Ik heb niet zoveel boeken van Simon Carmiggelt besproken als ik er
gelezen heb (omdat ik nu eenmaal al lang aan het lezen was vooraleer
ik aan het bespreken begon), maar ben met mijn bespreking van
voorliggend Tussen twee stoelen toch al aan mijn vijfde toe.
En ik dacht na al dat lezen Carmiggelt toch wel een beetje te kennen:
altijd wel goed voor een glimlach, heel soms voor een schaterlach,
nog zeldener voor een lachbui, een opa, een sul van een vent, een man
die in cafés de mensen zit te bekijken (en beschrijven), een
bezoeker van Artis (ook in dít boek, trouwens – “Goed, goed –
ga naar Artis. Als de zon schijnt, treft ge er uw soortgenoten bij
duizenden aan. De directeur vindt dat prettig, maar ik ben er niet
zeker van, dat de ijsbeer hem bijvalt.”), een aan-elkaar-plakker
van willekeurige stukjes conversatie, een gezapige toerist, een
gebruiker van het openbaar vervoer, van bankjes in parken, van al wat
dagdagelijks is, maar dat alles vooral in een weinig opvallende
stijl. Cursiefjes hoéven ook niet per se in een opvallende stijl
geschreven te zijn, ze zijn een stijl van zichzelf, maar hoe dan ook
zou ik u, desgevraagd, voor de stijl sowieso naar – wie anders? –
Godfried Bomans hebben doorverwezen, niet naar Carmiggelt. En dat zou ik wellicht nóg
doen, maar dan wel uitzondering makend voor Tussen twee stoelen.
Of naar de aan deze bundel ten grondslag liggende twee bundels,
Louter leugens (daterend uit 1951) en Tussen mal en dwaas
(gepubliceerd in 1949).
Aan die twee zijn de teksten in Tussen twee stoelen “ontleend”
en ik ga er van uit – ik heb ze, wegens niet in bezit, nog niet
gelezen – dat er daarin ook nog teksten staan van het niveau van
taalkundige verfijning dat tekenend is voor de teksten die er uit
gehaald werden. Of van de meeste toch, want hier en daar,
voornamelijk in het mini-verzamelingetje Kroegen (uiteraard!),
is Carmiggelt toch ‘gewoon’ de Carmiggelt die ik van vele andere
bundels kende.
Iets wat dus niet geldt voor het overgrote deel van de ‘stukjes’
in Tussen twee stoelen, wat al meteen – en op dat moment nog
tot mijn verrassing – bleek uit het eerste ervan, Een
lachsucces, dat aldus begint:
“Toen ik een jongmens van zeventien jaar was, placht ik vrijwel
dagelijks in sonnetvorm uiting te geven aan mijn verlangen naar vaste
verkering. Het was een vertrouwd werkje, dat meestal kort voor het
inslapen zijn beslag kreeg, maar op den duur vond ik er toch geen
bevrediging in. Ik begeerde niet alleen in poeticis, doch ook
metterdaad meisjes te ontmoeten en nam, na lang aarzelen, de zaak op
met een oudere vriend, die reeds verscheidene verlovingen had
verbroken en een motorfiets bezat, zodat hij als een kenner te boek
stond.” Wie de werken van Carmiggelt enigszins kent, zal het met me
eens zijn dat dát niet echt klinkt als de ‘standaard’ Carmiggelt
én ook inhoudelijk van die ‘standaard’ afwijkt.
Wat overigens nog niet wil zeggen
dat die ‘standaard’ er een is die anders in iedere bundel van
Carmiggelt aangehouden werd. Al
is het maar omdat de stukjes van Carmiggelt in zovele bundels van
wisselende samenstelling zijn opgenomen. Het eerste deel van de
mini-verzameling In het publiek,
bijvoorbeeld, ben ik honderd procent zeker in een ander boek van hem
tegengekomen, al zou het mij té veel tijd kosten om nu even uit te
zoeken in wélk. Meer tijd
nog dan het zou kosten om Zéér sterk,
dat als volgt eindigt, niét als een absurd stuk te beschouwen: “Ik
liep de kamer uit. Toen ik de buitendeur opende, riep Willebrand mij
op onzekere toon na: ‘En nog wel bedankt, hoor’. Bij mijn
thuiskomst wachtte mij nòg een verrassing. De slaapkamer
binnentredend, zag ik mezelf namelijk naast mijn vrouw in bed liggen.
De lezer begrijpt, hoe ik opkeek toen ik mij had wakker gemaakt.
Alleen mijn vrouw vond het, geloof ik, niet zo erg. ‘Als jullie
maar niet een van beiden de hele dag thuis gaat zitten,’ riep ze,
‘want niets is erger dan een man over de vloer, die geen werk om
handen heeft.’ Enfin – we hebben het nu voorlopig zó geregeld,
dat we om de beurt een dagje werken. De ene dag schrijf ik
het stukje en de andere dag ik. Dit is van mij. Kunt u het merken?”
Al had het natuurlijk ook nog van
een ander kunnen zijn, zo blijkt uit het tweede deeltje van de
mini-verzameling Een werkdag
(in mini-verzamelingen zijn de meeste van de cursiefjes in dit in
1963 bij De Bezige Bij
uitgegeven, honderdvijfenzestig bladzijden dikke boekje overigens
ingedeeld): “Met dat al blijkt buiten, dat de dag geurt als een
meisje van vijftien jaar. Bepaald veerkrachtig spring ik bij het
Centraal Station uit de tram en snuif behaaglijk. Schuimende morgen!
‘Neen dief, dat is van Marsman,’ denk ik. Mijn beste beelden
blijken, bij nader inzien, altijd van een ander.” Een lichte
overdrijving ongetwijfeld, zoals die waarmee het eerste deeltje van
de (weerom) mini-verzameling Geringe misslagen
begint alvorens dat helemaal uit de hand loopt: “Nou, daar op het
Damrak waren we die oude lijn zestien weer spitsuurlijk aan het
volstouwen. Door op de rug van een oud moedertje te klimmen, kwam ik
nog net mee, als kurk op de fles. Ik duwde krachtig, doch beschaafd
en draaide mij moeizaam om, ten einde oog in oog te komen met de
voorbijsnellende, frisse lucht, waaraan een mens tijdens zo’n ritje
altijd sterke behoefte heeft.”
Wat toch weer eens wat anders is dan
het bijna literaire begin van het eerste stukje uit (sorry!)
mini-verzameling Een toontje lager:
“Ruiende herfstbomen doen mij vaak denken aan Shakespeareaanse
wouden, vol wrange narren en ranke minnaars en met een wijze Oberon
vooral, die zijn vrouw doet ontwaken uit haar bespottelijke
bevlieging voor een ezelskop, met milde hand ener indanthrene
echtgenotelijke liefde. Want de herfst, vrienden, is een zéér
geserreerd seizoen. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr’
en wie het wèl heeft staat aan het venster en ziet glazig toe, hoe
het kokette zomergroen, dat al een tikje fané begon te worden, thans
definitief verinnigt tot het goudbruin van een dame, die nog bèst
mooie, rustige jaren met Piet tegemoet gaat.” Niet
echt raar dat dat stukje bij Willem Kloos eindigt, wat misschien niet
kan gezegd worden van hoe het derde stukje in (toch, toch)
mini-verzameling Facetten van het huwelijksleven
begint: “Aanvankelijk zaten we als een
kneuterig echtpaar bij de leeslamp – zij met De Pest van Camus [zie
mijn bespreking hier,
noot van mij] en ik met De
Walging van Sartre, maar tòch de thee gezellig op het lichtje, of we
Willy Corsari op de knie hadden. Toen brak opeens alles stuk, doordat
mijn vrouw uit haar stervende ratten opkeek om polemisch te zeggen:
‘Morgen heb ik tachtig gulden nodig’.”
Maar goed, ik kan blíjven citeren,
en dat wil ik u nu ook weer niet aan doen. Alleen nog een paar korte
dingetjes. Uit Opera:
“De zaal verhief zich, applaudisserend en ook ‘t echtpaar
enigszins bekruimeld”. Uit Een sprookje:
“‘Ach vogeltje, laat ik jou eens even helpen!’ zei de
conducteur, die een goed hart had en hij boog zich voorover en
spalkte het pootje met zijn sigarettenpijpje. Toen hij klaar was,
veranderde het vogeltje eensklaps in een fee en de fee sprak, met een
fijn stemmetje: ‘Omdat je zo lief voor me bent geweest, mag je een
wens doen’”. Wat het begin is van een verhaal dat me terug deed
denken aan
Idioten. 5 Sprookjes van Jakob Arjouni. Uit het
derde deel van de mini-verzameling Herfstachtig:
“De mistige middag maakte de gracht helemaal onduidelijk. Ik liep
er vaagjes, want ik wilde mij iets herinneren en faalde telkens als
ik het bijna had. Opeens zei iemand iets tegen mij, maar ik verstond
het niet, door mijn schemerigheid”. En, ten slotte, uit het tweede
deel van – laatste keer dat
ik de term gebruik, beloofd –
de mini-verzameling Mensen:
“Ze wonen maar één straat ver en het zijn rustige mensen. Hij
schreef opmerkelijke verzen en werkt dus op een reclamebureau, zij
studeerde chemie en kookt daardoor slechter dan iemand, die geen
chemie studeerde. Veel boeken, geen kinderen, tòch geen hond, maar
een abonnement op ‘The New Yorker’ en ook verder ‘t complete
ziektebeeld van intellectuelen, die het niet helpen kunnen en in twee
kamers, fijntjes monkelend zitten te wachten tot hun leven om is.
Want als u denkt, dat de happy few zich happy voelt, hebt u ze nooit aangekeken.”
Degene die de achterflap van deze
uitgave vol pende, noemt Tussen twee stoelen
– “een titel die de auteur illustratief acht voor de humor als
levenshouding” – een samenvoeging en herziening van “twee van
zijn talrijke microverhalen”, wat
me onzin lijkt, cursiefjes zijn simpelweg cursiefjes, maar ook als
Carmiggelt “er hier en daar, naar eigen smaak, in schrapte en enige
later geschreven schetsen aan het boek toevoegde”, is het geheel in
ieder geval zeer geslaagd. Ondanks de vermelding overigens dat de
inhoud van dit boek er “mede oorzaak [van was] dat Carmiggelt, in
1961 de Constantijn Huygensprijs ontving voor zijn hele oeuvre”.
Zo’n prijs uitdelen komt immers, mijns inziens, op zoveel neer als
zeggen dat de auteur van dat “hele oeuvre” er zo zoetjes aan wel
mee mag stoppen, terwijl het maar goed is dat hij er nadien nog
zesentwintig jaar mee is doorgegaan (en daar ook nog wel een paar
prijzen voor kreeg).
Björn Roose
P.S.: dat ik consequent ben in wat
ik schrijf, blijkt overigens uit het feit dat ik het bij mijn
bespreking van Lachen kost niks van Carmiggelt óók al had over het feit dat Een sprookje
– blijkbaar eveneens in dié bundel opgenomen - me deed denken aan
Idioten. 5 sprookjes
van Arjouni.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !