Terwijl ik over déze cursiefjesbundeling van Gaston Durnez, getiteld
Zondag in de week en uitgegeven bij Heideland-Orbis in
1969, niet eens lang gedaan heb (soms ligt het voorleestempo – zie
mijn bespreking van andere dergelijke bundels – een stuk hoger dan
anders), blijkt het inmiddels toch al van eind oktober vorig jaar
geleden dat ik nog een bespreking van een andere bundel van Durnez,
Sun Corner Bar,
publiceerde. Niet dat dat hindert, daar niet van, maar als er – dat
heb ik even vooraf uitgerekend, dus kan ik er wel een weekje naast
zitten -, tussen de vorige bespreking en de voorliggende meer dan een
half jaar zit (ik verwacht voorliggende bespreking te publiceren
ergens half mei), dan heb ik nog wel voor even cursiefjes in
voorraad, al zijn er daar bij lange niet genoeg bij van de hand van Durnez.
Dat ik de werken van die in 2019 op zijn eenennegentig overleden
schrijver wel lust, heeft u immers al kunnen afleiden uit niet alleen
mijn bespreking van Sun Corner Bar, maar ook die van Mijn
leven onder de Belgen,
Kijk, paps, een Belg!,
God is een Sinjoor,
Een vogel in de brievenbus,
Duizend kussen voor iedereen,
De lach van Chesterton,
Denkend aan Nederland,
De engel op het eiland,
Kermis en Een mens is maar een wandelaar,
maar Zondag in de week is op zijn manier (ook weer) een
bijzondere, edoch geen vreemde, eend in de bijt. Zoals op de
binnenflap door Durnez vermeld wordt, “bevat [dit boek] stukjes die
ik schreef voor De Bond, Rosita of Het Volk”
en draagt hij ze op “aan de grootmoeders en grootvaders van mijn
kinderen” (voor wie iets minder goed is in rekenen of genealogie:
aan zijn ouders en die van zijn echtgenote), iets wat hij doet
vanwege de op de achterflap vermelde motivering van de selectie: een
“keuze uit zijn kronieken, waarin hij iets poogde vast te leggen
van de vreugde die zijn kinderen hem bezorgden”.
Iets wat hem, vader van – als ik me niet vergis – vijf kinderen,
zijnde drie zonen en twee dochters, bijzonder goed gelukt is. Een
feit dat dan weer te danken lijkt aan de onschuld waarmee Durnez zelf
de wereld tegemoet lijkt te treden. Een zin als de volgende, de
eerste van het eerste stukje, Spelletje getiteld, is uiteraard
grappend bedoeld, maar je voelt dat het kind in Durnez zelf ergens
aan de knoppen zit: “Er belt een mijnheer aan mijn deur, in de
stellige overtuiging dat ik financieel en kultureel geschikt ben voor
een encyclopedie.” Een zin ook die meteen duidelijk maakt dat dit
boekje effectief al vijfenvijftig jaar oud is, want de laatste keer
dat ik nog mensen een encyclopedie van een leurder heb weten kopen,
waren die mensen mijn ouders en bevonden we ons ook nog in het
decennium waarin de tweede druk van dit boekje verscheen, zijnde de
jaren ‘70. Een zin echter even goed die ook na zoveel jaar nog
poëtisch klinkt. Zoals “Luidsprekers trachtten elkaar de
stembanden af te bijten” (in Kermisvogels), “Hij blonk als
een nieuwe goudvis” (in Verjaardag), of “De duinen zetten
boos een hoge rug” (in Fort), en zovele andere pareltjes
waarmee ook déze stukjes weer doorspekt zijn.
Zoals ze ook – dat mag je uiteraard verwachten in een bundel waarin
de auteur “iets poogde vast te leggen van de vreugde die zijn
kinderen hem bezorgden” – doorspekt zijn van die dingen die
kinderjaren, op zijn minst het soort jaren dat kinderen doormaakten
op het platteland van die jaren, in een huishouden van Jan Steen (“ik
heb horen zeggen dat er in een huisgezin met kinderen toch een
minimum orde en tucht zou moeten heersen”, schrijft Durnez ergens),
zo typeren en waar je wel moét van houden als je die vreugde wil
beleven. Onzichtbare vriendjes bijvoorbeeld: “‘Zijn’ Paul mag
alles, heeft alles en kan alles. Wie het precies is, weten wij niet.
Het moet een vriendelijke knaap zijn die hem eenmaal, lang geleden,
in de kleuterschool een brokje van zijn eigen kauwgum heeft gegeven
of die hem misschien wel een grote hap uit zijn ijsje liet nemen.
Sindsdien is de jongen zelf helemaal van onze zoon.” Het waren
tijden vóór The Shining (met Tony, het onzichtbare vriendje
van Danny Torrance), niemand dacht toen dat onzichtbare vriendjes wel
eens gevaarlijk konden worden. Of speelgoed
for that matter (zie De aap van Stephen King): “Hun
grote beer hielden ze stevig bij de zachte poten. Hij keek met zijn
blinkende oogjes gedachteloos naar het luide kinderspel. De zwarte
streep van zijn mond glimlachte stil en wijs.” Maar goed, Durnez
was eerder een sprookjes- dan een horrorfan: “Ik stel mij ineens
een verhaal voor over een dichter die in zijn jeugd allerlei mooie
woorden uitknipt en op grote bladen plakt die hij beschermt met zacht
doorschijnend papier, om ze niet te beschadigen. En later, als hij
oud en schijnwijs is geworden, en als hij geen grote-mensen-woorden
meer heeft, omdat ze versleten zijn door het jarenlange gebruik en
verbleekt door de tranen, later grijpt die dichter naar het boek en
hij haalt er de woorden uit die hij daar als kind heeft ingeplakt. En
met die woorden uit zijn jeugd maakt hij nieuwe gedichten en nieuwe
verhalen, die de mensen blijgezind maken en hem troosten.”
Hoe mooi is dat niet bedacht en geschreven? En hoe vloekt dat niet
met een andere ervaring die ouders en kinderen, bij voorkeur in zeer
beperkte mate, opdoen: “‘Waarom moet ik altijd in mijn bed
blijven?’ De stappen verdwenen in de jongenskamer. Er klonken nog
wat losse woorden. Dan een klets van een hand op iets dat heldere
weerklank gaf, gevolgd door een luide schreeuw. Ik knikte goedkeurend
naar de duisternis. Wat later kwam mijn vrouw de kamer binnen. Zij
was een tikje ontdaan. ‘Weet je wat hij nù zegt? Ik leg hem weer
in zijn bed, hij spartelt en worstelt, ik geef hem een klets, en hij
bekijkt mij eens en roept: ‘Hier houdt er niemand meer van mij!’
Zou hij… ik bedoel… wat wil zo’n kleine jongen daar nu mee
zeggen?… Zou hij…’” Twijfel aan zichzelf die vooral moet
optreden in gezinnen zoals dat van Durnez, een vader die ongetwijfeld
héél veel toeliet (of op z’n minst de lezer die indruk gaf):
“Achter in de tuin, waar een scherm van bomen de weg verspert, ligt
het Land van Avontuur. Er loopt een gracht, als een wal rond een
burcht van onkruid en achtergebleven snoeihout. In de zomer schiet
het scherpe gras er hoger op dan elders in de tuin. Vroegere
beschavingen hebben er diepe rimpels achtergelaten in de bodem en
rond de gracht een gordel van graszoden aangelegd. Onervaren mensen
als mijn vrouw en ik komen er zelden. Het ligt te ver van de bewoonde
wereld. Wij begeven ons alleen maar ter plaatse, wanneer de
onversaagde trappers die er winter en zomer rondzwerven onze hulp
komen inroepen.” Hoeveel mensen hebben nog zo’n tuin, hebben nog
een tuin tout court, een tuin waarin kinderen kampen kunnen
bouwen en ouders er niet op staan dat ‘s avonds de ‘rommel’ is
opgekuist? Ik kende zo’n mensen in mijn jeugd, maar mijn ouders
waren er, ondanks het feit dat we wél veel tijd op straat
doorbrachten, geen van. Mijn vader kwam al zeggen dat we alles
moesten opruimen vóór we het uit de kast gehaald hadden. En een
tent opzetten in de tuin zat er dus ook al niet in, zelfs niet als
die tent eigen makelij zou zijn geweest: “Hij had ze zelf gemaakt,
ginder op het ossewegje achter het gazon, in de schaduw van de
muurboompjes en de jasmijnen, die nog alleen van herinneringen
leefden. Het was een mooie tent. Een degelijke tent. Eerst had hij
twee stoere stokken in de grond geslagen, ‘op gelijke afstand van
mekaar’. Daartoe gebruikte hij een echte, stevige, ijzeren hamer,
die sindsdien spoorloos verdwenen is. Tussen de stokken spande hij
een touw en daar legde hij een bleek overgordijn op dat al een paar
jaar uit zijn ambt was ontheven. Hij nagelde het met kachelhoutjes
vast aan de wereld. Ergens uit de duistere wanorde van het stalletje,
dat wij destijds tot zijn atelier hebben bevorderd, diepte hij een
zeildoek op. Dat moest de vloerbekleding worden.”
Je kan het je zo inbeelden, net zoals je je dit kan inbeelden, al is
er voor dit op de lawaaierige wereld waar we meer dan vijftig jaar
later ons leven doorbrengen wel wat meer fantasie nodig: “Uitgeput
door de gedachte aan het vele werk dat mij wachtte, zat ik die
namiddag in mijn zetel te mijmeren over zo goed als niets. Het was
rustig en warm, de hele stad lag buiten haar muren te zonnen op de
oevers van de Snelle Vliet en ongeveer alle kinderen liepen ergens
vakantieliedjes te zingen. De stilte van het huis werd aangedikt door
het verre geroezemoes van knorrige auto’s die over de grote weg
naar elders reden om terug te kunnen komen. In de tuin stond de witte
muur te blinken en iemand riep kom-kom-kom op een zeer late reisduif.”
“Zo gebeurt dat op menige zachte avond na menige drukke dag in veld
en wei, als iedereen moegedraafd en moegespeeld, als alle gras
platgetrapt is en alle opgelaten vliegers weer binnen zijn gehaald
met het opgerolde touw van hun vrijheid. De boterhammen en de
stoofperen zijn haastig soldaat gemaakt, het bad is vol- en
leeggelopen, de zeep en het washandje drijven lustig in de plassen.
Het is avond, iedereen wil nog even buiten omdat het een fijne dag
was die je niet zomaar in één keer op kunt bergen bij het
verleden”, noteert Durnez in Spoken. Daarmee geen spoken
oproepend, maar een weemoed waarvan je ook als volwassene nog wel
eens wat voelt aan het eind van een mooie zomer, maar toch nooit zo
sterk als die naar de lente van je leven in de zomers van toen.
Durnez had al kinderen toen ik nog niet geboren was, maar door zijn
herinneringen aan die van hem, beleef je ook weer een beetje je eigen
jeugd. Als je tenminste de zomers van toen nog hebt meegemaakt.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !