vrijdag 14 augustus 2026

Steden doorkruisen het heelal – James Blish (boekbespreking door Björn Roose)

Steden doorkruisen het heelal – James Blish (boekbespreking door Björn Roose)
Ik héb er uiteraard netjes een boekje (misschien zelfs twee, zo nauwkeurig herinner ik me dat niet meer) voor in de plaats gelegd toen ik Steden doorkruisen het heelal van James Blish aantrof in een van die boekenkastjes die je sinds een aantal jaar her en der kan vinden langs straten en op pleinen in Vlaanderen en in, al dan niet verre, buitenlanden (in casu ergens in Zeeuws-Vlaanderen). Ik heb er zelfs bijna mijn passagiers (waaronder eentje uit Letland) voor laten koken terwijl ze zaten te wachten op mijn terugkeer vanaf dat boekenkastje, maar gelukkig waren ze toch zo slim om zelf even de deuren van de auto open te zetten. En ik heb de vier boeken waaruit Steden doorkruisen het heelal bestaat met minstens veel genoegen en voor het overgrote deel met veel genot gelezen.

En daarbij heb ik niet eens gemerkt dat die vier boeken (in het Engels gebundeld onder de titel Cities in flight) eigenlijk niet in die volgorde geschreven zijn waarin ze gebundeld werden. Het eerste boek, They shall have stars, in het Nederlands getiteld Zullen sterren hen tooien…, verscheen in 1957 onder de titel Year 2018! (jawel, we zitten intussen al verder in wat toen nog de toekomst was), en vormt het raamwerk van de serie. In dat raamwerk: hoe de mensheid zo goed als het eeuwige leven krijgt, hoe ze hele steden (en eigenlijk eender wat) aan enorme snelheden door het heelal leert verplaatsen, hoe de Aarde er aan toe is (gezien vanuit een tijd waarin de Koude Oorlog volop woedde), enzovoort. Het tweede boek, A life for the stars, ofte Een leven voor de sterren, verscheen in 1962, en volgt logisch op het eerste. Logisch, maar wel met een tijdssprong. Een tijdssprong waarin de hoofdpersonen uit het eerste boek uit beeld verdwenen zijn, nieuwe protagonisten opduiken, en de actie zich verplaatst van ons sterrenstelsel naar ver daarbuiten (met alle gevaren van dien). Een tijdssprong ook die, zoals de andere, Blish toelaat bepaalde verhaallijnen, of minstens lijnen aan de rand van het verhaal, te laten voor wat ze zijn als hij ze niet meer nodig heeft (wat nog niet wil zeggen dat er naderhand, zoals bijvoorbeeld met “de Vromen” het geval is, niet meer naar verwezen zou worden). Een tijdssprong trouwens ook die, weerom zoals de andere, niet verhindert dat het culturele referentiekader doorheen de serie, net zoals het wetenschappelijke, twintigste-eeuws en Aards blijft. Een stukje uit Wagners Tristan und Isolde zien opduiken, doet eerst nog raar aan, maar het is uiteindelijk niet méér bizar dan een verwijzing naar Herman Melville of Godfried van Bouillon (écht!), “Even uw gazonnetje maaien, mevrouw?” als slogan van een stad, het via “hypnopedie” leren over de theorieën van Oswald Spengler, “een dichtregel van de Aardse dichter Theodore Roethke (…) [die] over de vloer van zijn hersenen [kroop] als een salamander”, het vergelijken van een buitenaards vliegend fort met “een soort Beowolf, hun Cid, hun Sigurd, Gawaine, Roeland, Cuchulainn, Prometheus, Lemminkainen”, of nú (en dan bedoel ik: in het werkelijke 2026) lezen van wat bij het verschijnen van deze serie nog grotendeels een voorspelling was maar inmiddels (met zo’n eeuw voorsprong op de fictie) werkelijkheid is geworden: “Er had nooit een daadwerkelijke militaire verovering van het Westen door de Sovjets plaatsgevonden. Ja, in 2105, de datum die meestal wordt toegekend aan de val van het Westen, zou een dergelijke oorlog de Aarde van de ene dag op de andere vrijwel hebben ontvolkt. In plaats daarvan hielp het Westen grif mee zichzelf te veroveren, in een lang en pijnlijk proces, dat door vele mensen werd voorzien, maar dat onmogelijk te stuiten was. In zijn angst door de vijand te worden geïnfiltreerd, had het Westen zijn eigen denkpolitie in het leven geroepen, die gedurig strenger werd. Op het laatst was er tussen de twee tegenstanders geen verschil meer; en aangezien de Sovjets veel meer ervaring hadden met een dergelijke monolithische regering dan het Westen, werd zonder bloedvergieten de heerschappij der Sovjets een voldongen feit”. Earthman, come home, in het Nederlands Aardling, kom thuis, volgt daarop als derde boek, maar is dat in feite niet: het werd vóór het eerste gepubliceerd, en wel in 1955, en was op zijn beurt gebaseerd op vier andere verhalen van Blish: Okie (uit 1950), Bindlestiff (eveneens uit 1950), Sargasso of lost cities (gepubliceerd in 1952) en het gelijknamige Earthman, come home (verschenen in 1953). Of Blish kunstgrepen heeft moeten toepassen om de chronologie van They shall have stars en A life for the stars helemaal op orde te krijgen met de bundel die het derde boek eigenlijk was, weet ik niet, maar áls het zo is, is het me niet opgevallen: de chronologie lijkt in orde te zijn, een van de protagonisten uit het tweede deel heeft intussen het loodje gelegd, maar de andere hoofdpersoon, burgemeester Amalfi, leeft nog, en heeft alles onder controle of krijgt het er wel onder. Net zoals dat van die chronologie met het vierde boek in Steden doorkruisen het heelal, De overwinning van de Tijd ofte The triumph of Time het geval is: dat werd gepubliceerd in 1958, dus net ná het eerste in deze bij Meulenhoff verschenen bundel, dat dus eigenlijk het tweede was, en vóór het tweede in deze bundel, maar vormt chronologisch effectief het einde van de serie. Een einde dat Blish er, mijns inziens, moedwillig heeft willen aanbreien, al is daarna dus nog het tweede deel, Een leven voor de sterren verschenen. Ik neem bijgevolg aan dat Blish een aantal opzetten op hetzelfde moment had lopen, maar dat hij ook besloten had niet aan de vliegende steden en zijn hoofdpersonen te blíjven vastzitten: in De overwinning van de Tijd zit nog wel wat van de andere delen, maar het is onvermijdelijk het einde, en veel eerder psychologisch en filosofisch dan dat het op actie gericht is. Voor de serie als geheel wordt voortdurend de terminologie ‘space opera’ gebruikt, maar wie de definitie van Wikipedia, zijnde “er is een held, er zijn ruimteschepen, er is vaak militaire actie en het loopt goed af”, voor dit deel wil gebruiken, moet dat toch met enige ruimdenkendheid doen: burgemeester Amalfi is in De overwinning van de tijd een held op zijn retour, de ‘ruimteschepen’ van de drie andere delen zijn niet meer bruikbaar, de militaire actie (die in deze serie sowieso vooral een kwestie is van zo clever mogelijk zijn en dus niet vechten als het niet nodig is) speelt zich ergens op het tweede plan af, en of je het einde van het heelal zoals we dat ‘kennen’ nu werkelijk als een goede afloop moet beschouwen, hangt geheel af van het geloof van degene die het meemaakt, of degene die daarover leest, in het nieuwe begin dat daarna zou komen. Ik ga niet zeggen dat u bladzijde 447 tot en met 570 van deze in 1970 voor het eerst als dusdanig verschenen, en in 1980 eveneens als geheel (helaas niet zonder nogal wat typfouten te laten staan) vertaalde, bundel maar moet overslaan, maar voor mij had dat deel niet gemoeten.

Los daarvan, en van de strikt inhoudelijke kant, zijn er echter sowieso verschillen in de opzet van de delen. In Zullen sterren hen tooien… bijvoorbeeld wordt ieder hoofdstuk, waarvan overigens ook aangeduid wordt waar het zich afspeelt, ingeleid met een stukje uit een denkbeeldig boek De melkweg: vijf cultuurportretten van ene Acreff-Monales of een citaat van een ook al in de jaren 1950 bekend auteur als J. Robert Oppenheimer, Gerard Piel of Loren C. Eiseley. Dat eerste zijnde een truc die ook Frank Herbert later zou gaan gebruiken in zijn Duin-cyclus (besprekingen van Duin hier, van Duin Messias hier, en van Kinderen van Duin hier), maar die eerder al gebruikt was door Isaac Asimov in zijn Foundation-trilogie (die trouwens in een andere vorm lijkt op te duiken als er in de loop van Aardling, kom thuis sprake is van het ineenstorten van de Aardse heerschappij en het daaruit ontstaan van een “interregnum” dat eeuwen zou gaan duren). Dat tweede wellicht te kaderen in Blish’ achtergrond: Oppenheimer is tegenwoordig dankzij de in 2023 aan hem gewijde film zo’n beetje verworden van wetenschapper tot cultfiguur, maar Gerard Piel, Loren C. Eiseley, en anderen zoals Weston La Barre, Eric Temple Bell en de in Gent geboren George Sarton – kennelijk auteur van de uitspraak: “Soms wordt beweerd dat religieuze onverdraagzaamheid voortspruit uit geloof en overtuiging. Wanneer men er absoluut van overtuigd is dat het eigen geloof het juiste is, en alle andere verkeerd, dan zou het misdadig zijn de naaste zijn dwaling en uiteindelijke verdoemenis toe te staan. Ik ben echter geneigd te geloven dat godsdienstfanatisme vaak niet het gevolg is van overtuiging maar van twijfel en onzekerheid” - zijn nooit zover doorgedrongen in de publieke bekendheid dat ze van wetenschappers veranderden in wat anders, terwijl Blish ze (natuurlijk) wél kende. Blish – overigens ook degene die de term ‘gasreus’ bedacht, al gebruikte hij hem minder nauwkeurig dan anderen dat naderhand zouden doen - was immers bioloog van opleiding en vooral wetenschapsredacteur bij het toen ook al bekende farmaceuticabedrijf Pfizer (in het eerste boek nauwelijks vermomd opduikend als Pfitzner). Een wetenschapsredacteur die niet naliet – vooral in het eerste boek, maar ook (en soms op het randje van het ergerlijke af) in de andere – de lezers van zijn science fiction om de oren te slaan met zijn kennis, of op kennis gebaseerde fictie. Iets waar hij allicht buiten gekund had, maar wat hij kennelijk leuk vond. Moet kunnen, ‘t is per slot van rekening science fiction, ook met de nadruk op dat eerste woord. En als u zou vinden van niet, dan is dat uiteindelijk een kwestie van geloof, geloof ik: “Ik wilde zeggen dat het idee van de wiskundige, dat er een verband bestaat tussen wiskunde en de werkelijke wereld, een kwestie van geloof is; het valt niet te bewijzen maar hij is ervan overtuigd. Wat dat betreft valt trouwens de veronderstelling van een volslagen ongodsdienstig iemand, dat er een werkelijke wereld bestaat, die overeenkomt met wat zijn zintuigen hem laten zien, ook niet te bewijzen. Een kwestie van geloof, zowel voor de briljantste natuurkundige, als voor de eerste de beste voorbijganger”.

Maar het bij momenten overdreven wetenschappelijke – als de wetenschap in het boek trouwens échte wetenschap is, want dat kan ik als leek niet zeggen – wordt ook goedgemaakt door, bijvoorbeeld, bewust onwetenschappelijke passages als deze: “En toen kwam het vaker: psjioewiiii! psjioewiii! psjioewiii! Bij bijna elke gil bokte de kist en schudde woest heen en weer terwijl hij boven de toppen van het oerwoud zwenkte en zwaaide. Amalfi had zich nog nooit zo hulpeloos gevoeld. Hij wist zelfs niet wat het geluid te betekenen had, alleen dat het kwaad bedoeld was. Hij herkende het klaboem van zware explosieven toen het begon, want de stad had vaak ontploffingen teweeg moeten brengen tijdens opdrachten – maar er was hem absoluut niets bekend dat kedoekedoekedoekedoekedoekedoeke deed, als een soort dolgedraaide trilboor, en het onzichtbare ding dat onder het voortsuizen z’n eigen oorlogskreet voortbracht – ieiiiokerTSJAKketsjakketsjakketsjak – leek hem volslagen ongerijmd en onmogelijk”. Of zinnen als deze: “Hoewel hij van de Hevische spraak alleen de verknoeid verleden, opgewonden tegenwoordige en onherstelbaar toekomstige tijden beheerste, hoewel zijn woordenschat een volstrekt niet botanisch gefundeerd mengelmoes was van stammen en wortels, en zijn verbuigingen eerder de neiging hadden spontaan te barsten, had hij gemerkt dat hij een redelijke vaardigheid aan de dag begon te leggen om de taal te verstaan, tenminste wanneer er heel langzaam werd gesproken, zoals nu”. Of werkelijk mooie stukjes filosofie als dit: “‘Ze zeggen dat leven een voortdurend proces is van opnieuw geboren worden. Ik zal moeten leren, denk ik, om die cruciale overgang op te vangen zonder elke keer een geboortetrauma op te lopen. Het beste, John.’ (…) Hij bedacht dat wat ze zei, waarschijnlijk wel waar zou zijn; voor een vrouw. Voor een man, wist hij, is het leven een stervensproces, dat steeds wordt herhaald; en de kunst daarbij, dacht hij, is om het maar bij stukjes en beetjes te doen, en nooit van harte.” Of, ten slotte, dit: “(…) dat zelfs de vele regelmatigheden die sinds de eerste toepassing van de wetenschappelijke methode, ergens in de 17de eeuw, waren ontdekt, alleen maar langdurige statistische toevallen waren, een plaatselijke discontinuïteit in een alomvattend schema waarvan de enige continuïteit chaos was. Als je alleen op het gehoor het heelal zou rondgaan, zei Bonner vaak om zijn opvattingen te verduidelijken, dan hoorde je miljarden jaren lang niets anders dan een angstaanjagend gebulder zonder zin, dan drie minuten Bach, die heel de georganiseerde kennis en wetenschap voorstelden, en dan weer miljarden jaren lang geloei. En zelfs dat stukje Bach zou bij nadere beschouwing al gauw verworden tot John Cage, en versmelten met het heersende onblusbare geluidsgeweld.”

Dat er zo ver in de toekomst nog iemand zou weten wat John Cage voor muziek maakte, lijkt me vergezocht (je stukken titels genre HPSCHD geven, valt ook niet als een geniale zet in het kader van toekomstige roem te definiëren), al is het maar omdat zelfs de tijd die doorgebracht wordt met kennis opdoen via “hypnopedie” ongetwijfeld nuttiger kan gebruikt worden, maar met die verwijzing naar Bach beëindig ik graag deze boekbespreking. Als u ooit Steden doorkruisen het heelal van James Blish tegenkomt, in zo’n boekenkastje of elders, aarzel dan in ieder geval niet om het boek mee te nemen. De weinige contra’s ervan wegen zeker niet op tegen de pro’s.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !