Dat AI er wel vaker zomaar wat op los lult, wist u
ongetwijfeld al, maar de eerste zin die het exemplaar van Google
weet mee te geven in verband met Palmer Ruysschaert, auteur van
voorliggend Drie Vlaamse pioniers, slaat werkelijk alles:
“Palmer Ruysschaert (1905-2000) was a prominent Belgian Flemish
activist, writer and member of the Algemeen Nederlands Verbond
(ANV)”.
Een ‘prominent belgisch Vlaams activist’…Zoiets als iemand die
belze voetbaltricolores uithangt, maar daar dan op 11 juli een
Vlaamse Leeuw aan toevoegt, wellicht? Ik ben haast geneigd het even
op Wikipedia te gaan opzoeken – vanwege het simpele feit dat
de schrijvelaars van Wikipedia zelfs zónder gebruik van AI
in staat zijn zo’n onzin uit hun botten te slaan – maar houdt
het, ook al omdat er op Wikipedia niks te vinden is over deze
“prominent Belgian Flemish activist”, verder maar bij wat
de achterflap van dit in 1998 bij het Vlaams Verbond voor
Gepensioneerden (VVVG), intussen omgedoopt tot Vlaamse
Actieve Senioren (Vl@s),
uitgegeven boekje over de van een strikje, mopsneus en stevige bril
voorziene auteur weet te vermelden: “Palmer Ruysschaert is
geboren in 1905 en behaalde na de Eerste Wereldoorlog het diploma van
onderwijzer aan de normaalschool te Torhout. Na zijn legerdienst werd
hij onderwijzer te Nieuwpoort, Wielsbeke, Menen en Desselgem.
Ondertussen behaalde hij het diploma aan het Hoger Opvoedkundig
Instituut te Gent. Hij werd taalinspecteur op de taalgrens
Komen-Moeskroen. Hij publiceerde artikels in de tijdschriften Ons
Erfdeel, Neerlandia, Contactblad van Marnixring en in het Vlaams
Verbond voor Gepensioneerden. Daarin behandelde hij altijd Vlaamse
problemen in de Belgische staat en onderwerpen i.v.m. Frans
Vlaanderen, de Nederlandse taal en cultuur, de geschiedenis der
Nederlanden en de Noord-Zuidintegratie. In 1992 publiceerde hij een
boek ‘Standpunten. Stellingname tegenover Vlaamse en
Groot-Nederlandse problemen in het licht van het nieuwe Europa.’”
De naam Palmer Ruysschaert zegt u nog steeds niks, zegt u? Mij ook
niet, maar goed, anderen hebben hem toch gekend. Manu Ruys,
bijvoorbeeld, wiens naam u uiteraard wél hoort te kennen en die voor
dit boekje de Inleiding mocht schrijven: “Palmer Ruysschaert
bewees in de loop van een lang leven (een) bruggenbouwer te zijn.
Voorganger in het onderwijs, man van de taalstrijd, publicist van de
Vlaamse Beweging en auteur van wetenschappelijke schriften, blijft
hij nog steeds helder en nauwgezet informeren… Palmer Ruysschaert
biedt geen afstandelijke academische boekenwijsheid aan. Hij
ontmoette de mannen Alberic Decoene, Kamiel en Herman De Vleeschauwer
waarover hij vertelt… (Dit) getuigenis is kostbaar en
hartverwarmend. Dit boek moet ook de jeugd aanspreken en boeien.”
‘De jeugd’… U dus, beste lezer, want ik heb niet anders dan
jeugdige lezers. U dus, die misschien nog nooit van “Alberic
Decoene, Kamiel en Herman De Vleeschauwer” heeft gehoord. Net zoals
ik, toen ik dit boekje nog niet gelezen had. Want, toegegeven, de
namen van vader (Kamiel) en zoon (Herman, op zijn beurt vader van een
Camiel) De Vleeschauwer leken me – in tegenstelling tot die van
Alberic Decoene overigens – iets te zeggen, meer bepaald in verband
met de Eerste Wereldoorlog, maar meer ook niet. En dat van die Eerste
Wereldoorlog bleek dan ook nog niet te kloppen. Voor zover ik kan
afleiden uit dit boek én uit het lemma over Kamiel in de (toen nog)
Nieuwe (en tevens op papier te koop zijnde) Encyclopedie
van de Vlaamse Beweging (NEVB) was hij tijdens die Eerste
Wereldoorlog niet of nauwelijks actief in de kringen waarin
bijvoorbeeld wél Filip De Pillecyn actief was, terwijl zijn zoon Herman toen nog op school zat in
Dendermonde (en vervolgens Maaseik). Maar over alle drie, ook over
Decoene, is dus een lemma te vinden in die NEVB, en
Ruysschaert heeft ze beschouwd als pioniers. Wat daar
ongetwijfeld net zo goed een feit van maakt als van wat Ruys aan het
begin van de al eerder genoemde Inleiding
vertelt: “De Vlamingen hebben de strijd tegen de
volksvreemde Belgische staat gewonnen.” Manu Ruys was een slimme
mens, maar dat belette niet dat hij ook een naïeve mens was, zoveel
is duidelijk. Een naïeve mens die daarom ongetwijfeld kon geloven
dat wat hij schreef in die Inleiding ook een verkoopsargument
was (want dat is de reden waarom inleidingen geschreven worden): “In
dit boek vertelt hij [Palmer Ruysschaert dus, noot van mij] over een
trio van pioniers dat niet weg te denken is uit de
geestesgeschiedenis van de Vlaamse ontvoogdingsbeweging: de priester
dr. Alberic Decoene; een van de meest actieve theoretici van het
Vlaams-nationalisme, Kamiel De Vleeschauwer; en diens zoon, de
wijsgeer prof. dr. Herman Jan De Vleeschauwer. Palmer Ruysschaert
behandelt zo van elkaar verschillende themata als de houding van de
Belgische kerk ten aanzien van de Vlaamse Beweging, de betekenis van
het vak geschiedenis voor de vorming in het onderwijs, en de
filosofische ontwikkelingen in het Vlaanderen van het Interbellum (…)
De drie pioniers – de wijze kanunnik, de onverschrokken nationalist
en de atheïstische Kantiaan – lijken soms tegenpolen te zijn. Maar
zij droegen allen eenzelfde ideaal uit: de zorg om de
kwaliteitsverbetering van het denken en van het Vlaming-zijn.” Iets
waarvan u mogelijk sowieso al niet wild wordt, maar waaraan ik meteen
ook nog dien toe te voegen dat dat gebeurt op een zodanige wijze dat
daarin na lezing geen verandering is gekomen, in tegendeel.
Dat wil zeggen? Wel, in het geval van Kanunnik Dr. Alberic Decoene
(1881-1958), zoals het eerste hoofdstuk heet, ondertitel
Overtuigde Vlaming onder Belgicistische Roomskatholieke Hogere
Geestelijkheid, bijvoorbeeld met niet over Decoene handelende
delen over de Houding van de hogere roomskatholieke geestelijkheid
van België, De Belgische hogere katholieke geestelijkheid en
de politieke emancipatie van het Vlaamse volk, de Houding
van de Belgische hogere katholieke geestelijkheid tegenover
Vlaamsvoelende geestelijken en leken onder hun gezag, en
de Groeiende kentering in de Anti-Vlaamse houding van de
kerkelijke overheid in Vlaanderen. Ongetwijfeld allemaal – als
Ruysschaert die delen niet óók nog eens in puntjes en details had
opgedeeld en zo datgene wat de enigszins geïnformeerde lezer al
wist, domweg vervelend had gemaakt – ook het weten waard, maar zo’n
inleiding van negentien bladzijden bij een hoofdstuk dat verder
‘maar’ zevenentwintig bladzijden meer duurt, valt toch op z’n
minst behoorlijk onevenwichtig te noemen. Sterker nog, de
biografische uitleg over Decoene blijft zelfs in die zevenentwintig
bladzijden uitermate beperkt. Én ongestructureerd: na het gehad te
hebben over Zijn jeugdjaren, Decoene en het Activisme
tijdens Wereldoorlog I, Decoene directeur van de normaalschool
te Torhout, Het incident te Gistel van 15 juni 1920 (een
incident waaraan tweeënhalve bladzijde gewijd wordt), en De
pedagoog Decoene, springt Ruysschaert met het hoofdstuk Het
AKVS in de normaalschool te Torhout namelijk terug naar de
jeugdjaren van zijn onderwerp. Waarna nog twee weer chronologisch
volgende biografische deeltjes komen, De Belgische bisschoppen
veroordelen het Vlaams nationalisme (wat zelfs de niet eerder
geïnformeerde lezer al wist uit de eerste negentien bladzijden van
dit hoofdstuk) en Kanunnik Alberic Decoene en de repressie,
maar die worden dan weer gevolgd door een deel genaamd Dr. Alberic
Decoene schrijft zijn laatste boek, een nooit uitgegeven boek
onder de titel De Vlaamse kwestie voor de Ethica dat
Ruysschaert “dermate belangrijk [vindt]” (en ik heb het verder
maar niet over de kanjer van een dt-fout in de zin beginnend met de
woorden “Maar dit handschrift vindt ik dermate belangrijk”) dat
hij het helemaal gaat samenvatten, hoofdstuk per hoofdstuk, Inleiding
en Nabeschouwingen inbegrepen. Noem mij een beetje simpel, zo
u wil, maar ik word tureluurs van zo’n dingen. Een boekbespreking?
Okee. Biografische info? Okee. Een algemene uitleg over de houding
van de kerk tegenover de Belgische staat en de
Vlaams-nationalistische Beweging? Okee. Maar dat alles op zo’n
manier gebracht in iets wat schijnbaar een biografie is? Dat is niet
meer aangenaam om lezen, dat vlot niet, dat staat mij tegen als
geheel (als je het al als een geheel kan beschouwen).
Waarna nóg twee ‘Vlaamse pioniers’ moeten volgen. In Kamiel
De Vleeschauwer (1873-1975), ondertitel Pleimion Naibh:
strijder voor zijn volk, begint Ruysschaert wél meteen aan de
biografische informatie (daarbij ook volkomen oninteressante weetjes
als dit delend: “De derde dochter, Mia, huwde met Jules Huyghe,
stadssecretaris van Veurne, en overleed te Brugge op 30 juli 1979.”),
maar heeft daarmee al gedaan na anderhalve bladzijde en gaat dan
verder met Zijn rol als Vlaming en pedagoog en Zijn rol als
geschiedkundige, om het vervolgens nog acht bladzijden te hebben
over De Vleeschauwers opvattingen over de groei naar
onafhankelijkheid van Vlaanderen aan de hand van de periode 1300-1328
(een opvatting waartoe kennelijk open deuren als Zwakheid van
Vlaanderen door gebrek aan samenwerking en leiding behoorden). En
in Prof. Dr. Herman Jan De Vleeschauwer (1899-1986),
ondertitel filosoof, hoogleraar, historicus en bibliotheekkundige,
gaat hij na drie bladzijden over Zijn leven over op zijn
onderwerp als Kantkenner, waarna zes bladzijden ongelooflijke
blabla volgen over De auteur van wijsgerige werken en zijn
filosofische opvattingen, en ik al bijna geen zin meer had om me
nog te verdiepen in In aanvaring met de Vlaamse katholiciteit,
Wijsbegeerte en wetenschappen in de Nederlanden, In de
collaboratie, Bibliotheekkunde, en zes bladzijden
Nabeschouwingen over wat Ruysschaert dus al beschouwd hééft
in zijn onderwerp. Ja, je kan je, in zoverre je er in geïnteresseerd
bent, mét Ruysschaert afvragen “hoelang nog (…) het werk van
prof. H.J. De Vleeschauwer doodgezwegen [wordt]?” En je kan
daarvoor de volgende argumentatie gebruiken: “Hij heeft gedurende
de tweede wereldoorlog gecollaboreerd. Dat feit valt niet te
loochenen en is ongetwijfeld de grote reden waarom hij bij vele
invloedrijke personen en organisaties nog steeds persona non grata
is. Maar wordt het niet stilaan tijd dat hieraan een einde komt? De
grote Duitse filosoof Martin Heidegger liet zich in 1933 benoemen tot
rector van de universiteit van Freiburg en werkte samen met de
nazi’s. In verband met deze houding merkte Alain Benoist op: ‘zelfs
indien hij (Heidegger) met eigen handen tien miljoen mensen zou
hebben omgebracht – quod non – zou dat nog niets veranderen aan
de waarheidswaarde van zijn filosofie.” Maar ik twijfel er aan dat
Palmer Ruysschaert welke van de Drie Vlaamse pioniers dan ook
een postuum lezerspubliek heeft bezorgd door dit boekje over hen te schrijven.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !