maandag 13 juli 2026

De taal van het jaar – Ewoud Sanders (boekbespreking door Björn Roose)

De taal van het jaar – Ewoud Sanders (boekbespreking door Björn Roose)
Los van het feit dat ik toch wel een héél klein beetje geïnteresseerd ben in taal, is De taal van het jaar van Ewoud Sanders (“taalhistoricus en journalist”, dixit Wikipedia) weer eens een van die boekjes waarvan ik me afvraag hoe ze in mijn bibliotheek gesukkeld zijn. Vooral omdat de ondertitel me duidelijk had moeten maken dat de scope van dit boekje, een kleine tachtig bladzijden dik en in 2002 verschenen bij Uitgeverij L.J. Veen, effectief slechts één jaar beslaat: Tweehonderdvijftig woorden die het aanzien van 2001 bepaalden. Een goede reden misschien om op zoek te gaan naar de rest van de serie – want dat het om een serie gaat, nam ik toch meteen aan -, maar dat zou onzinnig zijn: er was een editie 2000, voorafgaand aan de voorliggende, een editie 2002, een editie 2003, en daarna niks meer behalve in 2009 een verzameling genaamd Van asotaks tot zedenpleger. Tien jaar nieuwe woorden. Het feit dat de eerste editie bij Contact verscheen, de tweede bij L.J. Veen, de derde bij Prometheus/NRC Handelsblad, de vierde bij Prometheus alleen, en die van 2009 bij NRC alleen, duidt er misschien simpelweg op dat uitgevers er niet echt brood in zien, maar Sanders had ongetwijfeld ook werk genoeg met onder andere Eerste Hulp Bij e-Onderzoek, “een boekje over slimmer zoeken (op internet) en over slimmer documenteren” (weerom dixit Wikipedia) dat, ongetwijfeld met de nodige financiële hulp, “door diverse hogescholen en universiteiten gratis onder studenten verspreid [wordt]” (want zelfs fatsoenlijk opzoekwerk doen, leren ze kennelijk niet meer aan die instellingen).

Edoch, niet getreurd, behalve een héél klein beetje geïnteresseerd in taal, ben ik dat ook in geschiedenis, en wat in 2001 nog nieuw was, is nu geschiedenis. Zelfs het vinden van de woorden waarmee dit boekje gestoffeerd is wellicht. Waar Wikipedia immers schrijft dat Sanders “voor zijn onderzoek (…) gebruik [maakt] van een grote, digitale bronnencollectie, deels in eigen beheer”, was dat zeker in 2001 nog niet helemaal het geval, zo blijkt uit zijn Woord vooraf: “Hoe verzamel je nieuwe woorden? Je zou denken dat daar allang perfecte computerprogramma’s voor bestaan. Een programma dat bijvoorbeeld een jaargang van enkele dagbladen vergelijkt met een interne woordenlijst. En dat dan aan het eind van het jaar een keurige, op frequentie gesorteerde woordenlijst uitspuugt. Weliswaar wordt er met dergelijke programma’s geëxperimenteerd, maar ze zijn nog lang niet perfect, dus vooralsnog kunnen we niet zonder het ouderwetse handwerk. Dat is lezen met een pen in de aanslag.”

Een Woord vooraf waaruit meteen ook blijkt – iets wat doorheen de jaren niet veranderd is – dat de nieuwe woorden behalve tijdgevoelig (wat ze uiteraard zijn, maar waardoor ze na geen tijd ook wel weer eens wegdeemsteren) ook grensgevoelig zijn. Of mediagevoelig. Zelfs wie, zoals ik, een aantal contacten heeft in Nederland en zo ook de media aldaar soms volgt, zal ongetwijfeld regelmatig en ook nog bij het doornemen van de “Toptwintig” (een ‘woord’ dat ik overigens als “Top twintig” zou schrijven, wat mijn spellingcorrector ook weet te waarderen) vaststellen dat wat in het noorden, “in de doorzochte dagbladen en op de Nederlandse webpagina’s”, “het vaakst voor [komt]” niet noodzakelijk ooit of minstens niet in die mate in het zuiden doorgebroken is: 1. 9/11, 2. MKZ-crisis, 3. poederbrief, 4. GSM-bom, 5. adware, 6. Balkansyndroom, 7. mobimeter, 8. make no mistake, 9. powerplate, 10. topmaster, 11. bioterreur, 12. antiglobalist, 13. m-bankieren, 14. kleptocratentaks, 15. belparkeren, 16. jokerbeurs, 17. Máximatour, 18. tophopper, 19. leefloon, 20. antiterreurtoeslag. Op “9/11” na, een ‘leenwoord’ dan nog, waarvan het feit dat het in dit lijstje opduikt ons er even aan herinnert dat de aanslagen in kwestie al dateren van vijfentwintig jaar geleden, zal het woord ‘leefloon’ daar wellicht het enige in het zuiden nog frequent gebruikte van zijn, en dat is eenvoudigweg zo omdat het ook in het zuiden ontstaan is: “Het woord leefloon – dat inmiddels volledig is ingeburgerd in de Vlaamse politiek – dankt zijn bestaan aan een prijsvraag, en dat is in de Nederlandse taalgeschiedenis heel uitzonderlijk. Op 12 maart 2001 kondigde minister Vande Lanotte aan op zoek te gaan naar een nieuw en rechtvaardig begrip ter vervanging van het negatief geworden bestaansminimumtrekker”, een onzinnig idee waar de VRT uiteraard graag op in ging, en waarmee ene Alex Van Goethem zijn fifteen minutes of fame verdiende: “Natuurlijk ging de Vlaamse pers op zoek naar de bedenker van dit succesvolle woord, dat al snel gezelschap kreeg van onder meer leefloners, leefloongerechtigde en leefloontrekker. Het bleek om Alex Van Goethem uit Antwerpen te gaan, ‘chauffeur-leverancier bij een industriële wasserij’. Op 19 juni zei Van Goethem tegen de Gazet van Antwerpen: ‘Er bestaat de kans dat mijn woord later ook in Van Dale’s Woordenboek wordt opgenomen. Dat geeft me toch een gevoel van onsterfelijkheid.’” En mij de kans om te wijzen op hoe dit boekje na het Woord vooraf in mekaar zit. Ik heb niet nageteld of er effectief Tweehonderdvijftig woorden behandeld worden (het helemaal achteraan opgenomen Alfabetisch register er op natellen, zou uiteraard kunnen), maar in alfabetische volgorde en af en toe onderbroken door een Fokke-en-Sukkecartoon wordt per woord wel meegegeven wat het betekent, waar en in welke context het opdook, en wat er aan woorden achteraan kwam denderen. Plus hier en daar een fait diversje, zoals bij 9/11: “Voor autofabrikant Porsche was er onverwachte collaterale schade: sinds de aanslagen in de Verenigde Staten verkoopt de Porsche 911 minder goed.”

Maar ik had het een paar paragrafen geleden over het feit dat wat in 2001 nog nieuw was, nu geschiedenis is. Althans wat de oorsprong betreft. Adware is er nog steeds, maar je kan er meer tegen doen. Als antiglobalist ben ik zelf nog opgetreden in mijn activistische jaren (al beschouwden wij de door de media gepromote ‘antiglobalisten’ van toen simpelweg als ‘andersglobalisten’, een woord dat pas later doorbrak), maar ze zijn er nog steeds (vooral in die ‘andersglobalistische’ vorm, bij mijn weten). De BOB-campagnes, ontstaan in belgië, bestaan ook nog steeds en zijn na 2001 nog verder uitgebreid dan naar Griekenland, Luxemburg en Nederland. Bunkerkrakers werden in 2025 nog even hot news toen ze door de immer vreedzame Amerikaanse regering werden ingezet om atoomverrijkingsinstallaties in Iran mee aan te vallen, al werden ze toen, voor zover ik me dat kan herinneren, bijna altijd aangeduid als bunker busters. Documercials hebben het gezelschap gekregen van (of hadden dat al, ik ben geen taalhistoricus) advertorials. Geocaching is niet meer weggeweest sinds zijn ontstaan, maar wordt nu niet precies door een grotere groep van mensen beoefend. Muisklikactivisten lijken grotendeels over hun hoogtepunt heen, behalve in de Vlaamse Beweging. Van poederbrieven horen we nog heel zelden: de “massapsychose” omtrent voor ‘anthrax’ doorgaand waspoeder ligt nu wel zo’n beetje achter ons, in tegendeel tot – zo bleek toen de Amerikanen vreesden ze wakker gemaakt te hebben met hun aanvallen op Iran – slapers of zelfs hele sleeper cells (want het klinkt natuurlijk indrukwekkender in het Engels). De tijd dat je ringtone (een woord dat overigens al sinds 1998 circuleerde op het internet, maar pas in 2001 debuteerde in de kranten) per se zeer persoonlijk moest wezen duidelijk ook. Een fenomeen dat ook moet doorgedrongen zijn tot het ‘daten’: speeddaten dateert klaarblijkelijk uit 2001 en mensen zijn er nog steeds niet achter dat het niet werkt. Alhoewel, onlangs zag ik – hoe bizar – op mijn werk een affiche hangen voor speeddaten, maar dan offline. Vroeger noemden we dat gewoon ‘uitgaan’, maar goed: achteruitgang is in dit geval vooruitgang.

En dan zijn er de woorden die bij voorbaat al geen kans maakten bekend te worden in het hele taalgebied. Het in de “Toptwintig” genoemde Máximatour, bijvoorbeeld: “Máxima maakte als geen ander duidelijk dat het wel degelijk mogelijk is om in korte tijd goed Nederlands te leren spreken, wat slecht nieuws is voor prins Bernhard, prins Claus en duizenden allochtonen en asielzoekers”, schreef Sanders daar toen onder andere over. Maar dat kan ook een beetje aan de Beaconstrictor gelegen hebben: “Hare [toen nog, noot van mij] Majesteit de Koningin heeft de naam een controlefreak te zijn. Omgang met controlefreaks kan erg beklemmend zijn, en daarom is Bea’s nieuwe bijnaam – Beaconstrictor – goed gevonden, want de boa constrictor is een slang die zijn prooi door verstikking doodt. Beaconstrictor is een vondst van Paul de Leeuw. Op 10 februari 2001 schreef De Leeuw in NRC Handelsblad: ‘Ons land is in de greep van de Beaconstrictor. Máxima wordt, listig, als opium voor het volk, in kleine doseringen toegediend.’ De bijnaam dook later op in Het Parool en is ook diverse malen op het internet te vinden.” Zoals ‘Prins Pils’ en ‘Prins Willem Bier’ voor, intussen, koning Willem-Alexander dus.

Moet ik het nog over fietsflat en fietspoolpunt hebben? Misschien dringen die woorden ooit nog eens door in – uiteraard – Gent, maar voor de rest is de kans dat Vlaanderen zo massaal gaat fietsen dat er een eigen woordenschat uit ontstaat quasi onbestaande. Over kaasslaaf dan, een “buitenlander die op onderdanige wijze wetten, normen en waarden van de Nederlanders overneemt”, waarvoor bij belgische mocros allicht een eigen woord bestaat, als er nog ergens iets van onze “wetten, normen en waarden” te onderscheiden zou zijn? Over kijken of je gras in de ArenA ziet groeien, een zin eigenlijk, waarvan ik niet direct een variant zie ontstaan rond de Ghelamco Arena, excuseer, Planet Group Arena, en die kennelijk een eigentijdse variant van ‘kijken of je het in Keulen hoort donderen’ vormt? Of over melkdubbeltjes (de euro werd pas bij de overgang van 2001 naar 2002 als fysieke munt ingevoerd), over prepromo’s, probeerbonnen, de schoensmeersurinaamse Tara Singh Varma (een term uitgevonden door Youp van ‘t Hek, die kennelijk van oordeel was dat genaamde behalve leugenachtig ook niet kleurvast was), of verleefbarisering, zijnde “de opmars van lokale politieke partijtjes die zich ‘Leefbaar X’ noemen, van ‘Leefbaar Alblasserdam’ tot ‘Leefbaar Zaandam’”, een fenomeen dat ontstond naar aanleiding van de furore die Pim Fortuyn toen maakte met Leefbaar Nederland? Ewoud Sanders noémt Fortuyn niet eens in het ‘lemma’ rond verleefbarisering. Dat zou misschien anders geweest zijn in de editie 2002, het jaar waarin hij vermoord werd. Om maar te zeggen dat taalgeschiedenis ook wel eens aan andere geschiedenissen doet denken.

Een niet geheel onnuttig boekje dus, dit De taal van het jaar, maar wegens nogal eenzaam in zijn soort ook geen houdertje.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !