Een weekje of zo geleden (ik gok er een beetje naar, want ik kan de
publicatie van mijn boekbesprekingen wel eens verschuiven) kreeg u
van mij een bespreking van Het onderzoek, een bende,
ondertitel Over het onderzoek naar de Bende van Nijvel, van de
hand van Dirk Barrez voorgeschoteld. Totaal ongerelateerd tot
voorliggend Het St.-Michielsakkoord, ondertitel Naar een
federaal België, van Jos. Bouveroux, zou een mens dan kunnen
denken, maar dat is om minstens twee redenen niet waar: 1) in belgië
is alles met mekaar gerelateerd, in het bijzonder waar het de
‘ordening’ van de overheid betreft; en 2) beide boekjes
verschenen in de reeks Actueel, een uitgave van Standaard
Uitgeverij / BRTN / VAR. Toén Actueel dus, want zelfs als
die serie tegenwoordig nog zou verdergezet worden, is een boekje dat
daarin in 1993 verscheen wellicht niet zo Actueel meer.
En toch… Ondanks het feit dat staatshervormingen altijd wel op een of
andere manier onderweg zijn in dit land – zélfs als een zogenaamd
Vlaams-nationalistische partij de belgische eerste minister levert –
en het gegeven dat er na het in de titel genoemde
St.-Michielsakkoord, volgens de officiële telling de vierde
staatshervorming, inmiddels nog twee gevolgd zijn, zijnde van 2001
tot 2003 de Lambermont- en Lombardakkoorden en van 2011 tot
2012 het zogenaamde Vlinderakkoord, is het
Sint-Michielsakkoord een specialleke. Zoals de schrijvelaars
van Wikipedia immers aangeven: “Met het Sint-Michielsakkoord
wordt België ook formeel een federale staat”. Niet iets waar ik
als (Heel-)Nederlander op zat te wachten, niet iets waar een
zogenaamde Vlaams-nationalist de leiding van zou moeten willen op
zich nemen als het niet is om het ding ten grave te dragen, maar toch
wel een belangrijke stap in de goede richting voor zij die de
bedoeling hadden belgië niet op te doeken, maar in leven te houden.
U hoort me niet zeggen dat bijvoorbeeld de ‘Vlaamse regering’
alles beter doet dan de belgische, allebei slecht presteren kan per
slot van rekening óók, maar wie die aanhalingstekens rond ‘Vlaamse
regering’ wil behouden, heeft er sowieso meer aan om de belgische
staat te hervormen, dan om iedere stap richting zogenaamde
‘autonomie’ tegen te houden. De critici van de staatshervorming,
aldus Bouveroux, “zagen pas erg laat in dat de invoering van een
waarachtig federalisme wellicht de laatste reddingsplank voor België is”.
Vlamingen,
in het bijzonder hun politici, zijn namelijk de bezitters van
kinderhanden en zelfs blij met de helft van een dode mus. Zó blij
dat ze in de toekomst liever nog meer halve dode mussen in hun
kinderhanden krijgen dan het belgische licht uit te doen, de deur
dicht te slaan en de sleutel weg te gooien. Stel je voor dat je de
mogelijkheid krijgt om de stabiliteit van de… belgische regering te
verhogen door een gedrocht als “de constructieve motie van
wantrouwen”? Of stel je voor dat je “beschermingsmechanismen”
kan helpen inbouwen in Brusselse instellingen zodat die niet kunnen
‘geblokkeerd’ worden door een of andere partij die de meerderheid
zou verwerven in de Nederlandse taalgroep van het Brussels parlement?
Of stel je voor dat je de Franstaligen in de ‘Vlaamse Rand’ nog
een stapje verder kan helpen in hun droom van een, uiteraard
francofoon, Grand-Bruxelles, door hen toe te laten op
Brusselse lijsten te stemmen in plaats van op Vlaams-Brabantse? Da’s
toch allemaal véél aangenamer dan ‘Salut en de kost’ en ‘Laat
elk voor z’n eigen deur vegen’, nietwaar?
Dat alles maar om aan te geven dat zo’n belgische staatshervorming toch
een zeker belang heeft. En dat dan weer om te zeggen dat een boekje
als het voorliggende ondanks het feit dat het niet meer Actueel
is toch nog interessant kan wezen. Al is het maar omdat Bouveroux,
destijds journalist bij de BRT (inmiddels VRT) en –
dixit de achterflap van deze achtenveertig bladzijden dikke uitgave –
“gezaghebbend specialist van het Wetstraatgebeuren”, het niet
alleen in zijn Inleiding heeft over wat aan die vierde
belgische staatshervorming (volgens hem ondernomen met de bedoeling
“de kroon op het werk te zetten en van België een volwaardige
federale staat te maken”) voorafging. Bouveroux stelt daarbij in De
onafwendbare federalisering dat de op 18 februari 1970 door
Gaston Eyskens gedane uitspraak dat “de unitaire staat is
achterhaald. De gemeenschappen en gewesten moeten hun plaats innemen
in vernieuwde structuren die beter aangepast moeten zijn aan de eigen
toestanden van het land” een “officieel einde” maakte aan het
“Belgique à Papa”, maar ook dat “al lang voordien (…) er
barsten in het huis gekomen [waren]” en dat “die barsten (…)
steeds groter [werden], tot de noodzaak zich opdrong om een nieuw
huis te bouwen”, wat natuurlijk niet klopt, het oude huis werd
vertimmerd, maar na het hoofdstuk over De onafwendbare
federalisering krijgt de lezer in ieder geval wel een mooie
beschrijving van dat “nieuw huis”. Een “nieuw huis” waarop
bij middel van het Sint-Michielsakkoord, aldus ‘loodgieter’
Jean-Luc Dehaene, alleen nog een dak moest geplaatst worden. Een dak
dat er bij zijn vorige poging niet gekomen was. Een dak dat ook nog
niet gestemd en dus geenszins reëel was toen Bouveroux dit boekje
schreef: “Als de grondwetsherziening ongewijzigd wordt goedgekeurd,
wat alle waarnemers verwachten, zal in de Grondwet uitdrukkelijk
worden erkend dat de unitaire Belgische staat achterhaald is”,
luidt dan ook de eerste zin van het hoofdstuk De federale
instellingen, waarmee hij aan die beschrijving begint.
Ik meen me te herinneren dat die verwachting vervuld werd, maar ik
herinnerde me (bijvoorbeeld) niet dat in de eerdere versie van de
belgische grondwet stond dat “de Koning het bevel voert over land-
en zeemacht”, dixit Bouveroux “een storende oubolligheid”: “Van
de intussen zo belangrijke luchtmacht was er nog geen sprake… De
Grondwet is gemoderniseerd en om alle soortgelijke gebreken in de
toekomst te vermijden, staat er nu te lezen: ‘Hij voert het bevel
over de krijgsmacht.’” Dat “hij” zélf “een storende
oubolligheid” is, is dan weer een probleem dat noch in de vierde
belgische staatshervorming noch in een volgende werd aangepakt,
helaas. Een fenomeen dat toch wel tekenend is voor die
staatshervorming (én vorige en volgende), wat bijvoorbeeld ook
blijkt uit de regeling inzake het aantal regeringsleden: “In de
Grondwet wordt immers vastgelegd dat de federale regering ‘ten
hoogste 15 leden’ mag tellen. Er kunnen dus niet meer dan 15
ministers worden benoemd. Over het aantal staatssecretarissen wordt
niets gezegd.”
Bouveroux levert op dat soort dingen – die er toe leidden dat in de vorige
belgische regering bijvoorbeeld acht staatssecretarissen passeerden –
geen commentaar. Misschien omdat hij behalve Actueel ook
‘factueel’ wil blijven, maar waarschijnlijker omdat de
“gezaghebbend specialist van het Wetstraatgebeuren” er niet
verder over nagedacht heeft. Wat ook blijkt uit het feit dat hij het
volgende weet te produceren als verklaring voor het opsplitsen van de
voormalige provincie Brabant in een Vlaams-Brabant en een
Waals-Brabant: “Behalve in de Limburgse gemeente Voeren, leverde
het samenleven van Vlamingen en Franstaligen vooral problemen op in
Brabant. Door de verdere stappen in de staatshervorming was de
provincie onbestuurbaar geworden.” Dat laatste klopt ongetwijfeld,
maar als het om dat “samenleven” ging, hadden de gemeenten in de
‘Vlaamse Rand’ waar dat het moeilijkst is, met name de
faciliteitengemeenten, niet vanuit Brabant moeten ‘verhuizen’
naar Vlaams-Brabant, maar ontdaan worden van de faciliteiten.
Al kan Bouveroux ook gewoon naïef geweest zijn: “Nog in het raam van
de bescherming van de taalminderheden is ook een nieuwe rol weggelegd
voor de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Elke burger van het
Brussels gewest en van de faciliteitengemeenten die klachten heeft
over de naleving van de Taalwet, kan bij die Vaste Commissie terecht.
De Nederlands- en Franstalige afdelingen van die commissie samen
kunnen in het uiterste geval zelfs in de plaats treden van een
overheidsadministratie om de taalwetten correct toe te passen.” Wat
dus nooit gebeurt en ook perfect te voorzien was. Het enige wat met
een klacht bij de VCT, zoals het gedrocht doorgaans afgekort
wordt, gebeurt, is dat hij ontvangen en gelezen wordt, dat de
overheidsadministratie een reprimande krijgt, en dat die
overheidsadministratie daar vierkant zijn broek aan veegt. Ik kan het
weten, ik heb tientallen klachten bij die Commissie neergelegd.
Nu goed, ik wil niet dit hele boekje fileren. Ik wil wél nog zeggen dat
ik het eens ben met “de critici van de federalisering”, die ook
volgens Bouveroux “gelijk [hebben] als ze stellen dat vroeger alles
veel eenvoudiger was. In een unitaire staat zijn de structuren
simpeler en doorzichtiger omdat er slechts één enkel
beslissingscentrum is.” Dat wil echter niet zeggen dat ik, zoals
die “critici”, terug wil naar de belgische eenheidsstaat. Dié
opdoeken zal dat probleem namelijk net zo goed oplossen, zónder de
problemen terug te brengen die er toe geleid hebben dat het “huis”
moest vertimmerd worden.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !