Los van het feit dat ik toch wel een héél klein beetje
geïnteresseerd ben in taal, is De taal van het jaar van Ewoud
Sanders (“taalhistoricus en journalist”, dixit Wikipedia)
weer eens een van die boekjes waarvan ik me afvraag hoe ze in mijn
bibliotheek gesukkeld zijn. Vooral omdat de ondertitel me duidelijk
had moeten maken dat de scope van dit boekje, een kleine
tachtig bladzijden dik en in 2002 verschenen bij Uitgeverij L.J.
Veen, effectief slechts één jaar beslaat: Tweehonderdvijftig
woorden die het aanzien van 2001 bepaalden. Een goede reden
misschien om op zoek te gaan naar de rest van de serie – want dat
het om een serie gaat, nam ik toch meteen aan -, maar dat zou
onzinnig zijn: er was een editie 2000, voorafgaand aan de
voorliggende, een editie 2002, een editie 2003, en daarna niks meer
behalve in 2009 een verzameling genaamd Van asotaks tot
zedenpleger. Tien jaar nieuwe woorden. Het feit dat de eerste
editie bij Contact verscheen, de tweede bij L.J. Veen,
de derde bij Prometheus/NRC Handelsblad, de vierde bij
Prometheus alleen, en die van 2009 bij NRC alleen,
duidt er misschien simpelweg op dat uitgevers er niet echt brood in
zien, maar Sanders had ongetwijfeld ook werk genoeg met onder andere
Eerste Hulp Bij e-Onderzoek, “een boekje over slimmer zoeken
(op internet) en over slimmer documenteren” (weerom dixit
Wikipedia) dat, ongetwijfeld met de nodige financiële hulp,
“door diverse hogescholen en universiteiten gratis onder studenten
verspreid [wordt]” (want zelfs fatsoenlijk opzoekwerk doen, leren
ze kennelijk niet meer aan die instellingen).
Edoch, niet getreurd, behalve een héél klein beetje geïnteresseerd
in taal, ben ik dat ook in geschiedenis, en wat in 2001 nog nieuw
was, is nu geschiedenis. Zelfs het vinden van de woorden waarmee dit
boekje gestoffeerd is wellicht. Waar Wikipedia immers schrijft
dat Sanders “voor zijn onderzoek (…) gebruik [maakt] van een
grote, digitale bronnencollectie, deels in eigen beheer”, was dat
zeker in 2001 nog niet helemaal het geval, zo blijkt uit zijn Woord
vooraf: “Hoe verzamel je nieuwe woorden? Je zou denken dat daar
allang perfecte computerprogramma’s voor bestaan. Een programma dat
bijvoorbeeld een jaargang van enkele dagbladen vergelijkt met een
interne woordenlijst. En dat dan aan het eind van het jaar een
keurige, op frequentie gesorteerde woordenlijst uitspuugt. Weliswaar
wordt er met dergelijke programma’s geëxperimenteerd, maar ze zijn
nog lang niet perfect, dus vooralsnog kunnen we niet zonder het
ouderwetse handwerk. Dat is lezen met een pen in de aanslag.”
Een Woord vooraf waaruit meteen ook blijkt – iets wat
doorheen de jaren niet veranderd is – dat de nieuwe woorden behalve
tijdgevoelig (wat ze uiteraard zijn, maar waardoor ze na geen tijd
ook wel weer eens wegdeemsteren) ook grensgevoelig zijn. Of
mediagevoelig. Zelfs wie, zoals ik, een aantal contacten heeft in
Nederland en zo ook de media aldaar soms volgt, zal ongetwijfeld
regelmatig en ook nog bij het doornemen van de “Toptwintig”
(een ‘woord’ dat ik overigens als “Top twintig” zou
schrijven, wat mijn spellingcorrector ook weet te waarderen)
vaststellen dat wat in het noorden, “in de doorzochte dagbladen en
op de Nederlandse webpagina’s”, “het vaakst voor [komt]” niet
noodzakelijk ooit of minstens niet in die mate in het zuiden
doorgebroken is: 1. 9/11, 2. MKZ-crisis, 3. poederbrief, 4. GSM-bom,
5. adware, 6. Balkansyndroom, 7. mobimeter, 8. make no mistake, 9.
powerplate, 10. topmaster, 11. bioterreur, 12. antiglobalist, 13.
m-bankieren, 14. kleptocratentaks, 15. belparkeren, 16. jokerbeurs,
17. Máximatour, 18. tophopper, 19. leefloon, 20. antiterreurtoeslag.
Op “9/11” na, een ‘leenwoord’ dan nog, waarvan het feit dat
het in dit lijstje opduikt ons er even aan herinnert dat de aanslagen
in kwestie al dateren van vijfentwintig jaar geleden, zal het woord
‘leefloon’ daar wellicht het enige in het zuiden nog frequent
gebruikte van zijn, en dat is eenvoudigweg zo omdat het ook in het
zuiden ontstaan is: “Het woord leefloon – dat inmiddels
volledig is ingeburgerd in de Vlaamse politiek – dankt zijn bestaan
aan een prijsvraag, en dat is in de Nederlandse taalgeschiedenis heel
uitzonderlijk. Op 12 maart 2001 kondigde minister Vande Lanotte aan
op zoek te gaan naar een nieuw en rechtvaardig begrip ter vervanging
van het negatief geworden bestaansminimumtrekker”, een
onzinnig idee waar de VRT uiteraard graag op in ging, en
waarmee ene Alex Van Goethem zijn fifteen minutes of fame
verdiende: “Natuurlijk ging de Vlaamse pers op zoek naar de
bedenker van dit succesvolle woord, dat al snel gezelschap kreeg van
onder meer leefloners, leefloongerechtigde en
leefloontrekker. Het bleek om Alex Van Goethem uit Antwerpen
te gaan, ‘chauffeur-leverancier bij een industriële wasserij’.
Op 19 juni zei Van Goethem tegen de Gazet van Antwerpen: ‘Er
bestaat de kans dat mijn woord later ook in Van Dale’s Woordenboek
wordt opgenomen. Dat geeft me toch een gevoel van onsterfelijkheid.’”
En mij de kans om te wijzen op hoe dit boekje na het Woord vooraf
in mekaar zit. Ik heb niet nageteld of er effectief
Tweehonderdvijftig woorden behandeld worden (het helemaal
achteraan opgenomen Alfabetisch register er op natellen, zou
uiteraard kunnen), maar in alfabetische volgorde en af en toe
onderbroken door een Fokke-en-Sukkecartoon wordt per woord wel meegegeven wat het betekent, waar en in welke
context het opdook, en wat er aan woorden achteraan kwam denderen.
Plus hier en daar een fait diversje, zoals bij 9/11:
“Voor autofabrikant Porsche was er onverwachte collaterale
schade: sinds de aanslagen in de Verenigde Staten verkoopt de
Porsche 911 minder goed.”
Maar ik had het een paar paragrafen geleden over het feit dat wat in
2001 nog nieuw was, nu geschiedenis is. Althans wat de oorsprong
betreft. Adware is er nog steeds, maar je kan er meer tegen
doen. Als antiglobalist ben ik zelf nog opgetreden in mijn
activistische jaren (al beschouwden wij de door de media gepromote
‘antiglobalisten’ van toen simpelweg als ‘andersglobalisten’,
een woord dat pas later doorbrak), maar ze zijn er nog steeds (vooral
in die ‘andersglobalistische’ vorm, bij mijn weten). De
BOB-campagnes, ontstaan in belgië, bestaan ook nog steeds en
zijn na 2001 nog verder uitgebreid dan naar Griekenland, Luxemburg en
Nederland. Bunkerkrakers werden in 2025 nog even hot news toen
ze door de immer vreedzame Amerikaanse regering werden ingezet om
atoomverrijkingsinstallaties in Iran mee aan te vallen, al werden ze
toen, voor zover ik me dat kan herinneren, bijna altijd aangeduid als
bunker busters. Documercials hebben het gezelschap
gekregen van (of hadden dat al, ik ben geen taalhistoricus)
advertorials. Geocaching is niet meer weggeweest sinds
zijn ontstaan, maar wordt nu niet precies door een grotere groep van
mensen beoefend. Muisklikactivisten lijken grotendeels over
hun hoogtepunt heen, behalve in de Vlaamse Beweging. Van
poederbrieven horen we nog heel zelden: de “massapsychose”
omtrent voor ‘anthrax’ doorgaand waspoeder ligt nu wel zo’n
beetje achter ons, in tegendeel tot – zo bleek toen de Amerikanen
vreesden ze wakker gemaakt te hebben met hun aanvallen op Iran –
slapers of zelfs hele sleeper cells (want het klinkt
natuurlijk indrukwekkender in het Engels). De tijd dat je ringtone
(een woord dat overigens al sinds 1998 circuleerde op het internet,
maar pas in 2001 debuteerde in de kranten) per se zeer persoonlijk
moest wezen duidelijk ook. Een fenomeen dat ook moet doorgedrongen
zijn tot het ‘daten’: speeddaten dateert
klaarblijkelijk uit 2001 en mensen zijn er nog steeds niet achter dat
het niet werkt. Alhoewel, onlangs zag ik – hoe bizar – op mijn
werk een affiche hangen voor speeddaten, maar dan offline.
Vroeger noemden we dat gewoon ‘uitgaan’, maar goed: achteruitgang
is in dit geval vooruitgang.
En dan zijn er de woorden die bij voorbaat al geen kans maakten
bekend te worden in het hele taalgebied. Het in de “Toptwintig”
genoemde Máximatour, bijvoorbeeld: “Máxima maakte als geen
ander duidelijk dat het wel degelijk mogelijk is om in korte tijd
goed Nederlands te leren spreken, wat slecht nieuws is voor prins
Bernhard, prins Claus en duizenden allochtonen en asielzoekers”,
schreef Sanders daar toen onder andere over. Maar dat kan ook een
beetje aan de Beaconstrictor gelegen hebben: “Hare [toen
nog, noot van mij] Majesteit de Koningin heeft de naam een
controlefreak te zijn. Omgang met controlefreaks kan erg
beklemmend zijn, en daarom is Bea’s nieuwe bijnaam –
Beaconstrictor – goed gevonden, want de boa constrictor is een
slang die zijn prooi door verstikking doodt. Beaconstrictor is
een vondst van Paul de Leeuw. Op 10 februari 2001 schreef De Leeuw in
NRC Handelsblad: ‘Ons land is in de greep van de
Beaconstrictor. Máxima wordt, listig, als opium voor het volk, in
kleine doseringen toegediend.’ De bijnaam dook later op in Het
Parool en is ook diverse malen op het internet te vinden.”
Zoals ‘Prins Pils’ en ‘Prins Willem Bier’ voor,
intussen, koning Willem-Alexander dus.
Moet ik het nog over fietsflat en fietspoolpunt hebben?
Misschien dringen die woorden ooit nog eens door in – uiteraard –
Gent, maar voor de rest is de kans dat Vlaanderen zo massaal gaat
fietsen dat er een eigen woordenschat uit ontstaat quasi onbestaande.
Over kaasslaaf dan, een “buitenlander die op onderdanige
wijze wetten, normen en waarden van de Nederlanders overneemt”,
waarvoor bij belgische mocros allicht een eigen woord bestaat,
als er nog ergens iets van onze “wetten, normen en waarden” te
onderscheiden zou zijn? Over kijken of je gras in de ArenA
ziet groeien, een zin eigenlijk, waarvan ik niet direct een variant
zie ontstaan rond de Ghelamco Arena, excuseer, Planet Group
Arena, en die kennelijk een eigentijdse variant van ‘kijken of
je het in Keulen hoort donderen’ vormt? Of over melkdubbeltjes
(de euro werd pas bij de overgang van 2001 naar 2002 als fysieke munt
ingevoerd), over prepromo’s, probeerbonnen, de
schoensmeersurinaamse Tara Singh Varma (een term uitgevonden
door Youp van ‘t Hek, die kennelijk van oordeel was dat genaamde
behalve leugenachtig ook niet kleurvast was), of verleefbarisering,
zijnde “de opmars van lokale politieke partijtjes die zich
‘Leefbaar X’ noemen, van ‘Leefbaar Alblasserdam’ tot
‘Leefbaar Zaandam’”, een fenomeen dat ontstond naar aanleiding
van de furore die Pim Fortuyn toen maakte met Leefbaar Nederland?
Ewoud Sanders noémt Fortuyn niet eens in het ‘lemma’ rond
verleefbarisering. Dat zou misschien anders geweest zijn in de editie
2002, het jaar waarin hij vermoord werd. Om maar te zeggen dat
taalgeschiedenis ook wel eens aan andere geschiedenissen doet denken.
Een niet geheel onnuttig boekje dus, dit De taal van het jaar,
maar wegens nogal eenzaam in zijn soort ook geen houdertje.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !