toont wélk feit die het belangrijkste vindt.

Enfin, vanaf 1917 begon Lovecraft dus weer proza te schrijven, iets waarmee hij pas in 1935, twee jaar voor zijn dood, ophield, maar waarover Gay het maar tot in 1921 heeft. Althans, dat zegt de titel, maar dat klopt niet met de inhoud. Het negenentwintigste verhaal in deze bundel, Herbert West – Reanimator, is er namelijk zes, en werd in serie gepubliceerd in het blad Home Brew van februari tot en met juli 1922. Maar misschien volgde er toen wat minder goed werk van Lovecraft, want die zes-in-één hadden wat mij betreft niet in dit boek moeten opgenomen worden. De auteur begint elk van die zes verhalen namelijk met een, uiteraard steeds langer wordende, samenvatting van de vorige, en eigenlijk had het hele zootje in plaats van veertig bladzijden maar tien bladzijden mogen beslaan. Voor een variant op Frankenstein, zij het met veel meer aandacht voor een aantal ‘wetenschappelijke’ details en beduidend minder filosofische diepgang, was dat sowieso wel genoeg geweest. En dat nog los van het feit dat deze zes verhalen niet in het universum van Lovecraft passen, een universum dat je geleidelijk ziet opgebouwd worden vanaf Het beest in de grot tot en met De muziek van Erich Zann, het verhaal voorafgaand aan Herbert West – Reanimator. Een universum waarin Lovecraft – of toch zijn ik-personage (want bijna alle verhalen zijn verteld vanuit een ik-personage, zij het telkens een ander) – iedere keer in de eerste paragraaf van een verhaal al resoluut binnenstapt. In Het beest in de grot: “De vreselijke conclusie die zich geleidelijk aan mijn verwarde en weifelende geest had opgedrongen, was nu een afschuwelijke zekerheid. Ik was verdwaald, volkomen en hopeloos verdwaald in een enorme, labyrintische uithoek van de Mammoetgrot.” In De alchemist: “Hoog verheven, de grazige top bekronend van een hoog oprijzende heuvel wiens flanken aan de voet bebost zijn met de knoestige bomen van het ongerepte woud, staat het oude kasteel van mijn voorvaderen. Eeuwenlang hebben zijn hoge tinnen dreigend neergekeken op het woeste, ruige land eromheen en diende het als thuis en burcht voor het trotse geslacht waarvan de eervolle stamboom ouder is dan de met mos begroeide kasteelmuren.” In Het graf: “Terwijl ik vertel over de omstandigheden die leidden tot mijn opsluiting in dit krankzinnigengesticht, ben ik me ervan bewust dat mijn huidige situatie een voor de hand liggende twijfel kan doen rijzen over de echtheid van mijn verhaal.” Geen gezapige inleiding, geen voorzichtig aanloopje, neen, meteen les pieds dans le plat, hupsakee, het zijn kortverhalen, we gaan geen tijd verliezen. Toen ik me zelf nog wel eens aan een kortverhaal waagde, deed ik het net zo (maar dan minder goed). Ik kan die stijl dus wel waarderen.

Maar latere verhalen als De lokroep van Cthulhu en De bergen van waanzin gelezen hebbende, is het ook een werkelijk plezier om in de in Fantastische verhalen 1905-1921 opgenomen exemplaren geleidelijk de elementen te zien opduiken die in die latere verhalen een steeds belangrijker rol gaan spelen. In Het graf, waarin de verwijzing naar Robert Louis Stevensons Dr. Jekyll en Mr. Hyde trouwens nauwelijks verborgen is, bijvoorbeeld al de “oude en weinig bekende boeken”, die geleidelijk – in andere verhalen – evolueren van bestaande, bijvoorbeeld Paradise Lost van John Milton en “het zeldzame verslag van Pigafetta over de Congo, in het Latijn geschreven naar de notities van de zeeman Lopez en in 1598 in Frankfurt gedrukt” (in De afbeelding in het huis), naar onbestaande als “het duivelse boek dat hem naar zijn einde voerde – het boek dat hij in zijn binnenzak bij zich droeg toen hij verdween - (…) in karakters geschreven die ik nooit tevoren had gezien”, de “zinnen van Alhazred, de waanzinnige Arabier”, of de Pnakotische Manuscripten. In De doem die over Sarnath kwam later telkens weer opduikende steden als het genoemde Sarnath, maar ook Ib, Kadatheron, Ilarnek en Thraa, en een voorloper van de in deze bundel nog niet (met uitzondering van in De andere goden en Nyarlathotep) voluit aanwezige maar in het latere werk schering en inslag zijnde oude goden, “Bokrug, de grote waterhagedis”. In Feiten over wijlen Arthur Jermyn en zijn familie geheimzinnige voorwerpen, in dit geval uiteindelijk nog wel geduid, maar in latere verhalen dikwijls geheimzinnig blijvend tot voorbij de afloop van het verhaal. Tempels onder water (in De Tempel), tempels onder de grond (in De stad zonder naam), tempels op eilanden (in Het maanmoeras). Mythisch-Grieks aandoende verhalen in mythisch-onbestemd aandoende landschappen (in Celephaïs, in De queeste van Iranon, in De boom). En uiteraard, van meet af aan eigenlijk, de toon van wetenschappelijkheid (op zijn sterktst in Van daarginds), het getuigenis afleggen, de universiteit van Miskatonic.

En dan zitten er tussen dat alles in ook nog pareltjes als De Straat. Niet ‘typisch’ Lovecraft, er zit weinig ‘fantastisch’ aan, zou ik zeggen, maar deze levensgeschiedenis van een straat lijkt een verre voorloper van Dropsie Avenue, Will Eisners uit 1995 daterende graphic novel. Of De verschrikkelijke oude man, een verhaal waarvan je de clou kent van zodra je de naam “Peters” gelezen hebt, maar dat ook al een voorloper van een aantal verhalen van Eisner lijkt (net zoals De katten van Ulthar dat zou kunnen zijn, overigens), zelfs al krijg je bij het ingeven van de namen Eisner en Lovecraft vanwege meneer of mevrouw AI meteen de respons dat er geen verband is tussen de twee.

Edoch, niet geklaagd daarover, voor een veelvraterige lezer als ik is het sowieso leuk tot dat soort verbanden te komen, terwijl ook de verbanden tussen de in deze bundel opgenomen verhalen onderling en tussen deze verhalen en de latere zoals gezegd niet te miskennen vallen. En ook los daarvan: als u in acht neemt dat de eerste paar verhalen op zeer jeugdige leeftijd zijn geschreven en u bereid bent zich enigszins te laten betoveren door Lovecraft, die – zoals ik ook al meegaf in mijn bespreking van Gefluister in de duisternis – nooit echt moeite lijkt te doen om de lezer helemaal binnen te slepen in het verhaal, dan vormt deze bundel een meer dan mooie inleiding tot het latere werk van de auteur.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !