“Mulisch koos mijn naam, zo vertelde hij mij in de boekhandel,
omdat die hetzelfde blijft als je ‘m omkeert.” Dat ene zinnetje
was er verantwoordelijk voor dat ik dit boek van Onno Blom, De
Wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch, ging lezen. Dat
ene zinnetje en het feit dat mijn vriendin daar op wees, natuurlijk.
Wat ze deed omdat ze zelf dit boek geleend had in de bib en het
gelezen had. Wat merkwaardigerwijs samenviel met het feit dat ik De
ontdekking van de hemel – uit mijn eigen bibliotheek – aan
het lezen was. De ontdekking van de hemel van Harry Mulish
dus, een boek waarin één van de hoofdpersonages Onno Quist heet.
Toeval? “Talent”, zou Mulisch het genoemd hebben. Maar “Mulisch
beschouwde zijn persoonlijkheid” dan ook “als een kunstwerk, zijn
oeuvre als één groot zelfportret. Hij voelde zich in dit opzicht
verwant met Johann Wolfgang von Goethe. Johann Peter Eckermannn,
diens bewonderde biograaf, had Goethe in zijn laatste levensjaren
gevraagd: ‘Als je nu als Engelsman was geboren, ergens in de
achterbuurten van Londen, wie was je dan geworden?’ ‘Dat zou ik
nooit hebben gedaan,’ antwoordde Goethe. ‘Ik zou altijd heel goed
ter wereld zijn gekomen, als kardinaal op zijn minst.’” Niks
toeval dus, ook niet in zijn boeken: “In mijn boeken bestaat het
toeval niet. Als er in De ontdekking van de hemel” –
ongetwijfeld zijn meest bekende en, neem ik aan, ook best verkopende,
boek – “op het hoofd van Max Delius een meteoriet valt nadat hij
een geweldige ontdekking heeft gedaan, zullen mensen misschien
zeggen: goh, wat een toeval. Maar zo is het natuurlijk niet. Een
engel vertelt het verhaal van Max aan een andere. De engel
manipuleert het leven van Max, en ik dat van de engel.”
Met dat citaat uit De wondergrijsaard loop ik een stukje vooruit
op mijn bespreking van De ontdekking van de hemel zelf, maar
daar valt niet zo veel aan te doen. En het maakt ook niet echt uit,
gezien ik nog méér ga meegeven over De ontdekking van de hemel
in deze bespreking van De wondergrijsaard.
Bijvoorbeeld dat Onno Blom het eerste hoofdstuk, volgend op de Proloog,
voorzien heeft van de titel Het begin van het begin. Totaal
niet toevallig ook de titel van het Eerste deel van De
ontdekking van de hemel, waarvan de volgende delen Het einde
van het begin, Het begin van het einde, en Het einde
van het einde getiteld zijn, en dat in tegenstelling tot wat
geldt voor enige verdere hoofdstukken in De wondergrijsaard.
Bijvoorbeeld ook dat Mulisch klaarblijkelijk “spatelduimen” had – een
medische aandoening waarover ik, het internet bevat dan tóch niet
alle info, niks heb kunnen terugvinden –, net zoals de al genoemde
Max Delius. Of dat hij en zijn beste vriend, Hein Donner, drie weken
uit elkaar geboren werden, maar dat Donner “drie weken te vroeg
geboren was. We kwamen erachter dat we op dezelfde dag zijn verwekt:
29 oktober 1926.” Dát, zei Mulisch, “is toeval, maar dat zou
aardig zijn om te gebruiken”. Wat hij dan ook deed: Onno Quist en
Max Delius bevinden zich in dezelfde situatie.
Bijvoorbeeld dat Mulisch “de zoon van een Joodse moeder [was], wier familie in
de oorlog werd afgeslacht, en een vader die zich aan ernstige
collaboratie schuldig had gemaakt. Kurt Victor Karl Mulisch, door
zijn zoon meestal aangeduid met zijn initialen, KVK, was een
voormalig Oostenrijks-Hongaarse officier en drager van het ijzeren
kruis eerste klasse vanwege zijn dapperheid in de Eerste
Wereldoorlog, en ging in de Tweede Wereldoorlog als bankier voor de
nazi’s werken.” Niet helemáál zoals de vader van Max Delius,
wiens moeder eveneens joods is, maar toch close. “Ik ben
de Tweede Wereldoorlog”, schreef Mulisch – “niet zijn meest
bescheiden uitspraak”, dixit Blom.
Bijvoorbeeld eveneens dat Mulisch tijdens die oorlog wel eens het Museum voor
de Geschiedenis der Natuurwetenschappen in Leiden aandeed, het
tegenwoordige Rijksmuseum Boerhaave, om zich daar te
verlustigen in de aanblik van de telescopen, een bezigheid die hij
buiten het museum verderzette door er door te kijken – “Naar mijn
inzicht (…) bestond het wezen van de telescoop hieruit, dat men
ermee kijkt, niet dat men ernaar kijkt”, aldus
Mulisch -, wat meteen model staat voor het beroep van Delius: sterrenkundige.
Bijvoorbeeld…,
bijvoorbeeld…, bijvoorbeeld. Wie dit Portret van Harry Mulisch
leest en daarvóór of daarna De ontdekking van de hemel, zal
beslist ontdekken dat zelfs als er niet expliciet verwezen wordt naar
de gelijkenissen tussen Mulisch’ leven en dat van een aantal van
zijn personages, die gelijkenissen legio zijn (in De ontdekking
van de hemel bijvoorbeeld niet alleen Onno Quist en Max Delius,
maar ook Quinten Quist). Wie met de man, een volbloed hetero over wie
de International Herald Tribune in 1970 schreef dat hij “held
a party to commemorate his thousandth sexual conquest” – “Het
waren er natuurlijk veel meer. Misschien wel tweeduizend. Dat het er
in die tijd met de dames vrolijk aan toe ging, dat wil ik niet
ontkennen”, dixit Mulisch -, maar er, aldus kunstenares Marte
Röling, uitziend “als een homofiele balletdanser” (wie zijn
portret op de voorpagina van dit Portret ziet, zal weten wat
ze bedoelde), in contact kwam, moest er gewoon rekening mee houden
dat Mulisch’ lezers via zijn boeken ook in contact konden komen met
hem, al mengde hij, zoals alle schrijvers, meerdere ‘echte’
mensen door mekaar om tot één fictief personage te komen.
Iets wat niet gebeurde met De Grote Drie, waartoe naast Harry
Mulisch, ook Gerard (van het) Reve en W.F. Hermans gerekend werden
(“Na de dood van Hermans en vanwege de geestelijke teloorgang van
Reve, die niet meer schreef, werd Mulisch beschouwd als De Grote
Een”): “Zij onderhielden een hevige creatieve concurrentie, maar
door elkaar te verketteren hielden zij elkaar óók in stand. De
onderlinge verschillen waren groot. Mulisch was een onverholen
optimist en idealist, Reve en Hermans waren aartsconservatieven. Reve
bekeerde zich tot het katholicisme, wenste zijn collega’s met
communistische sympathieën [waaronder Mulisch die tijdens een reis
naar Cuba “zeer onder de indruk raakte van de communistische utopie
en haar charismatische leider, Fidel Castro”, noot van mij] in een
concentratiekamp en de neger een ‘enkele reis op de tjoeki tjoeki
stoomboot naar Takki Takki Oerwoud’ (…) Hermans was een nihilist,
zag de mens als een gevangene in een sadistisch universum. Hij doopte
zijn pen in giftige inkt om altijd gelijk te krijgen. Anders dan hij
was Mulisch niet polemisch ingesteld. Hermans was van het grote Nee,
hij was van het grote Ja. Mulisch wilde ook niet ‘de beste
schrijver’ zijn, zoals Reve. Laat staan ‘de enige’, zoals
Hermans. ‘Want wie bepaalt dat? Dan moet ik hen die dat bepalen
toch eerst de beste lezers vinden, en op grond waarvan zou ik dat
moeten uitmaken? Alleen op grond van het feit dat zij mij de beste
schrijver vinden?”
Mij bevalt de daaruit sprekende mentaliteit wel. Net zoals degene die
hieruit blijkt: “(…) ik ben liever niets naast Dostojevski, dan
‘iets’ naast de klungels die hier voor grote schrijvers doorgaan.
Zo ijdel ben ik wel.” Of het feit dat hij in Haarlem het gezelschap
van zijn vriend Godfried Bomans zocht bij de “sociëteit Teisterbant” (waarover Bomans overigens
in meerdere van zijn verhalen geschreven heeft). Of de vaststelling
dat Mulisch oorspronkelijke liefde voor het (Cubaanse) communisme
niet belette dat hij later “geamuseerd naar het publieke optreden
van Fortuyn [had] gekeken”, enige “bewondering voor zijn
politieke talent” had, in tegenstelling tot de linkse politici die
hem voor “een fascist” hielden van oordeel was dat “Es war
nichts Böses in diesem Mann”, en later zelfs “geporteerd
[raakte] van sommige van de denkbeelden van Geert Wilders”. Dat
soort gegevens, door Blom kunstig verweven in een als een trein
lezende biografie van zo’n tweehonderdvijftig bladzijden, heeft er
in ieder geval voor gezorgd dat ik behalve De ontdekking van de
hemel nog méér van Mulisch wil gaan lezen. De aanslag
stond al in mijn bibliotheek, Het stenen bruidsbed sinds een
aantal weken ook, en vandaag – dat wil zeggen, op de dag dat ik
deze boekbespreking schrijf – is daar Twee vrouwen aan
toegevoegd. Temeer omdat De wondergrijsaard niet alléén
omwille van de gelijkenissen tussen Mulisch’ werkelijkheid en diens
fictie ook een portret van zijn boeken is. Wie passages als de
volgende leest, kan immers alleen maar in iets willen duiken dat van
die boeken een soort ‘universum’ maakt: “Vaak zat het nieuwe
boek al in het oude verstopt. Soms las hij iets, zoals in het geval
van De elementen, of gebeurde er iets – en dan ontrolde zich
een verhaal voor zijn ogen. Al was één ingeving nooit genoeg. Pas
twee of drie ideeën tegelijk, die samen een magische verbintenis
aangingen, leidden tot een roman. Als dat gebeurde, leek het wel of
het boek zichzelf schreef.” En referenties als de volgende lijken
geloofwaardig een keer je De ontdekking van de hemel hebt
gelezen: “In De procedure knipoogt Mulisch niet alleen naar
Thomas Mann – die hij beschouwde als zijn literaire vader, zoals
hij Goethe als zijn literaire grootvader beschouwde – maar ook naar
een andere voorganger. De titel van De procedure spiegelt Der
Process van Franz Kafka, dat Mulisch beschouwde al de beste roman
van de twintigste eeuw.”
Ik denk niet dat Onno Blom z’n best heeft gedaan om, als zoiets al
mogelijk is, een objectieve biografie van Mulisch te schrijven – al
heeft hij er, gezien ze pas in 2020 verscheen en Mulisch al in 2010
overleed, wel zijn tijd voor genomen -, en hij is ook zo fair in zijn
Epiloog de geschiedenis tussen hem en Mulisch te beschrijven,
maar de duidelijke – zullen we het dan maar zo noemen? – liefde
die de auteur van dit Portret voelt voor de auteur van de na
de Epiloog opgenomen Werken van Harry Mulisch (een
lijstje dat ik helaas niet bij de hand kan houden, omdat dit boek na
lezing terug naar de openbare bibliotheek moet) – is in het geheel
geen minpunt voor dit, zoals het op de achterflap genoemd wordt,
“intieme, ontroerende portret van de kunstenaar als oude man”.
Een portret dat uiteraard eindigt met diens dood: “Hij lag in de
zijruimte aan de voorkant. Achter hem de Egyptiana, zijn amuletten
voor in het dodenrijk. Zijn lichaam was vederlicht geworden, zweefde
bijna op de baar, zijn huid van perkament. Hij had, net als in Nice,
zijn favoriete donkerblauwe linnen jasje aan, rood pochet in de
borstzak, vuurrode kousen. Zijn neus stak, doordat zijn gesloten ogen
diep in de kassen waren verzonken, nog scherper naar voren. Een
wijze, oude vogel. Ik brak. ‘Dag Harry.’”
En dag lezer. Als u dit boek toevallig zou aantreffen, vergeet dan zeker
niet het te lezen.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !