dinsdag 19 mei 2026

Zondag in de week – Gaston Durnez (boekbespreking door Björn Roose)

Zondag in de week – Gaston Durnez (boekbespreking door Björn Roose)
Terwijl ik over déze cursiefjesbundeling van Gaston Durnez, getiteld Zondag in de week en uitgegeven bij Heideland-Orbis in 1969, niet eens lang gedaan heb (soms ligt het voorleestempo – zie mijn bespreking van andere dergelijke bundels – een stuk hoger dan anders), blijkt het inmiddels toch al van eind oktober vorig jaar geleden dat ik nog een bespreking van een andere bundel van Durnez, Sun Corner Bar, publiceerde. Niet dat dat hindert, daar niet van, maar als er – dat heb ik even vooraf uitgerekend, dus kan ik er wel een weekje naast zitten -, tussen de vorige bespreking en de voorliggende meer dan een half jaar zit (ik verwacht voorliggende bespreking te publiceren ergens half mei), dan heb ik nog wel voor even cursiefjes in voorraad, al zijn er daar bij lange niet genoeg bij van de hand van Durnez.

Dat ik de werken van die in 2019 op zijn eenennegentig overleden schrijver wel lust, heeft u immers al kunnen afleiden uit niet alleen mijn bespreking van Sun Corner Bar, maar ook die van Mijn leven onder de Belgen, Kijk, paps, een Belg!, God is een Sinjoor, Een vogel in de brievenbus, Duizend kussen voor iedereen, De lach van Chesterton, Denkend aan Nederland, De engel op het eiland, Kermis en Een mens is maar een wandelaar, maar Zondag in de week is op zijn manier (ook weer) een bijzondere, edoch geen vreemde, eend in de bijt. Zoals op de binnenflap door Durnez vermeld wordt, “bevat [dit boek] stukjes die ik schreef voor De Bond, Rosita of Het Volk” en draagt hij ze op “aan de grootmoeders en grootvaders van mijn kinderen” (voor wie iets minder goed is in rekenen of genealogie: aan zijn ouders en die van zijn echtgenote), iets wat hij doet vanwege de op de achterflap vermelde motivering van de selectie: een “keuze uit zijn kronieken, waarin hij iets poogde vast te leggen van de vreugde die zijn kinderen hem bezorgden”.

Iets wat hem, vader van – als ik me niet vergis – vijf kinderen, zijnde drie zonen en twee dochters, bijzonder goed gelukt is. Een feit dat dan weer te danken lijkt aan de onschuld waarmee Durnez zelf de wereld tegemoet lijkt te treden. Een zin als de volgende, de eerste van het eerste stukje, Spelletje getiteld, is uiteraard grappend bedoeld, maar je voelt dat het kind in Durnez zelf ergens aan de knoppen zit: “Er belt een mijnheer aan mijn deur, in de stellige overtuiging dat ik financieel en kultureel geschikt ben voor een encyclopedie.” Een zin ook die meteen duidelijk maakt dat dit boekje effectief al vijfenvijftig jaar oud is, want de laatste keer dat ik nog mensen een encyclopedie van een leurder heb weten kopen, waren die mensen mijn ouders en bevonden we ons ook nog in het decennium waarin de tweede druk van dit boekje verscheen, zijnde de jaren ‘70. Een zin echter even goed die ook na zoveel jaar nog poëtisch klinkt. Zoals “Luidsprekers trachtten elkaar de stembanden af te bijten” (in Kermisvogels), “Hij blonk als een nieuwe goudvis” (in Verjaardag), of “De duinen zetten boos een hoge rug” (in Fort), en zovele andere pareltjes waarmee ook déze stukjes weer doorspekt zijn.

Zoals ze ook – dat mag je uiteraard verwachten in een bundel waarin de auteur “iets poogde vast te leggen van de vreugde die zijn kinderen hem bezorgden” – doorspekt zijn van die dingen die kinderjaren, op zijn minst het soort jaren dat kinderen doormaakten op het platteland van die jaren, in een huishouden van Jan Steen (“ik heb horen zeggen dat er in een huisgezin met kinderen toch een minimum orde en tucht zou moeten heersen”, schrijft Durnez ergens), zo typeren en waar je wel moét van houden als je die vreugde wil beleven. Onzichtbare vriendjes bijvoorbeeld: “‘Zijn’ Paul mag alles, heeft alles en kan alles. Wie het precies is, weten wij niet. Het moet een vriendelijke knaap zijn die hem eenmaal, lang geleden, in de kleuterschool een brokje van zijn eigen kauwgum heeft gegeven of die hem misschien wel een grote hap uit zijn ijsje liet nemen. Sindsdien is de jongen zelf helemaal van onze zoon.” Het waren tijden vóór The Shining (met Tony, het onzichtbare vriendje van Danny Torrance), niemand dacht toen dat onzichtbare vriendjes wel eens gevaarlijk konden worden. Of speelgoed for that matter (zie De aap van Stephen King): “Hun grote beer hielden ze stevig bij de zachte poten. Hij keek met zijn blinkende oogjes gedachteloos naar het luide kinderspel. De zwarte streep van zijn mond glimlachte stil en wijs.” Maar goed, Durnez was eerder een sprookjes- dan een horrorfan: “Ik stel mij ineens een verhaal voor over een dichter die in zijn jeugd allerlei mooie woorden uitknipt en op grote bladen plakt die hij beschermt met zacht doorschijnend papier, om ze niet te beschadigen. En later, als hij oud en schijnwijs is geworden, en als hij geen grote-mensen-woorden meer heeft, omdat ze versleten zijn door het jarenlange gebruik en verbleekt door de tranen, later grijpt die dichter naar het boek en hij haalt er de woorden uit die hij daar als kind heeft ingeplakt. En met die woorden uit zijn jeugd maakt hij nieuwe gedichten en nieuwe verhalen, die de mensen blijgezind maken en hem troosten.”

Hoe mooi is dat niet bedacht en geschreven? En hoe vloekt dat niet met een andere ervaring die ouders en kinderen, bij voorkeur in zeer beperkte mate, opdoen: “‘Waarom moet ik altijd in mijn bed blijven?’ De stappen verdwenen in de jongenskamer. Er klonken nog wat losse woorden. Dan een klets van een hand op iets dat heldere weerklank gaf, gevolgd door een luide schreeuw. Ik knikte goedkeurend naar de duisternis. Wat later kwam mijn vrouw de kamer binnen. Zij was een tikje ontdaan. ‘Weet je wat hij nù zegt? Ik leg hem weer in zijn bed, hij spartelt en worstelt, ik geef hem een klets, en hij bekijkt mij eens en roept: ‘Hier houdt er niemand meer van mij!’ Zou hij… ik bedoel… wat wil zo’n kleine jongen daar nu mee zeggen?… Zou hij…’” Twijfel aan zichzelf die vooral moet optreden in gezinnen zoals dat van Durnez, een vader die ongetwijfeld héél veel toeliet (of op z’n minst de lezer die indruk gaf): “Achter in de tuin, waar een scherm van bomen de weg verspert, ligt het Land van Avontuur. Er loopt een gracht, als een wal rond een burcht van onkruid en achtergebleven snoeihout. In de zomer schiet het scherpe gras er hoger op dan elders in de tuin. Vroegere beschavingen hebben er diepe rimpels achtergelaten in de bodem en rond de gracht een gordel van graszoden aangelegd. Onervaren mensen als mijn vrouw en ik komen er zelden. Het ligt te ver van de bewoonde wereld. Wij begeven ons alleen maar ter plaatse, wanneer de onversaagde trappers die er winter en zomer rondzwerven onze hulp komen inroepen.” Hoeveel mensen hebben nog zo’n tuin, hebben nog een tuin tout court, een tuin waarin kinderen kampen kunnen bouwen en ouders er niet op staan dat ‘s avonds de ‘rommel’ is opgekuist? Ik kende zo’n mensen in mijn jeugd, maar mijn ouders waren er, ondanks het feit dat we wél veel tijd op straat doorbrachten, geen van. Mijn vader kwam al zeggen dat we alles moesten opruimen vóór we het uit de kast gehaald hadden. En een tent opzetten in de tuin zat er dus ook al niet in, zelfs niet als die tent eigen makelij zou zijn geweest: “Hij had ze zelf gemaakt, ginder op het ossewegje achter het gazon, in de schaduw van de muurboompjes en de jasmijnen, die nog alleen van herinneringen leefden. Het was een mooie tent. Een degelijke tent. Eerst had hij twee stoere stokken in de grond geslagen, ‘op gelijke afstand van mekaar’. Daartoe gebruikte hij een echte, stevige, ijzeren hamer, die sindsdien spoorloos verdwenen is. Tussen de stokken spande hij een touw en daar legde hij een bleek overgordijn op dat al een paar jaar uit zijn ambt was ontheven. Hij nagelde het met kachelhoutjes vast aan de wereld. Ergens uit de duistere wanorde van het stalletje, dat wij destijds tot zijn atelier hebben bevorderd, diepte hij een zeildoek op. Dat moest de vloerbekleding worden.”

Je kan het je zo inbeelden, net zoals je je dit kan inbeelden, al is er voor dit op de lawaaierige wereld waar we meer dan vijftig jaar later ons leven doorbrengen wel wat meer fantasie nodig: “Uitgeput door de gedachte aan het vele werk dat mij wachtte, zat ik die namiddag in mijn zetel te mijmeren over zo goed als niets. Het was rustig en warm, de hele stad lag buiten haar muren te zonnen op de oevers van de Snelle Vliet en ongeveer alle kinderen liepen ergens vakantieliedjes te zingen. De stilte van het huis werd aangedikt door het verre geroezemoes van knorrige auto’s die over de grote weg naar elders reden om terug te kunnen komen. In de tuin stond de witte muur te blinken en iemand riep kom-kom-kom op een zeer late reisduif.”

“Zo gebeurt dat op menige zachte avond na menige drukke dag in veld en wei, als iedereen moegedraafd en moegespeeld, als alle gras platgetrapt is en alle opgelaten vliegers weer binnen zijn gehaald met het opgerolde touw van hun vrijheid. De boterhammen en de stoofperen zijn haastig soldaat gemaakt, het bad is vol- en leeggelopen, de zeep en het washandje drijven lustig in de plassen. Het is avond, iedereen wil nog even buiten omdat het een fijne dag was die je niet zomaar in één keer op kunt bergen bij het verleden”, noteert Durnez in Spoken. Daarmee geen spoken oproepend, maar een weemoed waarvan je ook als volwassene nog wel eens wat voelt aan het eind van een mooie zomer, maar toch nooit zo sterk als die naar de lente van je leven in de zomers van toen. Durnez had al kinderen toen ik nog niet geboren was, maar door zijn herinneringen aan die van hem, beleef je ook weer een beetje je eigen jeugd. Als je tenminste de zomers van toen nog hebt meegemaakt.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !