vrijdag 12 december 2025

De man die uit de lucht viel – De Spaanse jaren van Léon Degrelle, 1945-1994 – Bert Govaerts (boekbespreking door Björn Roose)

De man die uit de lucht viel – De Spaanse jaren van Léon Degrelle, 1945-1994 – Bert Govaerts (boekbespreking door Björn Roose)
“Bert Govaerts (1952) werkte tot 2015 als documentairemaker voor VRT en schreef eerder veelgeprezen biografieën van o.a. de politicus Albert De Vleeschauwer en de schrijvers Ernest Claes en Marnix Gijsen. Bij Manteau publiceerde hij in 2024 Erfgoed op de vlucht”. Althans, dat is wat ik lees op de achterflap van voorliggend De man die uit de lucht viel, ondertitel De Spaanse jaren van Léon Degrelle, 1945-1994, dat in juni 2025 verscheen bij Manteau/Standaard Uitgeverij.

Niet dat ik daar wat aan heb: ik heb al langer geen tv meer gezien dan Bert Govaerts bij de VRT vertrokken is, keek daarvoor óók al bijzonder weinig, ben (hoe eigenaardig dit in de context van deze bespreking ook klinkt) niet heel erg geïnteresseerd in politieke biografieën, heb er geen staan van Claes of Gijsen (in tegenstelling tot wat geldt voor boeken van hun hand), en volg de uitgaves van Manteau niet echt op de voet. Desalniettemin is dit boek, dat ik leende in de openbare bibliotheek, me ook bevallen zónder aanbeveling.

Ik kende uiteraard de figuur Degrelle – wie de figuur niet kent, zal wellicht weinig aan deze halve biografie hebben, t.t.z. een biografie die grotendeels de eerste negenendertig jaar van ‘s mans leven overslaat -, heb wat primaire literatuur (zie daarover straks meer) van en secundaire literatuur over hem staan (zij het dat ik er nog niet aan toe gekomen ben die te lezen), en kan niet anders dan toegeven dat ik het toch eerder ook al fascinerend vond hoe de oprichter van (Les Éditions de) Rex en Sturmbannführer er in geslaagd was van 8 mei 1945 (de dag dat hij met een aantal anderen in een Heinkel III in de baai van San Sebastián ‘uit de lucht viel’) tot aan zijn dood op 31 maart 1994 (een Witte Donderdag, dixit Govaerts) in Spanje te blijven zónder zich de hele tijd te moeten verbergen, zelfs al nam ik aan wat daar doorgaans kort over verteld wordt: generalisimo Francisco Franco en/of de mensen rondom hem hielden Degrelle de hand boven het hoofd (wat dan onder andere zou te wijten zijn aan het feit dat Degrelle “lidkaart nummer I van de Falange Exterior, de buitenlandorganisatie van de Falange Española” had en de Spanjaarden die nog wilden doorvechten nadat de Divisón Azul teruggeroepen was incorporeerde als een aparte compagnie van zijn Waals Legioen).

Dat laatste wordt bevestigd én tegengesproken in dit ongeveer tweehonderdzeventig bladzijden dikke boek, dat ondanks het feit dat Govaerts voor de VRT heeft gewerkt – geen aanbeveling op dat vlak – toch redelijk objectief aangepakt lijkt te zijn. Al had ik daar enige twijfels over bij de inleiding: “De strapatsen van de Führer uit Bouillon in de Belgische politiek van de jaren dertig, zijn rol in de collaboratie en zijn krijgsverrichtingen als lid van de Wehrmacht en de Waffen-SS zijn allemaal uitvoerig beschreven, onder anderen door hemzelf, in een eindeloze reeks gedenkschriften. Maar het grootste deel van zijn leven, bijna vijftig jaar, leefde Degrelle in Spanje. Zijn Spaanse jaren krijgen doorgaans veel minder aandacht en vaak wordt er, ook door ernstige historici die zich voor zijn ‘Duitse’ jaren grondig documenteerden, zeer slordig over geschreven. Het zijn jaren waarin Degrelle vermoedelijk geen schot meer heeft gelost. Of toch niet op een mens. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het Spaanse grondgebied ook nooit meer verlaten. In de geborgenheid van de Franco-dictatuur kreeg en greep hij kansen als zakenman. Maar zijn oude passies, schrijven en publiceren, lieten hem niet los. Toen zijn beperkte commerciële talent begon te falen gaf hij zich weer helemaal aan het woord.”

Een woordgebruik dat duidelijk laat doorschemeren dat Govaerts geen naoorlogse fan van zijn onderwerp is, zoveel is duidelijk, maar zelfs dan heeft Govaerts wel gelijk als hij het over die weinig gedocumenteerde naoorlogse jaren heeft. Al kan dat ook liggen aan een simpel gebrek aan interesse. Zoals de auteur immers zelf blijft stellen: Degrelle bleef hetzelfde deuntje spelen. Hij evolueerde een héél klein beetje op het politieke vlak, sloot zelfs hier en daar een onverwachte vriendschap, maar zijn zakenleven was niet interessant genoeg om te compenseren voor het feit dat hij eigenlijk alleen ‘interessant’ was omwille van wat hij vertelde over zijn vooroorlogse- en oorlogsjaren en dat blééf doen. Een keer je het daar als biograaf over gehad hebt, voel je misschien niet de behoefte de endless repeat van het verslag ook nog op te volgen. Jean-Marie Frérotte, zoals Degrelle opgegroeid in Bouillon, maar door Govaerts niet genoemd, hield het dan ook in zijn biografie, Léon Degrelle, le dernier fasciste, gepubliceerd in 1987 bij Paul Legrain, bij zo’n vijftien bladzijden over Degrelle in Spanje. Wim Dannau, dixit Govaerts “gespecialiseerd in vulgariserende literatuur over lucht- en ruimtevaart en medewerker van het stripblad Robbedoes”, “de wandelende megafoon van Léon Degrelle”, wiens vraaggesprek met Degrelle in februari 1972 desalniettemin gepubliceerd werd door Knack, heeft het er met de man zo’n vijftig bladzijden over aan het einde van het in 1971 bij Editions De Schorpioen verschenen Degrelle – Face a face avec le Rexisme. Maar Govaerts wint het dus wat die naoorlogse jaren betreft, wat ongetwijfeld ook zijn bedoeling was, want anders had hij zich niet op slechts een déél van het leven van Degrelle geconcentreerd.

Een deel dat wat de handelingen tussen Spanje en belgië betreft leest als een langdurige klucht, een feit waar ik zelf niet al te diep zal op ingaan (anders hoeft u het boek niet meer te lezen), maar waarvan ik u graag dit ene voorbeeld meegeef van meteen na de oorlog: “België en Spanje hebben een uitleveringsverdrag, maar dat verbiedt uitlevering op basis van politieke misdaden. Madrid wil Degrelle daarom niet rechtstreeks aan België uitleveren, maar hem wel als ‘oorlogsmisdadiger’ [wat hij, voor zover het om bewezen feiten gaat, niet was, noot van mij] in de handen geven van vertegenwoordigers van een ‘inter-geallieerde overheid’, die dan zelf mogen beslissen over zijn lot. De Britten en de Amerikanen laten meteen weten dat ze dat niet zien zitten. De term oorlogsmisdadiger is volgens hen alleen van toepassing op onderdanen van de aslanden (Duitsland, Italië en Japan). Dat is een diplomatiek handigheidje om vooral te vermijden dat er een precedent wordt geschapen waardoor ze met nog meer vervelende dossiers worden opgezadeld.”

Maar niet alleen dié handelingen zijn klucht-ig, ook het feit dat stouterd (of fouterd, zoals u wil) Degrelle regelmatig gecensureerd wordt (net zoals documentaires van anderen óver hem dat werden of er minstens gepoogd werd dat te doen, bijvoorbeeld die van Maurice de Wilde), lijkt een slechte grap. Als iemand dan toch zó fout is, als iedere ‘democraat’ (en dat waren er na de Tweede Wereldoorlog in het ‘vrije’ westen plotseling méér dan voordien) het dan toch zo oneens is met wat zo’n figuur te vertellen heeft, waarom zou je hem dan het woord ontnemen? Hij kan toch alleen maar méér aantonen dat hij onzin verkoopt als je hem die onzin laat publiceren? Nee dus, nadat Frankrijk het aldaar verschenen La Campagne de Russie, Degrelle’s eerste boek van na de oorlog “na wat aandringen uit Brussel (…) bij een ministerieel besluit van Binnenlandse Zaken” heeft verboden, en dat ondanks het feit “dat het Belgische gerecht niet is opgetreden tegen het Brusselse weekblad Europe Amérique, dat drie weken aan een stuk uittreksels uit Degrelles boek heeft gepubliceerd”, komt ook “het volgende werkstuk van Degrelle, La Cohue de 1940” onder vuur te liggen. Zelfs nog voor het gepubliceerd is, want “het speelt zich niet af op de Russische steppe, maar in België en Frankrijk en beschrijft onder andere de vlucht van de Belgische regering en haar gedrag in de eerste bezettingsmaanden”. Dit boek verschijnt in 1950 in Zwitserland, waar “zelfs Mein Kampf (…) vrij te koop [is]”, wat weinig kans op een verbod lijkt te geven, maar de belgische regering dringt er met het oog op de op komst zijnde volksraadpleging over de terugkeer van koning Leopold III op aan en… krijgt zijn zin: “De Bondsraad vergadert drie keer over de kwestie, maar raakt er niet uit. De stemmen staken twee keer (drie tegen drie) en de voorzitter wil de knoop niet doorhakken. Maar op 3 juni valt het verdict: La Cohue de 1940 wordt definitief verboden. De Bondsraad heeft het boek laten analyseren door specialisten en laat het uiteindelijk verbieden, niet vanwege de beledigingen die het bevat, maar omdat het ‘staatsgevaarlijk’ is. Degrelle is nog altijd een nationaalsocialist, stelt de Raad en het nationaalsocialisme als beweging is nog niet dood. Daarom moet Zwitserland zich hoeden voor propaganda die de democratie kan aantasten. Sommige Zwitserse volksvertegenwoordigers vinden dat maar een slappe argumentatie.” Wat het inderdaad is. En wat niet verhindert dat van de kleine drieduizend exemplaren die uiteindelijk, voor het verbod in voege ging, van de drukpers rolden er precies 869 exemplaren (aldus Govaerts) “naar België geëxporteerd [zijn]”. “Een bijkomende levering van 1516 exemplaren aan Belgische klanten is door het gerecht verhinderd. In Zwitserland zijn er 478 boeken naar de winkels gegaan. De export naar Frankrijk bedroeg drie exemplaren.” Van die 869 ‘belgische’ exemplaren belandde er in ieder geval, in november 2011, uiteindelijk eentje bij mij. Hoe dat gebeurde, zou ik niet kunnen zeggen. Niet omdat ik dat niet wil, maar omdat ik het gewoon niet meer weet, zoals ik toen niet wist dat het boek illegaal in dit land verbleef. Ik heb het, zoals eerder aangehaald, toen ik het over primaire en secundaire literatuur had, nog niet gelezen, maar het begin ervan is alvast bijzonder: “La grenade qui alluma la Deuxième guerre mondiale roula sur le sol durant la dernière nuit d’août 1939. On eût pu la désamorcer avant cet instant fatal. On eût pu retenir le bras avant la terrible projection. On eût pu encore, à l’ultime seconde, détourner l’explosif vers des champs morts. Non. La guerre était revenu parce qu’elle devait revenir, parce que trop de gavials la désiraient, parce que les hommes sont fous, ont besoin de sang, ont besoin de haine, et trouvent dans les grandes tueries internationales ces exutoires fabuleux où les vertus s’exaltent, où les vices se repaissent, où la vie – Bien ou Mal – peut jaillir vers l’exceptionnel. Dès les premiers remous européens, je fus l’ennemi acharné de cette guerre.” Mijn excuses als dat Chinees voor u is, maar in dit geval: pour les Flamands, la même chose, want ik ben te lui om zelfs maar een poging te ondernemen om dat in even mooi Nederlands te vertalen. Los van het feit dat deze boekbespreking dan natuurlijk weeral een stuk langer wordt.

Voor de rest houd ik het dus maar bij een paar bijzonderheden. De manier waarop Govaerts de feiten rond Otto Skorzeny, de man die Benito Mussolini uit zijn gevangenis in het hotel Campo Imperatori in de Abruzzen bevrijdde, weergeeft, bijvoorbeeld: “volgens sommigen de ‘ontvoering’”, “hoewel hij daarbij alleen een ondergeschikte, misschien zelfs hinderlijke rol heeft gespeeld”, iets wat bij mijn weten niet klopt, in tegenstelling wellicht tot wat Govaerts een aantal bladzijden later weet te zeggen over het op 9 oktober 1969 plaatsvindende huwelijk tussen de jongste dochter van Degrelle, Marie-Christine, en José Ramón Hervella Novoa: daarbij aanwezig als huwelijksgetuige was Skorzeny, van wie ik begin 2022 overigens de autobiografie LEBE gefährlich besprak. Iets wat ik me zonder probleem herinnerde en me op volgende verwijzing naar voormalig Nederlands eerste minister en desondanks NAVO-baas geworden Mark Rutte brengt: “Martin-Arajo blijkt geen actieve herinnering aan zijn belofte te hebben en zijn archief is ook niet op orde.” Iets wat dan weer niet geldt voor Albert Mélot, “rechter bij de rechtbank van eerste aanleg in Namen”, “veteraan van het Belgische verzet en een reserveofficier, die nog geregeld deelneemt aan militaire oefeningen van de paracommando’s”. Die haalt het in zijn hoofd Degrelle te ontvoeren, meldt dat ook netjes aan de belgische ambassade in Madrid, en wordt daar dringend geadviseerd dat niet te doen (anderen zouden niet om advies vragen, maar desondanks niet slagen): “Mélot zal later nog veel journalisten gelukkig maken met het relaas van zijn ontvoeringsplannen, maar na zijn bezoek aan de ambassade bergt hij ze op.” Of Jaime, de jongere broer van Fabiola, in 1960 aan het publiek voorgesteld als de verloofde van de belze koning Boudewijn, veel journalisten gelukkig maakte, is me niet bekend, maar roddels bereikten af en toe wel de pers. Of tot die roddels ook deze behoord heeft, weet ik helaas al evenmin: “Jaime behoorde volgens Degrelle tot de vriendelijke soldaten die hem in het militair hospitaal van San Sebastián zonder veel ijver bewaakten.” Een verklaring voor het feit dat hij later nog vaker in diens gezelschap verkeerde: op de receptie na het huwelijk van zijn jongste dochter “daagt ook Jaime de Mora y Aragón op, broer van koningin Fabiola, derdeplansacteur en ster van het mondaine uitgaansleven in Marbella, waar hij net een dure nachtclub heeft geopend. Jaime lijkt revanche te willen nemen op zijn zuster, die er in 1960 voor heeft gezorgd dat hij niet naar Brussel mocht komen voor haar bruiloft.”

Over Tintin, mon copain, het boek dat er pas na zijn dood kwam, heb ik het verder niet – volgens Govaerts kan het onmogelijk “volledig van hem” zijn -, maar u vindt het onder andere hier gratis als pdf, net als het eerder genoemde La Cohue de 1940, trouwens, en La Campagne de Russie. Plus een hele hoop ander werk in allerhande talen over of door Degrelle. Wat maar mooi bewijst dat er dan wel monsters als Chat Control, Moneycontrol, enzovoort bestaan, maar dat het met censuur en het internet voorlopig nog niet zo goed wil lukken. Een boek is per slot van rekening geen hoop as die je de grens over wil brengen: “Brussel maakt zich”, na het overlijden van Degrelle, “zorgen over het stoffelijk overschot. Als dat naar België wordt gebracht, kan dat onrust veroorzaken. Het graf kan een bedevaartsoord worden, maar misschien brengt het ook wel antifascisten op gekke, rustverstorende ideeën. Dus wil Brussel om te beginnen precies weten wat er met het lichaam is gebeurd. Kanselier W. Mertens wordt uitgestuurd en hij meldt op 8 april dat het lichaam van Léon Degrelle gecremeerd is in opdracht van de begrafenisonderneming La Soledad in Málaga. ‘De as werd in ontvangst genomen door een schoonzoon. Alle verdere informatie werd uitdrukkelijk geweigerd.’” Wat uiteindelijk leidt tot het hilarische koninklijk besluit van Louis ‘Uw sociale zekerheid’ Tobback: “In overweging nemend dat de aanwezigheid op het Belgisch grondgebied van het stoffelijk overschot van Léon Degrelle ontegensprekelijk van aard is om verstoringen van de openbare orde uit te lokken… wordt het zonder meer verboden om die resten over de grens te brengen. Wie het toch doet kan bestraft worden met een gevangenisstraf van acht tot veertien dagen.”

Victi invictus victuri stond op het ‘doodsprentje’ van Léon Degrelle, “de verslagenen zullen zegevieren”. Of een deel van zijn assen alsnog, zoals de geruchten toch al lang gaan, uitgestrooid werden bij Le Tombeau du Géant in Bouillon, weet ik niet met zekerheid (hoewel een over het algemeen wat Franstalig radicaal-rechts aanging goed geïnformeerde voormalige collega van me dat zo’n vijfentwintig jaar geleden voor absoluut waar verkocht), maar de ‘verslagen’ Degrelle zegevierde met het gedoe dat rond zijn assen ontstond in ieder geval nog een laatste keer over het circus dat ‘belgië’ heet. Een circus waarin onder andere de clowns Willy Claes en zijn socialistische partijgenoot Frank Vandenbroucke, beiden niet vies van enig smeergeld, later nog optreden in een act gewijd aan het geld dat het naar eigen zeggen nog moest krijgen van Degrelle. Hun partijgenoot Erik Derycke – voor zover ik weet niét corrupt – kreeg van het ministerie van Financiën nog onder zijn voeten omdat hij niet genoeg moeite deed, maar de overnemers van de tent kapten er later uiteindelijk helemaal mee: “In de zomer van 1999 is er in België een nieuwe regering aangetreden: de paarse regering-Verhofstadt I, met de Franstalige liberalen Louis Michel en Didier Reynders op respectievelijk Buitenlandse zaken en Financiën. Het is Reynders die de zoektocht naar de erfenis van Léon Degrelle definitief heeft stilgelegd.” Misschien was hij ook toén al meer geïnteresseerd in het vullen van zijn eigen zakken, dan in het vullen van de staatskas? Geen idee, maar het opgeven van die onzin sierde hem meer dan de uitgebreide, als appendix toegevoegde, uithalen van de auteur naar de werken van Jonathan Littell en Bruno Cheyns, respectievelijk Het droge en het vochtige. Een korte verkenning op fascistisch grondgebied uit 2009 en Léon Degrelle. De Führer uit Bouillon, Bert Govaerts sieren. Die kleinzieligheid draagt niet bij aan de kwaliteit van De man die uit de lucht viel en had dus beter kunnen nagelaten worden. Manteau had die twee appendixen dan wel niet moeten wegcensureren, maar het opnemen ervan aan de auteur moeten afraden...

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !