vrijdag 29 mei 2026

De ontdekking van de hemel – Harry Mulisch (boekbespreking door Björn Roose)

De ontdekking van de hemel – Harry Mulisch (boekbespreking door Björn Roose)
Een boek dat voor een niet onbelangrijk deel handelt over een ander boek eerder bespreken dan dát boek, ik kan dat. En ik deed dat ook. Met De wondergrijsaard –Portret van Harry Mulisch van Onno Blom, een boek waarin De ontdekking van de hemel van genoemde Harry Mulisch uiteraard een rol speelt.

Niet dat ik de boeken ook in die volgorde las: zoals aangegeven in mijn bespreking van De wondergrijsaard was ik immers De ontdekking van de hemel aan het lezen toen mijn vriendin De wondergrijsaard meebracht van de openbare bibliotheek. Door een zinnetje waarop ze me in dat boek wees, was ik ‘genoodzaakt’ dat hele boek te lezen. Wat niet tot gevolg had moeten hebben dat ik dat boek ook eerder besprak dan voorliggend De ontdekking van de hemel, maar in tegenstelling tot wat geldt voor boeken uit mijn bibliotheek zijn er inlevertermijnen voor boeken uit de openbare bibliotheek, wat dan weer wél een snelle bespreking nodig maakte.

Aldus geschiedde en zo kwamen mijn trouwe lezers (een enorme schaar, zonderling genoeg uit te drukken in één cijfer) te weten dat nogal wat personen en evenementen uit het leven van Harry Mulisch zelf ofwel model gestaan hadden voor of ongeveer letterlijk overgenomen waren in De ontdekking van de hemel. Ik ga daar niet op terugkomen, u leest die andere bespreking maar. En ik zal ook niet de korte inhoud meegeven die op de achterflap van mijn bij De Bezige Bij in 1998 verschenen eenentwintigste druk staat (simpelweg omdat die korte inhoud er niét staat), maar ik kan me wel volkomen akkoord verklaren met wat recensent Carel Peeters in Vrij Nederland schreef (en wat wél op de achterflap van deze uitgave staat): “Het indrukwekkendste van De ontdekking van de hemel is misschien wel de volmaakte eenvoud waarmee dit toch allerminst simpele verhaal wordt verteld.” De ontdekking van de hemel telt negenhonderd bladzijden (zij het in niet al te kleine druk), opgedeeld in vijfenzestig hoofdstukken, een Proloog, een Epiloog, en een paar intermezzi, maar wordt nooit ingewikkelder dan, pakweg, een aflevering van Tiktak. En dat is een hele kunst. Een kunst die Mulisch – minstens hier, want voor de rest heb ik op dit ogenblik nog geen boeken van hem gelezen – tot in de puntjes beheerste.

Een “volmaakte compositie”, noemde de recensent van Der Stern het, en dat in “een boek met een dusdanig overweldigende rijkdom aan stof, met een dusdanig dolzinnig verloop”. Een “volmaakte compositie” (“Alles verliep met de onverbiddelijke precisie van een variatie van Bach”, schrijft Mulisch zelf ergens), die, aldus nog die laatste recensent, er op lijkt te wijzen “dat daarin inderdaad een hemelse regie schijnt te heersen”. Een “hemelse regie” waarmee de lezer al in de Proloog kennismaakt, die opnieuw opduikt in de Epiloog, en telkens weer in de intermezzi aan het begin van de delen Het einde van het begin, Het begin van het einde, en Het einde van het Einde (waarbij ik de titel van het éérste deel niet noem omdat ik die al genoemd heb in mijn bespreking van De wondergrijsaard). Een “hemelse regie” ook die haar uitwerking al heeft gehad van bij het begin van de Proloog (“Opdracht volbracht. De zaak is rond.”, luidt het daar), waardoor de lezer zich alvast niet meer moet afvragen of de zaak voor de actoren in die Proloog goed afgelopen is, maar wel direct in het daarna komende verhaal over de afhandeling van de zaak wordt meegezogen. Een zaak die duidelijk nogal wat te maken heeft met genetica: “Geschreven in de drie-letterwoorden van het vierletteralfabet wordt een mens bepaald door een genetisch verhaal, waarmee het equivalent van vijfhonderd bijbels gevuld kan worden. Daar zijn de mensen zelf intussen ook achter gekomen.” Wat dan weer niet wil zeggen dat de mensen dat genetische verhaal helemaal zelf in handen hebben: “Het decoderen van het genoom, de volledige, geheime naam van een mens, is voor de mensen zelf nu alleen nog een kwestie van geld, een dollar per nucleotide om precies te zijn, dus van drie miljard dollar, en overal op aarde wordt aan dat project gewerkt. Met hun biotechnologie zullen zij de genetische essentie van een bepaalde eicel en van zo’n bepaalde celkern met een staart binnen afzienbare tijd veel sneller en eenvoudiger kunnen fabriceren dan wij die kunnen selecteren met onze romantische, rijkelijk ouderwetse fokkerij, - maar het moest zo nodig vóór het jaar tweeduizend.” Een “romantische, rijkelijk ouderwetse fokkerij” echter die, een beetje zoals die waarmee de Bene Gesserit in de Duin-cyclus bezig zijn, het voordeel van veel tijd heeft: “Ondanks alle problemen zag ik zeventig mensenjaar geleden opeens een mogelijkheid, de gewenste Vonk niet in vier maar al in drie generaties in de geest en het vlees te krijgen.” Zeventig jaar geleden op het moment dat Mulisch zijn boek begon te schrijven, dus tijdens de Eerste Wereldoorlog, en wel bij ene Wolfgang Delius en een Eva Weiß, die de ouders zullen worden van Max Delius, die dan weer bevriend raakt met Onno Quist en een lief vindt met de naam Ada Brons, waarna die Onno Quist en die Ada Brons, enzovoort, enzovoort. Het zou als een soort familiegeschiedenis kunnen klinken (hoewel een wel zéér bizarre), maar doordat je weet dat er een hemelse interventie gebeurd is, en dus kan verwachten dat er nog méér van die hemelse tussenkomsten zullen geschieden, vraag je je bij ieder hoofdstuk vooral af waar dit heen gaat. En wáár het heengaat, kan ik u natuurlijk niet zeggen, want dit boek is veel te mooi om zelfs maar stukken van de plot weg te geven.

Wat me niet belet bijvoorbeeld te wijzen op de ongelooflijke bondigheid waarmee Mulisch dingen schetst. Bijvoorbeeld hier: “De papieren bleken te deugen, want met de kille handbeweging die de politie overal ter wereld beheerste, of het nu in dienst was van het communisme, het kapitalisme of het fascisme, werden zij doorgelaten.” Of als hij de omgeving beschrijft van een of ander hippiemeisje waarmee Max Delius het in het eerste deel aanlegt: “Zij woonde in een fantasieloos flatgebouw, ruw neergeplant in een straat met negentiende-eeuwse arbeiderswoningen. Ook toen zij over de galerij aan de achterkant liepen, bleef zij zwijgen. In een klein, warm appartement stak zij kaarsen en wierookstokjes aan, en gaf hem een fles wijn met een etiket dat hem geen vertrouwen inboezemde. Terwijl hij de fles tussen zijn knieën nam en het staal in de kurk zette, vulde sitarmuziek de kamer. ‘Vanzelfsprekend,’ zie hij. ‘Ravi Shankar.’” Ik weet niet of u het type ooit ontmoet heeft, maar ik zag het in ieder geval weer zo voor me.

Zoals ik HAL weer voor me zie als ik deze scène lees: “Als de croquetten op waren wandelden zij de stad in, waar de winterse kou uit de lucht was verdwenen. Soms gingen zij eerst naar de bioscoop, naar een James Bond-film, of naar de nieuwe Stanley Kubrick, 2001: A Space Odyssey, waarin een computer, genaamd ‘HAL’, de macht overnam in het ruimteschip. Toen zij op straat kwamen, - in de uitgeloogde toestand waarin men dan buiten op de werkelijkheid stoot, als op een grijze vijl, - vroeg Onno waarom die computer volgens Max ‘HAL’ heette. Vanwege de associatie met ‘hell’, opperde Max. Verdraaid, daar had Onno nu weer niet aan gedacht. Maar of Max nu eens van de letters H, A en L één letter verder wilde tellen in het alfabet. ‘I,’ zei Max, ‘B, M, IBM!’ riep hij. ‘Chapeau!’ Onno trok een bescheiden gezicht. ‘Het is een gave.’” Een gave die ook anderen, in de werkelijkheid, hadden, maar die volgens Arthur C. Clarke, auteur van het boek waarop de film gebaseerd is en waarvan ik in 2022 Deel 1 en 2 (2010: Odyssee 2 getiteld) besprak, tot onterechte conclusies leidde. Wat op zich weer bijzonder was omdat in de film echte product placement voor IBM zit en Kubrick, maker van de film, aan IBM gevraagd had of ze zich bij de firma niet geërgerd zouden voelen als hij een computer met een psychose zou gebruiken in zijn film, iets waar Isaac Asimov zich in zijn robotverhalen nooit echt zorgen over gemaakt had (wat misschien te verklaren viel door het feit dat hij zijn computers/robots ondanks dát perfect liet beantwoorden aan menselijke normen, zijnde de zogenaamde Drie wetten van de robotica).

Ik heb die film pas met vele jaren vertraging gezien – ik was immer nog niet geconcipieerd, alhoewel misschien wel door een of andere engel in de hemel - toen hij uitkwam, maar de scène was wel een leuke herinnering aan film en boek(en). Zoals de paragraaf over Freud en Mahler me deed terugdenken aan Uitersten van A.J. Dunning. Of de dialoog “‘Vannacht stapt er een mens op de maan.’ ‘Nou en? Als hij maar niet uitglijdt.” aan de koude drukte rond het rondje langs de duistere zijde van de satelliet vorige week. Zoals de zin over Leeghwater me terug bij Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman bracht. Of de uitweiding over Faust bij de gelijknamige boeken van Johann Wolfgang von Goethe (die sowieso regelmatig ter sprake komt in De ontdekking van de hemel). Of de vraag van de verpleegster bij de geboorte van Quinten – “Mag ik hem hebben? (…) Zo’n schitterend kind heb ik nog nooit meegemaakt.” – bij Het merkwaardige geval van Benjamin Button. Of zoals ik bij de scènes in Dwingeloo en de sterrenwacht van Westerbork voortdurend beelden op mijn netvlies kreeg van de foto’s die ik daar gemaakt had in 2017 (zelfs bij het dorp naburige Amen had ik een directe herinnering), of zoals iedere reislustige zich dít wel voor de geest kan halen: “Wie terugkomt van een reis, draagt de afgelegde afstanden nog met zich mee als gespreide vleugels – tot hij de sleutel in zijn voordeur steekt. Dan vouwen zij zich op, en hij is weer in zijn huis als in het middelpunt van een onoverschrijdbare stalen ring aan de horizon. Op het moment dat hij de deur achter zich dichtdoet, kan hij zich al niet meer voorstellen dat hij ooit weg geweest is.” Wat altijd weer een goede reden is, toch in mijn geval, om er zo snel mogelijk nog eens van door te gaan, en tussen de ene en de andere reis gemaakte foto’s te verwerken en nieuwe reizen te plannen. Zoals ik telkens weer het lezen van ‘nieuwe’ boeken plan of soms (zeg maar meestal) al andere boeken heb gelezen tegen dat ik aan een bespreking toekom en dan bij het lezen van wat ik aangeduid heb voor die bespreking herinneringen ‘in de vooruit’ heb. Zoals die aan Eyeless in Gaza van Aldous Huxley, bijvoorbeeld, bij het lezen van deze passage: “‘(…) Voorbestemming is trouwens onmogelijk in dit heelal, in verband met de constante van Planck. Die maakt alles onzeker.’ ‘God heeft in zijn oneindige wijsheid ook de constante van Planck geschapen,’ riep Onno met opgestoken wijsvinger. ‘De constante van Planck is de openbaring Gods in de natuur. Daardoor hebben wij een vrije wil en kunnen wij zondigen. Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om te zondigen en zo God te verheerlijken.’”

Of om ook nog heel poëtische frases in een boek als dit te steken, natuurlijk. Poëtische frases waarvan er veel zijn, maar waarvan ik slechts deze meegeef: “Op het bordes haalde Max een paar keer diep adem. Wat was dit voor nacht? Maar nu trof het hen, andere nachten trof het anderen, en ook vannacht trof het ontelbare anderen, - er was nooit een dag of een nacht of maar een moment, waarop zoiets niet aan de gang was voor iemand, zo lang de mensheid bestond. Zonder onderbreking waarde het onheil rond op aarde, als een zwaluw door een muggenzwerm, met scherpe zwenkingen, zijn snavel wijd open.” Wat dan weer niet zo heel veel later gevolgd wordt door een filosofisch-ethische overweging als deze: “‘Ik zou,’ zei hij, ‘te weten willen komen, of die neuroloog en die chirurg werkelijk voor honderd procent er van overtuigd zijn, dat Ada echt hersendood is, dat er geen sprankje individualiteit meer rest van haar. Want al is het maar nog zo’n klein beetje, dan is het moord. Zo steil ben ik ook wel. Stel, er is alleen nog zoiets van haar over als een eenjarig kind, dan mag het niet. Ook baby’s mag je niet vermoorden. Maar als er echt helemaal niets meer is, nul procent, echt alleen nog maar een plant, dan betekent het niets. Dan mag het.” Wat uiteraard wil zeggen dat het nooit mag, want geen van ons kan weten of er niet nog iets is. Iets tussen hemel en aarde, zou ik zeggen, iets dat daar ergens zweeft, wachtend op ontdekking misschien. “Met hun raketten verplaatsen zij zich al sneller dan de wind, dan het geluid zelfs, en op een dag zullen zij de snelheid van het licht benaderen; met hun televisie zijn zij in feite al bijkans alomtegenwoordig, zij kunnen zien in het donker, zij kunnen het binnenste van een mens bekijken zonder hem open te maken, met hun computers bezitten ze een totalitair besturings- en controlesysteem, (...) zij kunnen elementaire deeltjes waarnemen en zij weten al wat er tien tot de min drieënveertigste seconde na onze lichtexplosie gebeurde. Voorbij die grens falen hun theorieën tot nu toe, daar komen al hun berekeningen voorlopig nog op oneindig uit (…)”.

Ik zou het ook nog kunnen hebben over filosofisch-esthetische overwegingen (de merkwaardige gelijkenissen tussen verpleegtehuizen en crematoria, bijvoorbeeld), Mulisch’ kijk op de vaderlandse politiek, Piranesi’s Carceri, Germania, paasvuren en zwerfkeien, provo’s en de Culturele Revolutie, Quintens Burcht, quasar MQ 3412, Durchgangslager Westerbork, architecten en muziek, Ptolemaes, Copernicus, Giordano Bruno, de opkomst en ondergang van kastelen, de Very Long Baseline Interferometry, Tsjernenko en Fidel, Einstein en Bohr, Cantor en Pythagoras, de Gouden Muur en de Klaagmuur, Margaret Thatcher en Cleopatra, Leni Riefenstahl en haar Triumph des Willens, de Italienische Reise (van Goethe uiteraard, want daarnaar verwijst de titel van het hoofdstuk, maar ook en vooral van Onno en vervolgens Quinten Quist), de Wachau aan de Donau (ook een persoonlijke herinnering), Edgar Allan Poe en zijn The Raven, de horentjes van Mozes (een vertaalfout die nog steeds in vele kerken haar gevolgen heeft), Sint-Jan van Lateranen en het Sancta Sanctorum, de ark, de vernietiging van de zogenaamde tweede tempel in Jeruzalem, Pápa Woytila, het testimonium, de Kettingkapel, en de fantastische Indiana-Jonesachtige laatste hoofdstukken van dit boek, hoofdstukken die ik in alle eerlijkheid niet verwacht had aan te treffen op het einde van wat aan het begin ervan een ingewikkelde familiegeschiedenis leek, maar als ik dat uitgebreid deed, dan zou ik beslist te veel weg geven van het plot. En als ik te veel de filosofische toer op ging eveneens. Dus doe ik dat niet, maar houd het hierbij.

Boeken mogen dan immers al “kleine dingen” zijn, “zelden groter dan een klinker, maar lichter, en bijkans onvindbaar tussen de myriaden andere dingen die het aardoppervlak bedekten, en op weg steeds onbeduidender te worden in de steeds sneller uit de abstractie verrijzende, elektronische wereld”, zoals Mulisch schrijft aan het begin van hoofdstuk zesendertig, Het monument, dit boek is een monument en het verdient ook na de – gok ik – elfendertigste druk nog steeds door iedereen gelezen te worden die ook maar een beetje liefde voor boeken voelt. Met wat geluk vindt u het ergens voor een appel en een ei (bij mij was dat in ieder geval zo) of in een goede bibliotheek, maar ook de aankoop tegen de volle prijs lijkt mij de moeite waard.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !