vrijdag 7 augustus 2026

Drie Vlaamse pioniers – Palmer Ruysschaert (boekbespreking door Björn Roose)

Drie Vlaamse pioniers – Palmer Ruysschaert (boekbespreking door Björn Roose)
Dat AI er wel vaker zomaar wat op los lult, wist u ongetwijfeld al, maar de eerste zin die het exemplaar van Google weet mee te geven in verband met Palmer Ruysschaert, auteur van voorliggend Drie Vlaamse pioniers, slaat werkelijk alles: “Palmer Ruysschaert (1905-2000) was a prominent Belgian Flemish activist, writer and member of the Algemeen Nederlands Verbond (ANV)”.

Een ‘prominent belgisch Vlaams activist’…Zoiets als iemand die belze voetbaltricolores uithangt, maar daar dan op 11 juli een Vlaamse Leeuw aan toevoegt, wellicht? Ik ben haast geneigd het even op Wikipedia te gaan opzoeken – vanwege het simpele feit dat de schrijvelaars van Wikipedia zelfs zónder gebruik van AI in staat zijn zo’n onzin uit hun botten te slaan – maar houdt het, ook al omdat er op Wikipedia niks te vinden is over deze “prominent Belgian Flemish activist”, verder maar bij wat de achterflap van dit in 1998 bij het Vlaams Verbond voor Gepensioneerden (VVVG), intussen omgedoopt tot Vlaamse Actieve Senioren (Vl@s), uitgegeven boekje over de van een strikje, mopsneus en stevige bril voorziene auteur weet te vermelden: “Palmer Ruysschaert is geboren in 1905 en behaalde na de Eerste Wereldoorlog het diploma van onderwijzer aan de normaalschool te Torhout. Na zijn legerdienst werd hij onderwijzer te Nieuwpoort, Wielsbeke, Menen en Desselgem. Ondertussen behaalde hij het diploma aan het Hoger Opvoedkundig Instituut te Gent. Hij werd taalinspecteur op de taalgrens Komen-Moeskroen. Hij publiceerde artikels in de tijdschriften Ons Erfdeel, Neerlandia, Contactblad van Marnixring en in het Vlaams Verbond voor Gepensioneerden. Daarin behandelde hij altijd Vlaamse problemen in de Belgische staat en onderwerpen i.v.m. Frans Vlaanderen, de Nederlandse taal en cultuur, de geschiedenis der Nederlanden en de Noord-Zuidintegratie. In 1992 publiceerde hij een boek ‘Standpunten. Stellingname tegenover Vlaamse en Groot-Nederlandse problemen in het licht van het nieuwe Europa.’”

De naam Palmer Ruysschaert zegt u nog steeds niks, zegt u? Mij ook niet, maar goed, anderen hebben hem toch gekend. Manu Ruys, bijvoorbeeld, wiens naam u uiteraard wél hoort te kennen en die voor dit boekje de Inleiding mocht schrijven: “Palmer Ruysschaert bewees in de loop van een lang leven (een) bruggenbouwer te zijn. Voorganger in het onderwijs, man van de taalstrijd, publicist van de Vlaamse Beweging en auteur van wetenschappelijke schriften, blijft hij nog steeds helder en nauwgezet informeren… Palmer Ruysschaert biedt geen afstandelijke academische boekenwijsheid aan. Hij ontmoette de mannen Alberic Decoene, Kamiel en Herman De Vleeschauwer waarover hij vertelt… (Dit) getuigenis is kostbaar en hartverwarmend. Dit boek moet ook de jeugd aanspreken en boeien.”

‘De jeugd’… U dus, beste lezer, want ik heb niet anders dan jeugdige lezers. U dus, die misschien nog nooit van “Alberic Decoene, Kamiel en Herman De Vleeschauwer” heeft gehoord. Net zoals ik, toen ik dit boekje nog niet gelezen had. Want, toegegeven, de namen van vader (Kamiel) en zoon (Herman, op zijn beurt vader van een Camiel) De Vleeschauwer leken me – in tegenstelling tot die van Alberic Decoene overigens – iets te zeggen, meer bepaald in verband met de Eerste Wereldoorlog, maar meer ook niet. En dat van die Eerste Wereldoorlog bleek dan ook nog niet te kloppen. Voor zover ik kan afleiden uit dit boek én uit het lemma over Kamiel in de (toen nog) Nieuwe (en tevens op papier te koop zijnde) Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (NEVB) was hij tijdens die Eerste Wereldoorlog niet of nauwelijks actief in de kringen waarin bijvoorbeeld wél Filip De Pillecyn actief was, terwijl zijn zoon Herman toen nog op school zat in Dendermonde (en vervolgens Maaseik). Maar over alle drie, ook over Decoene, is dus een lemma te vinden in die NEVB, en Ruysschaert heeft ze beschouwd als pioniers. Wat daar ongetwijfeld net zo goed een feit van maakt als van wat Ruys aan het begin van de al eerder genoemde Inleiding vertelt: “De Vlamingen hebben de strijd tegen de volksvreemde Belgische staat gewonnen.” Manu Ruys was een slimme mens, maar dat belette niet dat hij ook een naïeve mens was, zoveel is duidelijk. Een naïeve mens die daarom ongetwijfeld kon geloven dat wat hij schreef in die Inleiding ook een verkoopsargument was (want dat is de reden waarom inleidingen geschreven worden): “In dit boek vertelt hij [Palmer Ruysschaert dus, noot van mij] over een trio van pioniers dat niet weg te denken is uit de geestesgeschiedenis van de Vlaamse ontvoogdingsbeweging: de priester dr. Alberic Decoene; een van de meest actieve theoretici van het Vlaams-nationalisme, Kamiel De Vleeschauwer; en diens zoon, de wijsgeer prof. dr. Herman Jan De Vleeschauwer. Palmer Ruysschaert behandelt zo van elkaar verschillende themata als de houding van de Belgische kerk ten aanzien van de Vlaamse Beweging, de betekenis van het vak geschiedenis voor de vorming in het onderwijs, en de filosofische ontwikkelingen in het Vlaanderen van het Interbellum (…) De drie pioniers – de wijze kanunnik, de onverschrokken nationalist en de atheïstische Kantiaan – lijken soms tegenpolen te zijn. Maar zij droegen allen eenzelfde ideaal uit: de zorg om de kwaliteitsverbetering van het denken en van het Vlaming-zijn.” Iets waarvan u mogelijk sowieso al niet wild wordt, maar waaraan ik meteen ook nog dien toe te voegen dat dat gebeurt op een zodanige wijze dat daarin na lezing geen verandering is gekomen, in tegendeel.

Dat wil zeggen? Wel, in het geval van Kanunnik Dr. Alberic Decoene (1881-1958), zoals het eerste hoofdstuk heet, ondertitel Overtuigde Vlaming onder Belgicistische Roomskatholieke Hogere Geestelijkheid, bijvoorbeeld met niet over Decoene handelende delen over de Houding van de hogere roomskatholieke geestelijkheid van België, De Belgische hogere katholieke geestelijkheid en de politieke emancipatie van het Vlaamse volk, de Houding van de Belgische hogere katholieke geestelijkheid tegenover Vlaamsvoelende geestelijken en leken onder hun gezag, en de Groeiende kentering in de Anti-Vlaamse houding van de kerkelijke overheid in Vlaanderen. Ongetwijfeld allemaal – als Ruysschaert die delen niet óók nog eens in puntjes en details had opgedeeld en zo datgene wat de enigszins geïnformeerde lezer al wist, domweg vervelend had gemaakt – ook het weten waard, maar zo’n inleiding van negentien bladzijden bij een hoofdstuk dat verder ‘maar’ zevenentwintig bladzijden meer duurt, valt toch op z’n minst behoorlijk onevenwichtig te noemen. Sterker nog, de biografische uitleg over Decoene blijft zelfs in die zevenentwintig bladzijden uitermate beperkt. Én ongestructureerd: na het gehad te hebben over Zijn jeugdjaren, Decoene en het Activisme tijdens Wereldoorlog I, Decoene directeur van de normaalschool te Torhout, Het incident te Gistel van 15 juni 1920 (een incident waaraan tweeënhalve bladzijde gewijd wordt), en De pedagoog Decoene, springt Ruysschaert met het hoofdstuk Het AKVS in de normaalschool te Torhout namelijk terug naar de jeugdjaren van zijn onderwerp. Waarna nog twee weer chronologisch volgende biografische deeltjes komen, De Belgische bisschoppen veroordelen het Vlaams nationalisme (wat zelfs de niet eerder geïnformeerde lezer al wist uit de eerste negentien bladzijden van dit hoofdstuk) en Kanunnik Alberic Decoene en de repressie, maar die worden dan weer gevolgd door een deel genaamd Dr. Alberic Decoene schrijft zijn laatste boek, een nooit uitgegeven boek onder de titel De Vlaamse kwestie voor de Ethica dat Ruysschaert “dermate belangrijk [vindt]” (en ik heb het verder maar niet over de kanjer van een dt-fout in de zin beginnend met de woorden “Maar dit handschrift vindt ik dermate belangrijk”) dat hij het helemaal gaat samenvatten, hoofdstuk per hoofdstuk, Inleiding en Nabeschouwingen inbegrepen. Noem mij een beetje simpel, zo u wil, maar ik word tureluurs van zo’n dingen. Een boekbespreking? Okee. Biografische info? Okee. Een algemene uitleg over de houding van de kerk tegenover de Belgische staat en de Vlaams-nationalistische Beweging? Okee. Maar dat alles op zo’n manier gebracht in iets wat schijnbaar een biografie is? Dat is niet meer aangenaam om lezen, dat vlot niet, dat staat mij tegen als geheel (als je het al als een geheel kan beschouwen).

Waarna nóg twee ‘Vlaamse pioniers’ moeten volgen. In Kamiel De Vleeschauwer (1873-1975), ondertitel Pleimion Naibh: strijder voor zijn volk, begint Ruysschaert wél meteen aan de biografische informatie (daarbij ook volkomen oninteressante weetjes als dit delend: “De derde dochter, Mia, huwde met Jules Huyghe, stadssecretaris van Veurne, en overleed te Brugge op 30 juli 1979.”), maar heeft daarmee al gedaan na anderhalve bladzijde en gaat dan verder met Zijn rol als Vlaming en pedagoog en Zijn rol als geschiedkundige, om het vervolgens nog acht bladzijden te hebben over De Vleeschauwers opvattingen over de groei naar onafhankelijkheid van Vlaanderen aan de hand van de periode 1300-1328 (een opvatting waartoe kennelijk open deuren als Zwakheid van Vlaanderen door gebrek aan samenwerking en leiding behoorden). En in Prof. Dr. Herman Jan De Vleeschauwer (1899-1986), ondertitel filosoof, hoogleraar, historicus en bibliotheekkundige, gaat hij na drie bladzijden over Zijn leven over op zijn onderwerp als Kantkenner, waarna zes bladzijden ongelooflijke blabla volgen over De auteur van wijsgerige werken en zijn filosofische opvattingen, en ik al bijna geen zin meer had om me nog te verdiepen in In aanvaring met de Vlaamse katholiciteit, Wijsbegeerte en wetenschappen in de Nederlanden, In de collaboratie, Bibliotheekkunde, en zes bladzijden Nabeschouwingen over wat Ruysschaert dus al beschouwd hééft in zijn onderwerp. Ja, je kan je, in zoverre je er in geïnteresseerd bent, mét Ruysschaert afvragen “hoelang nog (…) het werk van prof. H.J. De Vleeschauwer doodgezwegen [wordt]?” En je kan daarvoor de volgende argumentatie gebruiken: “Hij heeft gedurende de tweede wereldoorlog gecollaboreerd. Dat feit valt niet te loochenen en is ongetwijfeld de grote reden waarom hij bij vele invloedrijke personen en organisaties nog steeds persona non grata is. Maar wordt het niet stilaan tijd dat hieraan een einde komt? De grote Duitse filosoof Martin Heidegger liet zich in 1933 benoemen tot rector van de universiteit van Freiburg en werkte samen met de nazi’s. In verband met deze houding merkte Alain Benoist op: ‘zelfs indien hij (Heidegger) met eigen handen tien miljoen mensen zou hebben omgebracht – quod non – zou dat nog niets veranderen aan de waarheidswaarde van zijn filosofie.” Maar ik twijfel er aan dat Palmer Ruysschaert welke van de Drie Vlaamse pioniers dan ook een postuum lezerspubliek heeft bezorgd door dit boekje over hen te schrijven.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !