Ik neem aan dat je al héél weinig uit de geschiedenislessen moet
onthouden hebben om bij het lezen van een titel als Waterloo,
Einde van een droom niet meteen door te hebben dat de droom
in kwestie er eentje van Napoleon en zijn aanhangers moet geweest
zijn. Als je dan ook nog de fries met kanonnen op de omslag van dit
in een niet vermeld jaar (dat na enig onderzoek 1970 blijkt te moeten
zijn) bij Ad. M. C. Stok Zuid-Hollandsche Uitgevers Maatschappij
uitgegeven boek ziet staan, dan ben je daar wel definitief van overtuigd.
Waarmee je echter nog niet zeker weet wat voor vlees je in de kuip
hebt. Iets wat verandert vanaf de titelpagina. Daarop staat namelijk
te lezen: “Met talrijke foto’s, ontleend aan de gelijknamige
film”. Een “gelijknamige film” die, zoals dit boek in zijn
oorspronkelijke Engelstalige versie, in zijn titel geen vermelding
maakt van dat Einde van een droom, maar slechts Waterloo
heet, een “filmproduktie” (ook uit 1970) van ene Dino de
Laurentiis. Eigenaardig, denk je dan, maar goed, foto’s zijn
wellicht leuker dan schilderijen en andere voorstellingen van het slagveld.
Een paar bladzijden verder krijg je dan te lezen dat “de schrijver
(…) gaarne zijn dank [betuigt] voor de waardevolle gegevens die hij
aan de volgende biografieën en standaardwerken mocht ontlenen”,
waarop die “biografieën en standaardwerken” volgen, maar dan
komt de toch nog enigszins verrassende melding “WATERLOO, Een roman
gebaseerd op de film van Dino De Laurentiis”. Met daaronder:
“Frederick E. Smith, de schrijver van ‘633 squadron’ en ‘A
Killing for the Hawks’, wiens negen andere romans voortdurend
worden gevraagd, en een auteur, bekend wegens zijn belangstelling
voor militaire aangelegenheden, heeft een voortreffelijke roman
gecreëerd, gebaseerd op Dino de Laurentiis’ spectaculaire film
‘Waterloo’ – een van de veelbetekenendste veldslagen van de
geschiedenis – met in de hoofdrollen Rod Steiger als Napoleon en
Christoffer Plummer als Wellington.” Plummer (overleden in 2021) is
kennelijk het bekendst vanwege zijn rol als kapitein Von Trapp in de
uit 1965 daterende film The Sound of Music (die van Doe a Deer,
inderdaad), Rod Steiger (overleden in 2002) vanwege onder andere zijn
acteerwerk als Viktor Koramovski in Doctor Zhivago, Dino
(eigenlijk Agostino) De Laurentiis (klaarblijkelijk tóch met een
grote ‘D’ geschreven)… vanwege het produceren van zo’n
honderdvijftig films, waaronder exemplaren van Federico Fellini (voor
diens La Strada kreeg hij in 1957 de Oscar voor beste
buitenlandse film), Ingmar Bergman, David Lynch, Stephen King en
Ridley Scott. Dat laatste - toch niet slecht voor iemand die zijn
studies gevolgd heeft aan het Centro Sperimentale di
Cinematografia (ofte Scuola Nazionale di Cinema), de
filmschool die opgericht werd door Luigi Freddi,
cinemaverantwoordelijke van Benito Mussolini, en Vittorio Mussolini
(zoon van), als deel van de Cinecittà Studios - being
een enorm gat in mijn cultuur, maar ik moet dan ook toegeven dat
films als Barbarella, King Kong, Flash Gordon,
Red Sonja, en Evil Dead II nooit zo hoog op mijn
lijstje hebben gestaan dat ik er de producer van zou kennen,
terwijl die me ook bij Hannibal (het vervolg op The Silence
of the Lambs, ofte De schreeuw van het lam),
Red Dragon (de prequel op diezelfde film) en Hannibal
rising (een naar mijn mening volstrekt overbodige vroege prequel
op de hele serie) volkomen ontgaan was. Maar Frederick E. Smith
(waarbij de ‘E.’ kennelijk voor ‘Escreet’ staat)? Ja, die is
inderdaad de in 2012 overleden auteur van een boek dat 633
squadron heet, dat negen vervolgen kreeg en op zijn beurt
verfilmd werd, en van nog een hele serie andere boeken waarvan ik nog
nooit gehoord heb en die ik gebaseerd op hun titel ook nooit in huis
zou halen, maar da’s dan ook het enige wat ik over de man weet te
zeggen, wat dan weer niet zo heel veel minder is dan de Engelstalige
Wikipedia vermeldt (wat op zijn beurt meer is dan wat de
Nederlandstalige versie meegeeft, want da’s helemaal niks). Wat –
de ‘wat’ten volgen mekaar snel op – dan weer niet noodzakelijk
wil zeggen dat dit een slecht boek zou zijn, zelfs al is het
verboeken van een film volgens mij sowieso de omgekeerde wereld.
Maar goed, Waterloo en wat daar rond gebeurde bood weinig filosofie
en veel drama, dus wie graag een film met véél volk draait en daar
de middelen toe ter beschikking gesteld wordt, die kan daar wat mee.
“De loop der gebeurtenissen die tot de sensationele en bloedige
ontmoeting tussen Napoleon en Wellington bij Waterloo leidde, zal de
mensheid blijven boeien zolang zij haar gevoel voor dramatiek
behoudt. Evenals Duitsland honderdvijftig jaar later, had Frankrijk
Europa veroverd. Alleen Engeland, beschermd door de smalle strook
zee, was nog niet verslagen. Vanuit zijn geïsoleerde positie
trachtte het met geld en door het gebruik van zijn zeestrijdkrachten,
de naties die aan de voeten van de briljante Napoleon lagen, bij te
staan en te doen herrijzen. Terwijl Napoleon elk verzet onderdrukte,
begreep hij dat alleen de nederlaag van Engeland, zijn onverzoenlijke
vijand, de duurzaamheid van zijn Europese rijk kon verzekeren. Daarom
lag het voor de hand dat toen hij, Frankrijks grootste generaal, ten
slotte van aangezicht tot aangezicht kwam te staan met een Brits
leger, dit door Engelands grootste soldaat van die dagen, Wellington,
werd aangevoerd. Ze wisten beiden dat het erop of eronder was, dat
het lot van Europa op het spel stond. En in één ongelooflijk
bloedige middag werd het pleit beslecht. Er is in de gescheidenis
[sic] geen dramatischer ogenblik aan te wijzen.”, schrijft Smith in
zijn Epiloog, waarna hij in kort bestek aan de
voorgeschiedenis van de slag begint, er af en toe nóg een
vergelijking met Hitler doordraaiend, om in zijn Hoofdstuk I
bij de aankomst van Napoleon in Frankrijk te beginnen, de aankomst
met een “nietig legertje van nog geen 1.000 man” vanaf het ook al
“nietige eilandje Elba”.
Die aankomst is ook het moment waarop de film van De Laurentiis
begint mee te spelen in dit verhaal, of toch minstens de filmische
manier van werken (ik heb de film niet gezien, dus weet ik niet hoe
dicht daartegen Smith gebleven is). Het grote ‘plan’ wordt in de
steek gelaten om bij een “jonge Oostenrijkse gezant die voor
Lodewijk XVIII stond” terecht te komen, een koning die “verstijfde”
bij het nieuws dat “het monster (…) van Elba [is] ontsnapt”;
“Napoleon knikte en reed zijn stilstaande afdeling cavalerie een
eindje voorbij”; “De baardige wangen van (…) [een] veteraan
bloosden onder zijn sjako”; “Verschrikte duiven die boven het
plein cirkelden, droegen het hunne bij tot het lawaai”; soldaten in
Napoleons troepen en die van Wellington krijgen een naam, een
gedragswijze, een specifieke rol. Nauwelijks het soort dingen dat je
in een biografie tegenkomt, wél typisch voor films, omdat films nu
eenmaal niet genoeg boeien als je je als producer alleen met
‘de grote mannen’ bezighoudt. Of als je je in diezelfde functie
bijvoorbeeld alleen maar zou houden aan wat op papier is overgeleverd
aan primaire literatuur, want dan krijg je bijvoorbeeld niet van die
sappige dialogen tussen Ney en Napoleon tíjdens een speech van die
laatste van op het stadhuis van Grenoble.
Dat zijn allemaal zaken die behalve in een film ook goed werken in
een, wat dan heet, ‘historische roman’, en dat is nu net wat een
beetje ergerlijk is aan Waterloo, Einde van een droom. Op
pagina 7 staat dan wel vermeld dat het een “roman” is, maar Smith
heeft, ongetwijfeld op basis van de “biografieën en
standaardwerken” die hij op de pagina daarvóór vermeldt, een hele
hoop historische details in dit boek gestoken, die van dit boek méér
maken dan een “roman”. Het zoú omwille van die historische
details een biografie kunnen zijn, maar doordat je weet dat het boek
“gebaseerd” is op een film en het ook filmisch geschreven is,
worden die details simpelweg minder historisch. In plaats van de film
op te trekken tot het niveau van geschiedenis, wordt geschiedenis
hier eigenlijk neergehaald tot het niveau van film. Een probleem dat
er vooral een van theorie is, dat weet ik, een probleem ongetwijfeld
ook dat zich vooral in mijn hoofd bevindt, maar dat mij desondanks
belet in het waarderen van dit boek.
Een probleem dat alleen maar erger wordt overigens door – zoals
gezegd, weet ik niet of dat ook in de film voorkomt – de
historische leugen die in dít stukje dialoog (en elders in het boek)
zit: “Als de oorlog uitbreekt, Davout, vallen we België binnen.”
Ik ben het voor de zekerheid nog eens gaan opzoeken – je weet maar
nooit of ik ergens een belangrijke geschiedenisles gemist heb -, maar
“België” bestond helemaal niet toen Napoleon in 1815 naar
Waterloo trok. België is zelfs pas vijftien jaar ná de slag bij
Waterloo ontstaan, als onrechtstreeks gevolg daarvan. Als Smith zo’n
onzin in zijn boek heeft gestoken, heeft hij die mogelijk uit de
genaamde “biografieën en standaardwerken”, maar dan horen die op
de stortplaats, niet in een serieuze bibliotheek. Iets wat ik niet ga
beweren over deze “roman”, maar als meer dan ‘historiserend’,
in plaats van ‘historisch’, kan ik die dan toch niet meer
beschouwen. Smith heeft de spanning in zijn “roman” bijna tot het
einde toe weten te bewaren (en het zal er beslist ook in het echt, en
niet alleen omwille van de afwezig/aanwezige Grouchy, om gespannen
hebben), maar wie op méér dan een roman uit is, zou ik toch een
ernstiger werk aanraden.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !