vrijdag 15 mei 2026

1421 – Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte – Gavin Menzies (boekbespreking door Björn Roose)

1421 – Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte – Gavin Menzies (boekbespreking door Björn Roose)
“China was in de eerste helft van de vijftiende eeuw de machtigste zeevarende natie ter wereld en maakte een ongekende culturele en wetenschappelijke bloei door. In 1421 vertrok een vloot onder leiding van de eunuch-admiraal Zheng He voor een zeereis met als doel naar het einde van de wereld te varen. Toen de vloot twee jaar later terugkeerde, was China veranderd: het land was in zichzelf gekeerd en stond aan het begin van een eeuwenlange periode van volstrekte isolatie. De schepen rotten weg, en de bewijzen dat de Chinese vloot – zeventig jaar vóór Columbus – Amerika had bereikt, en dat de Chinezen – een eeuw vóór Magalhães – de aarde rond waren gevaren, raakten verloren. Ook hadden zij Antarctica ontdekt en waren zij in Australië geweest.”

Geef toe, als je bent opgevoed met het ei van Columbus, zijn Santa Maria, Niña en Pinta, met Vasco da Gama, Amerigo Vespuci, Cortés en Pizarro, dan is die inleiding op de achterflap van Gavin Menzies’ vierhonderd bladzijden dikke, in 2002 in Nederlandse vertaling bij Ambo uitgegeven, 1421 – Het jaar waarin China de Nieuwe Wereld ontdekte, toch wel reden genoeg om dat boek te lezen? Dat is dan ook wat ik deed. Net zoals vele anderen. Ook professionele geschiedkundigen. En die, die professionele geschiedkundigen, waren met dit boek niet blij. Om meerdere redenen allicht.

Ten eerste was de in 2020 overleden Gavin Menzies geen vakgenoot van hen, hij was, zoals ook op de achterflap aangegeven, “onderzeebootofficier bij de Britse marine”. Niet dat dat hem belette gedegen onderzoek te doen – “Voor zijn onderzoek bezocht hij honderdtwintig landen, zo’n negenhonderd musea en bibliotheken en alle belangrijke havensteden van de late Middeleeuwen”, vermeldt de achterflap -, maar historici zijn, als ze niet werkloos zijn of wegens het feit dat er nu eenmaal uit iedere opleiding meer middelmatigen komen dan excellenten in een andere sector aan de slag, een beetje een sekte en hebben niet graag dat wie niét officieel tot hun sekte behoort zich bemoeit met hun winkel. Ik kén een amateurhistoricus die in die hoedanigheid schitterend werk leverde en een aanzienlijk aantal boeken had geschreven, maar net omdat hij door die lieden niet serieus genomen werd professioneel historicus is geworden. D.w.z. zijn universitair diploma haalde en zijn doctoraat, maar wel ná zijn uren, uren waarin hij een ‘gewone’ job had.

Ten tweede omdat Menzies vlot schreef, de lezer wist mee te nemen in zijn verhaal, en daarmee van dit boek een bestseller wist te maken. Als amateurhistorici dan al iéts mogen doen van de ‘echte’ historici, dan is het zich bezig houden met foto’s van lokale wielrenners, de geschiedenis van de carnavalsstoet in hun dorp, of desnoods het verhaal van een – al dan niet naoorlogse – verzetsheld uit hun streek, daar desnoods een publicatietje aan wijden, bij voorkeur eentje dat uit geniete fotokopietjes bestaat, maar verder dan de gemeentelijke heemkundige kring moet de verspreiding daarvan vooral niet reiken. Dat het overgrote deel van de beroepshistorici absoluut belabberd schrijft, daarmee alleen gelezen wordt (als dat al zo is) door de sektegenoten, en dus nul bekendheid geniet bij een groter publiek (waar de heren en dames dan uiteraard op neerkijken), is al erg genoeg, per slot van rekening.

Ten derde vanwege het feit dat Menzies iets inbrengt dat professionele historici, net omdat ze professionele historici zijn, over het algemeen niet hebben: een ruime ervaring als zeeman. In een van de commentaren van beroepshistorici die ik las, werd het feit dat Menzies het regelmatig over winden, stromingen, en vooral kaarten heeft, kennis die hij gebruikt om in te schatten hoe de Chinese vlo(o)t(en) zich over de zeeën en oceanen bewogen hebben, zo ongeveer afgedaan als ‘Pfff, alsof dat van enig belang is!’, en dat was dan nog een commentaar waarin dat aspect van Menzies’ wetenschappelijke kennis werd meegenomen. Het deed me allemaal een beetje denken aan de erkenning die Thor Heyerdahl kreeg naar aanleiding van zijn boek over De Kon-Tiki expeditie: ook dat werd door een hele horde academici aangevallen, al was Heyerdahl dan wel een professioneel antropoloog, terwijl het door het grote publiek (in een massa vertalingen) enthousiast werd begroet, maar het leidde ook tot discussie over oude zeereizen en een bredere belangstelling voor antropologie en historische navigatie. Een mens zou kunnen hopen dat dit boek van Menzies hetzelfde effect heeft (daartoe heeft hij in ieder geval nog zelf een stichting helpen opzetten), maar het lijkt er, zo leer ik uit een – toegegeven, niet al te uitgebreide – zoektocht op het internet, vooralsnog op dat ‘de wetenschappelijke wereld’ de theorievorming van Menzies afdoet als fictie omdat die theorievorming niet helemaal tot stand is gekomen op de manier die de, ongetwijfeld baanbrekende, beroepshistorici hanteren. Iets waar ze uiteraard minder lawaai zouden over maken als Menzies, tot overmaat van ramp, niet ook nog zou geschreven hebben dat die (westerse) beroepshistorici vasthouden aan hun eurocentrische theorieën over de ontdekkingsreizen omdat ze anders helemaal de boeken zouden kunnen dichtdoen. Als je niet verder wénst te kijken dan de ‘gevestigde waarheid’ en je ‘wetenschappelijk onderzoek’ alleen maar neerkomt op verder uitdiepen van die ‘gevestigde waarheid’, dan ben je misschien wel een beroeps, maar zeker geen wetenschapper.

Nu goed, ik wil u dat even meegeven, maar ik ga ook niet beweren dat alles wat Menzies in dit boek geschreven heeft evangelie is. Het stukje van de achterflap dat ik nog niet geciteerd heb, toont ook aan dat de uitgever dat oordeel deelt: “Als in een historische detective vertelt Gavin Menzies over oude scheepskaarten, navigatietechnieken en astronomie, en citeert hij uit de overgeleverde aantekeningen van de Chinese ontdekkingsreizigers en hun latere Europese navolgers. Hij reist rond de wereld en vindt een overdaad aan bewijzen van de vroegere aanwezigheid van de Chinezen. 1421 geeft de wereldgeschiedenis een nieuw aanzicht en bevat stof voor nog vele jaren verder onderzoek naar een van de boeiendste periodes uit de geschiedenis.”

Ja, het is dus een beetje een “historische detective”, maar het is geen De Da Vinci Code of een Het Bernini Mysterie. Het is een detective precies omdat het geen ‘gevestigde waarheid’ is, omdat Menzies op basis van een massa losse puzzelstukjes en zijn kennis van zeereizen en kaarten een theorie tracht gestalte te geven. Op een aantal van die puzzelstukjes kan kritiek geleverd worden, maar de voornaamste kritiek die ik van beroepshistorici ter zake gelezen heb, bestond – o, wat een verrassing – uit ‘Menzies kan niet aantonen dat dat stukje in zijn puzzel past’, niet uit ‘Dit stukje past in een andere puzzel waarvan we wel het grootste deel van de stukken bij mekaar hebben’. Een van de beroepshistorici schrijft ergens dat deeltjes van dit boek kunnen voorgelegd worden aan studenten geschiedenis die dan mogen aantonen waarom ze ‘fictie’ zijn, iets wat redelijk lijkt, maar wetenschappelijke objectiviteit zou dan toch vereisen dat de opdracht luidt na te gaan of die deeltjes feit óf fictie zijn (iedereen weet dat met de vraag het antwoord gestuurd wordt) en of er aanvaardbare alternatieve theorieën over die “overdaad aan bewijzen” zijn. Dat Menzies niet noodzakelijk kon bewijzen dat A klopt, wil nog niet zeggen dat A niét klopt, laat staan dat een totaal niet bewezen B dan klopt.

En, ja, Menzies heeft met 1421 een allesomvattende theorie willen leveren. Misschien is dat een beetje te hoog gegrepen. Misschien had hij zich moeten concentreren op één puzzelstukje en daar zijn gelijk over aantonen. Om dan misschien aan een tweede stukje te beginnen en dáár zijn gelijk over aan te tonen. Enzovoort. Maar wanneer mag je dan precies aan algemene theorievorming gaan doen? Wanneer mag je besluiten dat puzzelstukjes bij mekaar horen en niet allemaal deel uitmaken van allemaal verschillende gehelen? En doen ‘wetenschappers’ in het algemeen dat dan? Gaan ze zich bij iedere appel die naar beneden valt opnieuw afvragen waarom dié appel naar beneden valt of gaan ze er van uit dat ook dié appel dat doet op basis van de algemene theorie rond de zwaartekracht? Gaan ze als er ooit eens iets naar boven valt dat negeren? Gaan ze als er dan nóg iets naar boven valt dat eveneens negeren, maar er ook van uitgaan dat dat tweede iets niets te maken heeft met het eerste? Of gaan ze toch de twee gevallen samen nemen en er een alternatieve algemene theorie rond proberen te bouwen? Als ze dat niét zouden doen, zou het grote publiek dan niet het recht hebben hen niet als ‘wetenschappers’ te beschouwen, maar als vakidioten? Mij lijkt het van wel. Vooral omdat de basisstelling van Menzies klopt: de heren Europese ontdekkingsreizigers gingen niet blindelings op weg, ze hádden kaarten. En op die kaarten stonden dingen die ze zelf niet ontdekt hadden. Wat ofwel wou zeggen dat degenen die de kaarten maakten zeer veel fantasie hadden en mét die fantasie ‘toevallig’ vaak doel troffen ofwel hun mosterd elders gehaald hadden, zijnde bij mensen die die gebieden al verkend hadden.

Menzies wijst er terecht op dat de beroepshistorici de authenticiteit van de kaarten van Pizzigano (uit 1424), Fra Mauro (uit 1459), Cantino (uit 1502), Caverio (uit 1505), Waldseemüller (uit 1507), Piri Reis (uit 1513) en Jean Rotz (uit 1542) niet betwisten en dat die kaarten gebieden omvatten waar de Europese ontdekkingsreizigers niet waren geweest. Menzies wijst op stèles in China waarop gesteld wordt dat eerder genoemde Zheng He “drieduizend grote en kleine landen’ bereikte, maar ook op tot op dit moment niet nader toegewezen exemplaren in Sri Lanka, de Kongo-delta, Cabo Verde, Noord-Amerika, Brazilië en Nieuw-Zeeland. Menzies wijst op Chinese illustraties uit 1430 waarop niet alleen leeuwen en olifanten uit India, maar ook zebra’s en giraffen uit Afrika, en gordeldieren, jaguars en grondluiaards uit Zuid-Amerika te zien zijn. Hij wijdt zeer veel aandacht aan het belang van de berekening van lengtegraden, de Chinese sterrenkundige kaarten, maar bijvoorbeeld ook aan een Koreaanse kaart uit 1402, de Gangnido, waarop niet alleen China te zien is, maar ook grote stukken van Afrika (tot en met Kaap de Goede Hoop), en Europa (waar onder andere Alumangia, Duitsland, met naam wordt genoemd). Hij wijst op ontmoetingen van, onder andere, Columbus, met bevolkingsgroepen die wellicht Chinees, of minstens Aziatisch, zijn (iets wat Menzies afleidt uit het feit dat ze als blank/geel worden omschreven en witte jurken dragen) en op verslagen/sagen/tekeningen van onder andere aboriginals over ontmoetingen met dito mensen. Hij besteedt aandacht aan het feit dat planten en dieren die van oorsprong op de ene plaats voor kwamen zich ook al op een andere bevonden vóór de Europese ontdekkingsreizigers ze begonnen te transporteren. Rijst, papavers en bepaalde rozen die verhuisden van China naar Noord-Amerika, bijvoorbeeld. Zoete aardappelen van Zuid-Amerika naar eilanden in de Grote Oceaan. Aziatische kippen in Zuid-Amerika, paarden in Noord-Amerika, Chinese honden in Mexico, zeeotters in Nieuw-Zeeland, enzovoort, enzovoort. Hij gaat in op sporen van mijnbouw en andere industriële activiteiten, op scheepswrakken die niet van Europese oorsprong zijn, op beeldjes uit jade, op bronzen leeuwen, op onyxen kevers,... Allicht klopt niet álles wat de auteur meegeeft in zijn Appendix 1, Chinese zeereizen rondom de wereld 1421-1423: aanvullend bewijsmateriaal, maar wát hij meegeeft, is op z’n minst goed voor massa’s vragen en verder onderzoek, iets wat kennelijk niet gebeurd is, of toen nog niet gebeurd was. De Verslagen van ooggetuigen (Appendix 2) zijn talrijk, niet afkomstig van amateurhistorici óf beroepsexemplaren, en verdienen gelezen te worden. De Belangrijkste kaarten waarop de eerste reis rondom de wereld is weergegeven (Appendix 3) zijn nog te bezichtigen in musea, aan universiteiten of in bibliotheken. De uitleg omtrent Bepaling van de geografische lengte door de Chinezen aan het begin van de vijftiende eeuw (Appendix 4) gaat mijn petje te boven, maar wordt voor zover ik weet niet tegengesproken. De Bibliografie is uitgebreider dan vele bibliografieën die ik in boeken van professionals tegengekomen ben. De uitleg omtrent de omslag van China van zeer naar buiten gericht rijk naar uitermate naar binnen gekeerd rijk in het eerste hoofdstuk, Het Chinese keizerrijk, wordt zelfs door de beroepshistorici niet aangevochten.

Enfin, volgens mij zijn er redenen zat om zelfs als je de theorievorming van Menzies niet zomaar aanneemt dit boek toch te lezen. De eurocentrische visie op de geschiedenis verdient het in twijfel getrokken te worden en Menzies geeft met dit boek, waaraan hij nota bene veertien jaar gewerkt heeft, en zijn alternatieve theorievorming op zijn minst aanleiding genoeg om dat te doen. “De constatering dat de Chinezen de Nieuwe Wereld en Australië hebben ontdekt, betekent niet dat de prestaties van Dias, Columbus, Magalhães en Cook daarom minder belangrijk zijn geweest en aan hun nagedachtenis wordt zeker geen afbreuk gedaan”, schrijft Menzies dan ook in zijn epiloog. “De heldendaden van deze ontdekkingsreizigers zullen nooit worden vergeten, maar het wordt nu tijd om anderen te eren die veel te lang totaal onbekend zijn gebleven. Die opmerkelijke Chinese admiraals zeilden zesenzestig jaar vóór Dias om Kaap de Goede Hoop en negenentachtig jaar vóór Magalhães door de huidige Straat van Magallanes, zij verkenden drie eeuwen vóór kapitein Cook Australië, vier eeuwen vóór de Europeanen Antarctica en het noordpoolgebied en zeventig jaar vóór Columbus Amerika. De grote eunuch-admiraals Zheng He, Hong Bao, Zhou Man, Zhou When en Yang Qing verdienen het te worden herdacht en geëerd omdat zij de eersten, de dappersten en avontuurlijksten waren van alle ontdekkingsreizigers die de wereld op de kaart hebben gezet. De mannen die volgden, hoe groot hun prestaties ook zijn geweest, zeilden achter hen aan.” Als dat geen uitdaging is aan, al dan niet professionele, historici om op z’n minst aan te tonen in welke puzzel(s) al die losse puzzelstukjes dan wél thuishoren, dan weet ik het ook niet meer.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !