maandag 29 juni 2026

Onder het bladerdak – Tweeduizend jaar woudgeschiedenis – Jerker Spits (boekbespreking door Björn Roose)

Onder het bladerdak – Tweeduizend jaar woudgeschiedenis – Jerker Spits (boekbespreking door Björn Roose)
In het algemeen is het enige argument dat ik heb tegen boeken over bomen en bossen er een van praktische aard: boeken zijn, hoe je het ook draait of keert, gemaakt van bomen en er zouden dus allicht minder bomen sneuvelen als er minder boeken gedrukt werden. Anderzijds: ik heb helemaal niéts met e-readers, dus van mij hoeft er geen medewerking verwacht te worden wat het digitaliseren van de boekenwereld betreft. Bovendien: ik houd me voor dat ik behalve iets zinnigs voor mezelf ook iets nuttigs doe voor de natuur door massa’s oude boeken te kopen, waardoor de daarvoor gebruikte bomen op een zinnige manier gerecycleerd worden in plaats van te eindigen als reclameblad, krant, of, godbetert, politieke propaganda. Een droevig einde waaraan Jerker Spits in voorliggend Onder het bladerdak, ondertitel Tweeduizend jaar woudgeschiedenis, overigens geen letter aandacht besteedt. Net zomin als aan boeken trouwens. Toch niet in de zin dat ze ook wel eens het product kunnen zijn waarvoor bomen geveld werden en nog steeds worden.

In welke zin dan wel? In de zin van inspiratiebron vooral, want Spits bewijst niet alleen met de achteraan in dit driehonderd bladzijden dikke boek, in 2024 bij Uitgeverij Van Oorschot uitgegeven, opgenomen Literatuur-lijst dat hij zich behoorlijk ingelezen heeft over zijn onderwerp. Gaius Julius Caesar met Oorlog in Gallië, Napoleon Chagnon met Yanomamö. The Fierce People, Tonke Dragt met Brief voor de koning en Geheimen van het wilde woud, Alexander von Humboldt met zijn Amerikaanse ontdekkingsreis 1799-1804, Ernst Jünger met Der Waldgang, Ton Lemaire met Bomen en bossen. Bondgenoten voor een leefbare aarde, Redmond O’Hanlon (van wie ik eerder Storm besprak) met Naar het hart van Borneo en Tussen Orinoco en Amazone, Ovidius met zijn Metamorphosen, Suetonius met de Keizers van Rome, Tacitus met De Germanen, Henry David Thoreau met (onder andere) Walden, Vergilius met Het verhaal van Aeneas, Frans de Waal met Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving, en uiteraard Peter Wohlleben, van wie ik eerder Het innerlijke leven van dieren, De tuin, Het bos – Het handboek voor elke boswandeling, De lange adem van bomen, en Het verborgen leven van bomen besprak, zijn slechts een paar van de werken die in die lijst opgenomen zijn, en die lijst is een van de redenen waarom ik het spijtig vind dat ik dit werk moeten lenen heb uit de openbare bibliotheek, maar niet in m’n eigen bezit heb. Niets handiger dan dat soort lijstjes om op zoek te gaan naar ándere interessante literatuur, zelfs al schrijft Spits bijvoorbeeld in een van de afsluitende (en eerlijk gezegd lichtelijke overbodige) hoofdstukjes, getiteld Vijftien inzichten over het bos, dat de “sympathieke samenwerking tussen bomen die elkaar helpen”, iets wat Wohlleben volgens hem beschrijft, “een sterk door menselijke waarneming gekleurd beeld” is. Wat uiteraard wáár is – we moeten het als mensen nu eenmaal hebben van menselijke waarneming – maar ook onwaar, omdat Wohlleben volgens mij daarmee niet aangeeft dat bomen dat doen omdat ze mekaar ‘sympathiek’ vinden. Bomen helpen mekaar simpelweg omdat ze daar zelf ook baat bij hebben. Wat weer eens wat anders is dan datgene wat Spits schetst in zijn Verantwoording (een ander enigszins overbodig hoofdstukje aan het einde van het boek) waar het Hoofdstuk 2 – De ontdekking van de wildernis aangaat: “De beschrijving van de reis van de twee vrienden is gebaseerd op Tocquevilles Quinze jours dans le désert, na zijn dood uitgegeven door zijn vriend en reisgenoot Gustave de Beaumont. Tocqueville was oorspronkelijk van plan zijn werk eerder te publiceren, maar besloot dit niet te doen omdat hij vreesde dat zijn beroemde naam het werk van zijn vriend in de schaduw zou stellen. Beaumont schreef Marie, ou l’esclavage aux États-Unis, een roman over een man die als kluizenaar in de wildernis van Michigan leeft.”

Soit, mijn bespreking met de laatste hoofdstukken van dit boek beginnen, lag eigenlijk niet in mijn bedoeling, maar nu we daar toch zijn, wijs ik er graag op dat ook het Personenregister dat zich daar ergens bevindt goed in mekaar steekt (ik vond er bijvoorbeeld meteen de passage over Peter Wohlleben mee terug), en dat de Chronologie behalve een, uiteraard, chronologisch overzicht van de zaken die in dit boek aan de orde komen, ook nog hier en daar wat extra informatie bevat. Bij 1935 bijvoorbeeld: “Het Naturschutzgesetz van ‘rijkshoutvester’ Hermann Göring moet de Duitse natuur beschermen tegen willekeur en verschraling. De wet houdt tot 1976 stand.” Dat dat Gesetz pas meer dan dertig jaar na de oorlog vervangen werd door een ander stond volgens mij nergens anders in dit boek te lezen. Maar dat is dan ook een detail in dit geheel: “Dit boek vertelt”, zo luidt het immers in de Inleiding, “over ruim tweeduizend jaar woudgeschiedenis: van de Slag tussen de Germanen en Romeinen in het Teutoburgerwoud tot de ontbossing in onze wereld, van de wilde dieren in het Hercynische woud tot de terugkeer van de wolf in Nederland na ruim twee eeuwen afwezigheid. De lezer maakt kennis met bekende en minder bekende historische figuren, hun angsten en verlangens en met de rijkdom van het bos: van het tropische regenwoud op Sarawak tot Sherwood Forest, van het Forest of Dean tot de Veluwe. Tussendoor vertelt het boek hoe eiken groeien, hoe je hout oogst en hoe je in het bos de sporen van een wolf ontdekt. In al die verhalen staat de menselijke honger naar hout, als beeld voor het verlangen naar het bos, in het middelpunt. Het bos leverde brandstof voor economische groei, verhalen over de eigen identiteit en was een spiegel voor angsten en verlangens. De epiloog staat stil bij het bos en klimaatverandering. Elk hoofdstuk heeft een eigen thema, als toegang tot het bos, en speelt op een andere plek in de wereld. Zo komen de meest bosrijke landen en mooiste verhalen aan bod. De verhalen laten het bos in al zijn rijkdom zien. Een boswandeling zal nooit meer hetzelfde zijn.” Een Inleiding die een beetje in telegramstijl geschreven is, wat hakkelend (maar als dusdanig niet tekenend voor de rest van het boek), af en toe wat benevens de waarheid (wat die “boswandeling” betreft, wendt u zich echt beter tot de boeken van Wohlleben), maar voor de rest toch een aardige samenvatting van het boek vormt. De Engelse bossen die, aldus de Inhoud, “in de zeventiende eeuw het hart van een eigen Engelse identiteit [begonnen] te vormen”, de Amerikaanse bossen in de negentiende eeuw, de bossen op Maleisië en Borneo in de vorige eeuw, het al eerder genoemde Teutoburgerwald van omtrent het jaar nul, de Veluwe, het bos in sprookjes en legenden, het Amazoneregenwoud: ze vormen natuurlijk slechts deeltjes van een geheel waarvan het verhaal een duizenden bladzijden dik boek zou behoeven, maar wat Spits er over vertelt, datgene wat dus tussen de Inleiding en de Epiloog zit, vormt een mooie inleiding tot dat bij mijn weten nooit geschreven volledige verhaal, een verhaal waarin dan bijvoorbeeld ook dat over pakweg het Zoniënwoud zou passen, zelfs al ligt wat daarvan rest nu in een land waar “bomen een bos [vormen] als ze 0,01 hectare beslaan”.

Nu goed, Spits laat dus zijn licht schijnen over een aantal gevallen die illustratief kunnen zijn voor zovele andere. Illustratiever dan de illustraties die opgenomen zijn in dit boek, want die zijn, en dat is wellicht te wijten aan de uitgever, vaak bedroevend slecht weergegeven. Van Jacob van Ruysdaels Een weg door een eikenbos (verkeerdelijk aangeduid als Weg door een eikenbos, wat een ander schilderij van Van Ruysdael is) blijft nauwelijks wat meer dan schaduwen over; Albert Bierstadts Indian hunters in canoe is er nog erger aan toe; Ivan Sjiskins Der Teutoburger Wald idem; van Caspar David Friedrichs Waldinneres bei Mondschein is de hele clair-obscur om zeep geholpen. Om het maar niet te uitgebreid te hebben over het portret van Henry VIII op pagina 14 waarvan geen bron vermeld wordt, Anthony van Dycks Charles I with M. de St. Antoine dat maar zeer ten dele is weergegeven zonder die ‘deelsheid’ echter te vernoemen (‘detail’ is de geijkte term), Eduard Enders Alexander von Humboldt und Aimé Bonpland dat dezelfde behandeling onderging, enzovoort, enzoverder. Van Oorschot is met z’n eigen werk aan deze uitgave kortom in mijn achting gedaald, maar goed, Spits zal zoals de meeste auteurs wellicht ook geen last hebben van uitgevers die hem smeken om zijn werken te mogen publiceren, neem ik aan. En het werk van de uitgever doet ook geen afbreuk aan het werk van de auteur. In tegenstelling tot wat het werk van zestiende-eeuwse Engelsen bijvoorbeeld deed met het werk van eeuwen sinds de Romeinen in zuidelijk Engeland gepasseerd waren: “In de zestiende eeuw hadden de bossen in Zuid-Engeland zich van de grootschalige houtkap door de Romeinen hersteld. Een echte industrie bezat Engeland niet. Glas, ijzer, zout om eten te bewaren en smaak te geven: ze moesten grotendeels uit het buitenland komen. De Engelsen stuurden stof voor kleding en tapijten naar de Lage Landen en moesten diep in hun buidel tasten om het geverfd en geweven terug te krijgen. In de tijd waarin Spaanse schepen met goud en zilver beladen terugkeerden van plunderingen in Mexico en Peru, en Portugal stinkend rijk werd van de specerijenhandel met India en Azië, telde de Engelse vloot slechts vijf schepen.” Maar toen kreeg Henry VIII het idee dat “een wooden wall van oorlogsschepen (…) het vrijgevochten Engeland [moest] beschermen”, en anderen kregen het idee dat zo’n “wooden wall” alleen van Engelse bomen kon gemaakt worden, wat er toe leidde dat de ‘volwassen’ eiken in het New Forest al snel allemaal omgelegd waren en er zelfs onvolwassen eiken werden gekapt, die niet alleen minder lang meegaande schepen bleken op te leveren, maar ook – uiteraard – voor “een gebrek aan aanwas van volwassen eiken [zorgden], waardoor de situatie verslechterde.” En dat was slechts het begin van het probleem: “In 1545 goten William Levett, Peter Bawde en Ralph Hogge de eerste artilleriestukken op Engelse bodem. Vier jaar later in 1549, waren er in Sussex 53 ijzersmederijen en ovens. Ze hadden een grote hoeveelheid hout nodig (…) Alleen al voor de gieterij in het plaatsje Robertsbridge waren 53 houtzagers de hele dag in touw.” Iets waarvan ook de lokale bewoners het slachtoffer werden: zij hadden immers hout nodig “voor reparatie en de bouw van nieuwe huizen”, “voor de verlichting”, “om hun kleren te drogen en hun lichamen te verwarmen”, enzovoort, maar hun protest was to no avail: “De ijzerwerken konden doorgaan, en ook zij maakten gebruik van eikenhout als brandstof. In 1560 gebruikten de ijzerwerken in Derbyshire rond de 59.412 grote en 32.820 kleine eiken afkomstig uit het bos van Duffield Frith. Tweeënzeventig jaar later was 93 procent van het bos verdwenen.”

Uiteraard slechts een paar voorbeelden uit de Engelse geschiedenis, Spits geeft er nog wel wat meer, ook uit andere landen, maar wat ‘krijgskunde’ en industrialisering voor het bos betekenden kan dus rustig geïllustreerd worden met de beelden van Tolkiens Orks in de bossen van Midden-Aarde. Iets waar ik verder kán op ingaan en eigenlijk ook wíl op ingaan, maar dan gaat u zich maar vervelen, en dat is nu ook weer niet de bedoeling. Beter is het verder te trekken naar de Forest of Dean, waar een soortgelijk drama zich afspeelde onder leiding van Sir John Winter; naar het essentiële verschil tussen een bos dat niét voorbij de grens getrokken wordt waarbij het niet meer in staat is zichzelf te verjongen en een bos waarmee dat wél gebeurt; naar De uitgestrekte bossen van Saginaw waar Tocqueville en Beaumont heen trokken; naar de sequoia en de weymouthden; naar George Pullman die “zo’n vijftig miljoen planken per jaar [gebruikte] voor zijn treinstellen”; naar de Manifest Destiny van de Europese kolonialisten in Noord-Amerika; naar de Amerikaanse trekduif die van zo’n vijf miljard exemplaren “toen de eerste kolonisten in Amerika kwamen” naar uitgestorven in de negentiende eeuw evolueerde; naar Ralph Waldo Emersons Nature en van daaraf naar Thoreau en de vrijheid van het bos. En daarna naar het Zwitserland van 1970, waar we ene Bruno Manser aantreffen, een dienstweigeraar, die in 1984 naar Borneo trekt om daar te gaan leven bij de Penanindianen - een vervelend volkje voor de houtvesters die in hun gebied op zoek gaan naar ramin, meranti, enzovoort – en daar al snel evolueert tot staatsvijand, om er in 2000, na enige jaren terug in Europa geweest te zijn, spoorloos te verdwijnen.

Waarna we terug richting Europa springen en meteen ook zo’n tweeduizend jaar terug in de tijd. “Er zijn talloze verwijzingen naar de eens uitgestrekte bossen van Italia”, schrijft Spits, maar met het uitbreiden van Rome van stad tot staat verdwenen die steeds verder uit het zicht en ‘moesten’ Romeinen om nog slag te leveren in een woud ‘barbaarse’ gebieden intrekken. Dat van de Germanen bijvoorbeeld, alwaar de Romeinen tijdens De Slag bij het Teutoburgerwoud een pandoering van jewelste kregen en er uiteindelijk, dankzij voornamelijk de geschriften van Tacitus, voor zouden zorgen dat die Germanen, later Duitsers, een geschiedenis kregen om hun identiteit aan vast te knopen, een geschiedenis waarover – zoals over alle geschiedenissen – te discussiëren valt, maar die tot op de dag van vandaag met de wouden, bossen en bomen van het gebied verbonden blijft. Iets wat er de nationaal-socialisten zelfs toe bracht plannen op te vatten voor de bebossing van veroverd gebied: “In het Generalplan Ost uit 1942 beschreven de nazi’s hun plannen voor de Besiedlung van Polen. Het land moest worden ‘verduitst’ door de oorspronkelijke bevolking op transport te zetten, nederzettingen met Duitsers op te richten en het landschap aan te passen. Architect Alwin Seifert was als Reichslandschaftsanwalt verantwoordelijk voor die verandering. Hij kreeg de titel ‘kunstenaar op oorlogsmissie’. ‘Als het oosten een thuis moet worden voor Duitsers uit alle districten en als het wil bloeien en net zo mooi moet worden als de rest van het rijk, is het niet genoeg om de steden te bevrijden van de gevolgen van de Poolse economie en schone, welgevallige dorpen te bouwen; dan moet het landschap weer gegermaniseerd worden,’ aldus Seifert. Het ‘steppelandschap’ van Polen was ‘onduits’. Er moesten boerderijen en bossen komen.” Ik wed dat u, net zoals ik, al wel een en andere gelezen heeft over de nationaal-socialisten, maar de kans dat u dát al wist, is toch klein. Ik wist het in ieder geval niet. Net zomin als dit trouwens: “De eerste Autobahn kwam er niet door de nazi’s, maar was tot stand gekomen dankzij Konrad Adenauer, de burgemeester van Keulen die de eerste naoorlogse bondskanselier zou worden. Het was de A555 van Keulen naar Bonn, gebouwd in 1932. Die weg werd door de nazi’s een Landstraße (provinciale weg) genoemd, zodat zij konden beweren de eerste Autobahn te hebben aangelegd.” Maar goed, met de nationaal-socialisten trekken we dus, zoals met de Romeinen, de bossen in: die rond Zernikow, bijvoorbeeld, of Het bos van Białowieża (beslist al geen ‘steppe’ voor de Duitsers er aan kwamen), of het Hürtgenwald, waar tussen de dennen een slag werd geleverd die, zeker voor de Amerikanen, een van de verschrikkelijkste van de hele Tweede Wereldoorlog was, maar zich voor velen nog steeds ergens in de plooien van de geschiedenis bevindt: “De verhouding tussen de geallieerden en Nazi-Duitsland was als het om geweren ging 2,5 tegen 1, als het om tanks ging 20 tegen 1. Bij vliegtuigen was het verschil nog groter. Maar dat maakte geen verschil in Hürtgen. Vliegtuigen konden boven dichte boomtoppen niet worden ingezet, de Amerikaanse Shermantanks liepen op de smalle, modderige bospaden vol mijnen vast. De bomen stonden zo dicht bij elkaar dat er geen zonlicht tussen kwam. Je kon nauwelijks verder dan vijftig meter schieten. De Duitse artillerie beschoot dennentoppen, granaatscherven kwamen met grote stukken hout en splinters op de Amerikaanse soldaten neer.” “De geallieerde legerleiding kon zich maar moeilijk in de situatie in het bos verplaatsen. Luitenant-generaal Courtney Hicks Hodges zat met zijn stafleden in het Belgische kuuroord Spa, waar hij de stafkaarten liet uitvouwen op klaptafels in het casino van het Grand Hotel Brittanique. In de parken van het kuuroord stonden jeeps. Soldaten liepen er in civiele kleding. Het front lag op dertig kilometer afstand, maar leek ver weg. Hodges begreep niet waarom zijn besluit om door het Hürtgenwald door te stoten naar de Rijn zo lastig uitvoerbaar was. Elke keer dat nieuwe soldaten de opdracht kregen het Hürtgenwald te veroveren, kregen zij er een andere opdracht bij. Die dubbele taak was onuitvoerbaar. Officieren durfden niet tegen Hodges in te gaan; hij stond bekend als een man die geen tegenspraak duldde.” “Aan het eind”, toen de Amerikanen dan toch nog aan het langste eind trokken, “bestond het bos uit gehavende en omgehakte bomen, uitgebrande voertuigen, lege munitiehulzen, rantsoenenblikjes en dode lichamen. Rond de 24.000 Amerikaanse soldaten kwamen bij de strijd om. Nog eens negenduizend stierven door de omstandigheden in het bos, door kou, vochtigheid, loopgraafvoeten of ademhalingsproblemen. Er zouden rond de 28.000 Duitse soldaten zijn gesneuveld, maar doordat het Duitse leger aan het eind van de oorlog geen cijfers meer bijhield, of die gegevens verloren zijn gegaan, is het moeilijk te achterhalen. Nog vandaag vind je in Hürtgen schuttersputjes en loopgraven, Amerikaanse schoenzolen en Duitse drakentanden. Het is gevaarlijk om tussen de restanten van bunkers door het bos te lopen. Er liggen granaten en mijnen met een laagje glas eromheen die een metaaldetector over het hoofd ziet.”

Zullen we maar weer verder gaan? Naar de Wevelsburg, naar Het woud als toevlucht zoals Ernst Jünger dat zag vanuit zijn Forsthaus in Wilflingen, naar het Hermannsdenkmal (niet bijzonder mooi, maar wel indrukwekkend, wat ook de bedoeling was), naar De wildinne van Kranenburg (wiens moeder, Anna du Chatel, weduwe van Joannes Jennaert, in Antwerpen woonde) en andere wolfskinderen, naar de Veluwe en de strijd aldaar tussen oprukkend zand en bos, naar de uitroeiing en terugkomst van de wolf (“te danken aan honderdduizenden mensen die in 1989 in Leipzig de straat op waren gegaan” en het kort daarna volgende vallen van de Muur), en naar de ronduit belachelijke angst die rond die terugkomst wordt gezaaid, bijvoorbeeld? “Discussies over de wolf worden vaak op grond van weinig feiten en kennis gevoerd. Uit Duits onderzoek naar territoriale wolven blijkt dat 53 procent van het voedsel uit reeën bestaat, vijftien procent uit jonge edelherten en achttien procent uit jonge wilde zwijnen. Schapen werden weinig gegeten (één procent). We hebben vele voorstellingen van de wolf die een spiegelbeeld lijken van onze eigen angsten, verlangens en onze wil om onze omgeving te domineren. We voelen ons ongemakkelijk bij een dier dat, net als wij, aanspraak maakt op zijn eigen leefgebied, eet, zich voortplant en doodt. Voor de natuur is de wolf een aanwinst. Het is de vraag of de mens bereid is opnieuw te leren samenleven met de wolf, en daarvoor een stapje terug te doen.” Waarmee je natuurlijk al snel bij de mensen bent die op hun eentje ter zake een besluit nemen: stropers. En bij de mensen die democratisch besluiten dat die niet hun gang mogen gaan. Wat dan weer twee groepen zijn die niet as such ter sprake komen als het gaat om Het betoverde bos, waarin we (al moet Spits daar wel een terechte uitleg over de betekenis van forest aan koppelen) in de eerste plaats wel Rovers en vrijbuiters in middeleeuws Engeland tegenkomen, in het bijzonder ene Robin Hood in Sherwood: “We weten niet wie voor Robin Hood model stond. Er is niemand die Robin Hood met zijn boog in het bos van Sherwood of bij het kasteel van de sheriff van Notthingham heeft gezien. We weten niet waarom hij een conflict kreeg met de sheriff. We weten wel dat de sheriff voor de wetten zegt te staan en Robin een outlaw is. En we kennen de achtergronden: de gehate boswet, de afkeer tegen corrupte bestuurders en de behoefte aan een held die het tegen hen opneemt.” “De eerste verhalen over hem zijn opgetekend in A Lytell Geste of Robyn Hode, waarschijnlijk ontstaan in de vijftiende eeuw. Al in een Schotse kroniek uit 1420 komen Robin en Kleine John voor. Ze zouden tussen 1283 en 1285 berucht zijn geweest.”

En hoever is het nu helemaal van zo’n “kroniek” naar de sprookjes van de gebroeders Grimm: “Honderdzestien van de 210 sprookjes in de editie van 1857 [van hun sprookjesverzameling, noot van mij] – de laatste, uiteindelijke uitgave (‘Ausgabe letzter Hand’) – spelen in het bos”, zegt Spits daarover. En dat had zo z’n redenen: “In 1813, een jaar na de eerste uitgave van hun sprookjesboek, publiceerden de broers een tijdschrift genaamd Altdeutsche Wälder, waarin ze de Duitse bossen verbonden met wat zij zagen als een oorspronkelijk Duitse cultuur.” Maar niet alleen de Duitse: “Het bos is overvloedig aanwezig in de Russische literatuur, in sprookjes, legenden en verhalen. Sommige schrijvers hebben zich diep in het bos gewaagd. De een had als doel om te jagen en de vertellingen van boerenknechten op te tekenen, de ander verlangde naar een imaginair landschap dat een eigen Russische identiteit verbeeldde.” Een stelling waarop Spits een stuk laat volgen waarvan Ivan Toergenjew (waarvan ik in 2023 Vaders en zonen besprak) de – bad pun intended – spits mag afbijten, al snel gevolgd door Pavel Melnikov (die “de ‘Naaldhoutrus’, als onverwoestbaar en tegen alle invloeden van buiten bestand” beschouwde), en de sprookjesverteller Aleksandr Afanasjev. Waarmee we ten slotte in het laatste hoofdstuk terechtkomen, een hoofdstuk over mensen die uiteraard nóóit sprookjes vertellen, maar door hun collega’s wel eens geacht worden dat wél te doen: wetenschappers. Met Alexander von Humboldt komen we in Nieuw-Andalusië, tegenwoordig beter bekend als Venezuela, terecht (en langs de Casiquiare, waarvan hij bewees dat die een natuurlijk ‘kanaal’ vormt tussen de Orinoco en de Rio Negro), met Napoleon Chagnon eveneens, al is die meer in de locals geïnteresseerd dan in de geografie (dat die zo’n honderdvijfenzestig jaar na het tripje van von Humboldt grotendeels bekend is, maakt de keuze natuurlijk makkelijker), en wordt het van die laatste niet gewaardeerd dat hij zijn waarnemingen over die locals publiceert. Op z’n minst niet door het ‘wetenschappelijke’ wereldje waarin hij verkeert: “Het verzet tegen Chagnons persoon en stellingen gaat gelijk op met zijn populariteit – of het nu voortkomt uit jaloezie, inhoudelijke bedenkingen of wetenschappelijke stammenstrijd. Vooral Chagnons stelling dat geweld verbonden is met voortplanting stuit bij antropologen op verzet. Andere antropologen beschuldigen hem ervan het geweld te overdrijven of zelfs ingebeeld te hebben. Chagnons beschrijving van de plaatselijke bevolking zou een weerspiegeling van zijn eigen agressieve persoonlijkheid zijn. De meeste antropologen hebben een andere opvatting van wetenschap dan Chagnon. Nadat de antropologie zo lang hand in hand is gegaan met kapitalisme en kolonialisme, zijn zij voorstander van een sterk geëngageerde antropologie die inheemse bevolkingsgroepen beschermt. Zij zien Chagnons onderzoek als een bedreiging voor de Yanomami.” “Door die controverse kan Chagnon niet meer terugkeren naar het regenwoud. De Venezolaanse autoriteiten ontzeggen hem de toegang. Chagnon, die in de wetenschap begonnen was als een buitengewoon strijdbaar man, gaat in 1999 met vervroegd pensioen.” Als slachtoffer van het sindsdien niet minder catastrofaal geworden wokevirus, zou ik daar aan toevoegen. Wat weer eens wat anders is dan de zaken waar de ‘bossen’ van tegenwoordig, vaak (helaas) in essentie boomplantages, bossen naar het model dat Hans Carl von Carlowitz ontwierp om de nog niet in plantages veranderde bossen van zijn tijd (de laatste helft van de 17de eeuw en de eerste helft van de 18de) te beschermen, aan kapot gaan: bastkevers. Maar als u ook nog over die beestjes, modern ‘bosbeheer’ en tutti quanti wil lezen, verwijs ik u, zoals ook geldt voor als u gewoon méér wil lezen over wat ik eerder meegaf, graag naar het boek zelf. Ook als u de negatieve punten aan het begin van deze boekbespreking in aanmerking neemt, zal u zich de aankoop van Onder het bladerdak – Tweeduizend jaar woudgeschiedenis niet beklagen.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !