In het algemeen is het enige argument dat ik heb tegen boeken over
bomen en bossen er een van praktische aard: boeken zijn, hoe je het
ook draait of keert, gemaakt van bomen en er zouden dus allicht
minder bomen sneuvelen als er minder boeken gedrukt werden.
Anderzijds: ik heb helemaal niéts met e-readers, dus van mij
hoeft er geen medewerking verwacht te worden wat het digitaliseren
van de boekenwereld betreft. Bovendien: ik houd me voor dat ik
behalve iets zinnigs voor mezelf ook iets nuttigs doe voor de natuur
door massa’s oude boeken te kopen, waardoor de daarvoor gebruikte
bomen op een zinnige manier gerecycleerd worden in plaats van te
eindigen als reclameblad, krant, of, godbetert, politieke propaganda.
Een droevig einde waaraan Jerker Spits in voorliggend Onder het bladerdak, ondertitel Tweeduizend
jaar woudgeschiedenis, overigens geen letter aandacht besteedt.
Net zomin als aan boeken trouwens. Toch niet in de zin dat ze ook wel
eens het product kunnen zijn waarvoor bomen geveld werden en nog
steeds worden.
In welke zin dan wel? In de zin van inspiratiebron vooral, want Spits
bewijst niet alleen met de achteraan in dit driehonderd bladzijden
dikke boek, in 2024 bij Uitgeverij Van Oorschot uitgegeven, opgenomen Literatuur-lijst dat hij zich
behoorlijk ingelezen heeft over zijn onderwerp. Gaius Julius Caesar
met Oorlog in Gallië, Napoleon Chagnon met Yanomamö. The
Fierce People, Tonke Dragt met Brief voor de koning en
Geheimen van het wilde woud, Alexander von Humboldt met zijn
Amerikaanse ontdekkingsreis 1799-1804, Ernst Jünger met Der
Waldgang, Ton Lemaire met Bomen en bossen. Bondgenoten voor
een leefbare aarde, Redmond O’Hanlon (van wie ik eerder Storm
besprak) met Naar het hart van Borneo en Tussen Orinoco
en Amazone, Ovidius met zijn Metamorphosen, Suetonius met
de Keizers van Rome, Tacitus met De Germanen, Henry
David Thoreau met (onder andere) Walden, Vergilius met Het
verhaal van Aeneas, Frans de Waal met Een tijd voor empathie.
Wat de natuur ons leert over een betere samenleving, en uiteraard
Peter Wohlleben, van wie ik eerder Het innerlijke leven van dieren,
De tuin,
Het bos – Het handboek voor elke boswandeling,
De lange adem van bomen,
en Het verborgen leven van bomen besprak, zijn slechts een paar van de werken die in die lijst
opgenomen zijn, en die lijst is een van de redenen waarom ik het
spijtig vind dat ik dit werk moeten lenen heb uit de openbare
bibliotheek, maar niet in m’n eigen bezit heb. Niets handiger dan
dat soort lijstjes om op zoek te gaan naar ándere interessante
literatuur, zelfs al schrijft Spits bijvoorbeeld in een van de
afsluitende (en eerlijk gezegd lichtelijke overbodige) hoofdstukjes,
getiteld Vijftien inzichten over het bos, dat de “sympathieke
samenwerking tussen bomen die elkaar helpen”, iets wat Wohlleben
volgens hem beschrijft, “een sterk door menselijke waarneming
gekleurd beeld” is. Wat uiteraard wáár is – we moeten het als
mensen nu eenmaal hebben van menselijke waarneming – maar ook
onwaar, omdat Wohlleben volgens mij daarmee niet aangeeft dat bomen
dat doen omdat ze mekaar ‘sympathiek’ vinden. Bomen helpen mekaar
simpelweg omdat ze daar zelf ook baat bij hebben. Wat weer eens wat
anders is dan datgene wat Spits schetst in zijn Verantwoording
(een ander enigszins overbodig hoofdstukje aan het einde van het
boek) waar het Hoofdstuk 2 – De ontdekking van de
wildernis aangaat: “De beschrijving van de reis van de twee
vrienden is gebaseerd op Tocquevilles Quinze jours dans le désert,
na zijn dood uitgegeven door zijn vriend en reisgenoot Gustave de
Beaumont. Tocqueville was oorspronkelijk van plan zijn werk eerder te
publiceren, maar besloot dit niet te doen omdat hij vreesde dat zijn
beroemde naam het werk van zijn vriend in de schaduw zou stellen.
Beaumont schreef Marie, ou l’esclavage aux États-Unis, een
roman over een man die als kluizenaar in de wildernis van Michigan leeft.”
Soit, mijn bespreking met de laatste hoofdstukken van dit boek
beginnen, lag eigenlijk niet in mijn bedoeling, maar nu we daar toch
zijn, wijs ik er graag op dat ook het Personenregister dat
zich daar ergens bevindt goed in mekaar steekt (ik vond er
bijvoorbeeld meteen de passage over Peter Wohlleben mee terug), en
dat de Chronologie behalve een, uiteraard, chronologisch
overzicht van de zaken die in dit boek aan de orde komen, ook nog
hier en daar wat extra informatie bevat. Bij 1935
bijvoorbeeld: “Het Naturschutzgesetz van ‘rijkshoutvester’
Hermann Göring moet de Duitse natuur beschermen tegen willekeur en
verschraling. De wet houdt tot 1976 stand.” Dat dat Gesetz
pas meer dan dertig jaar na de oorlog vervangen werd door een ander
stond volgens mij nergens anders in dit boek te lezen. Maar dat is
dan ook een detail in dit geheel: “Dit boek vertelt”, zo luidt
het immers in de Inleiding, “over ruim tweeduizend jaar
woudgeschiedenis: van de Slag tussen de Germanen en Romeinen in het
Teutoburgerwoud tot de ontbossing in onze wereld, van de wilde dieren
in het Hercynische woud tot de terugkeer van de wolf in Nederland na
ruim twee eeuwen afwezigheid. De lezer maakt kennis met bekende en
minder bekende historische figuren, hun angsten en verlangens en met
de rijkdom van het bos: van het tropische regenwoud op Sarawak tot
Sherwood Forest, van het Forest of Dean tot de Veluwe. Tussendoor
vertelt het boek hoe eiken groeien, hoe je hout oogst en hoe je in
het bos de sporen van een wolf ontdekt. In al die verhalen staat de
menselijke honger naar hout, als beeld voor het verlangen naar het
bos, in het middelpunt. Het bos leverde brandstof voor economische
groei, verhalen over de eigen identiteit en was een spiegel voor
angsten en verlangens. De epiloog staat stil bij het bos en
klimaatverandering. Elk hoofdstuk heeft een eigen thema, als toegang
tot het bos, en speelt op een andere plek in de wereld. Zo komen de
meest bosrijke landen en mooiste verhalen aan bod. De verhalen laten
het bos in al zijn rijkdom zien. Een boswandeling zal nooit meer
hetzelfde zijn.” Een Inleiding die een beetje in
telegramstijl geschreven is, wat hakkelend (maar als dusdanig niet
tekenend voor de rest van het boek), af en toe wat benevens de
waarheid (wat die “boswandeling” betreft, wendt u zich echt beter
tot de boeken van Wohlleben), maar voor de rest toch een aardige
samenvatting van het boek vormt. De Engelse bossen die, aldus de
Inhoud, “in de zeventiende eeuw het hart van een eigen
Engelse identiteit [begonnen] te vormen”, de Amerikaanse bossen in
de negentiende eeuw, de bossen op Maleisië en Borneo in de vorige
eeuw, het al eerder genoemde Teutoburgerwald van omtrent het
jaar nul, de Veluwe, het bos in sprookjes en legenden, het
Amazoneregenwoud: ze vormen natuurlijk slechts deeltjes van een
geheel waarvan het verhaal een duizenden bladzijden dik boek zou
behoeven, maar wat Spits er over vertelt, datgene wat dus tussen de
Inleiding en de Epiloog zit, vormt een mooie inleiding
tot dat bij mijn weten nooit geschreven volledige verhaal, een
verhaal waarin dan bijvoorbeeld ook dat over pakweg het Zoniënwoud
zou passen, zelfs al ligt wat daarvan rest nu in een land waar “bomen
een bos [vormen] als ze 0,01 hectare beslaan”.
Nu goed, Spits laat dus zijn licht schijnen over een aantal gevallen
die illustratief kunnen zijn voor zovele andere. Illustratiever dan
de illustraties die opgenomen zijn in dit boek, want die zijn, en dat
is wellicht te wijten aan de uitgever, vaak bedroevend slecht
weergegeven. Van Jacob van Ruysdaels Een weg door een eikenbos
(verkeerdelijk aangeduid als Weg door een eikenbos, wat een
ander schilderij van Van Ruysdael is) blijft nauwelijks wat meer dan
schaduwen over; Albert Bierstadts Indian hunters in canoe is
er nog erger aan toe; Ivan Sjiskins Der Teutoburger Wald idem;
van Caspar David Friedrichs Waldinneres bei Mondschein is de
hele clair-obscur om zeep geholpen. Om het maar niet te uitgebreid te
hebben over het portret van Henry VIII op pagina 14 waarvan geen bron
vermeld wordt, Anthony van Dycks Charles I with M. de St. Antoine
dat maar zeer ten dele is weergegeven zonder die ‘deelsheid’
echter te vernoemen (‘detail’ is de geijkte term), Eduard Enders
Alexander von Humboldt und Aimé Bonpland dat dezelfde
behandeling onderging, enzovoort, enzoverder. Van Oorschot is
met z’n eigen werk aan deze uitgave kortom in mijn achting gedaald,
maar goed, Spits zal zoals de meeste auteurs wellicht ook geen last
hebben van uitgevers die hem smeken om zijn werken te mogen
publiceren, neem ik aan. En het werk van de uitgever doet ook geen
afbreuk aan het werk van de auteur. In tegenstelling tot wat het werk
van zestiende-eeuwse Engelsen bijvoorbeeld deed met het werk van
eeuwen sinds de Romeinen in zuidelijk Engeland gepasseerd waren: “In
de zestiende eeuw hadden de bossen in Zuid-Engeland zich van de
grootschalige houtkap door de Romeinen hersteld. Een echte industrie
bezat Engeland niet. Glas, ijzer, zout om eten te bewaren en smaak te
geven: ze moesten grotendeels uit het buitenland komen. De Engelsen
stuurden stof voor kleding en tapijten naar de Lage Landen en moesten
diep in hun buidel tasten om het geverfd en geweven terug te krijgen.
In de tijd waarin Spaanse schepen met goud en zilver beladen
terugkeerden van plunderingen in Mexico en Peru, en Portugal stinkend
rijk werd van de specerijenhandel met India en Azië, telde de
Engelse vloot slechts vijf schepen.” Maar toen kreeg Henry VIII het
idee dat “een wooden wall van oorlogsschepen (…) het
vrijgevochten Engeland [moest] beschermen”, en anderen kregen het
idee dat zo’n “wooden wall” alleen van Engelse bomen kon
gemaakt worden, wat er toe leidde dat de ‘volwassen’ eiken in het
New Forest al snel allemaal omgelegd waren en er zelfs
onvolwassen eiken werden gekapt, die niet alleen minder lang
meegaande schepen bleken op te leveren, maar ook – uiteraard –
voor “een gebrek aan aanwas van volwassen eiken [zorgden], waardoor
de situatie verslechterde.” En dat was slechts het begin van het
probleem: “In 1545 goten William Levett, Peter Bawde en Ralph Hogge
de eerste artilleriestukken op Engelse bodem. Vier jaar later in
1549, waren er in Sussex 53 ijzersmederijen en ovens. Ze hadden een
grote hoeveelheid hout nodig (…) Alleen al voor de gieterij in het
plaatsje Robertsbridge waren 53 houtzagers de hele dag in touw.”
Iets waarvan ook de lokale bewoners het slachtoffer werden: zij
hadden immers hout nodig “voor reparatie en de bouw van nieuwe
huizen”, “voor de verlichting”, “om hun kleren te drogen en
hun lichamen te verwarmen”, enzovoort, maar hun protest was to
no avail: “De ijzerwerken konden doorgaan, en ook zij maakten
gebruik van eikenhout als brandstof. In 1560 gebruikten de
ijzerwerken in Derbyshire rond de 59.412 grote en 32.820 kleine eiken
afkomstig uit het bos van Duffield Frith. Tweeënzeventig jaar later
was 93 procent van het bos verdwenen.”
Uiteraard slechts een paar voorbeelden uit de Engelse geschiedenis,
Spits geeft er nog wel wat meer, ook uit andere landen, maar wat
‘krijgskunde’ en industrialisering voor het bos betekenden kan
dus rustig geïllustreerd worden met de beelden van Tolkiens Orks in
de bossen van Midden-Aarde. Iets waar ik verder kán op ingaan en
eigenlijk ook wíl op ingaan, maar dan gaat u zich maar vervelen, en
dat is nu ook weer niet de bedoeling. Beter is het verder te trekken
naar de Forest of Dean,
waar een soortgelijk drama zich afspeelde onder leiding van Sir John
Winter; naar het essentiële verschil tussen een bos dat niét
voorbij de grens getrokken wordt waarbij het niet meer in staat is
zichzelf te verjongen en een bos waarmee dat wél gebeurt; naar De
uitgestrekte bossen van Saginaw waar Tocqueville en Beaumont heen
trokken; naar de sequoia en de weymouthden; naar George Pullman die
“zo’n vijftig miljoen planken per jaar [gebruikte] voor zijn
treinstellen”; naar de Manifest Destiny van de Europese
kolonialisten in Noord-Amerika; naar de Amerikaanse trekduif die van
zo’n vijf miljard exemplaren “toen de eerste kolonisten in
Amerika kwamen” naar uitgestorven in de negentiende eeuw
evolueerde; naar Ralph Waldo Emersons Nature en van daaraf
naar Thoreau en de vrijheid van het bos. En daarna naar het
Zwitserland van 1970, waar we ene Bruno Manser aantreffen, een
dienstweigeraar, die in 1984 naar Borneo trekt om daar te gaan leven
bij de Penanindianen - een vervelend volkje voor de houtvesters die
in hun gebied op zoek gaan naar ramin, meranti, enzovoort – en daar
al snel evolueert tot staatsvijand, om er in 2000, na enige jaren
terug in Europa geweest te zijn, spoorloos te verdwijnen.
Waarna we terug richting Europa springen en meteen ook zo’n
tweeduizend jaar terug in de tijd. “Er zijn talloze verwijzingen
naar de eens uitgestrekte bossen van Italia”, schrijft Spits, maar
met het uitbreiden van Rome van stad tot staat verdwenen die steeds
verder uit het zicht en ‘moesten’ Romeinen om nog slag te leveren
in een woud ‘barbaarse’ gebieden intrekken. Dat van de Germanen
bijvoorbeeld, alwaar de Romeinen tijdens De Slag bij het
Teutoburgerwoud een pandoering van jewelste kregen en er
uiteindelijk, dankzij voornamelijk de geschriften van Tacitus, voor
zouden zorgen dat die Germanen, later Duitsers, een geschiedenis
kregen om hun identiteit aan vast te knopen, een geschiedenis
waarover – zoals over alle geschiedenissen – te discussiëren
valt, maar die tot op de dag van vandaag met de wouden, bossen en
bomen van het gebied verbonden blijft. Iets wat er de
nationaal-socialisten zelfs toe bracht plannen op te vatten voor de
bebossing van veroverd gebied: “In het Generalplan Ost uit
1942 beschreven de nazi’s hun plannen voor de Besiedlung van
Polen. Het land moest worden ‘verduitst’ door de oorspronkelijke
bevolking op transport te zetten, nederzettingen met Duitsers op te
richten en het landschap aan te passen. Architect Alwin Seifert was
als Reichslandschaftsanwalt verantwoordelijk voor die
verandering. Hij kreeg de titel ‘kunstenaar op oorlogsmissie’.
‘Als het oosten een thuis moet worden voor Duitsers uit alle
districten en als het wil bloeien en net zo mooi moet worden als de
rest van het rijk, is het niet genoeg om de steden te bevrijden van
de gevolgen van de Poolse economie en schone, welgevallige dorpen te
bouwen; dan moet het landschap weer gegermaniseerd worden,’ aldus
Seifert. Het ‘steppelandschap’ van Polen was ‘onduits’. Er
moesten boerderijen en bossen komen.” Ik wed dat u, net zoals ik,
al wel een en andere gelezen heeft over de nationaal-socialisten,
maar de kans dat u dát al wist, is toch klein. Ik wist het in ieder
geval niet. Net zomin als dit trouwens: “De eerste Autobahn kwam er
niet door de nazi’s, maar was tot stand gekomen dankzij Konrad
Adenauer, de burgemeester van Keulen die de eerste naoorlogse
bondskanselier zou worden. Het was de A555 van Keulen naar Bonn,
gebouwd in 1932. Die weg werd door de nazi’s een Landstraße
(provinciale weg) genoemd, zodat zij konden beweren de eerste
Autobahn te hebben aangelegd.” Maar goed, met de
nationaal-socialisten trekken we dus, zoals met de Romeinen, de
bossen in: die rond Zernikow, bijvoorbeeld, of Het bos van
Białowieża (beslist al geen ‘steppe’ voor de Duitsers er
aan kwamen), of het Hürtgenwald, waar tussen de dennen een
slag werd geleverd die, zeker voor de Amerikanen, een van de
verschrikkelijkste van de hele Tweede Wereldoorlog was, maar zich
voor velen nog steeds ergens in de plooien van de geschiedenis
bevindt: “De verhouding tussen de geallieerden en Nazi-Duitsland
was als het om geweren ging 2,5 tegen 1, als het om tanks ging 20
tegen 1. Bij vliegtuigen was het verschil nog groter. Maar dat maakte
geen verschil in Hürtgen. Vliegtuigen konden boven dichte boomtoppen
niet worden ingezet, de Amerikaanse Shermantanks liepen op de smalle,
modderige bospaden vol mijnen vast. De bomen stonden zo dicht bij
elkaar dat er geen zonlicht tussen kwam. Je kon nauwelijks verder dan
vijftig meter schieten. De Duitse artillerie beschoot dennentoppen,
granaatscherven kwamen met grote stukken hout en splinters op de
Amerikaanse soldaten neer.” “De geallieerde legerleiding kon
zich maar moeilijk in de situatie in het bos verplaatsen.
Luitenant-generaal Courtney Hicks Hodges zat met zijn stafleden in
het Belgische kuuroord Spa, waar hij de stafkaarten liet uitvouwen op
klaptafels in het casino van het Grand Hotel Brittanique. In de
parken van het kuuroord stonden jeeps. Soldaten liepen er in civiele
kleding. Het front lag op dertig kilometer afstand, maar leek ver
weg. Hodges begreep niet waarom zijn besluit om door het Hürtgenwald
door te stoten naar de Rijn zo lastig uitvoerbaar was. Elke keer dat
nieuwe soldaten de opdracht kregen het Hürtgenwald te veroveren,
kregen zij er een andere opdracht bij. Die dubbele taak was
onuitvoerbaar. Officieren durfden niet tegen Hodges in te gaan; hij
stond bekend als een man die geen tegenspraak duldde.” “Aan het
eind”, toen de Amerikanen dan toch nog aan het langste eind
trokken, “bestond het bos uit gehavende en omgehakte bomen,
uitgebrande voertuigen, lege munitiehulzen, rantsoenenblikjes en dode
lichamen. Rond de 24.000 Amerikaanse soldaten kwamen bij de strijd
om. Nog eens negenduizend stierven door de omstandigheden in het bos,
door kou, vochtigheid, loopgraafvoeten of ademhalingsproblemen. Er
zouden rond de 28.000 Duitse soldaten zijn gesneuveld, maar doordat
het Duitse leger aan het eind van de oorlog geen cijfers meer
bijhield, of die gegevens verloren zijn gegaan, is het moeilijk te
achterhalen. Nog vandaag vind je in Hürtgen schuttersputjes en
loopgraven, Amerikaanse schoenzolen en Duitse drakentanden. Het is
gevaarlijk om tussen de restanten van bunkers door het bos te lopen.
Er liggen granaten en mijnen met een laagje glas eromheen die een
metaaldetector over het hoofd ziet.”
Zullen we maar weer verder gaan? Naar de Wevelsburg, naar Het woud
als toevlucht zoals Ernst Jünger dat zag vanuit zijn Forsthaus
in Wilflingen, naar het Hermannsdenkmal (niet bijzonder mooi,
maar wel indrukwekkend, wat ook de bedoeling was), naar De
wildinne van Kranenburg (wiens moeder, Anna du Chatel, weduwe van
Joannes Jennaert, in Antwerpen woonde) en andere wolfskinderen, naar
de Veluwe en de strijd aldaar tussen oprukkend zand en bos, naar de
uitroeiing en terugkomst van de wolf (“te danken aan
honderdduizenden mensen die in 1989 in Leipzig de straat op waren
gegaan” en het kort daarna volgende vallen van de Muur), en naar de
ronduit belachelijke angst die rond die terugkomst wordt gezaaid,
bijvoorbeeld? “Discussies over de wolf worden vaak op grond van
weinig feiten en kennis gevoerd. Uit Duits onderzoek naar
territoriale wolven blijkt dat 53 procent van het voedsel uit reeën
bestaat, vijftien procent uit jonge edelherten en achttien procent
uit jonge wilde zwijnen. Schapen werden weinig gegeten (één
procent). We hebben vele voorstellingen van de wolf die een
spiegelbeeld lijken van onze eigen angsten, verlangens en onze wil om
onze omgeving te domineren. We voelen ons ongemakkelijk bij een dier
dat, net als wij, aanspraak maakt op zijn eigen leefgebied, eet, zich
voortplant en doodt. Voor de natuur is de wolf een aanwinst. Het is
de vraag of de mens bereid is opnieuw te leren samenleven met de
wolf, en daarvoor een stapje terug te doen.” Waarmee je natuurlijk
al snel bij de mensen bent die op hun eentje ter zake een besluit
nemen: stropers. En bij de mensen die democratisch besluiten dat die
niet hun gang mogen gaan. Wat dan weer twee groepen zijn die niet as
such ter sprake komen als het gaat om Het betoverde bos,
waarin we (al moet Spits daar wel een terechte uitleg over de
betekenis van forest aan koppelen) in de eerste plaats wel
Rovers en vrijbuiters in middeleeuws Engeland tegenkomen, in
het bijzonder ene Robin Hood in Sherwood: “We weten niet wie voor
Robin Hood model stond. Er is niemand die Robin Hood met zijn boog in
het bos van Sherwood of bij het kasteel van de sheriff van
Notthingham heeft gezien. We weten niet waarom hij een conflict kreeg
met de sheriff. We weten wel dat de sheriff voor de wetten zegt te
staan en Robin een outlaw is. En we kennen de achtergronden:
de gehate boswet, de afkeer tegen corrupte bestuurders en de behoefte
aan een held die het tegen hen opneemt.” “De eerste verhalen over
hem zijn opgetekend in A Lytell Geste of Robyn Hode,
waarschijnlijk ontstaan in de vijftiende eeuw. Al in een Schotse
kroniek uit 1420 komen Robin en Kleine John voor. Ze zouden tussen
1283 en 1285 berucht zijn geweest.”
En hoever is het nu helemaal van zo’n “kroniek” naar de
sprookjes van de gebroeders Grimm: “Honderdzestien van de 210
sprookjes in de editie van 1857 [van hun sprookjesverzameling, noot
van mij] – de laatste, uiteindelijke uitgave (‘Ausgabe letzter
Hand’) – spelen in het bos”, zegt Spits daarover. En dat
had zo z’n redenen: “In 1813, een jaar na de eerste uitgave van
hun sprookjesboek, publiceerden de broers een tijdschrift genaamd
Altdeutsche Wälder, waarin ze de Duitse bossen verbonden met
wat zij zagen als een oorspronkelijk Duitse cultuur.” Maar niet
alleen de Duitse: “Het bos is overvloedig aanwezig in de Russische
literatuur, in sprookjes, legenden en verhalen. Sommige schrijvers
hebben zich diep in het bos gewaagd. De een had als doel om te jagen
en de vertellingen van boerenknechten op te tekenen, de ander
verlangde naar een imaginair landschap dat een eigen Russische
identiteit verbeeldde.” Een stelling waarop Spits een stuk laat
volgen waarvan Ivan Toergenjew (waarvan ik in 2023 Vaders en zonen besprak) de – bad pun intended – spits mag afbijten, al
snel gevolgd door Pavel Melnikov (die “de ‘Naaldhoutrus’, als
onverwoestbaar en tegen alle invloeden van buiten bestand”
beschouwde), en de sprookjesverteller Aleksandr Afanasjev. Waarmee we
ten slotte in het laatste hoofdstuk terechtkomen, een hoofdstuk over
mensen die uiteraard nóóit sprookjes vertellen, maar door hun
collega’s wel eens geacht worden dat wél te doen: wetenschappers.
Met Alexander von Humboldt komen we in Nieuw-Andalusië, tegenwoordig
beter bekend als Venezuela, terecht (en langs de Casiquiare, waarvan
hij bewees dat die een natuurlijk ‘kanaal’ vormt tussen de
Orinoco en de Rio Negro), met Napoleon Chagnon eveneens, al is die
meer in de locals geïnteresseerd dan in de geografie (dat die
zo’n honderdvijfenzestig jaar na het tripje van von Humboldt
grotendeels bekend is, maakt de keuze natuurlijk makkelijker), en
wordt het van die laatste niet gewaardeerd dat hij zijn waarnemingen
over die locals publiceert. Op z’n minst niet door het
‘wetenschappelijke’ wereldje waarin hij verkeert: “Het verzet
tegen Chagnons persoon en stellingen gaat gelijk op met zijn
populariteit – of het nu voortkomt uit jaloezie, inhoudelijke
bedenkingen of wetenschappelijke stammenstrijd. Vooral Chagnons
stelling dat geweld verbonden is met voortplanting stuit bij
antropologen op verzet. Andere antropologen beschuldigen hem ervan
het geweld te overdrijven of zelfs ingebeeld te hebben. Chagnons
beschrijving van de plaatselijke bevolking zou een weerspiegeling van
zijn eigen agressieve persoonlijkheid zijn. De meeste antropologen
hebben een andere opvatting van wetenschap dan Chagnon. Nadat de
antropologie zo lang hand in hand is gegaan met kapitalisme en
kolonialisme, zijn zij voorstander van een sterk geëngageerde
antropologie die inheemse bevolkingsgroepen beschermt. Zij zien
Chagnons onderzoek als een bedreiging voor de Yanomami.” “Door
die controverse kan Chagnon niet meer terugkeren naar het regenwoud.
De Venezolaanse autoriteiten ontzeggen hem de toegang. Chagnon, die
in de wetenschap begonnen was als een buitengewoon strijdbaar man,
gaat in 1999 met vervroegd pensioen.” Als slachtoffer van het
sindsdien niet minder catastrofaal geworden wokevirus, zou ik
daar aan toevoegen. Wat weer eens wat anders is dan de zaken waar de
‘bossen’ van tegenwoordig, vaak (helaas) in essentie
boomplantages, bossen naar het model dat Hans Carl von Carlowitz
ontwierp om de nog niet in plantages veranderde bossen van zijn tijd
(de laatste helft van de 17de eeuw en de eerste helft van de 18de) te
beschermen, aan kapot gaan: bastkevers. Maar als u ook nog over die
beestjes, modern ‘bosbeheer’ en tutti quanti wil lezen,
verwijs ik u, zoals ook geldt voor als u gewoon méér wil lezen over
wat ik eerder meegaf, graag naar het boek zelf. Ook als u de
negatieve punten aan het begin van deze boekbespreking in aanmerking
neemt, zal u zich de aankoop van Onder het bladerdak –
Tweeduizend jaar woudgeschiedenis niet beklagen.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !