zondag 26 juli 2020

In ballingschap – Keuze uit eigen werk (A. Roland Holst)

Björn Roose bespreekt - In ballingschap (A. Roland Holst)
Zoals beloofd in de vorige boekbespreking, die van A. Roland Holst door Jan Elemans, voorlopig het laatste van de gekoppelde boeken en dito besprekingen (dat zijn er uiteraard minstens twee en dit is dus het tweede en tevens laatste).

Ter herinnering, ondanks het feit dat ik de biografie door Elemans niet erg kon waarderen, waren er een aantal redenen waarom ik nadien tóch een boek van het onderwerp van die biografie wou lezen: “(…) ten eerste de duidelijk heidense inslag van Adriaan Roland Holst, (…) Ten tweede (…) dat het hele oeuvre van Holst onderling verbonden is, (…) ten derde een paar stukken uit gedichten (…) die zó mooi zijn dat ze de geïnteresseerde noodzakelijk er toe brengen dat hij méér gaat lezen”.

Wel, géén van de drie redenen bleek fout te zijn. In ballingschap is, zoals de titel aangeeft, een Keuze uit eigen werk, maar in die keuze kan je niet naast dat heidendom, die samenhang en die schoonheid kijken. En nee, zijn gedichten zijn niet laagdrempelig, je moet er wat moeite in steken, maar je moet er nu ook weer geen uren aan gaan zitten analyseren om er van te genieten. Dat doe ik in ieder geval zelf niet. Als een gedicht van een bladzijde lang (en veel van zijn gedichten zijn niet langer, al heeft hij ook een aantal veel langere geschreven) een sfeer weet te scheppen, dan doet het per slot van rekening al iets waar veel tv-programma’s niet toe in staat zijn. Ja, je laten lachen, da’s vrij eenvoudig, maar weemoed naar iets dat je nooit gekend hebt, verlangen naar iets dat je je nauwelijks kan inbeelden, da’s andere koek en dat is iets waar Holst in slaagt. Goed, misschien moet je iets van de wereld van Holst in je hebben, moeten de beelden voorafgaand aan het lezen al iets voor je betekenen, maar veel van die beelden zijn, heb ik de indruk, archetypisch: stilzwijgende dames, mist, zee, eilanden, regen, … Er zullen weinig mensen zijn bij wie die geen beelden en sferen oproepen. Een stuk uit De verschijning om dat, hoop ik dan toch, te illustreren:

“Zij, zij naar wie ik nauw meer durfde hopen,
zag ik in de open glazen deur verschijnen:
zij hief haar hand en hield de lange lijnen
der witte waaiende gordijnen open,
en zag mij aan en lachte, en eindloos hopen
wondde mijn weemoed met zijn ijle pijnen;
toen ging zij – ‘k zag haar gaan en ver verdwijnen –
‘t licht woei den dag lang waar zij had geloopen.”

Voelt u dat? Nee? Echt niet? Jammer. Ik krijg er bij tweede lezing zelfs kippenvel van. Maar misschien hebt u dan wel iets met deze beelden uit Tusschenzang, een gedicht dat Holst, zoals hij zelf toelicht, in grote lijnen ontleende aan verhalen uit de Keltische mythologie en “vooral aan die, waarin ons verteld wordt van de Fianna, het vreemde, trotsche geslacht van krijgers en zangers, dat volgens de overleveringen omstreeks de 2e en 3e eeuw na Christus in Ierland leefde”:

“Zij leefden strijdend, zwervend door de landen
tusschen de vaste tronen van de vorsten,
die zij hooghartig dienden, en die hen
vreesden, en ‘t recht der vrije jacht verleenden
in ‘t woud en ver over de wijde heuvlen.
En allen, die in de oude huizen waakten,
zagen de kampvuren ver in den nacht
en wisten, dat die bent vermetelen
daar sinds het vallen van den avond rustte
wachtend het dageraden en de daad;
en dat de sterke kindren bij de zwaarden
der mannen sluimerden, en dat de mannen
omstrengeld lagen bij de jonge moeders
en de oude daad vergetend, door hun lust
de rust ingingen voor het nieuw verrijzen.”

Je zou het willen kunnen verfilmen, maar alleen je verbeelding kan hier een, zo lijkt het toch, samenhangend beeld van maken, een beeld dat je nooit kan overbrengen op een ander, omdat de verbeelding van de ander hier net iets anders zal van maken, omdat je hier op hetzelfde moment beelden, gedachten, emoties moet communiceren zónder dat je personages iets zeggen (je wéét dat gesproken woorden het verpesten). Probeer dat te doen op die minuut tijd die je nodig hebt om dit stukje te lezen en je weet dat het onbegonnen werk is. En dat geldt ook voor dit deel uit het magisch-realistische (en ik gebruik die term als benadering, niet als exacte omschrijving) Vergankelijkheid IV:

“het weinige in mijn leven, dat volkomen
haar waardig was en dat haar was als ‘t eigen;
hij zal daar wachten, en er luistrend neigen,
en peinzend gaan, en hij zal wederkomen.

En zelve zal hij nooit ten volle weten
waarom hij daar komt en er staat te wachten,
want onze liefde en ons verzworven smachten
zijn in zijn wereld dan al lang vergeten.

Maar soms zal hem de vreemde, nooit verklaarde
stem van den wind roepen, en hij zal komen,
tot hij blijft staan waar ik stond in mijn droomen,
daar in die tuin aan een stil eind der aarde.”

Ik kan nog wel een hele tijd doorgaan met citeren – ik heb best wel veel aangeduid in dit boekje (216 bladzijden, maar in pocketformaat uitgegeven in de Ooievaar-reeks van Daamen NV en De Sikkel in 1955), maar als ik behalve de schoonheid en het heidendom ook nog de samenhang wil aantonen, zal me dat te ver leiden. Neemt u dus gewoon van me aan dat er niet alleen in gedichten in dezelfde dichtbundels (In ballingschap bevat naast een aantal losse werken gedichten uit een achttal eerder verschenen bundels) steeds kruisverwijzingen naar andere gedichten staan, maar dat die kruisverwijzingen er ook zijn tussen bundels die soms met vele jaren ertussen verschenen zijn.

En neemt u ook van me aan dat A. Roland Holst (die A. staat overigens voor Adriaan) niet voor niets herinnerd wordt als dichter. In In ballingschap – Keuze uit eigen werk is ongeveer evenveel proza als poëzie opgenomen, maar Holst is gewoon sterker als hij zich aan de uitgepuurde vorm van de poëzie houdt. De onderwerpen van zijn proza zijn even aansprekend als die van zijn gedichten, maar je krijgt voortdurend het gevoel dat hij zijn uiterste best moet doen om niet in dichten “uit te barsten”. Desalniettemin een stukje uit Onder het schrikbewind van uur en feit uit de bundel Uit zelfbehoud, een bundel die je na lezing van de in dit In ballingschap opgenomen stukken toch wel wil lezen, misschien omdat de teksten minder “dichterlijk” zijn dan die van De afspraak of Voorteekens:

“Sinds de duur der sterren in jaren kan worden berekend en waarnemingen het tot een feit maken, dat het planetenstelsel amper een druppel en elke druppel een wereld is, kwamen het denken en de taal meer en meer onder het schrikbewind van uur en feit, en die willen – hebben zij eenmaal het hoogste woord – het er vanzelf op aan sturen, dat de waarheid niet anders zou zijn dan de som van alle feiten en dat de eeuwigheid in het verlengde ligt der uren. Zij die nog beter weten, kunnen het niet meer zeggen, want waarheid en eeuwigheid werden herleid tot het onmededeelbare: de waarheid tot een innerlijken toestand zonder beroep meer op eenig feit of denkbeeld; de eeuwigheid tot het uitslaan van dien toestand door het lichaam: een oogenblik zonder beroep meer op eenig tijdsverloop; beiden zonder taal dus. Wie dit nog ondergaat, heeft nog wel geloof maar geen godsdienst meer, want is godsdienst niet voor alles mededeelbaar geloof?”

Ten slotte nog dit: in dit In ballingschap – Keuze uit eigen werk heeft Holst aan het einde ook nog een aantal Geschreven portretten opgenomen. Jan Hendrik Leopold (kortweg Leopold), Hendrik Marsman, Martinus Nijhoff, tante Henriëtte Roland Holst, de Afrikaner Jacobus Daniël du Toit (ofte Totius), Charles Edgar du Perron, Menno ter Braak, Jan Jacob Slauerhoff en Herman Gorter passeren daarbij de revue, maar het hoofdstuk begint met Een afscheid van Percy Bysshe Shelley. “Er is geen dichter, wiens werk ik zoo vurig en onvoorwaardelijk heb willen liefhebben als het werk van dezen, die van alle dichters de meest dichterlijke was”, schrijft hij naar aanleiding van de 100ste verjaardag van zijn sterfdag in 1922, maar hij moet ook, schrijft hij verder, “tot de erkenning komen (…) hoe deze dichter, wien alle dichters steeds als een verschijning van de eerste grootte zullen eeren, toch tegelijk in het leven van welhaast elk dichter afzonderlijk van voorbijgaande beteekenis zal blijken”. Hij gaat daar verder op in, maar stelt ook dat er één werk van Shelley is dat letterlijk boven al de rest uit steekt omdat het zo anders is: The Cenci. Een anders zijn waar ook Shelley zich ten volle van bewust was, maar dat hij later niet meer kon of wilde herhalen. Met volgend citaat, misschien een verre aanzet naar het later eens lezen van The Cenci, wil ik deze bespreking van In ballingschap graag beëindigen. Omdat je per slot van rekening ergens moet eindigen. En waarom dan niet bij de muren van een burcht?

“En dan, na alle overwegingen, staat men, altijd weer plotseling en verbaasd als voor een schoone onvoorziene willekeur van het leven zelve, voor het feit, dat deze dichter het treurspel schreef dat ‘The Cenci’ heet. Steeds weer ontdekt men het te midden van zijn werk, alsof men in een uitgestrekt en verlaten gebied van landschappen, duistere en lieflijke, met hier en daar wilde bouwvallen, groot en overwoekerd door bloeiende gewassen, plotseling om de bocht van een steil rotspad zich gekomen ziet voor een open hoogvlakte, waarop een burcht, onvergaan, norsch en vast van bouw, staat: het eenig blijvend bewoonbare in dien zeer wijden omtrek.”

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !