vrijdag 25 september 2026

Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse – Emmanuel Waegemans (boekbespreking door Björn Roose)

Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse – Emmanuel Waegemans (boekbespreking door Björn Roose)
Zelf ben ik net iets te jong om ooit nog samizdat uit de Sovjet-Unie of het Oostblok in het algemeen gesmokkeld te hebben – ik was per slot van rekening nog geen achttien toen de Muur viel -, maar ik heb wel een collega gehad die een tiental jaar ouder was dan ik en ook het illegaal over de grens brengen van beschreven papier tot zijn, sowieso al niet geringe, verdiensten mocht rekenen. Dát samen met het feit dat ik een niet onaardige hoeveelheid van oorsprong Russischtalige literatuur in mijn boekenkasten heb staan (hoewel bij lange niet voldoende) mocht dan ook al reden genoeg heten om bij mijn recentste bezoek aan de openbare bibliotheek een boekje mee te nemen dat daar speciaal gepresenteerd stond (wellicht omdat het nieuw in de collectie was), Samizdat – Geschiedenis van de Russische ondergrondse, uitgegeven bij Manteau in 2024 (dus toch alweer twee jaar geleden). Maar dat de auteur ervan Emmanuel Waegemans heet, was een extra aanbeveling. Waegemans, geboren (en voor zover ik weet, getogen) in Hamme en dus zo goed als een gemeentegenoot van me (al is Moerzeke natuurlijk niét Hamme, dat weet iedereen), ken ik namelijk ook als auteur van De Russische Krim – Geschiedenis van een betwist schiereiland, dat ik in juni 2023 besprak, en als stichter-voorzitter van het Filip De Pillecyn Genootschap, dat van De Pillecyn in recente jaren onder andere Mensen achter de dijk en Aanvaard het leven heruitbracht, waarvoor Waegemans, zoals hij dat ook deed voor het eveneens bij Manteau verschenen boek De dwarsligger – Filip De Pillecyn in Pallieter – 1922-1928, telkens het Ten geleide mocht leveren, allemaal teksten waaruit ik hem leerde kennen als een vlotte schrijver.

Onnodig daar op terug te komen (door te klikken op de koppelingen vindt u de boekbesprekingen in een handomdraai), maar misschien willen mensen die nog meer dan ik ‘né de la dernière pluie’ zijn in de eerste plaats weten wat samizdat dan wel is. Waegemans legt dat uit in zijn Woord vooraf: “Onder Stalin (1924-1953) bestond geen intellectuele vrijheid in de Sovjet-Unie. Aan de leer van het marxisme-leninisme kon en mocht niet getwijfeld worden. Met de dood van de dictator trad een lichte dooi op, die de mensen de moed gaf om wat openlijker te spreken en te schrijven over wat hun in de duistere jaren van Stalins alleenheerschappij overkomen was. Maar die vrijzinnige gedachten waren nauwelijks haalbaar voor de pers. De schrijvers gingen ondergronds. Dit was de samizdat – het circuit van afgekeurde of niet aan de autoriteiten voorgelegde geschriften die onderhands circuleerden. Meestal in enkele kopieën, primitief en niet-professioneel. Maar de intellectuele honger na dertig jaar winterslaap was groot, de samizdat sloeg aan en was in enkele jaren tijd in de hele Sovjet-Unie verspreid. Met de jaren vonden de auteurs van de samizdat contact met buitenlandse correspondenten, die hun geschriften het land uit smokkelden en in het Westen lieten publiceren. Dit heet de tamizdat [overigens een woord waarover mijn spellingscontrole wél valt, in tegenstelling tot wat het geval is met ‘samizdat’, noot van mij]. Veel van wat in de samizdat en tamizdat circuleerde, bereikte de Sovjetburgers ook via de uitzendingen van westerse radiostations die in het Russisch uitzonden naar de Sovjet-Unie”.

Een meer dan interessant onderwerp, waarover – zo blijkt uit dit boekje – ook meer dan genoeg te schrijven valt, maar ergens moet Waegemans het toch niet voldoende gevonden hebben. Dit boekje, zo’n tweehonderdvijftig bladzijden dik en uit te lezen op een paar uur, schetst namelijk niet alleen “de geschiedenis van de samizdat en de daaruit voortvloeiende tamizdat”, maar ook “de voorgeschiedenis van de censuur in Rusland (waarom had Rusland een ondergrondse pers nodig)”, een voorgeschiedenis waarmee de auteur zo’n veertig bladzijden zoet is (en het moet me even van het hart dat de paginanummers in dit boek zo goed als onleesbaar zijn) en die de lezer uiteindelijk niet zoveel leert over de censuur onder de Sovjets behalve dat die ook al bestond onder de tsaren. Onder Peter I (de Grote dus), die niet echt om kon met lieden die zijn moderniseringsplannen niet zagen zitten en daarover een briefje open deden of minstens achterlieten (“ondergeschoven brieven”); onder Catherina II, die in beginsel zeer liberaal was (en in die hoedanigheid bijvoorbeeld het publiceren van de in Frankrijk verbonden Encyclopédie toeliet), maar daarvan moest terugkomen onder druk van de omstandigheden; onder haar zoon Paul I, die zowaar een “Decreet over de Censuur” uitvaardigde, overal censuurkantoren liet openen, alle privédrukkerijen liet sluiten, en voor elk boek of tijdschrift vereiste dat het voorafgaandelijk op zijn inhoud werd gecontroleerd door zijn ambtenarij; onder diens zoon Alexander I, die wou regeren zoals Catherina II, maar daar ook al snel weer van afzag; onder Nicolaas I, die de aard van de censuur enigszins veranderde, maar ze zeker niet afschafte, en onder andere “privécensor” speelde voor de werken van Poesjkin; onder Alexander II, wiens ambtenaren van de censuur een potje maakten, en die na zes mislukte pogingen het slachtoffer werd van een geslaagde terroristische aanslag, waarna zijn zoon Alexander III het zaakje overnam en weer wat serieuzer werk maakte van de censuur (al “werd de Russische vertaling van Das Kapital van Marx door de censor goedgekeurd, omdat hij vond dat er in Rusland heel weinig mensen waren die er iets van zouden begrijpen”); onder Nicolaas II, wiens censuur er bij momenten heftig in hakte, maar met “meer dan 3000 tijdschriften en kranten, waarvan er een duizendtal politiek geïnspireerd waren” aan het begin van de communistische revolutie nauwelijks meer kon doen dan dweilen met de kraan open; en dus ook onder de nieuwe tsaren, Lenin, Stalin, Chroesjtsjov en hun opvolgers tot aan Gorbatsjov toe. De intellectuelen hadden zich daaraan mogen verwachten, maar stonden er klaarblijkelijk toch nog van te kijken: “Toen op 25 oktober 1917 de bolsjevieken een staatsgreep pleegden, stond intellectueel Rusland perplex. Nu had de meerderheid van de schrijvers weliswaar uitgekeken naar verandering – zo goed als alle schrijvers hadden kritiek op de tsaar en verfoeiden zijn regime – maar bijna niemand vond dat de revolutie verder moest gaan dan het inluiden van een democratisch regime. De intelligentsia moest zich nu serieus vragen gaan stellen over de rol die ze gespeeld had in het intellectuele leven van het land en of de idealen, de mystieke dromen of profetieën die ze jaren hadden gekoesterd geen illusies waren. De filosoof Vasili Rozanov beschuldigde de Russische literatuur ervan ‘de hoofdschuldige van de revolutie’ te zijn en hij stelde, al direct na de omwenteling, dat er nu een ‘ijzeren gordijn’ voor de Russische geschiedenis was neergelaten. Het bewind der bolsjevieken bracht honger, kou, ontbering, gevangenis, terreur en chaos” én… alles behalve dankbaarheid aan de schrijvelaars die, minstens volgens sommigen, de bolsjevieken in het zadel hadden geholpen: “Direct na de machtsovername begonnen de bolsjevieken in Petrograd (de nieuwe naam voor Petersburg van 1914 tot 1924) een hetze tegen de kranten. Roodgardisten drongen drukkerijen binnen, vernietigden de al klaargemaakte oplagen, gooiden het drukmateriaal op straat en verbrandden kranten. Een paar dagen later werden op bevel van het Militair-Revolutionair Comité de redacties gesloten, en dat terwijl daar nog geen echte aanleiding toe bestond zoals iets later tijden de burgeroorlog (begin 1918)”. “Op het vijfde Al-Russisch Congres der Sovjets van 20 juli 1918 werd een einde gemaakt aan ‘de afhankelijkheid van de pers van het kapitaal’ – de arbeiders en boeren zouden nu alle persorganen in handen krijgen. Hierna werden de ‘bourgeois’ kranten in heel Rusland verboden. Met de tijd kwam de hele literatuur en pers onder de controle van de communistische partij, als redacteuren werden alleen partijfunctionarissen aangesteld”, iets wat Lenin ook al in 1905 had aangekondigd. De Nieuwe Economische Politiek (niet zomaar NEP genoemd) na het einde van de burgeroorlog bracht nog even verandering, in de zin dat ook weer privé-initiatief in de uitgeverswereld werd toegelaten (iets wat eindigde in 1928, samen met de NEP), maar “alles wat in de Sovjet-Unie gepubliceerd werd, moest [wel] aan de censor voorgelegd worden en het officiële (partij)imprimatur krijgen”. Wat vervolgens, onder Stalin, al bijna overbodig werd, want toen hield de mogelijkheid om te denken simpelweg op: “In 1949 schreef de stalinistische auteur Vasili Iljenkov daarover in Bolsjaja doroga (De hoofdweg): ‘Rusland is zijn weg gegaan – die van algemene eensgezindheid. De mensen hebben duizenden jaren geleden onder verdeeldheid. Maar wij Sovjetmensen zijn het voor het eerst eens geworden, wij spreken een taal die voor ieder van ons verstaanbaar is, we denken eender over de belangrijke dingen in het leven. En die eensgezindheid is onze kracht, dat is het wat ons overwicht bezorgt ten aanzien van andere mensen ter wereld die geïsoleerd zijn, verscheurd door verdeeldheid.’ De roman kreeg de Stalinprijs. Soortgelijke geluiden waren te horen in nazi-Duitsland: ‘De nationaalsocialistische revolutie is een revolutie van de geest! Ze is groots omdat ze het individuele denken, dat eeuwenlang heeft geregeerd, van zijn troon heeft gestoten en vervangen door het gemeenschapsdenken.’ Die ‘eensgezindheid’ werd in leven gehouden door een uitgebreid net van verklikkers (seksot, stoekatsj, donotsjik), die op elk bedrijf, in elke koolmijn, in elke school, in elke militaire, gemeentelijke, culturele of wetenschappelijke instelling, kortom overal, de overheid inlichtten over wat er onder het volk leefde. In elk bedrijf of elke instellingen bestonden communistische cellen, samengesteld uit partijleden die het reilen en zeilen van het bedrijf en van alle personeelsleden in de gaten hielden. Die cellen stonden onder leiding van het districtscomité, dat op zijn beurt onder toezicht stond van het regionaal comité, dat weer afhankelijk was van het Centraal Comité, dat in handen was van één man: Stalin. Zonder het zelf te weten, werden deze verklikkers op hun beurt in de gaten gehouden door andere verklikkers. In de media, die nu volledig in handen waren en onder controle stonden van de staat, was slechts het geluid te horen van de partij en de regering. Het land was volledig geïsoleerd van de buitenwereld. Het ‘ijzeren gordijn’ was geen metafoor meer, maar een realiteit.”

En dat was zeker niet anders bij de schrijvers dan bij de andere “Sovjetmensen”: “Op het Eerste Congres van de Bond van Sovjetschrijvers (17 augustus – 1 september 1934) werd het principe van het ‘socialistisch realisme’ vastgelegd én opgelegd. Het congres werd beheerst door politici en niet zozeer door schrijvers. De vier programmatische redevoeringen die er werden gehouden, waren van Andrej Zjdanov (partijsecretaris van Leningrad), Karl Radek (als vertegenwoordiger van de Komintern), de partijtheoreticus Nikolaj Boecharin en van Gorki [over wiens collaboratie met het regime ik het ook al had in mijn bespreking van Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, noot van mij]. Op dit congres werd massaal de eed van trouw aan de partij afgelegd. De auteurs die dat niet deden, waren op één hand te tellen: Boelgakov, Platonov, Mandelstam en Achmatova.” “Voortaan zouden schrijvers, journalisten, fotografen en kunstenaars naar de communistische bouwwerken en vijfjarenplannen reizen om er kennis te maken met de levensomstandigheden en idealen van de bouwers van de nieuwe wereld. Schrijvers waren nu niet meer gewoon schrijvers, maar ‘strijders aan het literaire front’ die ‘op wacht stonden’ en een ‘ideologische strijd’ uitvochten tegen de vijanden.” Een “ideologische strijd” waarvan ze zelf ook elk moment het slachtoffer konden worden, want “in de uiteindelijk aangenomen term ‘socialistisch realisme’ zat heel het nieuwe literatuurconcept vervat”, maar “de term was vaag, zodat hij op elk ogenblik door de leiders aangepast kon worden”. “Het hoeft geen betoog”, schrijft Waegemans even verderop, “dat al deze voorschriften leidden tot de verabsolutering van de inhoud boven de vorm, die sterk verwaarloosd werd, zodat in artistiek opzicht middelmatige of minderwaardige werken werden verheven tot meesterwerken van de Sovjet- en zelfs wereldliteratuur, omdat ze inhoudelijk voldeden aan de canon van de officiële doctrine inzake literatuur.” Wat al evenmin noodzakelijk voldoende was om in leven te blijven: “Ook het lidmaatschap van de communistische partij of openlijke geloofsbelijdenissen en hymnen aan Stalin waren geen garantie om gespaard te blijven. Zelfs de gerenommeerde apologeten van het stalinisme Michail Koltsov en Sergej Tretjakov kwamen om door de hand van degene die ze hadden bezongen.” Iets waar de eigenaar van die hand allicht ook nog enigszins trots op was: “In het licht van de leiderscultus werden Peter de Grote en Ivan de Verschrikkelijke populaire thema’s (Catherina de Grote was evenwel taboe). In de behandeling van Peter de Grote werd de aandacht gevestigd op drie aspecten: hij hervormde Rusland van bovenaf, voerde een harde politiek en schiep een grote militaire macht. In Ivan de Verschrikkelijke (16de eeuw) zag men Peters voorloper die Rusland uitbreidde en een groot patriot en wijs staatsman was. Dat hij ook een wrede tiran was, was van ondergeschikt belang. Aleksej Tolstoj [niet te verwarren met Lev, noot van mij] voldeed aan de nieuwe behoefte met de historische werken Peter de Eerste (1929-1945) en Ivan de Verschrikkelijke (1941-1943), een drama waarin hij de geschiedenis ernstig geweld aandeed. In De grote heerser (1944) laat Vladimir Solovjov tsaar Ivan zijn macht misbruiken tegen zijn eigen volk – uit vaderlandsliefde. Men begrijpe de zedenles van deze historische projectie: de persoonlijkheidscultus rond Stalin en de massale offers zijn historisch gerechtvaardigd.”

Enfin, we schuiven wat door: na Stalin komt De dooi, een periode – genoemd naar een boek van Ilja Ehrenburg, “een korte roman die alleen interessant of sensationeel is te noemen vanuit het standpunt van de Sovjetlezer anno 1954” - “die ongeveer tien jaar geduurd heeft – midden jaren 1950 tot midden jaren 1960”, al zijn er ook historici die ze laten duren van de dood van Stalin (5 maart 1953) tot de Praagse Lente (augustus 1968). Vooral in de beginjaren van die periode “vonden gebeurtenissen plaats in de Sovjet-Unie die erop wezen dat men op een of andere manier wilde afrekenen met de Stalinperiode”, maar Waegemans laat duidelijk en terecht doorschemeren dat die afrekening geen einde van de partijdictatuur als doel had. Chroeststsjov liet Lavrenti Beria, hoofd van de geheime dienst, executeren om “een van zijn potentiële concurrenten in de strijd om de macht na Stalins dood” uit de weg te hebben; de mogelijkheid om in de literatuur aanklachten te formuleren tegen het regime van Stalin hield geen mogelijkheid in aanklachten te formuleren tegen het zetelende regime (dat uiteráárd niks te maken had met dat van Stalin); de dooi werd “gekenmerkt door nu en dan terugkerende vorst”, iets waar onder andere de “verscherping van de controle in de Sovjet-Unie” naar aanleiding van “de opstand in Hongarije van oktober 1956” “en de affaire-Pasternak” getuige van mogen zijn. Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Aleksandr Solzjenitsyn, “een verhaal over een van de miljoenen slachtoffers van Stalins terreur”, dat in 1962 verscheen, mag dan wel “het enige boek dat in de Sovjet-Unie verschenen is zonder voorafgaandelijke censuur” zijn (wat tijdschriften betreft gold dat ook voor Sovjetish heymland, een jiddischtalig blad waarvan de redacteur zelf censor mocht spelen omdat het regime vond dat joodse censors onbetrouwbaar waren, het teveel tijd zou kosten om een Rus Jiddisch te leren, en vertaling alleen maar “gevaarlijke nuances” zou kunnen doen verloren gaan), maar het “kon slechts met het persoonlijke fiat van Chroesjtsjov verschijnen”, een fiat dat ook, pakweg, Stalin had kunnen geven voor een boek in zíjn tijd.

Maar toen lag dus “de affaire-Pasternak” al vijf jaar in het verleden en bij die affaire gekomen, ben je ook bij het kernonderwerp van dit boek, zijnde de circuits die de “Sovjetschrijvers” vanaf “de dooi” gingen gebruiken om boeken waarvan ze wisten of vreesden dat die niet (ongeschonden) voorbij de – helaas niet afgeschafte - censuur zouden komen toch bij het publiek te krijgen: “In 1957 gebeurde iets wat het culturele leven in de Sovjet-Unie op zijn grondvesten deed schudden: in het Westen [met name in Italië, noot van mij] verscheen een roman van een Sovjetschrijver die de autoriteiten niet hadden goedgekeurd. De naam van de auteur – Boris Pasternak – was goed bekend in de Sovjet-Unie, hoewel hij bijna twintig jaar lang geen gedichten had kunnen publiceren. Aan de in Italië gepubliceerde roman Dokter Zjivago schreef Pasternak tien jaar lang – van 1945 tot 1955. Hij beschouwde het boek als de afronding van zijn schrijverscarrière (‘mijn grootste en belangrijkste werk, het enige waarvoor ik me niet schaam en waarvoor ik zonder bezwaren verantwoording afleg’) en ‘mijn laatste woord aan de beschaafde wereld’”. Vervolgens, ongelooflijk maar waar, kwam “het Russische manuscript van de roman bij de CIA terecht. Die zagen er brood in om het boek te gebruiken in de al hevig woedende ideologische strijd tussen de Sovjet-Unie en het Westen. De politieke oorlog tegen het Kremlin kon nu uitgebreid worden met een machtig literair wapen – het eerste werk van de Sovjetliteratuur geschreven door een groot talent en met een duidelijke anticommunistische boodschap (vrijheid van het individu, het verwerpen van steriele grote dromen). Maar om de Sovjets niet het argument in de hand te spelen dat het boek gedrukt was in de Verenigde Staten, het bolwerk van het anticommunisme, werd een hele constructie op touw gezet, zodat het gedrukt werd in Europa, door een kleine uitgeverij. De keuze viel op uitgeverij en drukkerij Mouton & Co in Den Haag, die zich gespecialiseerd had in wetenschappelijke slavistische studies waaraan gerenommeerde slavisten meewerkten (Roman Jakobson, Cees van Schooneveld). De Russische editie, die in de Sovjet-Unie niet mocht verschijnen, was klaar tegen de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, waar de roman gratis uitgedeeld werd aan Sovjetburgers die toen in Brussel waren (de Belgische ambassade verstrekte 16.000 visa aan bezoekers uit de Sovjet-Unie). Later kwam er nog een dundruk op bijbelpapier uit in een handig zakformaat die toeristen en bezoekers nog gemakkelijker naar de Sovjet-Unie konden smokkelen. Ondertussen lobbyden fans bij de Zweedse Academie om Pasternak de Nobelprijs toe te kennen. Op 23 oktober 1958 kreeg Pasternak [die hem weigerde, wel moést weigeren eigenlijk, noot van mij] de prijs ‘vanwege zijn opmerkelijke prestaties in zowel de hedendaagse dichtkunst als op het gebied van de grote Russische verteltraditie’. De roman Dokter Zjivago werd niet vernoemd, maar zal zonder twijfel mee een rol hebben gespeeld in de (unanieme) toekenning.” Het Sovjet-regime kon daar niks meer aan veranderen, maar Pasternak werd in zijn thuisland, waar hij per slot van rekening nog woonde, “op alle mogelijke toonaarden [inclusief die van het antisemitisme, want hij was joods, noot van mij] door het slijk gehaald” en wist alleen door in 1960 aan longkanker te overlijden nog te verhinderen dat hij zijn staatsburgerschap ontnomen werd en naar het buitenland abgeschickt, het soort lot dat in vele variaties (veroordelingen wegens “klaploperij” na een Berufsverbot, binnenlandse verbanning, gekkenhuis,…) ook dat zou worden van andere schrijvers die het pad van de samizdat – niet door de autoriteiten goedgekeurde circulatie van hun werken in het binnenland – en/of de tamizdat – niet door de autoriteiten goedgekeurde circulatie van hun werken in het buitenland – na hem zouden kiezen, een drang die met de val van Chroesjtsjov (die uiteindelijk ook z’n eigen memoires naar buiten moest laten smokkelen) in 1964 en de ‘restalinisering’ onder Brezjnev alleen maar groter werd: “Kritiek op de Sovjetwerkelijkheid werd met het verdwijnen van de dooi onmogelijk in de officiële pers. Kritische geluiden konden vanaf nu alleen via niet-officiële kanalen naar buiten gebracht worden – met name via de samizdat”.

Waarbij u zich uiteraard afvraagt of ik die óók nog helemaal uit de doeken ga doen. Wat niet het geval is. Waegemans heeft dat zelf goed gedaan en het ligt niet in mijn bedoeling te blíjven citeren, zeker omdat ik dan aan het puzzelen moet gaan. Waar de auteur immers redelijk gestructureerd heeft gewerkt tot aan Het ontstaan van samizdat en tamizdat, gaat die structuur wat verloren in de daarna volgende hoofdstukken. Die lijken bij momenten eerder los van mekaar ontstaan te zijn dan logisch volgend op mekaar en de herhalingen en sprongen zijn dan ook legio vanaf pagina 107. Het ene moment worden zo’n beetje alle tijdschriften opgenoemd die tijdens “de dooi” ontstonden, in het volgende hoofdstuk krijgen we een heuse Kroniek van de dooi 1953-1968, dan wordt er weer een overzicht gegeven van Censuur in de Sovjet-Unie 1917-1990, inclusief de basis daarvan, dan volgt een hoofdstuk over De Beweging voor de Rechten van de Mens (geheel genegeerd door onder andere de Verenigde Naties), waarna Waegemans terugkeert naar De literatuur van de samizdat & tamizdat, met daarin bijvoorbeeld twee aparte stukjes gewijd aan Andrej Amalrik en, begrijpe wie kan, een apart hoofdstuk gewijd aan De literaire samizdat (Waegemans maakt kennelijk een onderscheid tussen niet alleen tekst en literatuur, wat ik kan begrijpen, maar ook tussen literatuur en literair, wat al wat moeilijker is), en helemaal op het einde gooit hij er dan ook nog een bladzijde of twee tegenaan over een onderwerp dat tot dat moment zo goed als onbesproken is gebleven, de lokale singer-songwriters en hun magnitizdat. Ik begrijp dat de auteur in de eerste plaats kenner van Russische literatuur en cultuur is, maar voor geschiedenisboeken, ook die over literatuur, verdient het toch aanbeveling niet te veel weg en weer te springen, de spaghetti niet te verwerken tot macaroni.

Maar goed, dat gezegd zijnde, het was wél een genoegen door Waegemans meegenomen te worden langs een hele hoop auteurs en titels die ik nog niet kende (of minstens niet in mijn bibliotheek heb staan) en een aantal auteurs en titels waarvan dat wél het geval is. In de Bibliografie is zelfs een koppeling opgenomen waarop de geïnteresseerde lezer een volledige bibliografie van vertaalde Russische literatuur van 1789 tot 2023 kan vinden (met een beetje moeite kan u die zelfs gratis downloaden), maar helaas géén overzicht van de door Waegemans genoemde in samizdat/tamizdat verschenen werken, wat toch wel jammer is, maar ik neem u dus op mijn beurt mee langs een aantal werken die hij vernoemt in de puzzelstukken waarover ik het hierboven had: Fabriek van nieuwe mensen (van Alja Rachmanova), Het ‘proletarische’ paradijs. Rusland, één concentratiekamp (van Boris Solonevitsj), Ik verkoos de vrijheid. Het persoonlijke en politieke leven van een Sovjet-functionaris (Viktor Kravtsjenko – in mijn boekenkasten, dus vroeg of laat krijgt u er een bespreking van te verwerken), Het onvoltooide lied (van Michael Naritza), Verhaal van de blauwe vlieg (van Valeri Tarsis), Bedenkingen over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid (van Andrej Sacharov, van wie ik wél Mijn leven staan heb), De technologie van de macht (van Abdurakhman Avtorkhanov), De doodgezwegen Marx (van Nikolaj Oeljanov), De meester en Margarita in ongecensureerde versie (van Michail Boelgakov, bespreking hier), Wat ik zeggen wou (van Anatoli Martsjenko), De Goelag Archipel (van Aleksandr Solzjenitsyn, uiteraard in drie delen in mijn boekenkasten, net zoals Augustus Veertien, het al eerder genoemde Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj, Kankerpaviljoen, Het kalf stoot de eik, enzovoort), De raderen van de willekeur (van Jevgenia Ginzboerg), Kolyma – Verhalen uit de Goelag Archipel (van Varlam Sjalamov, bespreking hier), Voor eeuwig bewaren (van Lev Kopelev, bespreking hier), Dagboek van een provocateur (van Andrej Amalrik, bespreking hier), In quarantaine (van Vladimir Maksimov, bespreking hier), Drie minuten zwijgen (van Georgi Vladimov), De merkwaardige lotgevallen van soldaat Ivan Tsjonkin (van Vladimir Vojnovitsj – in mijn boekenkasten, samen met Moskou 2042, Monumentale propaganda, en De anti-sovjet Sovjetunie), enzovoort, enzoverder. Enfin, keuze genoeg. Maar hoe nuttig is dat “ondergrondse verzet” geweest of “de pogingen om met de autoriteiten tot een compromis te komen”?, vraagt Waegemans zich af in zijn Balans: “De hele periode na de dood van Stalin (1953) tot de perestrojka (1986) waren de Sovjets niet bereid toegevingen te doen, werden criticasters opgesloten of het land uitgezet. De Sovjetpers bleef tot in de jaren tachtig de USSR voorstellen als de beste der werelden. Die wereld vertoonde weliswaar tekorten en gebreken, maar die zouden met de tijd, dankzij de richtlijnen van de partij gebaseerd op de wijsheid van het marxisme-leninisme, uit de weg geruimd worden. Het communisme, de ideale maatschappij, was een kwestie van tijd.” Waegemans houdt het er op dat dankzij de inspanningen van de “zogenaamde dissidenten” “de schok in 1986, toen Gorbatsjov zijn politiek van perestrojka en glasnost (=vrijheid van pers) lanceerde” niet zo groot was, en dat de “civil society in Rusland (…) door hun activiteiten voorbereid [was] op de hervormingen die het land in sneltempo zouden veranderen”. En misschien is dat wel zo, al denk ik dat die “civil society” ook wel ogen in zijn kop had en de werkelijkheid niet enkel via de samizdat/tamizdat kon vernemen. Maar misschien is dat ook niet zo belangrijk. Misschien willen schrijvers hun werken simpelweg niet “voor de lade” schrijven. Misschien was ‘simpelweg’ gelezen worden wel dé drijfveer voor de “dissidenten”. Misschien zelfs post mortem. Laat dat een aanbeveling zijn om ná lezing van dit werk van Emmanuel Waegemans ook de werken te gaan lezen waar hij zijn werk aan besteed heeft.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !