vrijdag 31 juli 2026

De ontwrichten – Knut Hamsun (boekbespreking door Björn Roose)

De ontwrichten – Knut Hamsun (boekbespreking door Björn Roose)
Ik kondigde het al aan in mijn bespreking van de korte biografie van Knut Hamsun, toepasselijk Knut Hamsun getiteld, door Piet Schepens: dat ik De ontwrichten van diezelfde Knut Hamsun zou gaan lezen. En wat boeken lezen betreft, kan ik iets wat me bij andere voornemens niet altijd lukt, zijnde die quasi onmiddellijk nakomen. Dus hier is ze, nog geen anderhalve maand later, de bespreking van De ontwrichten. Een boek, ook bekend onder de titel De stad Segelfoss, waar biograaf Piet Schepens – ter herinnering – slechts zoveel woorden voor over had: “De stad Segelfoss (1915), de geschiedenis van het Noorse kuststadje, is een vervolg van Kinderen van hun tijd. De hoofdpersoon is Holmengraa maar ook de andere inwoners nl. de arbeiders, de hoteleigenaars, de handelaars, de intellectuelen – allen ontwrichten in hun streven naar eer, macht en prestige; mensen die zichzelf en elkander kwellen – spelen een belangrijke rol. Stilaan ziet Holmengraa zijn ster tanen. Hij moet de handschoen opnemen tegen de opkomende arbeidersstand, die in zich een opstandige geest voelt opborrelen. Het enige Hamsunse type in deze roman, de telegrafist Baardsen, gaat in dit midden van bekrompen mensen ten gronde.”

Kinderen van hun tijd had ik niet, noch heb ik, zoals ik u in eerdergenoemde boekbespreking liet weten, in mijn bezit, en ik vreesde een beetje dat ik daardoor een deel van De ontwrichten zou missen, gezien het er toch een vervolg op is, maar ik had uiteindelijk niet de indruk dat dat effectief zo was. Wat waarschijnlijk voor een niet onbelangrijk deel aan de vertelstijl van Hamsun ligt. Om het filmisch uit te drukken: hij begint met een soort overzicht over het gebied, zoomt daarbij in op een niet echt belangrijk personage (“Een man op den nieuwen vlagheuvel, wat voert hij daar uit?”), legt verbanden tussen dat personage en een ander, zoomt weer uit, gaat naar dat ander personage, enzovoort, enzovoort. Op vrij korte termijn worden de meeste ‘spelers’ zo aan je voorgesteld en begrijp je ook min of meer de verbanden tussen hen, waarna Hamsun verder kan gaan met het iets langer volgen van elk van die ‘spelers’. Zonder dat hij dat evenwel hele hoofdstukken lang doet. Hamsun blijft nu eens met zijn schrijverscamera dié persoon volgen, dan weer de andere, en dat is zelfs niet anders waar het “de hoofdpersoon (…) Holmengraa” aangaat. Ja, die heeft een belangrijke rol in het geheel te spelen (en niet alleen als quasi gezagsloze “eigenaar van het molenbedrijf” en “koning op Segelfoss”), maar ik ben niet zeker dat ik hem zelf wel “de hoofdpersoon” zou noemen. Dat kan namelijk ook de ambitieuze winkelier Theodor Jensen (zoon van de “lam en kapot op zijn bed” liggende Per) zijn, of de (tijdelijk) teruggekeerde zoon Willatz van de jaren eerder overleden luitenant Holmsen, of de genoemde telegrafist Baardsen, al hebben de ándere personages (schoenmaker Nils, dienstmeid Florentine, Lars Manuelsen, “mijnheer” Diddriksen, advocaat Rasch, een toneelgezelschap, en noem maar op), inderdaad net iets minder belangrijke, zij het nooit louter blad vullende rollen.

Al wil dát dan weer niet noodzakelijk zeggen dat die laatste een betere intro krijgen dan, pakweg, genoemde Theodor “van den winkel”: “Die Theodor had een gelukkige hand bij alles wat hij uitdacht en op touw zette, hij stelde zijn vader in de schaduw, hij verdiende geld, terwijl zijn vader alleen maar geld gespaard had. Die jonge man was nog maar in de twintig en hij had het klaar gespeeld om al zijn concurrenten van de baan te duwen, pas nog had hij den bakker met zijn heele bakkerij opgeslokt vanwege de schulden, die deze bij hem had. Maar al had hij ook een taai hardnekkig karakter, toch was hij bekrompen, die kerel, die goudklomp. Wat kon men ook anders van hem verwachten? Als een geboren boer, als een uitgeslapen vos dreef hij zijn handelsaffaire op uitstekende wijze, maar buiten zijn bedrijf was hij niet meer dan de andere jongens van zijn stand, ja, hij was misschien nog een beetje ijdeler en onnoozeler. De menschen zagen hem met ringen aan zijn beide handen en soms liep hij met zijden strikken aan zijn schoenen over den afschuwelijken vloer van het magazijn. Zelfs de lui uit het dorp maakten zich vrolijk over hem. ‘Dat had zijn vader eens moeten zien.’” Een vader die trouwens niets te klagen heeft over het succes van zijn winkel in handen van zijn zoon, gezien iedereen in de stad zo niet boven zijn stand leeft, dat dan toch wíl doen: “En dan die vijfduizend kronen [een gift van Holmengraa aan de gemeenschap, noot van mij] – wat een treurige comedie kwam daaruit voort. De arbeiders stichtten daarmee een bank, een arbeidersbank, de ‘Segelfossche Spaar- en Leenkas’, en de advocaat en twee andere mannen werden tot directeuren benoemd. Die leenden gedurende enkele weken al het geld uit, de lui kregen voorschotten, ze verpandden hun woningen, hun meubels en hun vee. Als Jens geld kreeg, moest Jacob het ook hebben; dat werd een kleine epidemie, de een stond borg voor den ander. Theodor van den winkel kreeg in die dagen heel wat contant geld binnen; hij verkocht groote hoeveelheden stoffen, horlogekettingen en fijne kaas. Tenslotte was er geen geld meer in de ‘Segelfossche Spaar- en Leenkas’; de directie schraapte de laatste restjes bij elkaar om haar eigen salaris binnen te rijven. De directeuren zeiden tot elkaar: ‘Wat nu?’ Zij waren ten einde raad. Nu was het de beurt van advocaat Rasch. ‘Als ik vrijheid krijg, dan zal ik de bank redden,’ sprak hij. Hij kreeg de vrije hand, hij alleen bleef directeur met een dubbel salaris. En nu volgden de incasseeringen en advocaat Rasch verdiende daar goed geld mee. Hij stuurde den menschen dagvaardigingen, hun boel werd in beslag genomen en hij belegde veilingen. Theodor van den winkel kocht menigmaal groot slachtvee, dat hij met de vrachtboot naar het Zuiden stuurde, en de advocaat palmde een paar huisjes in, waar de bewoners hem huur voor moesten betalen. O, dat was een omwenteling, een aardbeving; goede God, niemand had van tevoren kunnen vermoeden, welke groote gevolgen deze goede gift van vijfduizend kronen met zich mee zou brengen.”

Waarmee ook duidelijk moge worden dat Hamsun niet verlegen zit om enig sarcasme. Een feit dat overal in dit boek opduikt, maar – louter om die stelling te illustreren – bijvoorbeeld ook in deze passage zit: “‘Ik zal je één ding zeggen,’ antwoordde Lars Manuelsen met nadruk. Lars Manuelsen was er toe overgegaan een heeleboel dingen met nadruk te zeggen, sinds hij de vader van een groot man was geworden, sinds hij een pruik droeg, sinds hij geld verdiende bij de handelsreizigers in het hotel. En bovendien was Lars Manuelsen nu eigengeërfde op zijn stukje grond, waar twee koeien graasden, hij kon nu zijn grooten zoon ontvangen, wanneer die zou komen (…) Er waren ook anderen dan de ekster [een vogel die Hamsun een paar hoofdstukken laat introduceren, noot van mij], die zich op de lente voorbereidden; daar had je bij voorbeeld advocaat Rasch. Hij liet alle sneeuwplekken op zijn stuk grond met zout bestrooien, om den dooi te bespoedigen. Advocaat Rasch had in een paar jaren van dit stuk grond een heelen tuin, een heel park gemaakt. Vroeger was het een armzalig grasland voor twee koebeesten geweest, maar nu graasden die er niet meer; overal waren struiken, boomen en gewassen geplant, die het huis versierden en waarop alle menschen en het heele Segelfoss trotsch waren. Advocaat Rasch had groote dingen tot stand gebracht, sinds hij de middelen in handen had. Wat moest hij met weideland en met koeien beginnen?” Een sarcasme dat een paar tientallen bladzijden verder een niet eens sarcastisch vervolg krijgt in de beschrijving van wat schoenmaker Nils overkomt als hij van Baardsen geld gekregen heeft om zijn zoon achterna te reizen naar de Verenigde Staten: “Nu het zoo geloopen was, kwam er niets van die reis naar Amerika; hij kocht alleen maar voedsel om wat merg in zijn beenderen te krijgen. De stakkerd kon dat goed gebruiken. Maar het ongeluk was, dat het bederf hem aangreep en dat hij een steeds grootere behoefte aan goede spijzen kreeg; het eene sleepte het andere met zich mee. Hij had nu ook trek in veel sterkere koffie, dan hij vroeger had gebruikt; de buitenlandsche kaas in den winkel lokte hem eveneens aan. Dat werd een echte krankzinnigheid. Hij werd door een wervelstorm meegesleurd, hij begreep niet, hoe hij vroeger zonder blikjes had kunnen leven. Nu kon men versche vischcroquetjes middenin den zomer krijgen. Je hadt tegenwoordig van die blinkende doosjes met visch. Nils, de schoenmaker, had zelf een paar honderd meter door de baai kunnen roeien om in zee schelvissen, botten en koolvisschen te vangen; maar waarom zou hij dat doen? In den winkel vond hij blikjes visch en allerlei delicatessen, die door het lange liggen nog smakelijker waren geworden. Het was alsof zij in die olie helemaal veranderd waren. Nils, de schoenmaker, had twee menschenleeftijden tevreden in ontbering doorgebracht, nu had de tijd hem met zijn nieuwe artikelen ingehaald en een caricatuur van hem gemaakt.” Of hoe ‘vooruitgang’ en ‘luxe’ in veel gevallen achteruitgang en armoede kunnen betekenen. Een vaststelling waarbij inderdaad geen sarcasme komt kijken. Net zomin als bij het feit dat stedelingen door de band genomen neerkijken op ‘plattelanders’, zelfs als dat ‘platteland’ voor een niet onbelangrijk deel uit stadjes bestaat en de stedelingen in kwestie dat alleen maar zijn omdat ze van buitenaf in die steden zijn gaan wonen: “Ik ben natuurlijk hier in het Noorden geboren, zooals wij, ambtenaarskinderen, bijna allemaal, maar daarna trok ik Zuidelijker en Zuidelijker en eindelijk belandden wij in het Osterdal. Elverum en Hamar waren onze provinciesteden, maar we hadden Christiana immers als onze hoofdstad. En later – dat weet u toch ook, mijnheer de advocaat – later brachten wij al onze studiejaren in Christiana door, is dat waar of niet? Zijn we daar niet, om zoo te zeggen, gedoopt? We hadden natuurlijk onze basis van ons ontwikkeld ouderlijk huis, maar de ontwikkeling van onze levensbeschouwing, van onze politiek, onze kennis van het theater, van de kunst, onze wetenschap – dat stamt alles uit het groote Christiana. Dat is dus eigenlijk ons geboorteland.”

Nu ja, ik kan nog wel even doorgaan met de citaten, al heb ik, merk ik, gaandeweg minder en minder als mee te nemen uit dit boek aangeduid. Uitzonderingen daar gelaten als een zeer humoristisch stuk zin genre “hij kon er aan denken zich uit zijn zaken terug te trekken om een onderkin te cultiveeren” of “Muis had wel degelijk een zwakke maag: een product van de verfijning van heele geslachten voorouders”. Minder en minder dus omdat de verwachting die je aan het begin hebt, zijnde dat uit de caleidoscoop van gebeurtenissen, uit de opeenvolging van al die kleinzieligheden (want zelfs de “opstandige geest” van de “opkomende arbeidersstand” waarover Piet Schepens het had, produceert nauwelijks meer dan dat) toch ergens een grote lijn zal voortkomen, wordt helaas niet positief beantwoord. De zich vormende lijnen lopen allemaal nog vóór het einde van het boek dood en het einde van dat ene personage, zijn eenzame dood in een zinloos opgetrokken gebouw, vormt finaal óók niet meer dan voer voor een al snel vergeten roddel: “De beide mannen loopen haastig naar de stad Segelfoss en naar den winkel. Zij komen de oplossing van een raadsel brengen – zij lossen het misschien niet op, maar zij zijn gezwollen van het nieuws. Zij kletsen en kletsen: ‘Hij zat in den kelder, hij was dood…’ Alle menschen komen het te weten; zij luisteren ernaar, zij denken erover na en zij hervatten hun dagelijksche werkzaamheden weer. Dan is het afgeloopen en buiten in het Zuiden zingen de zwanen.” Ik vermoed niét dat Knut Hamsun het belang van z’n eigen vertelling daarmee onderuit wou halen, maar hij lijkt dat wel degelijk te doen. Of hij wist voor het geheel ook geen beter einde te verzinnen dan dat. Ik kan daar als lezer mee leven, maar het zorgt er wél voor dat de positieve, stilistische kanten van dit bijna vijfhonderd bladzijden dikke boek, ‘gecompenseerd’ worden door de negatieve inhoudelijke.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !