Wie mijn boekbesprekingen wel vaker leest, is er van op de hoogte dat
ik nogal wat boekjes van De Clauwaert (vzw) in mijn
bibliotheek zitten heb. Of beter: had, want de meeste van die
dingetjes doe ik weg na lezing. Niet eens omdat ze afschuwelijk
slecht zijn, dat niet, maar omdat ze niet de moeite van het houden
waard zijn en zelfs al zijn ze maar een halve centimeter dik, elke
halve centimeter plaatswinst in mijn boekenkasten nuttig kan gebruikt
worden voor nieuw aangekochte boeken of voor boeken die ik wél wil
behouden na lezing. De weg naar de zolder – waar ik de boeken
bewaar die ik ooit eens denk te verkopen of te wisselen voor andere -
werd in 2023 ook afgelegd door Capitán Maria van Herman Vos.
Of die weg ook zal afgelegd worden door de door dezelfde auteur
geschreven Senso Unico, Petar en Het Zonnerad,
dat eerste uitgegeven door De Roerdomp, die laatste twee door
De Clauwaert, weet ik nog niet: ze zijn allemaal (iets) dikker
dan wat ik doorgaans van De Clauwaert in mijn kasten had staan
en ik kan ze niet beoordelen zonder dat ik ze gelezen heb. Maar wat
voorliggend De koning van Tahoua betreft: ja, dat gaat ook
richting zolder.
En wel om dezelfde redenen waarom zovele andere verhalen uitgegeven
in de Novellenbibliotheek van De Clauwaert die weg zijn
gegaan: het is lief, het is ‘schoon’, het is zelfs zeer Vlaams
van karakter (al gaat het dan over Afrika), maar het handelt niet
over iets uitzonderlijks, het is niet bijzonder mooi geschreven, het
is gewoon een zoveelste tranche de vie. En Herman Vos brengt
het dan wel met een zekere afstandelijkheid, het blijft toch een
verhaal dat je in een paar zinnen kan samenvatten: belgische troepen
‘helpen’ een streek in de Sahel waar semi-permanent honger
heerst. Ze hebben daarbij als uitvalsbasis een stadje uitgekozen,
Tahoua (in Niger), waar ze ook een jaar eerder al geweest zijn, en
waar “het jongetje Ibrahim” achter hen aan beginnen lopen is en
zo een ‘job’ in de keuken en de vriendschap van de Vlaamse “chef”
heeft veroverd. Bij hun terugkomst krijgt “het jongetje Ibrahim”
die job opnieuw en ook de Vlaamse “chef” Tack sluit hem terug in
z’n armen, maar de familie van “het jongetje Ibrahim” en de
stad zijn er intussen niet dommer op geworden en “het jongetje
Ibrahim” leert samen met de militairen daardoor ook wat bij. Eind
slecht, al slecht. De “Koning van Tahoua” is terug koning af; de
leeslessen kunnen weer ophouden; of de belgen nog ooit terugkomen, is
onzeker; al hun werk blijft het effect hebben van een druppel op een
gloeiende plaat.
Dat van dat “jongetje Ibrahim”, ook “51” genoemd (vanwege een
voetbalhemdje met dat cijfer op dat hij gekregen heeft van “de
chef”), gaat overigens door van begin tot einde. “Het jongetje
Ibrahim, het zoontje van Salidou en Falamatou, werd door Allahs
bliksem getroffen. Dat gebeurde vlak vóór de nieuwe moskee van
Tahoua. Daar stond Ibrahim vele sekonden lang als versteend. Twee
blauwwitte Touaregs keken toe en lachten met hun ogen. Ze zagen het
kereltje luisteren als een gazelle die onraad ruikt, en dan
wegschieten alsof het werkelijk door een leeuw werd opgejaagd. Het
jongetje rende en rende. Eerst naar huis, en de mensen hoorden mama
Falamatou die hem met schrille stem wat nariep. Dan ging het dwars
door het stadje, en dat is voor een klein jongetje toch een hele
afstand”, heet het aan het begin. “Hij zag het jongetje boven op
de Landrover en mama Falamatou die wuifde. Toen sloot zich de deur
achter hem en hij hoorde dat de motoren werden gestart. Hij gespte
zich in en sloot de ogen. In de lege vliegtuigromp was hij alleen met
de korporaal.”, luidt het helemaal aan het einde. Dat “alleen”
slaat dan natuurlijk op het feit dat “het jongetje Ibrahim” niet
mee kan naar belgenland – toen dit boekje in 1976 uitgegeven werd,
waren de volksverhuizingen richting Europa nog niet op gang gekomen;
als dat wél zo geweest was, had dat einde op niks geslagen -, maar
het als met een camera registreren van de ‘feiten’ is dus de
manier waarop Vos de eerder genoemde afstand bewaart of toch minstens
doet alsof hij afstand bewaart. Iets wat hij gezien de opdracht in
het begin van dit boekje sowieso niet hoefde te proberen: “51
bestaat. En de mensen die hem een betere kans wilden geven. Aan hen,
en aan allen die zich hebben ingezet voor de Operatie Sahel is dit
boek opgedragen”.
Sympathiek van Herman Vos ongetwijfeld, misschien heeft een van de
bij die operatie betrokken militairen dit boekje zelfs wel gelezen,
maar dat maakt van dit vijftig jaar geleden uitgegeven verhaaltje nog
geen literatuur.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !