Vele jaren geleden zag ik de eind 2008 verschenen film The Curious
Case of Benjamin Button. Ik herinnerde me er vooral van dat ik ‘m
goed vond, dat ie over een man ging die oud geboren werd en steeds
jonger begon te worden, en dat Brad Pitt, die ‘voortdurend’
pindakaas rechtstreeks uit de pot lepelde, er in zat. Wat ik niét
meer wist, was dat de film honderdzesenzestig minuten lang was (2:46
uur dus). En wat ik nooit geweten had, was dat de film gebaseerd was
op een boek van F. Scott Fitzgerald, de auteur van wie ik in mei 2024
De Grote Gatsby besprak.
Sinds ik in de openbare bibliotheek een Nederlandstalige heruitgave onder
de nieuwst aangekochte boeken aantrof, is in dat laatste dus
verandering gekomen. En met die verandering toch een aantal vragen.
Bijvoorbeeld deze: hoe maak je een film van twee uur en zesenveertig
minuten van een boek dat, in grote druk op klein formaat, nog geen
zeventig bladzijden dik is? Wie of wat is Nordisk Menorah Press
behalve de kennelijke uitgever van dit werkje? En waarom zet je
achteraan in dat werkje een hele hoop uitleg over “geproduceerd in
overeenstemming met de EU GPSR-richtlijnen over de veiligheid van
producten”, een drukker die “veiligheidscertificaten [heeft]
afgegeven voor de gebruikte materialen, zoals inkt, papier en lijm”,
en een adres waar je terecht kan met “vragen over de veiligheid van
het product”, terwijl je kennelijk te lomp bent om te weten dat een
boek geen “product-ID” heeft maar een ISBN-nummer, de
auteur van de inleidende stukjes Over de auteur en Over het
werk naamloos laat, en zelfs de vertaler niet vermeldt?
Wel,
wat dat laatste betreft, zit het antwoord misschien in het adres waar
je moet zijn met “vragen over de veiligheid van het product”,
zijnde Bookmundo in de Delftsestraat 33 te Rotterdam. Daar zit
volgens deze webstek 24bookprint, “een jong, internationaal team van gemotiveerde
mensen die het jou mogelijk maken om je boeken, tijdschriften,
rapporten en nog veel meer te laten drukken” (vroeger heette zoiets
gewoon een drukkerij), een onderdeel van “het
Mybestseller-netwerk”, “een van de marktleiders in Europa op het
gebied van het publiceren van boeken”, en volgens deze webstek het al eerder genoemde Bookmundo, “een onafhankelijke club
mensen die iedereen in staat stelt zijn of haar verhaal te vertellen
en te delen met de rest van de wereld”. Of, zoals het op de webstek
van 24bookprint heet, “ons self-publishing platform, dat
alle auteurs in staat stelt hun droom van een eigen boek waar te
maken en geschikt is voor opkomende uitgevers die hun klanten
self-publishingdiensten willen aanbieden”. Het soort bedrijfjes dus
dat in plaats van zelf de risico’s te lopen die een uitgever loopt,
dat risico overdraagt naar de auteur en er toch minstens evenveel aan
verdient. Nog steeds geen idee van wat achter Nordisk Menorah
Press zit, maar als uitgeverij zal het niet groter zijn dan dit pocketboekje.
Waarmee we ook nog niet weten hoe je van zo’n dun boekje zo’n lange film
maakt, maar toegegeven: F. Scott Fitzgerald verspilt geen hele
bladzijden aan secure beschrijvingen van zijn personages en hun
omgeving, en maakt reusachtige sprongen in de tijd, maar weet op
hetzelfde moment een sfeer te scheppen die een filmmaker als kader
kan dienen terwijl hij het toch allemaal wat trager kan aanpakken.
Trager dan de auteur, terwijl die, volgens de inleiding, “in dit
korte verhaal (…) een fantastisch uitgangspunt [gebruikt] om
fundamentele vragen te stellen over tijd, identiteit en menselijke
verbondenheid”, waarmee “het verhaal (…) zijn speelse premisse
[overstijgt] en (…) zich [ontwikkelt] tot een melancholische
reflectie op vergankelijkheid en existentiële isolatie.” Een
inleiding waarna ik me afvroeg of daar in dat kleine beetje tekst
écht plaats genoeg voor was, en die inderdaad een beetje overdreven
is. F. Scott Fitzgerald roept met dit verhaal inderdaad “fundamentele
vragen” op en kan op die manier de tot (zelf)reflectie geneigde
lezer misschien aanzetten tot nadenken over “vergankelijkheid en
existentiële isolatie”, maar het is nu ook niet zo dat je uren aan
de gang blijft met dat gefilosofeer. Zelfs een niet bijster snelle
lezer leest dit boekje uit op nog geen uur tijd en dat lezen kan
behalve tot filosoferen ook tot (glim)lachen leiden. Van zinnen als
“Voor het eerst maakten zij kennis met de charmante oude gewoonte
om een kind te krijgen – meneer Button was dan ook zeer nerveus”,
“De dokter wreef zich de handen met dat typische wasgebaar dat alle
artsen volgens een ongeschreven erecode moeten maken”, of “Er was
geen vergissing mogelijk – hij staarde naar een man van zeventig –
een baby van zeventig, wiens voeten over de rand van de wieg
bungelden waarin hij lag”, word je in ieder geval eerder vrolijk
dan bespiegelend. En dat geldt eigenlijk voor dit hele verhaal.
Nee,
het personeel in het ziekenhuis is niet gelukkig met de toestand, het
personeel op de verschillende scholen die Benjamin Button naderhand
bezoekt al evenmin, zijn echtgenote blijft het maar tijdelijk, de
militairen eveneens, en z’n eigen zoon wil hem uiteindelijk het
liefst voor de buitenwereld verbergen, maar dat is ook precies wat je
kan verwachten in een wereld waarin alles één richting uitgaat, die
naar het einde, terwijl het hoofdpersonage de andere richting
uitgaat, die naar het begin. Absurd is het, maar nooit triest. Daar
schept de auteur ook geen gelegenheid toe. Van “‘Goed, vader’ –
dit met een groteske nabootsing van kinderlijke gehoorzaamheid– ‘u
hebt langer geleefd, u weet het het beste” ben je zo bij “Benjamin
zat met een schuldig gezicht te proberen de peuk van een donkere
havanna te verbergen”, en van “Toen hij vijf was, stuurden ze hem
naar de kleuterschool, waar hij werd ingewijd in de kunst van het
plakken van groen papier op oranje papier, het vlechten van gekleurde
landkaarten en het maken van eeuwigdurende kartonnen kettingen” kom
je via toch wel mooie beschrijvingen als “late oogstbloemen ademden
in de windstille lucht geuren uit die klonken als zacht, half gehoord
gelach” in een handomdraai (of bladomdraai) zo bij “de eerste
liefde”, terwijl er toch niks ergers gebeurt dan wat geroddel: “Men
beweerde dat Benjamin eigenlijk de vader van Roger Button was, dat
hij zijn broer was die veertig jaar in de gevangenis had gezeten, dat
hij John Wilkes Booth in vermomming was – en ten slotte dat er twee
kleine conische hoorntjes uit zijn hoofd groeiden”. Geroddel en in
de omgekeerde volgorde dingen leren kennen en er afscheid van nemen.
In de omgekeerde volgorde en toch weer niet altijd. Benjamin Button
raakt zijn vrouw beu omdat ze “te vastgeroest geraakt [was], te
kalm, te tevreden, te bloedarmoedig in haar opwinding, te bezadigd in
haar smaak”, maar dat zijn sentimenten die niet noodzakelijk
samenhangen met omgekeerd evolueren (al zal dat ook niet helpen om
het proces in kwestie aanvaardbaarder te maken). En z’n vrouw
verwijt hem dat hij “niet wil(…) lijken op wie dan ook”, maar
dat is ook geen kwestie van steeds jonger worden. En hij slaagt er
niet meer in om in het sportteam te komen omdat hij steeds jonger en
minder krachtig wordt, maar wat is uiteindelijk het verschil met
daarin niet meer slagen omdat je steeds ouder en minder krachtig
wordt? Wat is het verschil tussen niet meer kunnen studeren omdat je
hersenen niet meer ver genoeg ontwikkeld zijn en niet meer kunnen
studeren omdat je hersenen al over hun hoogtepunt heen zijn? Wat
maakt het uit of je kinderen je verbergen voor de wereld omdat je er
op ‘achteruit’ gaat of omdat je er op ‘vooruit’ gaat? Met een
béétje ‘slechte’ wil, maak je van dit merkwaardige geval
een gewoon geval, een gewoon geval dat op een merkwaardige manier
bekeken wordt om het merkwaardige ervan in de kijker te zetten. Ik
zou niet durven beweren dat F. Scott Fitzgerald (ook) dat nastreefde,
maar het idee alleen al zorgt voor extra leesplezier bij dit sowieso
al plezierig om lezen zijnde verhaal.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !