Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht carmiggelt. Sorteren op relevantieAlle posts tonen
Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht carmiggelt. Sorteren op relevantieAlle posts tonen

dinsdag 21 juli 2026

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb niet zoveel boeken van Simon Carmiggelt besproken als ik er gelezen heb (omdat ik nu eenmaal al lang aan het lezen was vooraleer ik aan het bespreken begon), maar ben met mijn bespreking van voorliggend Tussen twee stoelen toch al aan mijn vijfde toe. En ik dacht na al dat lezen Carmiggelt toch wel een beetje te kennen: altijd wel goed voor een glimlach, heel soms voor een schaterlach, nog zeldener voor een lachbui, een opa, een sul van een vent, een man die in cafés de mensen zit te bekijken (en beschrijven), een bezoeker van Artis (ook in dít boek, trouwens – “Goed, goed – ga naar Artis. Als de zon schijnt, treft ge er uw soortgenoten bij duizenden aan. De directeur vindt dat prettig, maar ik ben er niet zeker van, dat de ijsbeer hem bijvalt.”), een aan-elkaar-plakker van willekeurige stukjes conversatie, een gezapige toerist, een gebruiker van het openbaar vervoer, van bankjes in parken, van al wat dagdagelijks is, maar dat alles vooral in een weinig opvallende stijl. Cursiefjes hoéven ook niet per se in een opvallende stijl geschreven te zijn, ze zijn een stijl van zichzelf, maar hoe dan ook zou ik u, desgevraagd, voor de stijl sowieso naar – wie anders? – Godfried Bomans hebben doorverwezen, niet naar Carmiggelt. En dat zou ik wellicht nóg doen, maar dan wel uitzondering makend voor Tussen twee stoelen. Of naar de aan deze bundel ten grondslag liggende twee bundels, Louter leugens (daterend uit 1951) en Tussen mal en dwaas (gepubliceerd in 1949). Aan die twee zijn de teksten in Tussen twee stoelen “ontleend” en ik ga er van uit – ik heb ze, wegens niet in bezit, nog niet gelezen – dat er daarin ook nog teksten staan van het niveau van taalkundige verfijning dat tekenend is voor de teksten die er uit gehaald werden. Of van de meeste toch, want hier en daar, voornamelijk in het mini-verzamelingetje Kroegen (uiteraard!), is Carmiggelt toch ‘gewoon’ de Carmiggelt die ik van vele andere bundels kende.

Iets wat dus niet geldt voor het overgrote deel van de ‘stukjes’ in Tussen twee stoelen, wat al meteen – en op dat moment nog tot mijn verrassing – bleek uit het eerste ervan, Een lachsucces, dat aldus begint: “Toen ik een jongmens van zeventien jaar was, placht ik vrijwel dagelijks in sonnetvorm uiting te geven aan mijn verlangen naar vaste verkering. Het was een vertrouwd werkje, dat meestal kort voor het inslapen zijn beslag kreeg, maar op den duur vond ik er toch geen bevrediging in. Ik begeerde niet alleen in poeticis, doch ook metterdaad meisjes te ontmoeten en nam, na lang aarzelen, de zaak op met een oudere vriend, die reeds verscheidene verlovingen had verbroken en een motorfiets bezat, zodat hij als een kenner te boek stond.” Wie de werken van Carmiggelt enigszins kent, zal het met me eens zijn dat dát niet echt klinkt als de ‘standaard’ Carmiggelt én ook inhoudelijk van die ‘standaard’ afwijkt.

Wat overigens nog niet wil zeggen dat die ‘standaard’ er een is die anders in iedere bundel van Carmiggelt aangehouden werd. Al is het maar omdat de stukjes van Carmiggelt in zovele bundels van wisselende samenstelling zijn opgenomen. Het eerste deel van de mini-verzameling In het publiek, bijvoorbeeld, ben ik honderd procent zeker in een ander boek van hem tegengekomen, al zou het mij té veel tijd kosten om nu even uit te zoeken in wélk. Meer tijd nog dan het zou kosten om Zéér sterk, dat als volgt eindigt, niét als een absurd stuk te beschouwen: “Ik liep de kamer uit. Toen ik de buitendeur opende, riep Willebrand mij op onzekere toon na: ‘En nog wel bedankt, hoor’. Bij mijn thuiskomst wachtte mij nòg een verrassing. De slaapkamer binnentredend, zag ik mezelf namelijk naast mijn vrouw in bed liggen. De lezer begrijpt, hoe ik opkeek toen ik mij had wakker gemaakt. Alleen mijn vrouw vond het, geloof ik, niet zo erg. ‘Als jullie maar niet een van beiden de hele dag thuis gaat zitten,’ riep ze, ‘want niets is erger dan een man over de vloer, die geen werk om handen heeft.’ Enfin – we hebben het nu voorlopig zó geregeld, dat we om de beurt een dagje werken. De ene dag schrijf ik het stukje en de andere dag ik. Dit is van mij. Kunt u het merken?”

Al had het natuurlijk ook nog van een ander kunnen zijn, zo blijkt uit het tweede deeltje van de mini-verzameling Een werkdag (in mini-verzamelingen zijn de meeste van de cursiefjes in dit in 1963 bij De Bezige Bij uitgegeven, honderdvijfenzestig bladzijden dikke boekje overigens ingedeeld): “Met dat al blijkt buiten, dat de dag geurt als een meisje van vijftien jaar. Bepaald veerkrachtig spring ik bij het Centraal Station uit de tram en snuif behaaglijk. Schuimende morgen! ‘Neen dief, dat is van Marsman,’ denk ik. Mijn beste beelden blijken, bij nader inzien, altijd van een ander.” Een lichte overdrijving ongetwijfeld, zoals die waarmee het eerste deeltje van de (weerom) mini-verzameling Geringe misslagen begint alvorens dat helemaal uit de hand loopt: “Nou, daar op het Damrak waren we die oude lijn zestien weer spitsuurlijk aan het volstouwen. Door op de rug van een oud moedertje te klimmen, kwam ik nog net mee, als kurk op de fles. Ik duwde krachtig, doch beschaafd en draaide mij moeizaam om, ten einde oog in oog te komen met de voorbijsnellende, frisse lucht, waaraan een mens tijdens zo’n ritje altijd sterke behoefte heeft.”

Wat toch weer eens wat anders is dan het bijna literaire begin van het eerste stukje uit (sorry!) mini-verzameling Een toontje lager: “Ruiende herfstbomen doen mij vaak denken aan Shakespeareaanse wouden, vol wrange narren en ranke minnaars en met een wijze Oberon vooral, die zijn vrouw doet ontwaken uit haar bespottelijke bevlieging voor een ezelskop, met milde hand ener indanthrene echtgenotelijke liefde. Want de herfst, vrienden, is een zéér geserreerd seizoen. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr’ en wie het wèl heeft staat aan het venster en ziet glazig toe, hoe het kokette zomergroen, dat al een tikje fané begon te worden, thans definitief verinnigt tot het goudbruin van een dame, die nog bèst mooie, rustige jaren met Piet tegemoet gaat.” Niet echt raar dat dat stukje bij Willem Kloos eindigt, wat misschien niet kan gezegd worden van hoe het derde stukje in (toch, toch) mini-verzameling Facetten van het huwelijksleven begint: “Aanvankelijk zaten we als een kneuterig echtpaar bij de leeslamp – zij met De Pest van Camus [zie mijn bespreking hier, noot van mij] en ik met De Walging van Sartre, maar tòch de thee gezellig op het lichtje, of we Willy Corsari op de knie hadden. Toen brak opeens alles stuk, doordat mijn vrouw uit haar stervende ratten opkeek om polemisch te zeggen: ‘Morgen heb ik tachtig gulden nodig’.”

Maar goed, ik kan blíjven citeren, en dat wil ik u nu ook weer niet aan doen. Alleen nog een paar korte dingetjes. Uit Opera: “De zaal verhief zich, applaudisserend en ook ‘t echtpaar enigszins bekruimeld”. Uit Een sprookje: “‘Ach vogeltje, laat ik jou eens even helpen!’ zei de conducteur, die een goed hart had en hij boog zich voorover en spalkte het pootje met zijn sigarettenpijpje. Toen hij klaar was, veranderde het vogeltje eensklaps in een fee en de fee sprak, met een fijn stemmetje: ‘Omdat je zo lief voor me bent geweest, mag je een wens doen’”. Wat het begin is van een verhaal dat me terug deed denken aan Idioten. 5 Sprookjes van Jakob Arjouni. Uit het derde deel van de mini-verzameling Herfstachtig: “De mistige middag maakte de gracht helemaal onduidelijk. Ik liep er vaagjes, want ik wilde mij iets herinneren en faalde telkens als ik het bijna had. Opeens zei iemand iets tegen mij, maar ik verstond het niet, door mijn schemerigheid”. En, ten slotte, uit het tweede deel van – laatste keer dat ik de term gebruik, beloofd – de mini-verzameling Mensen: “Ze wonen maar één straat ver en het zijn rustige mensen. Hij schreef opmerkelijke verzen en werkt dus op een reclamebureau, zij studeerde chemie en kookt daardoor slechter dan iemand, die geen chemie studeerde. Veel boeken, geen kinderen, tòch geen hond, maar een abonnement op ‘The New Yorker’ en ook verder ‘t complete ziektebeeld van intellectuelen, die het niet helpen kunnen en in twee kamers, fijntjes monkelend zitten te wachten tot hun leven om is. Want als u denkt, dat de happy few zich happy voelt, hebt u ze nooit aangekeken.”

Degene die de achterflap van deze uitgave vol pende, noemt Tussen twee stoelen – “een titel die de auteur illustratief acht voor de humor als levenshouding” – een samenvoeging en herziening van “twee van zijn talrijke microverhalen”, wat me onzin lijkt, cursiefjes zijn simpelweg cursiefjes, maar ook als Carmiggelt “er hier en daar, naar eigen smaak, in schrapte en enige later geschreven schetsen aan het boek toevoegde”, is het geheel in ieder geval zeer geslaagd. Ondanks de vermelding overigens dat de inhoud van dit boek er “mede oorzaak [van was] dat Carmiggelt, in 1961 de Constantijn Huygensprijs ontving voor zijn hele oeuvre”. Zo’n prijs uitdelen komt immers, mijns inziens, op zoveel neer als zeggen dat de auteur van dat “hele oeuvre” er zo zoetjes aan wel mee mag stoppen, terwijl het maar goed is dat hij er nadien nog zesentwintig jaar mee is doorgegaan (en daar ook nog wel een paar prijzen voor kreeg).

Björn Roose

P.S.: dat ik consequent ben in wat ik schrijf, blijkt overigens uit het feit dat ik het bij mijn bespreking van Lachen kost niks van Carmiggelt óók al had over het feit dat Een sprookje – blijkbaar eveneens in dié bundel opgenomen - me deed denken aan Idioten. 5 sprookjes van Arjouni.


maandag 16 februari 2026

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Van mens tot mens
van Godfried Bomans zou het laatste boek worden dat ik in 2025 las. Niet dus, ik blijk altijd nog wat tijd over te hebben voor het lezen van boeken, maar dat is uiteraard geen beletsel om het te bespreken. Zelfs al is die bespreking óók iets dat ik me niet had voorgenomen: Steen op steen van Wiesław Myśliwski zou de laatste bespreking worden die ik in 2025 schreef, maar toen bleek ik op de ochtend van mijn laatste werkdag, 31 december (jawel), nog een uurtje tijd over te hebben, dus begon ik vast aan wat mijn eerste kalenderjaaroverschrijdende boekbespreking ooit is geworden (ik heb ze beëindigd op 2 januari 2026).

Passend eigenlijk voor een boek waar ik zo’n maand over gedaan heb. Zo’n maand, omdat ik het in mijn bibliotheek bij de cursiefjesbundels geplaatst had (waar ook het meeste werk van Bomans te vinden is) en ik al vele jaren de gewoonte heb mijn vriendin na het ontbijt op zondag lastig te vallen met het vóórlezen van cursiefjes (ze doet daar niet moeilijk over, dus houd ik daar niet mee op). En dat voorlezen, is dan weer iets wat ik nu ook weer niet de hele zondag kan doen, dus kan het een tijdje duren voor zo’n boek uit is, zelfs al is het, zoals in dit geval, slechts een tweehonderdtal bladzijden dik. Maar... Van mens tot mens is geen bundeling van cursiefjes, het is een bundeling van – zo geeft de cover ook aan – “nagelaten werk”, de eerste bundeling van die aard, uitgegeven door Elsevier in 1973. De volgende bundelingen zouden Thomas Robert Spoon en Een mooie tijd (oorspronkelijk voorzien onder de titel Een goede tijd) gaan heten, maar de motivatie van de drie uitgaves staat ook al vooraan in de eerste: “Talrijke korte stukken, essays en interviews van Godfried Bomans, in kranten en tijdschriften verschenen tussen het jaar 1945 en zijn overlijden op 22 december 1971, werden tijdens zijn leven niet gebundeld [dat zou ook onmogelijk geweest zijn gezien hij doorging met publiceren tot het einde van dat leven, noot van mij]. Het lag wel in zijn bedoeling zulks te doen en hij had, in die zin, enkele plannen ontworpen”. Waarbij een van die plannen “een bundel interviews en hier en daar verspreide stukken over markante persoonlijkheden” was, een plan dat uiteindelijk uitdraaide op Van mens tot mens, “interviews, verspreide stukken en een reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”.

Die “reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”, waaronder een vraaggesprek overigens, is (met hier en daar een duidelijk zichtbaar wordende herhaling tot gevolg) samengebracht onder het hoofdstuk Mijnheer Thijm, Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm being de echte naam van schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de Tachtigers, en, net zoals Bomans dat lange tijd was, inwoner van Haarlem. Die “reeks artikelen”, negen exemplaren in totaal, vormt daarmee ook het thematische deel van het boek. Een thematisch deel waaruit telkens weer blijkt dat Godfried Bomans Lodewijk Van Deyssel werkelijk een warm hart toedroeg, zelfs al was hij verre van kritiekloos wat de auteur in de mens betrof – iets wat zich onder andere uit in Oratorio aan Lodewijk van Deyssel - en staan niet al de verzamelde artikels in dit hoofdstuk op hetzelfde niveau. Ik ben geneigd dat laatste op de bijna volstrekte afwezigheid van humor in de, voor zover ik dat kan inschatten, oudste stukken te steken, maar aan de andere kant ontbreekt die humor ook in veel van de onder het hoofdstuk Ontmoetingen met mensen en boeken verzamelde artikels en zijn die er niet minder boeiend om geworden. Misschien is het dan ook niet die afwezigheid van humor, maar een té groot respect voor het onderwerp, dat in de eerste artikels wat wringt. Een probleem dat duidelijk volledig opgelost was toen Bomans zich aan het schrijven van Herinnering aan Lodewijk van Deyssel zette (misschien omdat die toen al overleden was), een artikel dat samen met Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm het beste in dit deel vormt en aantoont dat kunnen lachen om iemand niet betekent dat men dat respect laat varen. Een citaat als dit mag daar, zelfs los van het feit dat Bomans daarin in hoofdzaak zichzelf op de hak neemt, getuige van zijn: “De indruk was verpletterend. Niemand zei wat. Het geweldige hoofd met de machtige kin voorwaarts gericht, de handen diep in de zakken van zijn grijze jas, rukte Van Deyssel dwars tegen de regen op naar het westen. Het aanduiden van de door hem gekozen richting met ‘het westen’ komt mij bij zulk een reusachtige verschijning gepast voor, al kan men ook zeggen dat hij naar Overveen liep om een sigaar te kopen. Beide opvattingen zijn verdedigbaar, maar de eerste is de meest juiste, omdat wij ons hier in de epische orde bevinden. In de mythologie wordt niet gewinkeld. Ook Achilles had kunnen voorbijkomen en dan had ook hij zich westwaarts voortbewogen. De bestemming van dergelijke figuren kan alleen door het bepalen van hemelstreken worden aangegeven.”

Omdat ook voor de rest de artikels Herinnering aan Lodewijk van Deyssel, Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm bijna volledig citerenswaardig zijn, houd ik het wat het hoofdstuk Mijnheer Thijm betreft verder op nog één citaat (in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, nietwaar?): “Thijm zag scheel. Ik aarzel eigenlijk met dit te zeggen, niet omdat zoiets verzwegen moet worden, maar omdat ik eraan twijfel of een dergelijke graad van scheelheid nog onder het begrip loensen valt. De gebruikelijke scheelheid is immers op te vatten als een min of meer mislukte poging om recht te kijken, terwijl de onderlinge afwijking van Thijms ogen elk streven in die richting bij voorbaat uitsloot. Hij had eenvoudig twee gezichtsvelden, die slechts in een gering segment samenvielen en voor het overige een volstrekt gescheiden deel van de schepping bestreken. Hij zag hierdoor ook veel meer dan andere mensen en men moest daar terdege rekening mee houden. Knipoogjes van omstanders werden, ook als deze zich zijwaarts van Thijm voltrokken, terstond opgemerkt en uitdrukkelijk gesignaleerd. Hij zei dan, zonder zich tot de schuldige te wenden, recht voor zich uit: ‘Ik neem u waar’, wat een spookachtige uitwerking had. Wie tegenover Thijm zat, bevond zich echter niet in de noodzaak een keuze te maken. Bij gewone scheelheid bestaat die moeilijkheid wel: men dient dan te besluiten tot welk oog men zich richten zal. Bij Thijm viel dit probleem weg. Het ene oog was op u gevestigd, terwijl het andere door het raam naar buiten keek.” Tot dan toe een quasi louter humoristisch vaststellen van een fysiek fenomeen, dit citaat, maar dan komt iets wat ook tekenend is voor het volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken, zijnde een tekststuk waarin Bomans blijk geeft van het diepgaand schouwen in de mensen waarover hij het heeft: “Ik geloof dat deze afwijking, die juist in het centrum van zijn begaafdheid (hij was een ogenmens), gelegen was, van beslissende betekenis moet zijn geweest voor de vorming van zijn eigenaardige persoonlijkheid. Zijn wonderlijke maniërisme, het voortdurend inwendig besturen van alles wat hij deed, de aanhoudende bewustheid waarmee hij ook zijn geringste handelingen begeleidde, men kan die niet verklaren als men dit centrale feit buiten beschouwing laat. Nu kan men zeggen dat in het werk van Thijm hiervan toch maar niets te bespeuren valt. Het is inderdaad waar dat het opvalt. Het is moeilijk aan te nemen dat een auteur die als geen ander zijn aandoeningen tot in de verste vertakkingen heeft vastgelegd, juist deze bron van emoties in het midden van zijn bestaan niet zou hebben opgemerkt. Dit is dan ook niet het geval. Thijm schreef daaromheen en dit voortdurend ignoreren groeide ook tot een houding in het dagelijks leven die door velen als ‘bestudeerd’ veroordeeld werd. Als vaststelling is dit juist, als vonnis niet. Thijm moest iets doen met die vreemde zoeklichten, die ieder hun eigen bundel de wereld inwierpen. Ik weet niet of het u is opgevallen, maar in dit stuk [het hele artikel, noot van mij] heb ik driemaal vermeld dat Thijm de blik neergeslagen hield ofwel de ogen niet opsloeg, waarbij ik nog het gefingeerde ‘tranen’ beschreven heb. Dit verhullen van een zo centraal gebrek gaf aan zijn optreden die gesteven weloverwogenheid die zich ook in zijn stijl van schrijven openbaarde, want werk en leven zijn één. Ik geloof trouwens dat iedere kunstenaar, ook een zo uiterst mededeelzame als Van Deyssel, creëert vanuit een verzwegen plek.”

En dan dus dat al twee keer genoemde volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken. Mensen zijnde Maria Sibylla Merian, Jan Klaassen, Herbert George Wells (van wie ik eerder De oorlog der werelden besprak), Nicolas Beets (de auteur van de Camera Obscura, voor wie Bomans ook al een enorme fascinatie aan de dag legde), Ignace Wils, Minus Oostrijk, Gilbert Keith Chesterton (wiens aan de avonturen van Father Brown gewijde bundel ik in 2021 besprak), Willem Bilderdijk, Felix Rutten, Simon Carmiggelt (van wie ik veel meer boeken gelezen heb dan ik er besprak), Wim Sonneveld, Johann Peter Eckermann, en Franz Kafka (van wie ik in 2022 de Kleine vertellingen heb besproken).

‘Maria Sibylla Merian?’, hoor ik u al vragen. ‘Ignace Wils?’ ‘Minus Oostrijk?’ ‘Johann Peter Eckermann?’ Misschien zelfs: ‘Felix Rutten?’. En: ‘Jan Klaassen, is dat die van de poppenkast?’

Om met die laatste te beginnen: ‘Ja, dat is die van de poppenkast.’ En dat beantwoordt ook de centrale vragen in het stuk Jan Klaassen en Katrijn, de poppenkast op de Dam: “Maar wie heeft dan die oude geschiedenis het aller-, állereerst verzonnen? Wie bedacht de figuur van Pierlala (de dood), van Jan Klaassen, de bedrogen echtgenoot en lachende wijsgeer, en van Katrijntje, zijn kijvend wijf? Wie stond hier het eerst op de Dam, vóór de grootvader van de ‘oude Kabalt’ en vóór zelfs diens vader geboren was?”

En Felix Rutten, over wie Bomans het heeft in het artikel De lege stoel? Dat was een – op dezelfde dag als Bomans overleden – (Nederlands-)Limburgse schrijver over wie de auteur het ook al had in Wandelingen door Rome en over wie hij hier onder andere schrijft: “(…) Felix Rutten woont in een tuinhuisje aan de Tiber. Door het ene raam ziet hij de koepel van de Sint-Pieter, door het ander het ondergoed van enige belendende religieuzen aan de drooglijn. Tussen beide aspecten van kerkelijk leven staat zijn tafel en stoel. Hier schrijft hij zijn gedichten, die niemand te lezen krijgt, omdat ze hemzelf genoeg zijn. Hij doet dit al vijftig jaar en er mag geen dag verloren gaan.”

Johann Peter Eckermann dan, de ‘arme van geest’ uit het artikel Zalig de armen van geest? Hij was de man die de Gespräche mit Goethe neerpende, een boek waarvan Bomans schreef dat hij het iedere zomer las, “omdat het ‘t ‘op de plaats rust’ als geen ander markeert”, een man over wie in de Goethe-literatuur doorgaans geschreven werd (en wordt, misschien, ik ben niet thuis in de literatuur over Johann Wolfgang von Goethe en heb van hemzelf ook nog niet meer gelezen dan Faust 1 en 2, al heb ik in het Duits wel zijn verzameld werk staan) dat hij “een glasplaat [was], een schone vensterruit en (…) het licht ongehinderd door[liet]”, dat hij “zich niet weg [hoefde] te cijferen” omdat hij “niets [was]”, een stelling die Bomans ten gronde betwist: “Afgezien nog van de volharding en trouw, die er nodig zijn om een dergelijke notulering negen jaar vol te houden, ziet men daarbij een gave over het hoofd, die in het algemeen weinig wordt opgemerkt, juist omdat zij zo zelden wordt aangetroffen en bovendien de schijn van negativiteit in zich bergt: het vermogen om in een ander volledig te geloven. Men vergeet dat deze faculteit, die wat laatdunkend met het woord ‘verering’ wordt aangeduid, in de bezitter ervan een geest veronderstelt, die ontvankelijk is voor het hem gebodene en dus daarmee verwantschap vertoont. Bewondering berust op affiniteit. Niemand ziet naar een ander op, of hij moet, zij het slechts in kiem, de mogelijkheid van die ander in zich dragen. En het is deze verwantschap, die Eckermann siert en Goethe zag. Men komt er niet met Eckermann als een nul te beschouwen. Hij was een potentieel getal, Goethe begreep dit. Hij telde het cijfer op dat hij had kunnen worden, als het lot deze misdeelde wat gunstiger had toegelachen, en behandelde de som als een reële uitkomst. Hij las de onzichtbare inkt van diens mogelijkheden en maakte deze ook voor Eckermann leesbaar.” Waaraan Bomans nog toevoegt: “Had Goethe nu geleefd, hij zou geen Eckermann gevonden hebben. Hij had louter genieën ontmoet en de stoel van Johann Peter was onbezet gebleven, omdat ze allen in die van Goethe hadden plaatsgenomen. Geen van hen had hij aangetroffen in de staat van dienstbaarheid die voor dit boek een voorwaarde is, niemand hunner was eenvoudig genoeg geweest om iets zo gecompliceerds te maken.”

En Ignace Wils? “(…) een late middeleeuwer”, “De held van Igualada”, de beschrijvingen die Bomans gebruikt in de titel van het aan hem gewijde artikel zullen u wellicht nog niet veel verder helpen, maar Ignace Marie Petrus Wils schopte het tot “kolonel van het bataljon der Carlistische zoeaven” en stierf in die hoedanigheid bij de in 1873 tussen Carlisten en Republikeinen gevoerde gevechten om Igualada (Catalonië). Een ook in Ravenstein, zijn geboortestad, allicht grotendeels vergeten figuur, al loopt er op het moment dat ik deze boekbespreking schrijf wél een tentoonstelling (nog open tot eind januari 2026) rond hem en zijn broer August onder de naam Zouaven Ravenstein, daarmee (al gaat de geschiedenis rond Ignace Wils dus ook nadien nog verder) aandacht bestedend aan het Pauselijk Zouavenkorps dat van 1861 tot 1870 vrijwilligers van overal ter wereld verenigde ter verdediging van de onafhankelijke Kerkelijke Staat.

Minus Oostrijk? Een postbode die Vincent van Gogh nog persoonlijk zou gekend hebben, maar waarvan ik op het internet geen spoor terug vind en waarvan ik na lezing van het artikel Echte Van Gogh in jutezak? ook niet zeker ben dat hij niet ontstaan is in de fantasie van Bomans, een artikel waarvan ik u desalniettemin de conclusie niet wil onthouden: “Wij weten nu, de ganse rivier van dit leven [dat van Van Gogh dus, noot van mij] overziende, dat Etten niet meer dan een schutsluis was, een voorbereiding tot hoger vaart, maar de sluiswachters wisten dit niet en konden dit ook niet weten. Daarom is het goed, één van hen te spreken. Wij zien een ogenblik de concrete Van Gogh, vóór het abstracte, uit alle bekende bouwstenen gecomponeerde en ons zo vertrouwde reuzenbeeld. En het stemt ons tot behoedzaamheid in het beoordelen van hen, die onze tijdgenoten zijn en die wij slechts kennen in een fase van hun ontwikkeling.”

En, ten slotte, voor we aan de bekendere figuren beginnen, Maria Sibylla Merian? Een vrouw naar wie recent in Amsterdam een brug werd genoemd, auteur van het in 1705 verschenen boek Metamorphosis insectorum Surinamensium, een van zestig kopergravures voorzien werk waarin ze de levenscycli beschrijft van insecten in Suriname (waar ze daartoe twee jaar verbleef), maar waarvoor (nu, in tijden waarin in het bijzonder aandacht besteed wordt aan vrouwen in de kunst en de wetenschap, misschien meer) nauwelijks belangstelling was (geweest) toen Bomans zijn artikel over haar schreef. En dat terwijl, zoals het óók getiteld is, Over de Voort-teling en Wonderbaerlyke Veranderingen der Surinaemsche Insecten. Beneffens de Gewassen daer ze op gevonden zijn. Waer in ook de wonderbaere Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en andere seltsame Gediertens worden vertoont en beschreeven. Alles in Amerika door M.S. Meiraen naar het leeven en levensgrootte Geschildert en nu in ‘t Kooper overgebracht “een schok door gans Europa [gaf]. En van buiten de grenzen reden de karossen der rijke verzamelaars voor de onaanzienlijke woning in de Kerkstraat (tussen Leidsestraat en Spiegelgracht) waar de vrouw, die dit alles in stilte schiep, in een armstoel zat, verlamd en uitgeput”. “Haar faam smeulde voort tot in de eerste helft der negentiende eeuw,” schrijft Bomans nog, “en doofde toen. En ik durf geloven dat het merendeel mijner lezers eerst door deze schets haar naam vernomen heeft. Want in onze vaderlandse geschiedenis gaan vlootvoogden en regenten vóór, en in de schaduw van hun roem wachten nog tientallen op onze genegenheid.”

Is dit een behoorlijk lange boekbespreking aan het worden? Ja, dat is het. Maar dat valt gezien de aard van het werk ook niet als… eigenaardig te beschouwen. Over dus naar de bekendere figuren, waarbij u alvast de sjans heeft dat ik in Een kampioen van het menselijk geluk – In memoriam H.G. Wells, geschreven kort na diens overlijden in augustus 1946 dus, niks als te citeren heb aangeduid. Niet omdat er niks interessants in staat, maar omdat het me allemaal al bekend was (wat dus allicht ook geldt voor al wie de jongste jaren wat biografische gegevens over Wells gelezen heeft).

Wat Hildebrand betreft zou ik me er dan weer kunnen van af maken met een verwijzing naar Merkwaardigheden rond de Camera Obscura, het boek waarin zeventien stukken van Bomans over dat boek en de auteur ervan gebundeld werden, maar ik geef u toch even de conclusie van Bomans’ gesprek met de dochter van Beets mee: “Het kon vader niet veel schelen. Maar het verdroot hem wel eens, dat de mensen altijd over zijn Camera spraken, alsof hij na zijn 25ste jaar niets anders zou geschreven hebben. Men kent zijn preken, zijn wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van taal en letteren en vooral zijn verzen niet. Daarmee doet men hem nochtans onrecht. Hijzelf schreef eens: ‘Mijn leven is in mijn Camera, mijn hart in mijn gedichten.’ Maar dat hart heeft voor velen vergeefs geklopt.”

En dan Simon Carmiggelt. Het ‘gesprek’ tussen hem en Bomans in Simon Carmiggelt 50 jaar had ik, me dunkt, ook al eens ergens gelezen en is duidelijk gefingeerd, maar het is hilarisch als Bomans op zijn best. Ik beperk me bijgevolg tot het weergeven van een klein stukje er uit: “Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de toekomst, met de levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. Kin, neus en oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te maken. De mond is delicaat gevormd en ook zijn maat schoenen blijft beneden het nationaal gemiddelde. Opmerkelijk is ook het spel van zijn handen. Ik kom daar misschien dadelijk op terug. Het breed gewelfde voorhoofd schept verwachtingen, die in de loop van het gesprek niet geheel worden ingelost, want Carmiggelt modelleert zijn mededelingen naar het bevattingsvermogen van degene, die tegenover hem zit. Het aan de slapen reeds grijzende haar wekt een vermoeden van leed, dat eveneens ongegrond blijkt. Kwam je hem op straat tegen, dan zou je denken: die jongen heeft het moeilijk, maar zie je hem thuis, dan is het best uit te houden, ben je mal, we zijn allemaal maar mensen en morgen komt er weer een dag.”

Een mening die Gilbert Keith Chesterton ongetwijfeld zou gedeeld hebben. Uit Bomans’ stuk over hem, G.K. Chesterton – Over een argeloze detective, waarin het overgrote deel van de aandacht dus naar de eerdergenoemde Father Brown gaat, zou ik wel wíllen citeren, maar ik kan het niet omdat ik dan tot mijn spijt de rest van de tekst niet mag citeren en het hele stuk gewoon groots is. Een mooie aanvulling op Gaston Durnez’ De lach van Chesterton ook, al dateert het boek van Durnez uiteraard van later.

Wat dan weer De sleutel tot de figuur Bilderdijk – Bij de herdenking van zijn geboortedag betreft, houd ik het bij twee stukjes tekst en het feit dat de ‘sociëteit’ die Bomans samen met een aantal anderen in Haarlem stichtte, Teisterbant genaamd, werd vernoemd naar diezelfde Bilderijk, die zichzelf als graaf van Teisterbant beschouwde: 1) “Men kan uitstekende wijn drinken en toch slechte gedichten schrijven. Ook de omgekeerde werkwijze is mogelijk en wordt hier herhaaldelijk toegepast”; 2) “Bilderdijk was, ofschoon hij slechte verzen schreef, een groot en waarachtig dichter. Hij dichtte de enorme gaten, die de realiteit openliet en schiep aldus een dijk, die tot ver in de Helleense oertijden doorliep: een Bilderdijk. Dit is: een dijk van beelden. Dat wij daarmee niet wensen ingepolderd te worden en hem, vergeleken bij onze eigen poëtische ingenieurs, als een Leeghwater beschouwen, doet niets af aan het feit dat hij eens grote provincies van ons nationale geestesleven heeft drooggelegd.”

Wat niet het soort bezigheid was waarmee Wim Sonneveld zich doorgaans onledig hield. In tegendeel, de tranen stroomden soms door de zalen waar hij optradt. Tranen van het lachen, wel te verstaan. Al waren er ook, misschien vooral, bij zijn ‘frater Venantius’ droeftoeters die het helemaal niet leuk vonden. Iets waarover Bomans schrijft: “Al die mensen, die in paniek raken omdat er een religieus is belachelijk gemaakt hebben niet begrepen, dat ‘frater Venantius’ in het ootje is genomen, niet als religieus, maar als cabaretier. Sonneveld zal er niet aan denken een kloosterling in zijn roeping aan te tasten; maar zodra de man als artiest gaat optreden, wordt hij kwetsbaar. Hij komt dan op het terrein van Wim Sonneveld, die volledig het recht heeft hem als zodanig te beoordelen. Dit oordeel was vernietigend. Wie nu meent, dat hiermee de kloosterstaat is beledigd en het katholieke geloof besmeurd, heeft totaal niet begrepen in welke functie frater Venantius is aangepakt. Dadelijk krijgen we misschien voetballende broeders. Moeten we dan vol eerbied op de tribune dat gelepel bekijken? Nee, zodra een kloosterling dat broekje aantrekt verliest hij de bescherming van zijn habijt en wordt hij naar zijn balcontrole beoordeeld. De mening dat fraters, wat ze ook doen, altijd in de eredivisie thuishoren, berust op een misverstand.”

Waarna alleen nog De Weense ambtenaar overblijft, Franz Kafka dus, of toch de Gespräche mit Kafka die Gustav Janouch in 1947, meer dan twee decennia na Kafka’s dood, optekende, Gespräche waaruit Bomans citeert. Citaten citeren lijkt me echter net wat te ver te gaan, dus laat ik dat maar achterwege. We moeten het immers ook nog over het derde deel van dit boek hebben, Interviews. Een “met de acteurs Paul Steenbergen en Myra Ward”, een “met minister J. Luns” (Ten huize van het echtpaar Luns), een “met prof. dr. Max Euwe”, en een “met Jan Foudraine” (De psychiatrie op de helling).

Even dacht ik u te kunnen verblijden met het ‘nieuws’ dat u Paul Steenbergen misschien kende als kapelaan De Goey uit Ciske de Rat, maar de Ciske de Rat waarin Steenbergen speelde, dateert van 1955, dus die kans is vrij klein. Myra Ward was zijn vierde echtgenote en zal wat het grote publiek betreft misschien nog het bekendst geworden zijn als Tante Adèle Takma uit de tv-serie Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uiteraard gebaseerd op de gelijknamige roman van Louis Couperus), maar die ligt intussen ook al vijftig jaar achter ons, dus is ze u wellicht even onbekend als Paul Steenbergen. Dat hoéft geen beletsel te zijn om uit dat vraaggesprek te citeren, maar gezien er – mijns inziens – niet echt iets van eeuwigheidswaarde in staat, doe ik dat niet. Iets wat ook geldt voor het vraaggesprek met Joseph Luns, al zou die kort nadien secretaris-generaal van de NAVO worden, Max Euwe, wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937, en psychiater Jan Foudraine, destijds bevallen van zijn eerste boek Wie is van hout? en nadien ook bekend geworden als Swami Deva Amrito. Ik ga niet zeggen dat die vraaggesprekken niet hadden moeten opgenomen worden in dit boek – de uitgever was per slot van rekening bezig met het bundelen van nagelaten werk -, maar de werkelijkheid heeft simpelweg de neiging vijftig jaar later minder interessant te zijn dan de fictie, en vraaggesprekken verliezen zelfs nog sneller aan belang. Ze zijn immers bij uitstek het soort momentopname waarop Bomans ook alludeert in het eerder genoemde stuk Echte Van Gogh in jutezak?.

Ondanks dat laatste deel echter zeker een aanrader, dit Van mens tot mens.

Björn Roose

vrijdag 19 december 2025

Het menselijk tekort – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)

Het menselijk tekort – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)
Wie mijn boekbesprekingen zo’n beetje volgt, moet er al tegengekomen zijn van werken van Midas Dekkers. In januari 2025 kwam Lichamelijke oefening aan de beurt, in maart 2023 Poot – Verhalen over de hond, in juni 2022 De koeskoes en andere beesten, in mei 2022 De kikvors en andere beesten, en in november 2021 De beste beesten. Allemaal bundels van cursiefjes op Lichamelijke oefening (daterend uit 2006) na, dat je als een zeer uitgebreid essay zou kunnen beschouwen, iets wat ook geldt voor voorliggend Het menselijk tekort.

Menselijke tekorten heb ik natuurlijk in meer dan voldoende mate, maar dankzij een boekenbon die ik van mijn vriendin kreeg voor mijn verjaardag - met boekenbonnen kan u mij altijd plezier doen - kon ik dít menselijk tekort kopen terwijl het nog vers in de boekhandel lag, zijnde in het najaar van 2025. Zonder dat ik zelfs maar naar de achterflap gekeken had, want een boek van Midas Dekkers kan me óók altijd plezier doen. Dat gezegd zijnde, voor de mensen die misschien wél een achterflapaanbeveling nodig hebben: “Is de mens nu nog niet af? Na miljoenen jaren evolutie is er nog steeds veel te wensen over. Survival of the sukkels. En dat is maar goed ook. Onvolmaaktheid is juist onze charme. De verlegen jongeman, het struikelende kind, dat spleetje tussen de tanden stemmen mild. Volmaaktheid is de dood in de pot en behelpen is leven. Wat moet een mens met een ideale schoonzoon? Wat moet de natuur met een ideale soort? Het leven wordt voortgedreven door onvolkomenheden, hoe hard de moderne mens die ook probeert te ontkennen door middel van fitness of botox. Koester ze. Zoals alleen Midas Dekkers dat kan legt hij uit dat het tekort hetgeen is dat ons menselijk maakt.”

Waarmee ík niet gezegd heb dat alleen Midas Dekkers dat kan. Maar misschien kan alleen Midas Dekkers het zoals Midas Dekkers het kan. In hoofdstukken die bijna van oneliners aan mekaar hangen – zóveel citatenmateriaal! -, soms ook oneliners die hij al in andere boeken gebruikt heeft (soms zelfs méér dan oneliners, bijvoorbeeld aan het begin van hoofdstuk 4, Ons eigen ik, als hij het over zijn vroegere ambitie had om vrijgezel te worden), van het ene onderwerp naar het andere fietsend, met veel tongue-in-cheekhumor en een hoger gehalte aan filosofie dan je doorgaans in wel twintig biologen sámen aantreft, er voor zorgend dat je op het einde van die tweehonderdtachtig bladzijden denkt van ‘Verdomme, ‘t is weeral uit…’, al gebied de eerlijkheid ook te melden dat het lettertype in deze uitgave van Atlas Contact een stuk groter is dan het dat was in Lichamelijke oefening (toen nog bij gewoon Contact). Begint de volgend jaar tachtig wordende Dekkers wat last van zijn ogen te krijgen en wil hij zijn lezers, dat ondervindende, ontzien? Wou de uitgeverij een dikker lijkend boek serveren dat toch zo snel zou uit zijn als een exemplaar dat een derde dunner is? Of wou Dekkers de lezer wat tijd besparen zodat die lezer sneller naar een van de boeken van de vele door hem geciteerde auteurs zou kunnen overschakelen? Boeken zoals André Malraux’ uit 1933 daterende La condition humaine, door de Nederlander Edgar du Perron vertaald als Het menselijk tekort, het boek dat Dekkers tot het zijne inspireerde en waarvan hij simpelweg de titel overnam. Of boeken zoals The Human Condition van Hannah Arendt (ja, die titel is wel vaker gebruikt), Liefde’s verbijstering van Belcampo (Herman Pieter Schönfeld Wichers), Kroeglopen van Simon Carmiggelt, Das Unbehagen in der Kultur van Sigmund Freud, Onbehagen van Bas Heijne, Verzen van Willem Kloos, De toverberg van Thomas Mann, Paradise Lost van John Milton, de Essays van Michel de Montaigne, of een van de tientallen andere die hij niet alleen in de tekst noemt, maar – da’s behalve handig ook altijd aangenaam – ook opneemt in de tien bladzijden lange Literatuur-lijst op het einde van dít boek.

Als Dekkers al niet verwijst naar teksten zónder die specifiek te noemen, natuurlijk. In “Steeds doemden wetten op en praktische bezwaren, maar vooral toch blijk je jezelf voor de voeten te lopen”, bijvoorbeeld. Of in “Thuis worden ouden van dagen en jonge kinderen met de televisie in slaap gebracht in natuurprogramma’s vol dromen van onbezoedelde zeeën en eeuwig zingende bossen”. Dat laatste later nog eens in een variante gebracht: “Het bloed spat tegen de takken, eeuwg huilen de bossen.” Ziet u de verwijzingen niet? Dan is dat jammer voor u, maar u zal er ook niet aan dood gaan. En dat gebrek aan achtergrondkennis wordt misschien gecompenseerd met niéuwe achtergrondkennis: “Om het goede binnen en het kwade buiten te houden dient elk paradijs hermetisch van de gewone wereld te zijn afgescheiden. Het is er zelfs de definitie van. In het oud-Perzisch is een paradijs een omwalling, een pairi-daeza – ‘rondom muur’.” Een muur waarbinnen mijn oud-collega Levi zich ettelijke keren per jaar gedurende een dag bewoog, waar ik slechts één keer over geklommen ben (bij wijze van spreken dan, Eric Domb en Marc Coucke), maar die ik nu nooit meer zal vergeten. Om het maar niet al te uitgebreid te hebben over al die zaken waar Dekkers mij, en ongetwijfeld vele andere lezers, zo van het ene onderwerp naar het andere glijdend, aan herinnert: de gulden snede, de Vitruvius-man, de vijg der wijsheid, de doop als symbolische vergeving van de erfzonde (toch bij katholieken), of het essentiële verschil tussen een hemelvaart en een tenhemelopneming, om er maar een paar te noemen: “Als om alle sporen uit te wissen is er op aarde geen enkel overschot van Maria achtergebleven. Zij is met lichaam en ziel van de aarde verdwenen, wat elk jaar op 15 augustus wordt gevierd als Maria-Tenhemelopneming. Geen hemelvaart dus zoals haar zoon, maar een tenhemelopneming, want ze ging niet op eigen kracht. Verschil moet er wezen.”

Nog meer dingen noemen waarover Dekkers het in dit boek heeft, zou essentieel oneerlijk zijn tegenover de auteur. Hij heeft het namelijk over zóveel dingen dat ik er zelfs zal vergeten of wegens de schrik deze boekbespreking te lang te maken niet zal opnoemen waarvan ik in eerste instantie vond dat ze moesten vermeld worden. Ik ga dat dan ook niet doen. En ik ga nu niet eens een truc toepassen (wat ik wel vaker doe) om het stiekem tóch te doen. “Een mens doet wat hij kan”, schrijft Dekkers. “Hij kan praten, maakt gereedschap, zingt zeemansliederen, heerst zo’n beetje over de aarde en peutert in zijn neus als de beste”, maar hij kan ook dingen laten. Zoals Noach had kunnen laten twee exemplaren van de menselijke soort mee aan boord te nemen: “Een ark met 99 procent van de landschepsels aan boord lijkt nog het meest op een ruimgesorteerde insectendoos, maar dan zonder spelden. Samen met de wormpjes en andere kriebelbeestjes vormen ze de ruggengraat van het leven. Zelfs het merendeel van de zoogdieren kan mee. Dat zijn dan vooral knaagdieren zoals muizen. Die zouden het op de ark best naar hun zin hebben. In heel de Bijbel komt geen kat voor. In de dierentuin zou je ze beslist missen, de olifanten, nijlpaarden en neushoorns, maar de natuur draait zonder die grote jongens heus wel door; zonder dino’s en wolharige neushoorns redt ze het ook al een hele tijd. Groot is mooi en veel is lekker, maar je kunt ook overdrijven. In de rij van kandidaten om uit te sterven staan opmerkelijk veel uit hun krachten gegroeiden. Hun grootste vijand zijn zij zelf met hun enorme massa. Daar kunt u van meepraten. Als een van de SUV’s in het dierenrijk gaat een mens onder zichzelf gebukt.” Maar duidelijk nog niet genoeg: “In zijn ongeduld om de tijd naar zijn hand te zetten riep de mens onlangs zijn eigen tijdperk uit: het Antropoceen of Antropozoïcum. Waar Paleozoïcum en Mesozoïcum miljoenen jaren nodig hadden voor je iets wezenlijks zag veranderen meent de mens in een paar eeuwen zijn stempel te kunnen zetten. In zijn eentje. De mens! Die de rest van het leven op aarde amper in de gaten heeft, omdat die met z’n miljoenen zijn, of te snel, of te langzaam, of te groot, of te klein, of al uitgestorven. Hoogmoed. Voor elke mens telt de aarde duizenden schimmels en wieren. Wij kunnen er niet zonder, zij kunnen ons missen als kiespijn. Antropoceen! Laat me niet lachen.”

Ook niet met bijvoorbeeld het feit dat “tot aan de Burgeroorlog [in de Verenigde Staten, noot van mij] (…) daar nauwelijks linker- en rechterschoenen te koop [waren]. De mensen wilden ‘rechte’ schoenen die aan beide voeten pasten. In de oorlog kwamen de soldaten er eindelijk achter dat je voeten spiegelbeelden van elkaar zijn, maar er ging nog een generatie overheen voor de nieuwe ‘kromme’ schoenen algemeen waren.” Of met elritsen, een ook in onze beekjes levende soort karperachtigen: “Om zich tegen zijn vijanden te verweren verzamelt dit visje zich tot grote scholen, die zich als één organisme achter hun leider aan wenden en keren als een spreeuwenvolk. Om dat voor elkaar te krijgen is elk visje heel eenvoudig geprogrammeerd: zwem achter een andere elrits aan. Als iedere elrits die goed bij zijn hoofd is deze order opvolgt handhaaft de school zich als vanzelf. Maar wie zwemt dan voorop? Dat laten de vissen over aan het toeval. Er is er altijd wel een bij die niet goed bij zijn hoofd is. Die zwemt maar wat, met heel de rest er als vanzelf achteraan. Experimenteel is het zelfs mogelijk gebleken een willekeurige elrits door een hersenamputatie tot grote leider te promoveren.” Waaraan Dekkers dan nog toevoegt: “Ik vertel dit verhaal graag als luchtige noot op bedrijfsbijeenkomsten. In de zee van blauwe pakken is de baas van het bedrijf dan duidelijk te herkennen. Dat is die man met dat rode hoofd die zo schaapachtig meegrijnst.” Of, ten slotte met alle mensen, niet alleen de baas: “Chimpansees weigeren ondanks alle aansporingen van taalkundigen te gaan praten. Na een halve eeuw onderzoek weten we nu ook waarom. Apen doen er het zwijgen toe omdat ze niets te zeggen hebben. Mensen hebben niet veel meer in te brengen, maar praten juist om dat te verbergen.”

“Star is dom”, schrijft Dekkers ergens in het laatste hoofdstuk. “Als je elke generatie alleen doet wat je genen je ingeven ben je niet goed wijs. Nieuwe omstandigheden vragen om een nieuwe aanpak. ‘Verzin een list,’ zei Heer Bommel als hij weer eens in de problemen kwam. Daar had hij Tom Poes voor. Die stond dan ook als slim ventje te boek. Maar iets nieuws verzinnen is het grootste probleem niet, het oude loslaten, dat is de kunst. Dat moest Bommel zelf doen. Daar was híj dan weer goed in, omdat hij zo’n sukkelaar is.” Zoals ik dus, een sukkelaar als het op het stoppen met een boekbespreking aankomt. Vooral als het boek alle aanprijzing verdient. Maar goed, niets aan te doen, mijn inkt is op, ik moét wel ophouden.

Björn Roose

vrijdag 2 februari 2024

Made in Holland – Jos Brink (boekbespreking door Björn Roose)

Made in Holland – Jos Brink (boekbespreking door Björn Roose)
Wie mijn boekbesprekingen wel vaker leest, weet allicht al dat ik nogal liefhebber in cursiefjes. Columns, zoals die dingen tegenwoordig heten, alleen veel minder zelfingenomen en ‘serieus’. Toen ik dit weekend ging nakijken wat ik uit mijn daarmee gevulde boekenkasten nog niét gelezen had, sloeg de schrik me een beetje om het hart, want ik heb er helaas al véél meer gelezen dan er nog te lezen blijven.

Binnenkort moet ik dus misschien weer eens die belachelijke grens oversteken die de Nederlanden scheidt omdat er daar aan de overkant toch door de band genomen nog méér van die cursiefjesbundels te vinden zijn in kringwinkels en dergelijke dan hier, maar voorlopig is voorliggend Made in Holland wel het laatste boekje dat ik van Jos Brink te bespreken heb. Het werd voorafgegaan door Stukje voor stukje, Blij blijven, Allemaal poppenkast, en het postuum verschenen Handboek voor hulpsinterklazen (al is dat laatste géén cursiefjesbundel), maar zal niet gevolgd worden door het boekje met preken en andere religieus geïnspireerde teksten van de auteur dat ik onlangs aantrof in een kringwinkel, simpelweg omdat ik dat boekje niet gekocht heb wegens, eerlijk is eerlijk, geheel buiten mijn interesseveld vallend.

Wat dus niet het geval is met dit Made in Holland, een bundel van zo’n honderdzestig bladzijden dik met daarin precies vijftig cursiefjes (waarvan ook weer eentje over Sinterklaas gaat, en “de verstikkende lawine van dennenaalden die de Goedheiligman de laatste tien, vijftien jaar schier onontkoombaar bedreigt”). Zoals ik ook al bij andere gelegenheden meegegeven heb, is het volstrekt onmogelijk een samenvatting neer te pennen van dit soort boeken: u kan zelf wel uitrekenen dat honderdzestig gedeeld door vijftig net iets meer dan drie is, en weet ongetwijfeld ook dat het samenvatten van ‘verhaaltjes’ van drie bladzijden een belachelijk idee is. Maar wat déze vijftig betreft maak ik graag een uitzondering voor zes daarvan, namelijk twee series, zijnde Practical jokes (I), II en III, en Berend Botje (I), II en III.

Ik ben zelf niet echt wat dan heet een ‘practical joker’, maar Brink geeft in die eerste serie wel wat mee over de praxis terzake in de theaterwereld én… over wat hij vindt van de term op zich: “De Nederlandse Taal is mij zeer lief en dat is dan ook de reden dat te mijnen huize modieuze Engelse woorden worden gemeden als the plague. Ik erger me kapot aan de ‘voice overs’ in de STER-spotjes die mij toeroepen dat reversible pampers gettable zijn bij iedere drugstore en very useful voor boys and girls. De Engelse ziekte heeft denderend toegeslagen en ik acht zulks verbijsterend. Maar een optimistische neerlandicus maakte me duidelijk dat de historie zich slechts herhaaldt: door de Franse overheersing destijds werd de Gallische infiltratie van onze moerstaal evident (in deze zin komen tot dusver vijf erg onhollandse woorden voor!) en dat ik, vanuit deze optiek (!) het Engels in onze spreekgewoonten diende te accepteren (!) als een verrijking. Het zal wel.”

Heeft u haar gezien? Die kanjer van een werkwoordfout? Niet in het Engels, maar in het Nederlands? Nee? Brink kennelijk ook niet (mag ik toch hopen), maar een historie kan zich echt niet herhalen in de tegenwoordige én de verleden tijd tegelijkertijd. Die ‘d’ en ‘t’ na mekaar in “herhaaldt” horen daar niet, in tegenstelling tot de ‘d’ in “Berend” en de ‘t’ in Botje. En Berend Botje hoorde als geheel dan weer bij de liederenschat van kinderen tot minstens het einde van de twintigste eeuw, al was het toen al zo’n honderddertig jaar oud en beduidend minder bekend in het zuiden (Vlaanderen binnen belgië dus) dan in het noorden (de rest van de Nederlanden). In de drie stukjes die Brink aan dat liedje wijdt, overstijgt hij in een volkomen Bomansiaanse stijl alles wat een cursiefje een stukje maakt en levert een ronduit hilarische ‘bespreking’ (in drie ‘lessen’) van de tegenwoordig bekendste versie ervan (een versie waarin Botje in tegenstelling tot wat geldt voor de oorspronkelijke en een aantal andere niét weerom keert): “Berend Botje ging uit varen, / met zijn scheepje naar Zuid-Laren… / De weg was recht, de weg was krom, / nóóit kwam Berend Botje weerom! / Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven… / Wáár is Berend Botje gebleven? / Hij is niet hier, hij is niet daar! / Hij is naar Amerika!” Een ‘bespreking’ die ik u uiteraard niet als geheel kan meegeven, maar waarvan de eerste paragraaf van het eerste deel al voldoende is om de toon te zetten en te vatten: “Dit ontroerend lied behoort tot het Nederlandse Cultuurgoed. Onderwijsinspecteurs controleren nog dagelijks of de tekst correct wordt ingestudeerd door basisschoolleerlingetjes en vooral of het gevoelvol ten gehore wordt gebracht. De poëtische schoonheid ervan mag immers niet verloren gaan!” En als dat nog niet genoeg is (en ook omdat het altijd moeilijk is niet méér te citeren uit een goede tekst) nog een stukje uit de tweede ‘les’: “Zeg nu eerst de zin ‘Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven…’ zacht voor u uit. Wanneer ge het emotioneel kunt opbrengen, enige malen achter elkaar. Overweldigd zult ge worden door de verrassende volgorde van cijfers. Een geheimnisvolle opsomming die voorafgaat aan de vraag ‘Wáár is Berend Botje gebleven?’. Afgezien van het overrompelende rijm, geeft het ‘een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven’ ook de mate van intelligentie aan waarmede de dichter gezegend was. Het is niet zómaar een regel! Het is geen vulling, zoals een slechte slager meel aan de worst toevoegt. De begaafde auteur heeft een wezenlijke bedoeling gehad!”

Zoals Brink allicht met de Berend Botje-voordracht de bedoeling zal gehad hebben méér dan een glimlach – het doorsnee effect van een cursiefje – op het gezicht van de lezer te toveren, al is dat iets waar hij ook vaak in slaagde met andere stukjes. Zelfs al spelen die stukjes zich wel eens af in bruine kroegen: “Doorgaans maak ik geen afspraken in kroegen, tenzij deze nuttige uitspanningen het enige herkenningspunt vormen voor de andere partij. Dies zat ik, een half uur te vroeg, aan een donkerbruine toog in een donkerbruin café. Donkerbruin gemáákt, moet ik melden, want het schenklokaal maakte onderdeel uit van een gloednieuwe kies die door de stadsdeelraad werd gecreëerd in het rotte gebit dat de straat sinds mensenheugenis is. De sfeer diende nog echt uit de flessen komen, zal ik maar zeggen.” Je dénkt aan Carmiggelt (gespecialiseerd in de glimlach, niet in de bulderlach) als je “donkerbruin café” leest, en dat deed ook Brink zelf: “Een eveneens te jonge en al te frisse uitbater stond glazen te poleren en sloeg voortdurend kwink op momenten dat het niet van hem werd verwacht. De knaap moest het oeuvre van Simon Carmiggelt maar eens bestuderen, dacht ik nog.”

“(…) sloeg voortdurend kwink”… Brink schudt het tussendoor even uit zijn mouw, lijkt verder geen belang te hechten aan die vondst, en doet dat soort dingen ook echt voortdurend: “Miep beweert dat ze groene vingers heeft, maar niemand heeft ze ooit in natuurlijke staat gezien: ze zitten altijd onder de modder”; “als ik de voordeur opendoe om een halfje wit te gaan halen bij mijn broodheer”; enzovoort, enzovoort. Woordspelletjes en understatement wisselen de zeer visuele en vaak de hoofdpersoon, Brink dus, gebroken achterlatende bulderlach opwekkende scènes af: “Laatst nog. Ik denk veilig te fietsen door het Gelderse. Op de deel van een boerderij welke ik passeer, zit een poedeltje, zo’n gebreid konijn, zó ver weg dat het nauwelijks waarneembaar is met het blote oog. Tòch rent het loeder hijgend naast mij, al na drie peddeltjes. Hoe kan dit? Het kàn! Hoe harder ik fiets, hoe harder hij jogt en hijgt. Als een razende draaien mijn benen. Als een gek zwoegen mijn longen. Ik flits door de Achterhoek. En altijd maar dat krullende knulletje achter me aan. Ver voorbij Apeldoorn heb ik van Kneteman een lachertje gemaakt door de daar geldende maximumsnelheid op rijwielpaden (80 kilometer per half uur) verre te overschrijden. En eindelijk blijft het hondje stilstaan, waarschijnlijk omdat het plassen moest. Ik durf dus nooit meer die bepaalde schitterende tocht te maken, tenzij in een pantservoertuig.”

Als je een béétje verbeelding hebt, lig je toch in een deuk van het lachen bij het lezen van dat stukje? Nee? Okee dan, ík wel. Eindigen doe ik deze bespreking hoe dan ook met een “witz” waarvan de auteur beweert dat hij hem hoorde op een Amsterdams terras. Een “witz” die in onze krankzinnige tijden mogelijk nog verteld wordt in de huiselijke kring, maar niet meer op zo’n terras, omdat er op élk terras wel een clown kan zitten die vindt dat je met dit of dat niet kan lachen vanwege iemands ‘gevoelens’: “Komt er een man bij de dokter en zegt: ik voel me een vrouw, kunt u me ombouwen? Jawel, zegt de dokter, maar daar doe ik vier operaties over. Van de week kan ik je alvast een paar borsten geven en dan moet je tien dagen rust nemen. Dat gebeurt. Man komt terug en levert bij de volgende operatie datgene in wat hem tot een jongetje maakte. Het lukt schitterend, weer een week of wat rust. Daarna terug naar de poli. De patiënt(e) zegt: maar dokter, ik voel me nu compleet een vrouw, waar zijn die andere twee operaties nou nog voor nodig? Nou, roept de arts, bij de derde haal ik de helft van je hersens weg en bij de vierde maak ik een gat in je hand!”

Daar als commentaar aan toevoegen dat mensen die aan zo’n operatie beginnen (of ze aan hun kinderen opdringen) sowieso al een heleboel hersenen missen en een gat in hun hand hébben, zal wel not done zijn, zeker? Net zogoed als er op wijzen dat nog halverwege de jaren negentig (deze bundel verscheen in 1995) Brink ook iets schreef dat nu als volkomen gedateerd wordt beschouwd omdat we nu geacht worden over wat ánders in paniek te slaan: “(…) geleerden beweren bovendien ook dat we afstevenen op een nieuwe ijstijd. Ach, voor een week of drie zou het leuk zijn. Mijn schaatsen liggen al jaren in milieuvriendelijk vet.”

En ook over het geval Japie de schildpad, “het geweten van Pinokkio, in de Walt Disneyversie”, moet ik het nog even hebben (en daarmee eindig ik écht): de auteur haalt daar namelijk de Sovjetversie en “de Walt Disneyversie” door mekaar. De schildpad waarvan sprake speelt inderdaad een rol in De gouden sleutel, of de avonturen van Buratino, de versie die Alex Tolstoi van Le avventure di Pinochhio. Storia di un burattino maakte, maar niet in de Walt-Disneyversie noch in de originele. Bovendien heet de schildpad in kwestie Tortila. Maar misschien – wie het met zekerheid weet, mag het melden – werd die schildpad in een of andere Nederlandse vertaling (bijvoorbeeld van de Sovjetfilm uit 1975) van de weeromstuit wel weer Japie genoemd?

Björn Roose

vrijdag 24 november 2023

Welverdiende onrust – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)

Welverdiende onrust – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)
Ondanks het feit dat ik ooit - in mijn bespreking van zijn Ontmoetingen met Willem Elsschot - schreef dat ik boeken van Simon Carmiggelt normaal nooit bespreek, heb ik door de jaren heen van hem ook nog Duiven melken, Gewoon maar doorgaan en Lachen kost niks besproken. Vier boeken dus, maar in feite zoveel als dat lachen kost: niks. Want ik heb intussen van de man vijfendertig boeken in mijn kast staan en die heb ik allemaal… gelezen. De meeste echter jaren vóór ik aan het bespreken van boeken begon, wat niet geldt voor voorliggend Welverdiende onrust, want anders had ik dat uiteraard óók niet besproken.

Maar dat bespreken blijft een lastige waar het Carmiggelts werk betreft. De reden waarom ik immers zoveel van hem in mijn kasten heb staan, is dat hij cursiefjes schreef, stukkies in zijn eigen jargon, en dat ik die dan wel zeer aangenaam om lezen (en voorlezen) vind, maar dat een bespreking ervan, wegens het inherent fragmentaire karakter, quasi ondoenbaar is. Wat de algemene inleiding betreft houd ik het dan ook bij wat boven de in het groot afgedrukte hanenpoot van Carmiggelt op de achterflap van dit in 1982 bij De Arbeiderspers verschenen boekje (honderdvierenzestig bladzijden dik) is afgedrukt: “De dagelijkse rubriek die ik, sinds 1956, schreef in ‘Het Parool’ veranderde ik op 17 januari 1981 in een wekelijkse rubriek. De jaarlijkse bundel bleef in dat jaar achterwege. In ‘Welverdiende onrust’ heb ik een selectie gemaakt uit stukken die ik in de achter mij liggende twee jaren schreef. Dat de titel een woordspeling is op een cliché dat redenaars, telkens weer, een gepensioneerde op zijn afscheidsfeestje toebrengen, heeft de lezer al begrepen. Dat het, zoals álle cliché’s, een leugen is, heb ik al begrepen. Ik hoop dat het boek daarvan getuigt.”

En inderdaad, Carmiggelt was nog niet aan rust toe toen dit boek verscheen. In 1978 was hij dan wel vijfenzestig geworden, maar op verzoek van hoofdredacteur Herman Sandberg bleef hij zijn Kronkels schrijven, zij het dan aan een steeds lagere frequentie: in 1980 in plaats van dagelijks nog drie keer per week, vanaf 1981 nog één keer per week, een gegeven waarvan Carmiggelt één sprong maakt. Vanaf 1983 werd ook dié frequentie echter te veel en ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (en wel precies één dag daarna, op 8 oktober 1983) stopte hij ermee. Welverdiende onrust zou nog verre van zijn laatste boek worden, maar veel nieuwe cursiefjes schreef hij na de daarin gebundelde periode toch niet meer.

Jammer voor de toenmalige krantenlezers ongetwijfeld, maar damals was ik amper 11 jaar oud en las ik geen kranten, dus ik kan ook nu nog genieten van wat hij zelf zijn beste stukkies vond, temeer misschien omdat de wereld van toen intussen zo’n beetje vergaan is. Ik kan hem me nog inbeelden, ook al omdat Carmiggelt hem – zeer bondig weliswaar – scherp weet weer te geven, maar, los van de personen die steeds de essentie van zijn verhaal uitmaken (en personen veranderen als “geheel” niet zo veel, ook niet in de jongste veertig jaar), ook omdat ik hem nog zelf heb meegemaakt. Niet in Amsterdam weliswaar, maar het dorp van mijn jeugd lijkt ook niet zo héél verschillend geweest te zijn van het Amsterdam van Carmiggelts pensioenjaren. Veel minder verschillend in ieder geval dan het dorp waarin ik nu leef en, pakweg, het Antwerpen van tegenwoordig.

Enfin, dat doet er ook niet toe. Zelfs voor wie niet zo oud is als ik (en er zijn steeds meer mensen niet zo oud als ik) valt er bij Carmiggelt heel wat te rapen. Geestige woordspelingen als deze bijvoorbeeld: “Op oudejaarsmiddag liep ik op de Heiligeweg, een profane winkelstraat, die ver boven zijn geestelijke stand heet.” Of: “Op de televisie was Derrick net begonnen, maar vóór er een dode had kunnen vallen snerpte onze deurbel.” Of: “Hij had een gezond, goedhartig gezicht dat echter werd missierd door een enorme geeuw die mij een blik gunde in zijn roze interieur, dat ik altijd associeer met een slagerij.” Of: “Eens per dag kwam zij enige seconden beneden om hem, achter de tap, een bord warm eten te brengen dat er uitzag of het door een brontosaurus was uitgebraakt.” Of: “(…) op last van haar baas haalde ze de buurman erbij, die een welluidend, door hem zelf vervaardigd Frans sprak.”

Of herinneringen aan een bepaald soort leraressen (in mijn geval ene juffrouw Hulpio, die alleen maar heel kort een andere kwam vervangen): “Zij was onze lerares Natuurlijke Historie, een vak dat wij lollig nattehist noemden. Wat ik me ervan herinner is het begrip ‘onderstandig vruchtbeginsel’. Dat heeft zich, om onverklaarbare redenen, metterwoon en onverjaagbaar, in mijn geheugen gevestigd. Verder weet ik van wat ze ons heeft trachten bij te brengen niks meer. Maar van de manier waarop ze het deed weet ik alles nog. Bij jongens stonden haar lessen hoog aangeschreven. Want ze hád iets. Wat ze precies had kon door de fotografie slechts zeer gedeeltelijk worden omvaamd. Goed, de wat geloken ogen behoorden ongetwijfeld tot het assortiment van haar attracties. Maar er kwam nog zoveel bij, dat mijn herinnering bewaart in een met paars fluweel gevoerd doosje. Als ik het open, zie ik haar manier van lopen, langzaam en op een sierlijke manier zorgvuldig, als iemand met een ballettraining. En ik hoor haar stem. Die was niet hoog en ook niet laag maar in het cello-timbre daar tussenin. Als ze ermee sprak over het onderstandig vruchtbeginsel – al zal ze wel meer hebben aangesneden – maakte zich van jongens een doezelig soort stilte meester. Muisstil waren we. Ze had écht geen ordeproblemen. Doch ik hoorde wel dát ze zei, echter niet wát ze zei.”

Of de kijk van een leek – helemaal ik dus – op sport: “Los van dit alles vind ik de televisie prachtig. Zonder dit verrukkelijke medium zou ik – bijvoorbeeld – nooit in staat zijn te kijken naar rugby in Engeland, verreweg de meest komische sport die op deze aarde wordt bedreven. Een man pakt een bal, is voornemens daarmee weg te rennen en wordt dan onder zowat twintig medespelers letterlijk bedolven. Naast deze turbulente kluwen lichamen en ledematen, die lijkt op een ernstig verkeersongeval, staat een beschaafde heer in een kort broekje in gebukte houding te kijken of er, in de kern van dit geweld, wellicht iets gebeurt dat zelfs bij rugby niet mag. Hij is namelijk de scheidsrechter, een mensentype dat houdt van gevaarlijk leven.” Of op een blootblad: “Er stond een juffrouw buiten op die, boven de gordel, zo royaal door de natuur was bedacht, dat ze beide armen nodig had om haar totale weelde te tillen. Haar gelaatsuitdrukking was gemelijk, als van iemand die op een warme dag gedwongen wordt een schuit meloenen te lossen.”

Of, om maar aan te geven dat “links” – want dat was Carmiggelt – toen niet precies hetzelfde was als nu, zijn kijk op abortus: “In een smalle zijstraat zat ik op een terrasje. Op een muur aan de overkant stond, met witte kalkletters: ‘Abortus – vrij!’ Ofschoon ‘Abortus? Vrij niet’ logischer zou zijn, stond ik toch geheel achter de slogan, want ik ben toevallig eens een keertje erg progressief. Toch wil ik u, in diep vertrouwen, wel zeggen dat ik in deze tijd, nu je de voorbehoedmiddelen zowat bij de margarine toekrijgt, al dat geroep om abortus een wat luide manifestatie van vergeetachtigheid vind.” Waarover hij toch niet zo kwaad was als om een ander soort manifestatie, waar ik, net zoals hij, héél erg pissig om kan worden: “Achter mij hoorde ik plotseling een vreemd, snerpend geluid. Ik keek om en maakte mijn zin niet af. Want ik zag dat de mannen, via het gele insekt [hun dienstwagen, noot van mij], die ene lieve, ranke boom hadden beklommen en nu bezig waren hem met elektrische zagen te vernietigen. Een hete woede maakte zich van mij meester. Het was een van die zeldzame momenten in mijn leven dat ik behoefte voelde aan een machinegeweer.” In dat soort, veelal door overheidsdienaren maar helaas ook massa’s privé-lieden veroorzaakt, vandalisme, is er dan weer, ondanks de veertig jaar die intussen verstreken zijn, geen verschil tussen mijn dorp van nu en zijn stad van toen…

Björn Roose

dinsdag 19 september 2023

Allemaal poppenkast – Jos Brink (boekbespreking door Björn Roose)

Allemaal poppenkast – Jos Brink (boekbespreking door Björn Roose)
Bij mijn vorige bespreking van een boek van Jos Brink, met name die van Blij blijven, schreef ik: “Cursiefjes blijven voorlopig – en ik durf hopen ook nog langer, maar dat zal afhangen van wat ik op dat front nog allemaal aantref in kringwinkels en dergelijke – nog wel even een vast item in mijn boekbesprekingen, maar met deze Blij blijven ben ik op dit moment wel even aan het einde van de boeken in die categorie van Jos Brink gekomen. Niet dat er verder geen meer zijn – ik heb per slot van rekening eerder alleen nog maar zijn Stukje voor stukje besproken -, maar ik heb er (nog) geen andere in mijn bezit. En dat ene andere boek dat ik van hem heb, Handboek voor hulpsinterklazen, het laatste boek dat hij schreef (hij overleed vooraleer hij de drukproeven kon overlopen), moet – los van het feit dat het niet in de categorie Cursiefjes valt – nog minstens wachten tot rond – uiteraard – Sinterklaas.”

Die “(nog)” stond daar echter niet voor niks. Het voornemen blijft dus nog steeds binnen hier en een paar maanden aandacht te besteden aan zijn Handboek voor hulpsinterklazen, maar sinds februari van dit jaar kwam ik bij verschillende gelegenheden toch nog een tweetal boeken van de auteur tegen: de bespreking van Made in Holland volgt een dezer maanden (nadat ik het gelezen heb dus), de bespreking van Allemaal poppenkast (al duikt Sinterklaas ook dáárin op) krijgt u bij deze. Met dien verstande dat ik u voor wat de introductie tot de auteur betreft graag verwijs naar eerder genoemde reeds gepubliceerde besprekingen, dat ik u niet (nog eens) ga uitleggen wat cursiefjes zijn en waarom een bundeling ervan nauwelijks te bespreken valt (al is het dan een genre dat tegenwoordig helaas veel minder beoefent wordt), en dat u – als u die vorige besprekingen gelezen hebt – sowieso al weet dat ik van oordeel ben dat Brink ter zake zeer bedreven was. Dat toonde hij ook met de vierenveertig stukkies in deze in 1981 bij Teleboek verschenen bundel weer aan.

Vierenveertig cursiefjes over Dierendag (nauwelijks een ding in Vlaanderen, maar wel in Nederland), kaal worden, advertenties, loodgieters, de natuur, nieuwsgierigheid, treinen, geloven, zijn oude school, het huwelijk, enzovoort, waarin hij niet alleen aantoont van vaak alledaagse situaties werkelijk een verhaal(tje) te kunnen maken, maar ook met taal speelt op een manier waarop bijvoorbeeld de ter zake veel bekendere Simon Carmiggelt dat nooit of nauwelijks ooit heeft gedaan. Vondsten als deze zijn typisch voor Brink: “Op het gevaar af dat u gaat denken dat ik reeds op jeugdige leeftijd ernstig dement aan het worden ben, geef ik toe dat ik al koutend uren met mijn huisdier zoekbreng. Meestal helpt ze me eraan herinneren dat ik me ijlings naar de drankboer dien te reppen ten einde de voorraad whisky aan te vullen. Ze práát me als het ware naar de fles toe, want ze is een poes-alleen, dus slechts van mij kan ze een kater verwachten.” Vondsten als dié en humor op zijn eigen kap: “(…) alles wat bij andere mensen bijdraagt tot nóg meer geluk en warmte, haardrogers, polaroidcamera’s, elektrische tandenborstels en washandjesspanners, gaat bij mij binnen een week kapot, of ontploft al nog vóór ik het winkelpand heb verlaten. Dat kleeft aan me en ik ben eraan gewend. Ik weet dat ik de enige niet ben: je herkent lotgenoten op straat. Ze lopen met een lichtelijk slepende tred, afhangende schouders en een holle rug. Hun hele wezen straalt iets uit van: mij kan niks meer gebeuren, juist omdat álles hun gebeurt. Zo ben ik ook. Op het scherm en in het theater acteer ik een viefheid van jewelste, maar in werkelijkheid word ik onder mijn smoking overeind gehouden met hardleren korsetten en rugbaleinen, schoudervullingen en kin-ophouders. Zo draai ik de mensen een rad voor de ogen, en thuisgekomen zak ik als een monatoetje op de bedrand neer.”

Vondsten ook soms die wie de jaren tachtig, ten laatste negentig niet heeft meegemaakt, laat staan de jaren ervoor, weinig meer zullen zeggen: “(…) ik ken een man die kaal werd alleen omdat hij zich er druk over maakte. En nu loopt hij rond met een toupet. Dat wil zeggen, hij dénkt dat het een toupet is. Ik voor mij geloof al z’n leven dat de fabrikant hem laat rondlopen met een hoogpolige tapijttegel op zijn bol. Je ziet dan ook al op kilometers afstand dat het een haarstuk is. Het gloeit groen op in het zonlicht en het wipt op de vreemdste plaatsen.” Maar wie heeft de jongste jaren nog zo’n dooie rat op iemands hoofd gezien? Welke man doet nog moeite zijn kaalheid te camoufleren onder een moumoute? Of het moest een ontsnappingskoning à la Jevgeni Prigozjin zijn, die het dan nog niet eens deed (of doet, wie weet staat ie een dezer jaren op uit de doden) om die kaalheid te camoufleren, maar om volkomen onherkenbaar te zijn.

En vondsten uiteraard die ook een Hans Teeuwen had kunnen gebruiken. Want laat ons wel wezen: een baby aanduiden als “een gesmolten E.T.” is bijzonder grappig, maar van werkstukken uit de boetseerclub zeggen dat “men [ze] het beste kan aanduiden als buitenbaarmoederlijke zwangerschappen” óók. Of van jezelf dat je een “door een dronkeman in elkaar geprutst bouwpakket” bent, of “een mengsel van mierezuur én het apelazarus dat ik mij schrok”, of dat je “uitputtend de verschillen [had] moeten doornemen tussen trompetnarcissen, fluitnarcissen, trombonenarcissen en ammehoelanarcissen”.

En dan, tussendoor, verwijzingen waaraan je merkt dat Brink behalve aan rond hossen op de bühne ook aan het lezen van boeken deed. Waar M. Vasalis opduikt bijvoorbeeld, met haar ode Aan een boom in het Vondelpark: “Bomen worden ziek en moeten dood. Maar Vasalis is onsterfelijk.” Of zich toen al bewust was van de golf van politieke correctheid die op gang aan het komen was: “We zongen eveneens een tekstje over een negerjongetje dat opzien baarde en van wie werd verondersteld dat zijn moeder hem nimmer hoefde te wassen, wat ons reuze gemakkelijk leek. Met dat soort liedekens hoef je vandaag de dag niet meer aan te komen, gezien onze zeer gemengde bevolking.” Of van de “specialisten”-praat waarmee “gewone” mensen aan de kant gezet worden: “‘O, Kareltje z’n plakboek…’ ‘Wij spreken liever van scrapalbum. Kijk, meneer eh… Bastenaken. Binnen het primaire kader van het basisonderwijs vindt een individualiserende planning plaats. Ik ben de man in het veld en u bent de exogene factor. Ouders, het gezin, vormen het supporting team, nietwaar? Zij zijn, in hun interne consistentie, onze feedback.’” (Feedback die, zo merkte ik gisteren, inmiddels zelfs door N-VA-gezinde leerkrachten niet meer aanvaard wordt als het bijvoorbeeld over seksuele opvoeding bij kleuters gaat, want de eindtermen gaan boven wat de ouders daarvan denken). Of dat hij af en toe niet zo héél ver van Carmiggelt staat, bijvoorbeeld als er een leurder aan zijn deur staat: “Ik had natuurlijk onmiddellijk moeten roepen: ‘Gaat heen rare oude man!’ of iets van gelijke strekking. Ik ben daar te laf voor. Ik fluisterde daarentegen: ‘Nou meneer, dat loekt goed!’” Of als hij iets oneetbaars te eten krijgt: “Als toetje had de schat een goedbedoeld mokkapuddinkje vervaardigd, met zelfgebakken strooisel erop. Van gebrande suiker. Het leek wel glas. Ik had net zo goed een bierpul kunnen verbrijzelen en naar binnen proppen. En lafaard als ik ben, riep ik voortdurend dat het héérlijk was. Vandaar die tweede uitnodiging.” Niét op Carmiggelt lijken, zou in dat geval natuurlijk het eerlijkste zijn, maar dan zou je verder ook geen verhaal te vertellen hebben. En laat mij eerlijk zijn: als Brink het heeft over nooit open doen als er gebeld wordt, geen ramen lappen, en gepruts met contactlijm, dan sta ik op mijn beurt niet ver van Brink…

Björn Roose

vrijdag 28 juli 2023

Lachen kost niks – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)

Lachen kost niks – Simon Carmiggelt (boekbespreking door Björn Roose)
“Ja, dat was heel erg. Vergeet niet, ik stond toen dagelijks in de krant! Als een romanschrijver zo’n prijs krijgt, dan kan hij lekker een feestje geven en er breeduit van genieten; die nieuwe roman laat hij gewoon even op de plank liggen. Maar bij mij was dat anders. Stond er op pagina 1 dat ik die prijs kreeg en op pagina 3 kon je zien of ik hem wel verdiende. Dat was vreselijk. Net of je lekker in bed ligt en ze trekken opeens de dekens van je af.” Dat was wat Simon Carmiggelt, auteur van voorliggend Lachen kost niks, volgens Peter ten Hoopen, auteur van het nawoord in datzelfde boek, te zeggen had over de hem in 1978 te beurt gevallen P.C. Hooftprijs, “de hoogste literaire onderscheiding die ons land [Nederland, noot van mij] kent”.

Zou kunnen natuurlijk, dat lezers op dát moment pas gaan oordelen of iemand die prijs waard is, maar wat kan zo’n prijs een lezer eigenlijk schelen? Misschien krijg je door zo’n prijs méér lezers – al lijkt me dat voor iemand die een rubriek in een krant schrijft sterk (lezers moeten daar immers dat hele ding voor kopen) -, maar minder in ieder geval niet. Mij heeft het dan ook nooit wat kunnen schelen of Carmiggelt (of welke schrijver dan ook) een prijswinnaar was: samen met Godfried Bomans behoort hij tot de auteurs van wie ik het meeste boeken in de kast heb staan, al is Lachen kost niks nog maar het vierde dat ik bespreek. Redenen daarvoor zijn dat ik vroeger van oordeel was dat cursiefjesbundels (want ook Lachen kost niks is er zo een) moeilijk te bespreken zijn, en vervolgens – toen ik besloten had dat dat eigenlijk niét zo was – dat ik geen niet gelezen boeken van de auteur meer in mijn kasten had staan. Na een bespreking van Ontmoetingen met Willem Elsschot, Duiven melken, en Gewoon maar doorgaan, kwam er dus bijna twee jaar geen nieuwe bespreking van een boek van Carmiggelt, maar met het in mijn handen vallen van Lachen kost niks is daar weer verandering in gekomen.

Terwijl ik dat boek, in tegenstelling wellicht tot een hele hoop Nederlandse lezers, niét gratis in diezelfde handen gekregen heb. Ik heb er, hoewel niet veel, voor moeten betalen, in tegenstelling tot de klanten van de Spaarbank: “Dit boek, dat ik op uitnodiging van de Spaarbank samenstelde, is een bloemlezing uit verhalen die ik schreef. Bij mijn keuze geholpen door mijn aandachtige lezer de auteur Peter ten Hoopen, maakte ik er een vrolijk boek van dat, als u het van de bank cadeau krijgt, hoop ik de juistheid van zijn titel Lachen kost niks bewijst”, schrijft Carmiggelt in het gelijknamige voorwoord.

Een voorwoord waarin hij het ook heeft over zijn inspiratie: “Ik ben geen verzinner van verhalen. Maar ik ben wel een schuiver met de waarheid.” Een schuiver die niet altijd even hard moet schuiven ook, want Hogerop, een hilarisch verhaal dat ik eerder las in een andere bundel van de auteur, is… “echt gebeurd. Wij waren pas getrouwd en zaten toen, ofschoon mijn vader enige panden bezat waarin hij ons graag had gehuisvest, heel bohémien-achtig op een kleine etage in een volksbuurt. Boven ons woonden mensen die heel vaak ruzie hadden. In de woonkamer hoorde je dat een beetje, in de gang al wat beter, maar klom je op die kast, dan verstond je ze woord voor woord.” Iets wat Carmiggelt en zijn vrouw in Hogerop dan ook doen. Iets wat dan weer niét van een illustratie is voorzien door Peter van Straaten (u wellicht onder andere bekend van de scheurkalenders, die ondanks het feit dat hij inmiddels al zo’n negen jaar overleden is nog steeds jaarlijks uitgegeven worden), die verder wel voor zestien tekeningen bij een aantal van de meer dan vijftig andere verhalen zorgde. De klanten van de Spaarbank werden destijds verwend, de lezer/kijker die dit boek naderhand op de kop tikte ook.

Met die tekeningen, met stukjes die soms hilarisch, soms gewoon grappig zijn, met oneliners als deze ook: “Dat gold de dame vóór mij – een lang mens, gekleed of zij zo juist uit een vliegende schotel was gestapt.” Niemand kan zich daar iets concreet bij voorstellen, maar humoristisch is het wel. Net zoals “een uit zijn heupen acterende zoon van Boris Karloff”, “een behang om keelpijn van te krijgen”, “een door de firma Serné geklede ruïne”, “Toen ik thuiskwam, lag een mij onbekend, dik meisje in de gang en schrobde de vloer”, of “Iedereen begreep dat Sartre en Satan deze man op aanraden van Strindberg als public relations officer in dienst genomen hadden”.

Maar Carmiggelt weet ook beesten meesterlijk neer te zetten: “Vrienden van mij hebben een hond, een jonge, rode setter, die mij telkens weer tot tranen toe ontroert. Want hij heeft een volkomen verkeerd beeld van het leven, dat hij, in flagrante strijd met de feiten, beschouwt als een pretje. Als je in de kamer zit, komt hij binnendraven met het gezicht van iemand, die verwacht dat het dol gezellig zal zijn. Hij gaat dan dribbelig voor je staan en zegt met zijn gevoelige, naïeve ogen: ‘Hè, laten we nou lol gaan maken.’ Want dat wil hij, dag in dag uit. Draven. Springen. Opgetild worden en weggesmeten. Pijnloos in je hand bijten. Of je doen kroelen op zijn mooie, terra borst. Maar mensen hebben daar niet altijd zin in – u weet hoe mensen zijn. Dan zie je ‘m denken: ‘Nou, dan ga ik alléén lol maken.’ En hij bijt eens in zijn eigen staart of hij rent een keer of acht alle trappen op en af, subtiele vermaken, die hem dan weer zó oppeppen, dat hij ten slotte helemaal glinsterend de kamer binnengaloppeert met zo’n gezicht van: ‘Maar nou gaan we dan toch lol maken.’”

Of moeilijkheden met simpele dingen als klapstoelen tot het voorwerp te maken van een verhaal waarvan je al bij aanvang weet dat het alleen maar érger zal worden: “Om zijn voordrachtsavond te kunnen houden in dat schoolgebouw had de declamator een gros kleine, houten vouwstoeltjes gehuurd, die een kwartier voor aanvang als een kudde eigenzinnige bokjes bijeengedreven stonden. Dat ze hard zaten vond ik op zichzelf niet zo erg: kunst eist nu eenmaal een worsteling des geestes en dan mag het lichaam niet achterblijven. Veel dieper groef het bezwaar tegen de kwaliteit van de stoelen. Ik voor mij zakte er tenminste onmiddellijk doorheen en behaalde, tussen de brokstukken op de vloer gezeten, het gemakkelijkste succes van mijn leven, want iedereen brulde van plezier eer ik een mond had opengedaan.”

En dan kom je als lezer ook nog verhalen tegen die je doen denken aan oud-collega’s (Het woord, dat over het woord ‘epibreren’ gaat, een woord dat gemunt werd door Carmiggelt zelf en waaraan Jan Huijbrechts, u bekend van De botten van Bach, ontzettend veel plezier beleefde) en aan andere verhalen die je recent gelezen hebt: Over kerstverhalen gesproken bijvoorbeeld dat me onmiddellijk aan het Kerstverhaal herinnerde dat Jos Brink opnam in Blij blijven (de thematiek is krek dezelfde), of Een sprookje waarbij ik meteen aan Idioten, het titelverhaal van Jakob Arjouni’s Idioten. 5 sprookjes, moest denken. Dat een fee een standje krijgt van een hoofdfee is een gegeven dat beide verhalen gemeen hebben.

Die fee, noch de “klant” die ze gelukkig maakt, zullen allicht autobiografisch zijn, en toch… “Ik heb heel vaak een verhaal geschreven over een wat dwaze man die mij een verhaal vertelt. Een meneer in een kroeg, een meneer bij een haringkar… Maar die meneer, dat ben ik zelf. Je gebruikt dan een echte problematiek uit je eigen leven en verschaft je door het gebruik van die ander een grotere vrijheid. Zo heb ik heel veel autobiografisch materiaal verwerkt. Dus als je vraagt: ‘Hoe verzint-ie het?’, dan moet ik zeggen dat er bijna geen verhaal is dat ik compleet uit mijn duim heb gezogen.” Misschien heeft Carmiggelt dus ooit wel een fee ontmoet. En misschien vindt u dit boek wel eens op een rommelmarkt of in een uitverkoop. In dat geval: kopen maar. En lezen uiteraard.

Björn Roose

dinsdag 11 juli 2023

De reizigers voor gisteren – Jos Ghysen (boekbespreking door Björn Roose)

De reizigers voor gisteren – Jos Ghysen (boekbespreking door Björn Roose)
Jos Ghysen, alweer meer dan negen jaar geleden overleden, was voor een aantal generaties Vlamingen zeker geen onbekende. En dat om meerdere redenen: op zijn achttiende, in 1944, publiceerde hij in een lokaal weekblad zijn eerste cursiefje en dat zou hij, op aandringen van de uitgever, zo’n vijftig jaar lang iedere week blijven doen. Tien jaar langer dan hij zijn cursiefjes zou vóórlezen in het BRT-programma Het Schurend Scharniertje, de uitzending waarmee hij vanaf 1954 - net iets minder lokale – roem zou vergaren in Vlaanderen. ‘t Is te zeggen: één van de uitzendingen, want Zondagsparasol en Het zal je plaat maar wezen (later Rodenbachstraat 29 genoemd), maar vooral Te bed of niet te bed droegen vervolgens alleen maar verder bij aan zijn bekendheid. In de jaren 1980 kwamen daar ook nog televisiespelletjes bij op de BRT en na zijn pensionering aldaar ging hij aan de slag bij VTM, waar hij onder meer Zondag Josdag presenteerde.

Dat wist ik (bijna) allemaal wel, zoals u mogelijk ook, maar ik moet daar in alle eerlijkheid aan toevoegen dat ik nooit een door hem gepresenteerd programma heb gehoord of gezien en – ondanks het feit dat ik een dertigtal bundels van hem staan heb – nooit een van zijn cursiefjes heb gelezen. Komt er ooit wel van, natuurlijk, maar de naam Ghysen komt nu eenmaal na (onder andere) Bomans en Carmiggelt, dus als ik naar cursiefjes grijp, komt Ghysen niet op de eerste plaats. En toch heb ik nu voorliggend De reizigers voor gisteren gelezen. Per ongeluk uit mijn kasten met ‘stukjes’ gevallen dan? Nope. Gewoon van tussen Het 25e uur van Virgil Gheorghiu en Een traan en een lach van Kahlil Gibran getrokken. En dat zijn geen van beide cursiefjesbundels (al is Een traan en een lach wél een bundel kortverhalen): ze zijn te vinden in mijn kasten met fictie, d.w.z. de fictie-met-uitzondering-van-cursiefjes, kasten waarvan ik me niet kon herinneren er ooit een boek van Ghysen in geklasseerd te hebben, maar ook kasten waarin dit boek terecht, euh, terechtgekomen was.

De reizigers voor gisteren is namelijk één van de zes romans die Ghysen geschreven heeft (Requiem voor Kristine, verschenen in 1958, is zijn bekendste boek in dat genre). Geen superdikke, nog geen honderdtachtig bladzijden lang, eentje waar je op een paar uur doorheen bent, maar desondanks een roman. Een roman met een beetje een bevreemdende opbouw, een roman die soms wat in mekaar geknutseld lijkt, een roman die ergens op het randje van het magisch realisme hangt, maar waarvan de auteur ofwel niet goed geweten heeft hoe hij dat randje achter zich moest laten ofwel dat niet gedurfd heeft. Droom en daad, heden, verleden en toekomst, worden de hele tijd door mekaar geweven, meestal duidelijk van elkaar te onderscheiden, maar er zijn ook momenten waarop je even moet nadenken in welke “realiteit” je je nu bevindt en het is twijfelachtig of de auteur dát werkelijk als bedoeling gehad heeft.

Twijfelachtig, net zoals de stijl van de auteur. De ene keer rechttoe rechtaan, de andere keer in dialoogvorm, weer een andere keer gezocht poëtisch. En dat werkt niet, dat leest stroef. Bijvoorbeeld in deze passage, waarmee het boek aanvangt: “Op de hand van de airhostess kwam een citroengele vlinder zitten. Het voorjaar dat een vrouw uitzocht om de afwezigheid te beklemtonen van kastanjelaars of andere uit elkaar spattende bomen op de betonnen vlakte. Voor het eerst dit jaar hing een trillende beweging van hitte over de doodsbleke linten van de startbanen. Mister Cornflake zag de vlinder en de vlinder zag honderdvoudig als een ver waas de gladde gebruinde huid van de airhostess. ‘Het is lente, mister Cornflake!’ zei de airhostess zonder haar hand te bewegen.” Of: “De lijst die mister Cornflake in de hand hield. Op de bovenste trede van de rijtrap. De heer en mevrouw Rhuyslinck. Hoe oud, dacht de airhostess, zonder het waarom te kennen. Zij was een oude dame. Misschien waren alle dames die Rhuyslinck heten oud? Kon natuurlijk niet. Een dwaasheid. Maar de hemel was blauw en daarom was zij bereid mevrouw Rhuyslinck gratie te verlenen. Tot vijfentwintig eventueel.” Noem mij een lastigaard, noem mij een slechte lezer, noem mij wat u wil, maar ik word kregelig van zo’n stijlwisselingen, al helemaal als ze op geen enkele manier doorgezet worden (wat ze niet worden) of functioneel zijn (wat ze niet zijn).

Nee, het is op zich zeker geen slecht idee geweest van Ghysen om een reeks personages bij mekaar te brengen die iets met mekaar te maken hebben, zonder dat die personages zich daarvan bewust zijn of minstens zonder dat ze er zich van bewust zijn dat ze bij mekaar zullen gebracht worden. Maar de auteur heeft z’n werk slechts half en half gedaan. Voor de meeste van die personages zit dat “iets” hem in de Tweede Wereldoorlog, maar ook niet voor allemaal, en een aantal van hen heeft met die Tweede Wereldoorlog zelfs helemaal geen uitstaans (toch minstens niet verhaaltechnisch). Bovendien hebben niet alle personages met mekaar te maken. Ja, Karel Rhuyslinck heeft een dirty little secret dat te maken heeft met die Tweede Wereldoorlog, maar nadat hij en zijn vrouw zijn ingeleid, moeten we bijna tot helemaal op het einde wachten vooraleer daar nog half en half iets mee gedaan wordt. Ja, Herr Sommer heeft ook zo’n geheimpje, maar alleen Herr Schneider weet daarvan. Diane Lebrun weet dan weer van een ánder geheimpje van diezelfde Herr (Hauptmann) Sommer, maar we komen zelfs uit haar gesprekken met Herr Schneider nooit te weten wat dat geheimpje dan wel mag zijn. Ja, Staels, de man wiens naam telkens weer door iedereen vergeten wordt, draagt ook zijn schande met zich mee, net zoals Redaëlli, maar Staels is er eigenlijk alleen maar om Redaëlli te verzekeren dat er geen ernstig gevolg geweest is aan zijn geheimpje, en wat Staels geheim is, wordt óók al niet duidelijk. En dan zijn er nog juffrouw Hoorn, die kennelijk geen rol heeft behalve ziek worden, en de al genaamde Cornflake wiens rol duidelijk niet die van een gewone reisagent is, maar waarvan we uiteindelijk ook al niet meer te weten komen.

Goed, een van de personages (u kan het boek zelf altijd nog eens lezen als u dat wil) blijkt op het einde van het verhaal al een paar jaar dood te zijn, maar door de warrige structuur is het op geen enkele manier duidelijk hoe ver dat einde van het verhaal zich ná het einde van de reis (naar gisteren dus) afspeelt. En het reisbureau blijkt niet te bestaan en wellicht nooit bestaan te hebben. Die twee zaken zorgen voor wat ik eerder het “magisch realisme” noemde. Maar Redaëlli en Staels hebben behalve met mekaar niks met de andere personages te maken; de Rhuyslincks hebben nauwelijks iets met mekaar en hij alleen met een Ortskommandant; Hoorn gaat op het einde op zoek naar Cornflake, maar vindt hem niet; en Schneider en Lebrun hebben wel iets met mekaar, maar dat gaat dan weer (half en half, want niks in dit verhaal is duidelijk) om zeep door de verhouding tussen Schneider en Sommer enerzijds en Lebrun en Sommer anderzijds. “(…) er kwam geen mens in je leven die er geen funktie had”, denkt Schneider op een zeker moment, maar de enige functie van deze groep mensen lijkt te zijn dat als aparte items behandeld de relaties tussen een aantal van hen en de verhalen van elk van hen (gaande van collaboratie over angsthazerij tot verraad aan zichzelf of een ander) te dunnetjes zouden zijn geweest voor een lang verhaal en te stevig voor een kort verhaal. Het losse zand samen scheppen en het op reis naar Tunesië sturen, heeft dat probleem helaas niet opgelost. Jammer, want er zaten wél bruikbare korrels tussen.

Björn Roose