dinsdag 26 mei 2026

De wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch – Onno Blom (boekbespreking door Björn Roose)

De wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch – Onno Blom (boekbespreking door Björn Roose)
“Mulisch koos mijn naam, zo vertelde hij mij in de boekhandel, omdat die hetzelfde blijft als je ‘m omkeert.” Dat ene zinnetje was er verantwoordelijk voor dat ik dit boek van Onno Blom, De Wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch, ging lezen. Dat ene zinnetje en het feit dat mijn vriendin daar op wees, natuurlijk. Wat ze deed omdat ze zelf dit boek geleend had in de bib en het gelezen had. Wat merkwaardigerwijs samenviel met het feit dat ik De ontdekking van de hemel – uit mijn eigen bibliotheek – aan het lezen was. De ontdekking van de hemel van Harry Mulish dus, een boek waarin één van de hoofdpersonages Onno Quist heet.

Toeval? “Talent”, zou Mulisch het genoemd hebben. Maar “Mulisch beschouwde zijn persoonlijkheid” dan ook “als een kunstwerk, zijn oeuvre als één groot zelfportret. Hij voelde zich in dit opzicht verwant met Johann Wolfgang von Goethe. Johann Peter Eckermannn, diens bewonderde biograaf, had Goethe in zijn laatste levensjaren gevraagd: ‘Als je nu als Engelsman was geboren, ergens in de achterbuurten van Londen, wie was je dan geworden?’ ‘Dat zou ik nooit hebben gedaan,’ antwoordde Goethe. ‘Ik zou altijd heel goed ter wereld zijn gekomen, als kardinaal op zijn minst.’” Niks toeval dus, ook niet in zijn boeken: “In mijn boeken bestaat het toeval niet. Als er in De ontdekking van de hemel” – ongetwijfeld zijn meest bekende en, neem ik aan, ook best verkopende, boek – “op het hoofd van Max Delius een meteoriet valt nadat hij een geweldige ontdekking heeft gedaan, zullen mensen misschien zeggen: goh, wat een toeval. Maar zo is het natuurlijk niet. Een engel vertelt het verhaal van Max aan een andere. De engel manipuleert het leven van Max, en ik dat van de engel.”

Met dat citaat uit De wondergrijsaard loop ik een stukje vooruit op mijn bespreking van De ontdekking van de hemel zelf, maar daar valt niet zo veel aan te doen. En het maakt ook niet echt uit, gezien ik nog méér ga meegeven over De ontdekking van de hemel in deze bespreking van De wondergrijsaard.

Bijvoorbeeld dat Onno Blom het eerste hoofdstuk, volgend op de Proloog, voorzien heeft van de titel Het begin van het begin. Totaal niet toevallig ook de titel van het Eerste deel van De ontdekking van de hemel, waarvan de volgende delen Het einde van het begin, Het begin van het einde, en Het einde van het einde getiteld zijn, en dat in tegenstelling tot wat geldt voor enige verdere hoofdstukken in De wondergrijsaard.

Bijvoorbeeld ook dat Mulisch klaarblijkelijk “spatelduimen” had – een medische aandoening waarover ik, het internet bevat dan tóch niet alle info, niks heb kunnen terugvinden –, net zoals de al genoemde Max Delius. Of dat hij en zijn beste vriend, Hein Donner, drie weken uit elkaar geboren werden, maar dat Donner “drie weken te vroeg geboren was. We kwamen erachter dat we op dezelfde dag zijn verwekt: 29 oktober 1926.” Dát, zei Mulisch, “is toeval, maar dat zou aardig zijn om te gebruiken”. Wat hij dan ook deed: Onno Quist en Max Delius bevinden zich in dezelfde situatie.

Bijvoorbeeld dat Mulisch “de zoon van een Joodse moeder [was], wier familie in de oorlog werd afgeslacht, en een vader die zich aan ernstige collaboratie schuldig had gemaakt. Kurt Victor Karl Mulisch, door zijn zoon meestal aangeduid met zijn initialen, KVK, was een voormalig Oostenrijks-Hongaarse officier en drager van het ijzeren kruis eerste klasse vanwege zijn dapperheid in de Eerste Wereldoorlog, en ging in de Tweede Wereldoorlog als bankier voor de nazi’s werken.” Niet helemáál zoals de vader van Max Delius, wiens moeder eveneens joods is, maar toch close. “Ik ben de Tweede Wereldoorlog”, schreef Mulisch – “niet zijn meest bescheiden uitspraak”, dixit Blom.

Bijvoorbeeld eveneens dat Mulisch tijdens die oorlog wel eens het Museum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen in Leiden aandeed, het tegenwoordige Rijksmuseum Boerhaave, om zich daar te verlustigen in de aanblik van de telescopen, een bezigheid die hij buiten het museum verderzette door er door te kijken – “Naar mijn inzicht (…) bestond het wezen van de telescoop hieruit, dat men ermee kijkt, niet dat men ernaar kijkt”, aldus Mulisch -, wat meteen model staat voor het beroep van Delius: sterrenkundige.

Bijvoorbeeld…, bijvoorbeeld…, bijvoorbeeld. Wie dit Portret van Harry Mulisch leest en daarvóór of daarna De ontdekking van de hemel, zal beslist ontdekken dat zelfs als er niet expliciet verwezen wordt naar de gelijkenissen tussen Mulisch’ leven en dat van een aantal van zijn personages, die gelijkenissen legio zijn (in De ontdekking van de hemel bijvoorbeeld niet alleen Onno Quist en Max Delius, maar ook Quinten Quist). Wie met de man, een volbloed hetero over wie de International Herald Tribune in 1970 schreef dat hij “held a party to commemorate his thousandth sexual conquest” – “Het waren er natuurlijk veel meer. Misschien wel tweeduizend. Dat het er in die tijd met de dames vrolijk aan toe ging, dat wil ik niet ontkennen”, dixit Mulisch -, maar er, aldus kunstenares Marte Röling, uitziend “als een homofiele balletdanser” (wie zijn portret op de voorpagina van dit Portret ziet, zal weten wat ze bedoelde), in contact kwam, moest er gewoon rekening mee houden dat Mulisch’ lezers via zijn boeken ook in contact konden komen met hem, al mengde hij, zoals alle schrijvers, meerdere ‘echte’ mensen door mekaar om tot één fictief personage te komen.

Iets wat niet gebeurde met De Grote Drie, waartoe naast Harry Mulisch, ook Gerard (van het) Reve en W.F. Hermans gerekend werden (“Na de dood van Hermans en vanwege de geestelijke teloorgang van Reve, die niet meer schreef, werd Mulisch beschouwd als De Grote Een”): “Zij onderhielden een hevige creatieve concurrentie, maar door elkaar te verketteren hielden zij elkaar óók in stand. De onderlinge verschillen waren groot. Mulisch was een onverholen optimist en idealist, Reve en Hermans waren aartsconservatieven. Reve bekeerde zich tot het katholicisme, wenste zijn collega’s met communistische sympathieën [waaronder Mulisch die tijdens een reis naar Cuba “zeer onder de indruk raakte van de communistische utopie en haar charismatische leider, Fidel Castro”, noot van mij] in een concentratiekamp en de neger een ‘enkele reis op de tjoeki tjoeki stoomboot naar Takki Takki Oerwoud’ (…) Hermans was een nihilist, zag de mens als een gevangene in een sadistisch universum. Hij doopte zijn pen in giftige inkt om altijd gelijk te krijgen. Anders dan hij was Mulisch niet polemisch ingesteld. Hermans was van het grote Nee, hij was van het grote Ja. Mulisch wilde ook niet ‘de beste schrijver’ zijn, zoals Reve. Laat staan ‘de enige’, zoals Hermans. ‘Want wie bepaalt dat? Dan moet ik hen die dat bepalen toch eerst de beste lezers vinden, en op grond waarvan zou ik dat moeten uitmaken? Alleen op grond van het feit dat zij mij de beste schrijver vinden?”

Mij bevalt de daaruit sprekende mentaliteit wel. Net zoals degene die hieruit blijkt: “(…) ik ben liever niets naast Dostojevski, dan ‘iets’ naast de klungels die hier voor grote schrijvers doorgaan. Zo ijdel ben ik wel.” Of het feit dat hij in Haarlem het gezelschap van zijn vriend Godfried Bomans zocht bij de “sociëteit Teisterbant” (waarover Bomans overigens in meerdere van zijn verhalen geschreven heeft). Of de vaststelling dat Mulisch oorspronkelijke liefde voor het (Cubaanse) communisme niet belette dat hij later “geamuseerd naar het publieke optreden van Fortuyn [had] gekeken”, enige “bewondering voor zijn politieke talent” had, in tegenstelling tot de linkse politici die hem voor “een fascist” hielden van oordeel was dat “Es war nichts Böses in diesem Mann”, en later zelfs “geporteerd [raakte] van sommige van de denkbeelden van Geert Wilders”. Dat soort gegevens, door Blom kunstig verweven in een als een trein lezende biografie van zo’n tweehonderdvijftig bladzijden, heeft er in ieder geval voor gezorgd dat ik behalve De ontdekking van de hemel nog méér van Mulisch wil gaan lezen. De aanslag stond al in mijn bibliotheek, Het stenen bruidsbed sinds een aantal weken ook, en vandaag – dat wil zeggen, op de dag dat ik deze boekbespreking schrijf – is daar Twee vrouwen aan toegevoegd. Temeer omdat De wondergrijsaard niet alléén omwille van de gelijkenissen tussen Mulisch’ werkelijkheid en diens fictie ook een portret van zijn boeken is. Wie passages als de volgende leest, kan immers alleen maar in iets willen duiken dat van die boeken een soort ‘universum’ maakt: “Vaak zat het nieuwe boek al in het oude verstopt. Soms las hij iets, zoals in het geval van De elementen, of gebeurde er iets – en dan ontrolde zich een verhaal voor zijn ogen. Al was één ingeving nooit genoeg. Pas twee of drie ideeën tegelijk, die samen een magische verbintenis aangingen, leidden tot een roman. Als dat gebeurde, leek het wel of het boek zichzelf schreef.” En referenties als de volgende lijken geloofwaardig een keer je De ontdekking van de hemel hebt gelezen: “In De procedure knipoogt Mulisch niet alleen naar Thomas Mann – die hij beschouwde als zijn literaire vader, zoals hij Goethe als zijn literaire grootvader beschouwde – maar ook naar een andere voorganger. De titel van De procedure spiegelt Der Process van Franz Kafka, dat Mulisch beschouwde al de beste roman van de twintigste eeuw.”

Ik denk niet dat Onno Blom z’n best heeft gedaan om, als zoiets al mogelijk is, een objectieve biografie van Mulisch te schrijven – al heeft hij er, gezien ze pas in 2020 verscheen en Mulisch al in 2010 overleed, wel zijn tijd voor genomen -, en hij is ook zo fair in zijn Epiloog de geschiedenis tussen hem en Mulisch te beschrijven, maar de duidelijke – zullen we het dan maar zo noemen? – liefde die de auteur van dit Portret voelt voor de auteur van de na de Epiloog opgenomen Werken van Harry Mulisch (een lijstje dat ik helaas niet bij de hand kan houden, omdat dit boek na lezing terug naar de openbare bibliotheek moet) – is in het geheel geen minpunt voor dit, zoals het op de achterflap genoemd wordt, “intieme, ontroerende portret van de kunstenaar als oude man”. Een portret dat uiteraard eindigt met diens dood: “Hij lag in de zijruimte aan de voorkant. Achter hem de Egyptiana, zijn amuletten voor in het dodenrijk. Zijn lichaam was vederlicht geworden, zweefde bijna op de baar, zijn huid van perkament. Hij had, net als in Nice, zijn favoriete donkerblauwe linnen jasje aan, rood pochet in de borstzak, vuurrode kousen. Zijn neus stak, doordat zijn gesloten ogen diep in de kassen waren verzonken, nog scherper naar voren. Een wijze, oude vogel. Ik brak. ‘Dag Harry.’”

En dag lezer. Als u dit boek toevallig zou aantreffen, vergeet dan zeker niet het te lezen.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !