dinsdag 21 juli 2026

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb niet zoveel boeken van Simon Carmiggelt besproken als ik er gelezen heb (omdat ik nu eenmaal al lang aan het lezen was vooraleer ik aan het bespreken begon), maar ben met mijn bespreking van voorliggend Tussen twee stoelen toch al aan mijn vijfde toe. En ik dacht na al dat lezen Carmiggelt toch wel een beetje te kennen: altijd wel goed voor een glimlach, heel soms voor een schaterlach, nog zeldener voor een lachbui, een opa, een sul van een vent, een man die in cafés de mensen zit te bekijken (en beschrijven), een bezoeker van Artis (ook in dít boek, trouwens – “Goed, goed – ga naar Artis. Als de zon schijnt, treft ge er uw soortgenoten bij duizenden aan. De directeur vindt dat prettig, maar ik ben er niet zeker van, dat de ijsbeer hem bijvalt.”), een aan-elkaar-plakker van willekeurige stukjes conversatie, een gezapige toerist, een gebruiker van het openbaar vervoer, van bankjes in parken, van al wat dagdagelijks is, maar dat alles vooral in een weinig opvallende stijl. Cursiefjes hoéven ook niet per se in een opvallende stijl geschreven te zijn, ze zijn een stijl van zichzelf, maar hoe dan ook zou ik u, desgevraagd, voor de stijl sowieso naar – wie anders? – Godfried Bomans hebben doorverwezen, niet naar Carmiggelt. En dat zou ik wellicht nóg doen, maar dan wel uitzondering makend voor Tussen twee stoelen. Of naar de aan deze bundel ten grondslag liggende twee bundels, Louter leugens (daterend uit 1951) en Tussen mal en dwaas (gepubliceerd in 1949). Aan die twee zijn de teksten in Tussen twee stoelen “ontleend” en ik ga er van uit – ik heb ze, wegens niet in bezit, nog niet gelezen – dat er daarin ook nog teksten staan van het niveau van taalkundige verfijning dat tekenend is voor de teksten die er uit gehaald werden. Of van de meeste toch, want hier en daar, voornamelijk in het mini-verzamelingetje Kroegen (uiteraard!), is Carmiggelt toch ‘gewoon’ de Carmiggelt die ik van vele andere bundels kende.

Iets wat dus niet geldt voor het overgrote deel van de ‘stukjes’ in Tussen twee stoelen, wat al meteen – en op dat moment nog tot mijn verrassing – bleek uit het eerste ervan, Een lachsucces, dat aldus begint: “Toen ik een jongmens van zeventien jaar was, placht ik vrijwel dagelijks in sonnetvorm uiting te geven aan mijn verlangen naar vaste verkering. Het was een vertrouwd werkje, dat meestal kort voor het inslapen zijn beslag kreeg, maar op den duur vond ik er toch geen bevrediging in. Ik begeerde niet alleen in poeticis, doch ook metterdaad meisjes te ontmoeten en nam, na lang aarzelen, de zaak op met een oudere vriend, die reeds verscheidene verlovingen had verbroken en een motorfiets bezat, zodat hij als een kenner te boek stond.” Wie de werken van Carmiggelt enigszins kent, zal het met me eens zijn dat dát niet echt klinkt als de ‘standaard’ Carmiggelt én ook inhoudelijk van die ‘standaard’ afwijkt.

Wat overigens nog niet wil zeggen dat die ‘standaard’ er een is die anders in iedere bundel van Carmiggelt aangehouden werd. Al is het maar omdat de stukjes van Carmiggelt in zovele bundels van wisselende samenstelling zijn opgenomen. Het eerste deel van de mini-verzameling In het publiek, bijvoorbeeld, ben ik honderd procent zeker in een ander boek van hem tegengekomen, al zou het mij té veel tijd kosten om nu even uit te zoeken in wélk. Meer tijd nog dan het zou kosten om Zéér sterk, dat als volgt eindigt, niét als een absurd stuk te beschouwen: “Ik liep de kamer uit. Toen ik de buitendeur opende, riep Willebrand mij op onzekere toon na: ‘En nog wel bedankt, hoor’. Bij mijn thuiskomst wachtte mij nòg een verrassing. De slaapkamer binnentredend, zag ik mezelf namelijk naast mijn vrouw in bed liggen. De lezer begrijpt, hoe ik opkeek toen ik mij had wakker gemaakt. Alleen mijn vrouw vond het, geloof ik, niet zo erg. ‘Als jullie maar niet een van beiden de hele dag thuis gaat zitten,’ riep ze, ‘want niets is erger dan een man over de vloer, die geen werk om handen heeft.’ Enfin – we hebben het nu voorlopig zó geregeld, dat we om de beurt een dagje werken. De ene dag schrijf ik het stukje en de andere dag ik. Dit is van mij. Kunt u het merken?”

Al had het natuurlijk ook nog van een ander kunnen zijn, zo blijkt uit het tweede deeltje van de mini-verzameling Een werkdag (in mini-verzamelingen zijn de meeste van de cursiefjes in dit in 1963 bij De Bezige Bij uitgegeven, honderdvijfenzestig bladzijden dikke boekje overigens ingedeeld): “Met dat al blijkt buiten, dat de dag geurt als een meisje van vijftien jaar. Bepaald veerkrachtig spring ik bij het Centraal Station uit de tram en snuif behaaglijk. Schuimende morgen! ‘Neen dief, dat is van Marsman,’ denk ik. Mijn beste beelden blijken, bij nader inzien, altijd van een ander.” Een lichte overdrijving ongetwijfeld, zoals die waarmee het eerste deeltje van de (weerom) mini-verzameling Geringe misslagen begint alvorens dat helemaal uit de hand loopt: “Nou, daar op het Damrak waren we die oude lijn zestien weer spitsuurlijk aan het volstouwen. Door op de rug van een oud moedertje te klimmen, kwam ik nog net mee, als kurk op de fles. Ik duwde krachtig, doch beschaafd en draaide mij moeizaam om, ten einde oog in oog te komen met de voorbijsnellende, frisse lucht, waaraan een mens tijdens zo’n ritje altijd sterke behoefte heeft.”

Wat toch weer eens wat anders is dan het bijna literaire begin van het eerste stukje uit (sorry!) mini-verzameling Een toontje lager: “Ruiende herfstbomen doen mij vaak denken aan Shakespeareaanse wouden, vol wrange narren en ranke minnaars en met een wijze Oberon vooral, die zijn vrouw doet ontwaken uit haar bespottelijke bevlieging voor een ezelskop, met milde hand ener indanthrene echtgenotelijke liefde. Want de herfst, vrienden, is een zéér geserreerd seizoen. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr’ en wie het wèl heeft staat aan het venster en ziet glazig toe, hoe het kokette zomergroen, dat al een tikje fané begon te worden, thans definitief verinnigt tot het goudbruin van een dame, die nog bèst mooie, rustige jaren met Piet tegemoet gaat.” Niet echt raar dat dat stukje bij Willem Kloos eindigt, wat misschien niet kan gezegd worden van hoe het derde stukje in (toch, toch) mini-verzameling Facetten van het huwelijksleven begint: “Aanvankelijk zaten we als een kneuterig echtpaar bij de leeslamp – zij met De Pest van Camus [zie mijn bespreking hier, noot van mij] en ik met De Walging van Sartre, maar tòch de thee gezellig op het lichtje, of we Willy Corsari op de knie hadden. Toen brak opeens alles stuk, doordat mijn vrouw uit haar stervende ratten opkeek om polemisch te zeggen: ‘Morgen heb ik tachtig gulden nodig’.”

Maar goed, ik kan blíjven citeren, en dat wil ik u nu ook weer niet aan doen. Alleen nog een paar korte dingetjes. Uit Opera: “De zaal verhief zich, applaudisserend en ook ‘t echtpaar enigszins bekruimeld”. Uit Een sprookje: “‘Ach vogeltje, laat ik jou eens even helpen!’ zei de conducteur, die een goed hart had en hij boog zich voorover en spalkte het pootje met zijn sigarettenpijpje. Toen hij klaar was, veranderde het vogeltje eensklaps in een fee en de fee sprak, met een fijn stemmetje: ‘Omdat je zo lief voor me bent geweest, mag je een wens doen’”. Wat het begin is van een verhaal dat me terug deed denken aan Idioten. 5 Sprookjes van Jakob Arjouni. Uit het derde deel van de mini-verzameling Herfstachtig: “De mistige middag maakte de gracht helemaal onduidelijk. Ik liep er vaagjes, want ik wilde mij iets herinneren en faalde telkens als ik het bijna had. Opeens zei iemand iets tegen mij, maar ik verstond het niet, door mijn schemerigheid”. En, ten slotte, uit het tweede deel van – laatste keer dat ik de term gebruik, beloofd – de mini-verzameling Mensen: “Ze wonen maar één straat ver en het zijn rustige mensen. Hij schreef opmerkelijke verzen en werkt dus op een reclamebureau, zij studeerde chemie en kookt daardoor slechter dan iemand, die geen chemie studeerde. Veel boeken, geen kinderen, tòch geen hond, maar een abonnement op ‘The New Yorker’ en ook verder ‘t complete ziektebeeld van intellectuelen, die het niet helpen kunnen en in twee kamers, fijntjes monkelend zitten te wachten tot hun leven om is. Want als u denkt, dat de happy few zich happy voelt, hebt u ze nooit aangekeken.”

Degene die de achterflap van deze uitgave vol pende, noemt Tussen twee stoelen – “een titel die de auteur illustratief acht voor de humor als levenshouding” – een samenvoeging en herziening van “twee van zijn talrijke microverhalen”, wat me onzin lijkt, cursiefjes zijn simpelweg cursiefjes, maar ook als Carmiggelt “er hier en daar, naar eigen smaak, in schrapte en enige later geschreven schetsen aan het boek toevoegde”, is het geheel in ieder geval zeer geslaagd. Ondanks de vermelding overigens dat de inhoud van dit boek er “mede oorzaak [van was] dat Carmiggelt, in 1961 de Constantijn Huygensprijs ontving voor zijn hele oeuvre”. Zo’n prijs uitdelen komt immers, mijns inziens, op zoveel neer als zeggen dat de auteur van dat “hele oeuvre” er zo zoetjes aan wel mee mag stoppen, terwijl het maar goed is dat hij er nadien nog zesentwintig jaar mee is doorgegaan (en daar ook nog wel een paar prijzen voor kreeg).

Björn Roose

P.S.: dat ik consequent ben in wat ik schrijf, blijkt overigens uit het feit dat ik het bij mijn bespreking van Lachen kost niks van Carmiggelt óók al had over het feit dat Een sprookje – blijkbaar eveneens in dié bundel opgenomen - me deed denken aan Idioten. 5 sprookjes van Arjouni.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !