Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht bomans. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht bomans. Sorteren op datum Alle posts tonen

vrijdag 19 juni 2020

Merkwaardigheden rond de Camera Obscura (Godfried Bomans)

Björn Roose bespreekt - Merkwaardigheden rond de Camera Obscura (Godfried Bomans)
Nog in mijn vorige bespreking (die van Mijn vader Rudolf Hess – 1894-1987 van Wolf R. Hess:) schreef ik dit als inleiding: “Sommige boeken verdienen het in samenhang gelezen te worden. Dat wordt natuurlijk makkelijker als je ze onder handbereik hebt. Gezien mijn jarenlange gewoonte kringwinkels, uitverkopen en rommelmarkten af te dweilen op zoek naar leesvoer is dat in mijn persoonlijk bibliotheekje wel vaker het geval (…)”. Niet écht eigenaardig dat er dus wel meer van die “koppeltjes” in mijn bibliotheek te vinden zijn: deze Merkwaardigheden rond de Camera Obscura van Godfried Bomans en “de” Camera Obscura van Hildebrand zelf bijvoorbeeld.

De Merkwaardigheden van Bomans hebben uiteraard “de” Camera Obscura van Hildebrand en de Hildebrand van “de” Camera Obscura en die van daarna tot onderwerp. En het dient gezegd: na het lezen van de bundel van Bomans – want het gaat hier om een zeventien tal stukken die Bomans doorheen de jaren schreef – heb je zin om het boek van Hildebrand (pseudoniem van Nicolaas Beets) te lezen. De boeken in dezelfde volgorde bespreken als ik ze gelezen heb, lijkt me dan ook logisch.

Wat nu Bomans betreft: het zou sowieso overbodig moeten zijn de man voor te stellen, zelfs al is hij intussen al bijna een halve eeuw dood (ik werd geboren in het jaar na zijn overlijden), maar mocht u tóch helemaal uit de lucht vallen bij het lezen van zijn naam, verwijs ik graag naar een andere boekbespreking van mij: die van Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas bijeengezameld en geordend door Godfried Bomans (zie hier) waarin ik in de eerste vier paragrafen toch even kort de schrijver voorstel.

Hoe dan ook, Hildebrand is al véél langer dood. En wel van 1903, 64 jaar na het verschijnen van de eerste versie van zijn Camera Obscura. “Professor Beets is”, zo schreef Bomans over zijn overlijden (uiteraard decennia post mortem), “na een korte romantische bekoring in zijn jeugd overwonnen te hebben, gestorven als het schoolvoorbeeld van wat men een Geslaagd Leven zou kunnen noemen. Schrijver van het meest gelezen boek in de Nederlandse literatuur en bovendien van nog 84 der minst geraadpleegde werken, vader van vijftien kinderen, briefwisselend lid van drie geleerde genootschappen, buitengewoon lid van vier, beschermheer van vijf en erelid van niet minder dan zestien wetenschappelijke en kunstzinnige erenigingen, hield, na ruim 89 jaren, zijn met zeven ridderorden versierde borst op te ademen. En hiermee was dan het ‘probleem-Beets’ geboren.”

Want, zo schrijft hij elders, “dit is het probleem Beets: hoe kan iemand, als jongeman van vóór in de twintig, een staaltje ironie en humor gelijk de Camera Obscura maken, en dan vijfenzestig overige jaren van zijn leven volkomen ernstig van de ene onbeduidendheid in de andere vallen? Want onbeduidend is het oeuvre van Beets ná de Camera en zelfs de meest welwillende lezer kan tot geen andere conclusie komen. Alleen reeds de titels van zijn ontelbare preken, gedichten en lyrische bundels vullen de bibliografie, door twee van zijn kinderen samengesteld, niet minder dan … veertig compact gedrukte bladzijden. Zij spreken een duidelijke taal. Ziehier een greep: ‘Het putje van Heilo’, ‘Het Tranenkruikje’, Troost der Armen, Christelijke Lesjes voor jonge Kinderen, ‘Moedhouden’, ‘Roodkapjes thuiskomst’, Een woord aan allen, die den Braven Hendrik gelezen hebben, Stichtelijke Uren, Nieuwe Stichtelijke Uren, Geschenk van een Christelijken vader, Korenbloemen, ‘Nieuwe Korenbloemen’, Madelieven, ‘Morgenwekker voor een huisvader’, Zedelijke zangen voor kinderen, Najaarsbladen, Nog eens Najaarsbladen, Winterloof, Nog eens Winterloof, Dennenaalden, ‘Nieuwe Dennenaalden’, ‘Afval’. Van ‘Nieuw Afval’, is het niet meer gekomen. Maar er was genoeg. Hoe vonden de tijdgenoten dit werk? Weer een raadsel: ze vonden het prachtig!”

Je ziét Bomans bijna over zijn nek gaan en je weet dat als Beets alleen dié dingen geschreven had hij hem nooit ook maar één woord waardig had bevonden, maar Beets heeft dus ook “de” Camera Obscura geschreven en was met dát boek een voorbeeld voor Bomans (en een verplicht nummer op de leeslijst van talloze scholieren). Zoals Dick Welsink in zijn inleiding tot de Merkwaardigheden schrijft: “Het is mij niet bekend wanneer Bomans de Camera voor het eerst heeft gelezen, maar in zijn debuut Memoires of gedenkschriften van Mr. [in latere drukken minister] Pieter Bas, voor het belangrijkste deel geschreven in de periode eind 1933 – herfst 1934, verschenen in 1937, is de invloed van taalgebruik en stijl van Hildebrand aanwijsbaar. Er is geen sprake van klakkeloze navolging, maar van een zekere voorkeur voor het aanwenden van archaïserende uitdrukkingen en ironische distantie bij de beschrijving van hoogst gewichtige gebeurtenissen en van personen die zichzelf zeer serieus nemen. Typisch Bomans daarentegen is de stijlfiguur der overdrijving: onbetekenende voorvallen worden tot welhaast mythische proporties opgeblazen waardoor ze lachwekkend worden. In Erik, of het klein insectenboek (1941) heeft hij zich ontwikkeld tot een auteur met een volkomen eigen stijl, waarop geen directe invloed van Hildebrand meer merkbaar is, behalve de uiterste welverzorgdheid van taal die hij met de schrijver van de Camera gemeen heeft.”

Nu, Bomans had wél een verklaring waarom “de” Camera Obscura mijlenver boven het andere werk van Beets stond: het feit dat Beets toen hij het schreef in een totaal andere wereld verkeerde, de studentenwereld in Leiden, een wereld die niets te maken had met de wereld waarin hij zich later zou vestigen. “De Leidse periode deed wel tijdelijk de natuur van de moeder zegevieren, doch de distantie tot de Hollandse mufheid, die hem hier gegeven werd, was niet veroverd, maar hem in de schoot geworpen. In Heemstede kon hij, toen de beschutting van Leiden wegviel, die houding niet handhaven, mede door het ambt, dat hij gekozen had en dat hem dwong zich met de samenleving, die hij er vond, te verzoenen. Zo staat daar de Camera in zijn leven, als een vreemd ding, waar hij zelf verbaasd over was.”

Bomans heeft het in zijn Merkwaardigheden echter ook over andere dingen dan de Beets van Leiden en de andere Beets, over de inhoud van “de” Camera Obscura (daar zwijg ik hier over, kwestie van ook nog iets te vertellen te hebben in mijn volgende boekbespreking), en over wat hij en Beets deelden (Haarlem). Van die andere dingen is het Hildebrand-monument en de saga errond zeker het vermelden waard. Die saga heeft dan ook lang genoeg geduurd: vanaf het uitschrijven van de ontwerpwedstrijd (1914) tot het plaatsen van het monument (1962) waren er bijna 50 jaar nodig. Als Bomans lang genoeg geleefd had, dan had hij ook nog geweten dat een kleine 20 jaar later het monument zou verwijderd worden wegens voortdurend vandalisme en vervangen door kunststoffen kopieën, maar met dit stukje over het werk van de beeldhouwer Jan Bronner wil ik deze bespreking graag eindigen:

“In het jaar 1913, in dat verre tijdperk dus, toen de wereld nog onschuldig was en schilderijen, ministers en complete orkesten niet als razende Rolanden over de aardbol vlogen, schreven de vroede vaderen van Haarlem een prijsvraag uit voor een passend Hildebrand-monument, te plaatsen op het eind van de Dreef. Zij werd in datzelfde jaar gewonnen door een zekere Jan Bronner, die zich onmiddellijk met de borst op de uitvoering van zijn maquette toelegde. De eerste wereldoorlog brak uit en verstreek. Drie jaar na de vrede van Versailles informeerde mijn vader, wethouder van Haarlem, met ambtelijke belangstelling naar de vorderingen van het werkstuk. Het verkeerde nog immer in statu nascendi.

Inmiddels overleden stuk voor stuk de leden van het z.g. Hildebrand-comité, allen Haarlemse notabelen, belast met het toezicht op de werkzaamheden en de plaatsing van het beeld. Eén hardnekkig lid sloeg zich door tot 1926, doch ook hij werd ten grave gedragen. Mijn vader echter, ook niet lui, benoemde een nieuw comité, samengesteld uit de meest levenslustige notabelen, die op dat ogenblik voorradig waren. De crisis van 1929 zette in, de rampspoeden der dertiger jaren trokken voorbij. Bronner echter, reeds lang professor geworden, kapte rustig voort, met de even trage als rotsvaste voortgang, waarmee de stalactieten in de druipsteengrotten gevormd worden. Het Rijnland werd ingelijfd, Abessinië veroverd, Polen overweldigd, maar Bronner kapte voort. De tweede wereldoorlog barstte los, Duitsland stortte in, Japan capituleerde en Bronner kapte voort. Na de vrede van 1945 bleek andermaal het Hildebrand-comité van Haarlemse notabelen overleden. Wederom werd een nieuw comité samengesteld, ditmaal uit de krachtigsten der krachtigen. Want men begreep dat hier in decenniën gemeten moest worden en het beginsel der survival of the fittest derhalve van toepassing was. Ars longa, vita brevis!

Niet zonder teleurstelling vernamen dan ook de echte Haarlemmers in het najaar van 1947, dat het beeld zijn voltooiing naderde en in de maand mei van 1948 geëxposeerd zou worden. Aanvankelijk werd geen geloof geschonken aan deze kinderachtige praat, doch spoedig bleek het gerucht maar al te waar. Ik heb het beeld toen zelf, met eigen ogen gezien in een der zalen van het Stedelijk Museum. Zeker, het voetstuk was nog niet gereed, de fontein niet aangebracht en van een vervoer naar Haarlem kon de eerste jaren zelfs geen sprake zijn. Toch brak er iets in mij en in allen, die van Haarlem hielden. Zie, wanneer een monument zó lang op zich laat wachten, dan groeit er in de geest der wachtenden gaandeweg een ander beeld: het monument van de maker zelf. Dan rijst in hun verbeelding de gestalte van de kunstenaar, die maling heeft aan het ongeduld van zijn opdrachtgever en in volmaakte autonomie voorthakt aan de uitbeelding van zijn dromen. Die mythe zal nu dadelijk, als het beeld geplaatst wordt, een herinnering zijn en niet langer een levende realiteit. En daarom zal ik mij verheugen, zo lang het beeld van Hildebrand nog niet staat op de plek, die er sinds 36 jaren voor bestemd is.”

Voor wie nog geen “ernstige” werken van Bomans gelezen heeft – humor is bij de man nooit ver weg, dat heeft u ook in de citaten hierboven weer gemerkt –, is dit Merkwaardigheden rond de Camera Obscura zeker de moeite waard. Onvermijdelijk zit er hier en daar wat overlapping tussen de stukjes, maar terwijl u dít leest, leest u ook al wat uit een ander boek, dus dat is dan weer tijd gespaard.

Björn Roose

vrijdag 11 maart 2022

Wandelingen door Rome – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Wandelingen door Rome – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb al heel lang de gewoonte de boeken van Godfried Bomans in mijn kasten te zetten onder de rubriek “Cursiefjes” (een rubriek die door de jaren heen naar mijn slaapkamer verhuisd is en daar het grootste deel van de vroeger vrije muur beslaat), maar de teksten opgenomen in Wandelingen door Rome zijn eigenlijk net zomin cursiefjes als Erik of het klein insectenboek of de verhalen over Pa Pinkelman en Tante Pollewop die in hetzelfde rek zijn terechtgekomen. Laat ons zeggen dat ik het leuk vind alles van Bomans bij mekaar te vinden.

Zoals gesteld in mijn vorige Bomans-bespreking, die van Pa Pinkelman in de politiek, heb ik niet zo heel veel van Bomans besproken wegens het feit dat ik het overgrote deel van wat van hem in mijn kasten stond al gelezen had vooraleer ik ooit aan besprekingen toe kwam, maar wat ik besproken heb, kan u hier eveneens netjes op één plaats terugvinden. Organisatie is iets moois, nietwaar?

Daar heeft de auteur, een van mijn favoriete mag ik toch wel zeggen, zelf met dit boek ook voor gezorgd. “Dit boek is”, aldus Bomans in zijn Ter inleiding, “de vrucht van bijna een jaar verblijf in Rome. Ik woonde er van 7 oktober 1953 tot 25 augustus 1954. Op dit tijdstip laadde ik mijn sterk geslonken bezittingen op een Vespa en reed over Florence, Vicenza en München, in welke steden ik telkens twee weken bleef, naar Haarlem, alwaar ik met enige aarzeling de sleutel in mijn huisdeur stak”. Dat leverde echter géén toeristische gids op, ondanks de titel zelfs geen voor wandelaars: “De lezer, die verwacht over de bezienswaardigheden van Rome op leerzame wijze te worden voorgelicht, zal zich teleurgesteld zien. Uit toeristisch oogpunt zijn deze beschouwingen geen toevoeging aan de honderden werken, welke vanuit die gezichtshoek zijn samengesteld. Dit ware ook nutteloos. Liever schreef ik over deze stad een boek, dat eenvoudig een afspiegeling was van het plezier, waarmee ik er gewoond heb. Ik zou willen, dat ik hierin geslaagd mocht zijn.”

En dat ís hij. Om maar over te schakelen van de inleiding door de auteur zelf naar de achterflap gestoffeerd door de uitgever (Elsevier, 1974): “Wie met Godfried Bomans door Rome wandelt, ziet voor driekwart dingen ‘die niet in de Baedeker staan’, en het overblijvende kwart staat zelfs niet in de boekjes die beloven u alles te zullen vertellen waarover de reisgidsen zwijgen. Dat komt doordat Bomans in staat is zijn hele kennis – en die is niet gering – te vergeten en weer zo argeloos verrukt (maar niet zo naïef) te worden als een kind. Omdat dit kind Godfried Bomans heet, toont het zich natuurlijk op de meest onverwachte ogenblikken een enfant terrible. Waarmee wij maar willen zeggen dat Bomans’ boek over Rome zich met geen enkel ander werk over de eeuwige stad laat vergelijken.” Nu heb ik niet zo heel veel boeken over Rome gelezen – strips over het antieke Rome niet meegerekend géén, denk ik –, maar ik kan me inderdaad niet voorstellen dat er in toeristische gidsen veel aandacht (zo enige) besteed wordt aan de banda degli uccelli, de Nederlands-Vlaamse schilderskolonie die in de zeventiende eeuw een thuis vond op de Via Margutta, of de “Italianisanten”, met in het bijzonder Hendrik Koelman, die hetzelfde deden (maar dan anders) in de eerste helft van de 19de eeuw.

Aan de zoeaven dan, waaronder een drieduizendtal uit Nederland, die tijdens de Risorgimento aan de verliezende kant, die van paus Pius IX, vochten? Aan de toeristen soms die verlangen “biefstuk, aardappelen en worteltjes” te eten in een Romeins restaurant of “in een soort paniek [raken], als ze een beeld van Bernini zien”? Of aan de buitenlandse enclaves door de eeuwen heen?: “Goethe ging in Rome met Duitsers om, Byron met Engelsen. Het gebeurde zelden, dat zij met een Italiaan verkeerden, en wanneer het gebeurde, verstonden zij hem niet.”

Nee, da’s allemaal geen voer voor toeristische gidsen. Net zomin als Carlo Canevari, destijds “een jongeman van 33 jaar”, inmiddels al een kwarteeuw overleden, en ook in de ruim veertig jaar tussen zijn ontmoeting met Bomans en zijn overlijden als schilder nauwelijks bekender geworden. Of mannen die kaart spelen, “zoals alleen Latijnen dat kunnen : met een hartstocht en een overgave, alsof er miljoenen op het spel staan”. Of de manier waarop Italianen ruzie maken: “Men zit daar als Noorderling bij en denkt : dit wordt messenwerk. Vreest echter niet. Een Italiaanse ruzie speelt zich af op een plan, dat geheel verschilt van het onze. Als wij met rollende ogen een tegenstander op de borst timmeren en onszelf de haren uit het hoofd trekken, mag toch verondersteld worden dat er iets aan de hand is. Hier is niets aan de hand. Het is stoom afblazen. Het gaat niet om gelijk of geen gelijk : het gaat om eventjes volop leven.” Of de manier waarop “een goed presepio-bouwer” een kerststal bouwt en de figuren rangschikt. Of hoe dat zit met wie wát verkoopt op de kerstmarkt op de Piazza Navona: “Specialisten zijn het, daar moet je mee beginnen. Er is één man, die alleen kerstengelen verkoopt. En dáárin verkoopt hij dan alleen die speciale engel, die het doekje omhoog houdt met de woorden van het Excelsior. Andere engelen vallen buiten zijn rayon. Wil je een bij-engel hebben, dan moet je naar zijn broer, schuin aan de overkant. Die heeft een dubbele kraam, want zijn sortering is vanzelfsprekend groter. Zingende engelen, dansende engelen en engelen, die op bazuintjes blazen, hij staat voor niets. Alleen al van engelen, met de rechterarm naar voren gestrekt, heeft hij er zeshonderd. Ze staan dicht opeen, vleugel aan vleugel, als een regiment zalig geworden Fascisten.”

Maar al die figuren vind je wél terug in Bomans’ Wandelingen door Rome. Samen met Charles Dickens (wiens Pictures of Italy volgens Bomans “één verrukkelijk misverstand, één opgetogen vergissing” was), Marie-Henri Beyle (ofte Stendhal, bekend van zijn Promenades dans Rome, bij wie Bomans leentjebuur ging spelen voor de titel van dit boek), Percy Bysshe Shelley, John Keats en Joseph Severn (die laatste twee tijdens de weken voor Keats’ dood op nummer 26 aan de Piazza di Spagna). Samen ook met Romeinse schavuiten (“voor het merendeel”, aldus Bomans, afkomstig “uit… de Balkan”): “Op de honderd vreemdelingen in Rome zijn er slechts enkelen, die er zich op beroemen kunnen àl hun penningen naar eigen inzicht besteed te hebben. De meesten moeten een gedeelte van hun buidel aan een onbekende afstaan, die er een eigen bestemming voor heeft”. En met Romeinse kostgangers, de lieden die ervoor zorgen dat de fonteinen proper blijven, vrij van verdrinkende toeristen, en in het geval van de Fontana di Trevi, niet óverlopend door al dat kleingeld dat er in gegooid wordt. En, ten slotte, met Felix Rutten, schrijver en dichter, bekend als de “Limburgse Romein”, zeer goede vriend van Bomans, die het uiteindelijk zelfs zou presteren op dezelfde dag als hem te sterven (al was hij wel een stuk ouder): “Eén monument heb ik u laten zien. Het is 72 jaar oud, laat-romantisch van opvatting, uit Limburgse klei gebakken, zonder barst, zonder scheur, niet afhankelijk van enige lichtval en in alle weersgesteldheden vrijelijk te bezichtigen. En zijn naam is Felix Rutten.”

Vooraleer over te gaan naar wat Wandelingen door Rome wel héél ver van – zeker de huidige – toeristische gidsen doet staan, wil ik het echter mét Bomans nog even hebben over een ander Italiaans monument: de Vespa. De schrijver heeft het er, zoals u gemerkt heeft, al over in zijn Ter inleiding, maar ook meteen in zijn eerste stuk, zoals het boek Wandelingen door Rome genaamd: “Het hoge woord moet er uit : men kan overdag in Rome niet meer wandelen. Die tijd is voorbij. Meer dan tweeduizend jaar was het mogelijk en is het ook met groot genoegen gedaan, maar sinds de uitvinding van een soort met benzine voortgedreven autopedjes, die men hier Lambretta of Vespa noemt, is het voor iemand, die op conversatie, gedachtenleven of zelfs maar persoonlijke waardigheid prijs stelt, niet langer meer doenlijk door Romes straten te lopen, tenzij als een gillende, schichtige, springende clown. Het is absoluut uitgesloten een gesprek te voeren. Voor de strikt nodige mededelingen kiest u een portiek, schreeuwt uw vriend iets in het oor en rept zich, dicht tegen de huizen gedrukt, en de Goden biddend dat hij het verstaan heeft, weer voort. Mensen, die een straat moeten oversteken, zien er uit als opgejaagde delinquenten : zij spieden rechts en links, en hoepla, daar wordt de sprong gewaagd, de sprong naar de eeuwigheid of naar het trottoir aan de overkant, dat valt vooraf niet te zeggen.” Wat Bomans, die overleed aan een hartaanval, niet aan enige overdrijving, dus niet belette zelf deze “autopedjes” te bestijgen en er mee op pad te gaan: “De bagageruimte van een Vespa kan juist een zonnebril, een hemd en een paar kousen bevatten, maar als u achter het reservewiel een rekje laat maken, is dit ongerief volledig verholpen. Voorts moet ik u adviseren niet ‘s avonds te rijden. Minder om de Italiaanse bandieten – waarvan ik er tot mijn spijt geen enkele ontmoet heb, maar wij blíjven hopen – als wel om de lamp, die onbeweeglijk aan het voorwiel bevestigd is. Bij de top van een berg schijnt uw licht dus schuin omhoog de ruimte in, zodat gedurende enige seconden de vóór u liggende afdaling niet beschenen wordt. U hebt dan het gevoel een afgrond in te rijden, wat bijzonder onaangenaam is. Ook achten de u tegemoet komende automobilisten het niet nodig voor een kleine kever, als gij zijt, hun lichten te dempen, zodat ge telkens als een verblind insekt tegen hun koplampen optornt, hetgeen behalve gevaarlijk, ook schadelijk is voor uw gevoel van eigenwaarde.”

En dan dus wat dit boek werkelijk uniek (goed dan, nóg unieker) maakt. Behalve de zeer grote belezenheid van Bomans, iets waar hij eigenlijk nooit mee te koop liep en wat hij ook hier niet brengt alsof het iets speciaals is, en z’n talenkennis, die hij – zoals in die jaren nog gebruikelijk – ook aanwezig veronderstelt bij de lezers (met vrij uitgebreide citaten in het Engels, Frans en Duits, naast kortere in het Italiaans), is dat het feit dat hij de lezers een bijna intieme en sowieso persoonlijke kijk op de katholieke kerk en het katholicisme in Vaticaanstad, Rome en Italië als geheel biedt. Een audiëntie bij de Paus, Het dode meisje, Wonderen in Italië, Kerstmis in Rome, Een eenvoudige man, Impressies op het Sint Pietersplein, Het Wonder 1 en Het Wonder 2, acht van de in totaal twintig teksten opgenomen in dit boek, hebben de katholieke religie tot onderwerp en … geen ervan is er, zelfs voor mij als heiden, teveel aan.

Omdat Bomans op een verstaanbare manier kan uitdrukken waarom iets als de “Pauselijke onfeilbaarheid” niét belachelijk is bijvoorbeeld: “Het schijnbaar absurde leerstuk der Pauselijke onfeilbaarheid wordt veelal in het licht ener privé opinie gezien en is dan gemakkelijk te ridiculiseren. Beziet men dit dogma echter vanuit de gezichtshoek, van waaruit het bekeken moet worden, dan is het, zo niet aanvaardbaar, dan toch begrijpelijk te noemen, te meer, als men bedenkt dat een toespraak, gelijk wij bij deze gelegenheid [een publieke audiëntie, noot van mij] gingen beluisteren, op dit praedicaat geen enkele aanspraak maakt. Daartoe immers zijn twee voorwaarden nodig. Ten eerste, dat de behandelde materie strikt op het terrein van zeden en geloof ligt, ten tweede dat de Paus ‘ex cathedra’ spreekt, hetgeen betekent dat hij utidrukkelijk aangeeft : thans spreek ik als Opperherder een niet te betwijfelen waarheid uit. Dit komt hoogst zelden voor.”

Omdat hij beseft dat de laatste overblijfselen van de volksreligie, pakweg de processies, zeer kwetsbaar zijn: “De processie van Marino, vóór de druiven gezegend worden, daar zou ik blootsvoets de Alpen voor overtrekken. Ik ben een beetje bang om er over te schrijven, want dit sluit het risico in, dat het volgend jaar een aantal Hollanders naar dat dorpje reizen, zoals ook de goede Jac. P. Thijsse het eiland Texel met zijn enthousiasme de grond heeft ingeboord. Goed, laat ze maar komen, ik ben er dan nog nèt geweest, toen het helemaal echt was, et après nous le déluge.” Maar ook omdat hij wijst op het mooiste er aan: “U moet (…) niet naar het stadje of de mensen kijken, want beide ziet u elders beter. U moet om de kinderen gaan. En als bij ons het processie-verbod [van 1848 tot 1983 waren katholieke processies in Nederland verboden, noot van mij] wordt opgeheven, kunt u zelfs thuis blijven. Doch in zulk een mirakel gelooft men zelfs in Marino niet.”

Omdat hij het leven van Giuseppe Sarto, paus Pius X, en vooral de manier waarop hij verkozen werd (ondanks zichzelf) op een véél interessantere manier weet te vertellen dan Armand Boni het leven van Franciscus van Assisi weet te brengen (zie deze boekbespreking). Omdat hij over Eugenio Pacelli, paus Pius XII spreekt zónder het te hebben over de Tweede Wereldoorlog en met een sterke nadruk op zijn voorliefde voor “parochiële zielzorg” en de uitputting die volgde uit zijn inspanningen om dat als paus vol te houden: “We nemen alleen het jaar 1953. In die twaalf maanden heeft de Paus 84 redevoeringen gehouden, waarvan 34 in zijn moedertaal, 29 in het Frans, 8 in het Duits, 5 in het Engels en de overige in de Spaanse en Portugese talen en in het Latijn. In diezelfde tijd ontving hij… 32958 personen in audiëntie en 492 in een strikt privé onderhoud. Hierbij zijn niet gerekend de dagelijkse normale audiënties, die hij zijn naaste medewerkers in de ochtenduren toestaat. Deze cijfers spreken. Zij doen ons het ideaal zien, dat deze man zich van zijn taak voor ogen stelde : een herder te zijn, die zijn kudde persóónlijk leidt. En tevens maken zij duidelijk, waarom ieder katholiek de mogelijkheid van zijn heengaan als een persoonlijk verlies gevoelt.”

Omdat hij, ten slotte, datgene weet te rijmen waar velen, ik ook, het moeilijk mee hebben: de platte commercie én de heiligheid van bedevaartsoorden, de plastic Maria’s met het heilig water: “Hoog op een marmeren voetstuk staat het beeldje, dat deze stroom van wansmaak ontketend heeft. Het is niet mooi, maar ook niet opvallend lelijk. Het is niets : een fabrieksvoorwerp, bij duizenden gemaakt en meteen in dozen verpakt. Men kent die industrieën, waar de vroomheid aan de lopende band wordt afgeleverd : een meisje voor de ogen, een meisje om het hartje rood te verven, een meisje voor de handjes en een ander om de hele zaak in vernis te zetten. Zo’n beeldje is dat. Zou de Moeder Gods dit gekozen hebben als zinnebeeld van haar smart en teken van haar genade? Het is mogelijk. Sinds God zelf een voederbak als wieg en een stuk hout als sterfbed koos, moeten wij deze mogelijkheid aanvaarden. Hier althans wordt zij als een zekerheid beschouwd. Want het pleintje staat stampvol met biddende mensen.”

Ik had nog véél meer passages aangeduid, was van plan een verwijzing naar Rik Torfs’ Het hellend vlak in te bouwen (maar heb dat in de bespreking van zijn boek gedaan), en had ook met dít boek van Bomans weer spijt dat het uit was, maar ook boekbesprekingen moeten een eind kennen, dus dat krijgt u nu. Met een allerlaatste passage, eentje uit het stuk Nederlanders in Rome: “(…) gewoonlijk is de ziekte van korte duur, een incubatie voor de volgende fase, die de ideale is. Zij kan omschreven worden als de toestand van de vreemdeling, die zich van deze kwaliteit bewust is en zich nochtans thuis gevoelt. Die blij is in Rome te zijn en tegelijk weet, dat hij bij Amsterdam behoort. Die de Sint Pieter kent, zonder de Westertoren te verzaken. Die de Italiaanse gebeurtenissen op de voet volgt en tevens een trouw abonnee is van zijn Nederlands lijfblad. Die kennis neemt van de voortbrengselen der Italiaanse literatuur en tevens de schrijvers van zijn eigen vaderland in hun ontwikkeling volgt. Hij heeft, als Rome zelf, een dubbel corps diplomatique en leest de bulletins van beide fronten. Hij kent, als Paulus, de trots van het Romeins burgerschap en weet zich, als Saulus, een zoon van het oude volk. Zulk een positie is hoogst benijdenswaardig, omdat zij in wezen neerkomt op geestelijke bilocatie. Zij is echter alleen vol te houden indien men tot het Romeinse leven in een normale werkverhouding staat. Men moet Rome zijdelings bezien, bezig met iets anders, op straffe van vroeg of laat in een kramp-toestand te geraken. Geen mens is opgewassen tegen een aanhoudende staat van directe beschouwing, gelijk ook geen mens is opgewassen tegen een voortdurende verloving. Een toerist is verliefd op Rome, doch verliefdheid gaat voorbij. De man, die er zijn werk heeft, is met Rome getrouwd en geen stad ter wereld kan dit huwelijk ontbinden.” Als die man over dat huwelijk dan ook nog zo kan schrijven als Godfried Bomans, dan heeft dat huwelijk mijn zegen.

Björn Roose

maandag 16 februari 2026

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Van mens tot mens
van Godfried Bomans zou het laatste boek worden dat ik in 2025 las. Niet dus, ik blijk altijd nog wat tijd over te hebben voor het lezen van boeken, maar dat is uiteraard geen beletsel om het te bespreken. Zelfs al is die bespreking óók iets dat ik me niet had voorgenomen: Steen op steen van Wiesław Myśliwski zou de laatste bespreking worden die ik in 2025 schreef, maar toen bleek ik op de ochtend van mijn laatste werkdag, 31 december (jawel), nog een uurtje tijd over te hebben, dus begon ik vast aan wat mijn eerste kalenderjaaroverschrijdende boekbespreking ooit is geworden (ik heb ze beëindigd op 2 januari 2026).

Passend eigenlijk voor een boek waar ik zo’n maand over gedaan heb. Zo’n maand, omdat ik het in mijn bibliotheek bij de cursiefjesbundels geplaatst had (waar ook het meeste werk van Bomans te vinden is) en ik al vele jaren de gewoonte heb mijn vriendin na het ontbijt op zondag lastig te vallen met het vóórlezen van cursiefjes (ze doet daar niet moeilijk over, dus houd ik daar niet mee op). En dat voorlezen, is dan weer iets wat ik nu ook weer niet de hele zondag kan doen, dus kan het een tijdje duren voor zo’n boek uit is, zelfs al is het, zoals in dit geval, slechts een tweehonderdtal bladzijden dik. Maar... Van mens tot mens is geen bundeling van cursiefjes, het is een bundeling van – zo geeft de cover ook aan – “nagelaten werk”, de eerste bundeling van die aard, uitgegeven door Elsevier in 1973. De volgende bundelingen zouden Thomas Robert Spoon en Een mooie tijd (oorspronkelijk voorzien onder de titel Een goede tijd) gaan heten, maar de motivatie van de drie uitgaves staat ook al vooraan in de eerste: “Talrijke korte stukken, essays en interviews van Godfried Bomans, in kranten en tijdschriften verschenen tussen het jaar 1945 en zijn overlijden op 22 december 1971, werden tijdens zijn leven niet gebundeld [dat zou ook onmogelijk geweest zijn gezien hij doorging met publiceren tot het einde van dat leven, noot van mij]. Het lag wel in zijn bedoeling zulks te doen en hij had, in die zin, enkele plannen ontworpen”. Waarbij een van die plannen “een bundel interviews en hier en daar verspreide stukken over markante persoonlijkheden” was, een plan dat uiteindelijk uitdraaide op Van mens tot mens, “interviews, verspreide stukken en een reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”.

Die “reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”, waaronder een vraaggesprek overigens, is (met hier en daar een duidelijk zichtbaar wordende herhaling tot gevolg) samengebracht onder het hoofdstuk Mijnheer Thijm, Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm being de echte naam van schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de Tachtigers, en, net zoals Bomans dat lange tijd was, inwoner van Haarlem. Die “reeks artikelen”, negen exemplaren in totaal, vormt daarmee ook het thematische deel van het boek. Een thematisch deel waaruit telkens weer blijkt dat Godfried Bomans Lodewijk Van Deyssel werkelijk een warm hart toedroeg, zelfs al was hij verre van kritiekloos wat de auteur in de mens betrof – iets wat zich onder andere uit in Oratorio aan Lodewijk van Deyssel - en staan niet al de verzamelde artikels in dit hoofdstuk op hetzelfde niveau. Ik ben geneigd dat laatste op de bijna volstrekte afwezigheid van humor in de, voor zover ik dat kan inschatten, oudste stukken te steken, maar aan de andere kant ontbreekt die humor ook in veel van de onder het hoofdstuk Ontmoetingen met mensen en boeken verzamelde artikels en zijn die er niet minder boeiend om geworden. Misschien is het dan ook niet die afwezigheid van humor, maar een té groot respect voor het onderwerp, dat in de eerste artikels wat wringt. Een probleem dat duidelijk volledig opgelost was toen Bomans zich aan het schrijven van Herinnering aan Lodewijk van Deyssel zette (misschien omdat die toen al overleden was), een artikel dat samen met Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm het beste in dit deel vormt en aantoont dat kunnen lachen om iemand niet betekent dat men dat respect laat varen. Een citaat als dit mag daar, zelfs los van het feit dat Bomans daarin in hoofdzaak zichzelf op de hak neemt, getuige van zijn: “De indruk was verpletterend. Niemand zei wat. Het geweldige hoofd met de machtige kin voorwaarts gericht, de handen diep in de zakken van zijn grijze jas, rukte Van Deyssel dwars tegen de regen op naar het westen. Het aanduiden van de door hem gekozen richting met ‘het westen’ komt mij bij zulk een reusachtige verschijning gepast voor, al kan men ook zeggen dat hij naar Overveen liep om een sigaar te kopen. Beide opvattingen zijn verdedigbaar, maar de eerste is de meest juiste, omdat wij ons hier in de epische orde bevinden. In de mythologie wordt niet gewinkeld. Ook Achilles had kunnen voorbijkomen en dan had ook hij zich westwaarts voortbewogen. De bestemming van dergelijke figuren kan alleen door het bepalen van hemelstreken worden aangegeven.”

Omdat ook voor de rest de artikels Herinnering aan Lodewijk van Deyssel, Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm bijna volledig citerenswaardig zijn, houd ik het wat het hoofdstuk Mijnheer Thijm betreft verder op nog één citaat (in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, nietwaar?): “Thijm zag scheel. Ik aarzel eigenlijk met dit te zeggen, niet omdat zoiets verzwegen moet worden, maar omdat ik eraan twijfel of een dergelijke graad van scheelheid nog onder het begrip loensen valt. De gebruikelijke scheelheid is immers op te vatten als een min of meer mislukte poging om recht te kijken, terwijl de onderlinge afwijking van Thijms ogen elk streven in die richting bij voorbaat uitsloot. Hij had eenvoudig twee gezichtsvelden, die slechts in een gering segment samenvielen en voor het overige een volstrekt gescheiden deel van de schepping bestreken. Hij zag hierdoor ook veel meer dan andere mensen en men moest daar terdege rekening mee houden. Knipoogjes van omstanders werden, ook als deze zich zijwaarts van Thijm voltrokken, terstond opgemerkt en uitdrukkelijk gesignaleerd. Hij zei dan, zonder zich tot de schuldige te wenden, recht voor zich uit: ‘Ik neem u waar’, wat een spookachtige uitwerking had. Wie tegenover Thijm zat, bevond zich echter niet in de noodzaak een keuze te maken. Bij gewone scheelheid bestaat die moeilijkheid wel: men dient dan te besluiten tot welk oog men zich richten zal. Bij Thijm viel dit probleem weg. Het ene oog was op u gevestigd, terwijl het andere door het raam naar buiten keek.” Tot dan toe een quasi louter humoristisch vaststellen van een fysiek fenomeen, dit citaat, maar dan komt iets wat ook tekenend is voor het volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken, zijnde een tekststuk waarin Bomans blijk geeft van het diepgaand schouwen in de mensen waarover hij het heeft: “Ik geloof dat deze afwijking, die juist in het centrum van zijn begaafdheid (hij was een ogenmens), gelegen was, van beslissende betekenis moet zijn geweest voor de vorming van zijn eigenaardige persoonlijkheid. Zijn wonderlijke maniërisme, het voortdurend inwendig besturen van alles wat hij deed, de aanhoudende bewustheid waarmee hij ook zijn geringste handelingen begeleidde, men kan die niet verklaren als men dit centrale feit buiten beschouwing laat. Nu kan men zeggen dat in het werk van Thijm hiervan toch maar niets te bespeuren valt. Het is inderdaad waar dat het opvalt. Het is moeilijk aan te nemen dat een auteur die als geen ander zijn aandoeningen tot in de verste vertakkingen heeft vastgelegd, juist deze bron van emoties in het midden van zijn bestaan niet zou hebben opgemerkt. Dit is dan ook niet het geval. Thijm schreef daaromheen en dit voortdurend ignoreren groeide ook tot een houding in het dagelijks leven die door velen als ‘bestudeerd’ veroordeeld werd. Als vaststelling is dit juist, als vonnis niet. Thijm moest iets doen met die vreemde zoeklichten, die ieder hun eigen bundel de wereld inwierpen. Ik weet niet of het u is opgevallen, maar in dit stuk [het hele artikel, noot van mij] heb ik driemaal vermeld dat Thijm de blik neergeslagen hield ofwel de ogen niet opsloeg, waarbij ik nog het gefingeerde ‘tranen’ beschreven heb. Dit verhullen van een zo centraal gebrek gaf aan zijn optreden die gesteven weloverwogenheid die zich ook in zijn stijl van schrijven openbaarde, want werk en leven zijn één. Ik geloof trouwens dat iedere kunstenaar, ook een zo uiterst mededeelzame als Van Deyssel, creëert vanuit een verzwegen plek.”

En dan dus dat al twee keer genoemde volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken. Mensen zijnde Maria Sibylla Merian, Jan Klaassen, Herbert George Wells (van wie ik eerder De oorlog der werelden besprak), Nicolas Beets (de auteur van de Camera Obscura, voor wie Bomans ook al een enorme fascinatie aan de dag legde), Ignace Wils, Minus Oostrijk, Gilbert Keith Chesterton (wiens aan de avonturen van Father Brown gewijde bundel ik in 2021 besprak), Willem Bilderdijk, Felix Rutten, Simon Carmiggelt (van wie ik veel meer boeken gelezen heb dan ik er besprak), Wim Sonneveld, Johann Peter Eckermann, en Franz Kafka (van wie ik in 2022 de Kleine vertellingen heb besproken).

‘Maria Sibylla Merian?’, hoor ik u al vragen. ‘Ignace Wils?’ ‘Minus Oostrijk?’ ‘Johann Peter Eckermann?’ Misschien zelfs: ‘Felix Rutten?’. En: ‘Jan Klaassen, is dat die van de poppenkast?’

Om met die laatste te beginnen: ‘Ja, dat is die van de poppenkast.’ En dat beantwoordt ook de centrale vragen in het stuk Jan Klaassen en Katrijn, de poppenkast op de Dam: “Maar wie heeft dan die oude geschiedenis het aller-, állereerst verzonnen? Wie bedacht de figuur van Pierlala (de dood), van Jan Klaassen, de bedrogen echtgenoot en lachende wijsgeer, en van Katrijntje, zijn kijvend wijf? Wie stond hier het eerst op de Dam, vóór de grootvader van de ‘oude Kabalt’ en vóór zelfs diens vader geboren was?”

En Felix Rutten, over wie Bomans het heeft in het artikel De lege stoel? Dat was een – op dezelfde dag als Bomans overleden – (Nederlands-)Limburgse schrijver over wie de auteur het ook al had in Wandelingen door Rome en over wie hij hier onder andere schrijft: “(…) Felix Rutten woont in een tuinhuisje aan de Tiber. Door het ene raam ziet hij de koepel van de Sint-Pieter, door het ander het ondergoed van enige belendende religieuzen aan de drooglijn. Tussen beide aspecten van kerkelijk leven staat zijn tafel en stoel. Hier schrijft hij zijn gedichten, die niemand te lezen krijgt, omdat ze hemzelf genoeg zijn. Hij doet dit al vijftig jaar en er mag geen dag verloren gaan.”

Johann Peter Eckermann dan, de ‘arme van geest’ uit het artikel Zalig de armen van geest? Hij was de man die de Gespräche mit Goethe neerpende, een boek waarvan Bomans schreef dat hij het iedere zomer las, “omdat het ‘t ‘op de plaats rust’ als geen ander markeert”, een man over wie in de Goethe-literatuur doorgaans geschreven werd (en wordt, misschien, ik ben niet thuis in de literatuur over Johann Wolfgang von Goethe en heb van hemzelf ook nog niet meer gelezen dan Faust 1 en 2, al heb ik in het Duits wel zijn verzameld werk staan) dat hij “een glasplaat [was], een schone vensterruit en (…) het licht ongehinderd door[liet]”, dat hij “zich niet weg [hoefde] te cijferen” omdat hij “niets [was]”, een stelling die Bomans ten gronde betwist: “Afgezien nog van de volharding en trouw, die er nodig zijn om een dergelijke notulering negen jaar vol te houden, ziet men daarbij een gave over het hoofd, die in het algemeen weinig wordt opgemerkt, juist omdat zij zo zelden wordt aangetroffen en bovendien de schijn van negativiteit in zich bergt: het vermogen om in een ander volledig te geloven. Men vergeet dat deze faculteit, die wat laatdunkend met het woord ‘verering’ wordt aangeduid, in de bezitter ervan een geest veronderstelt, die ontvankelijk is voor het hem gebodene en dus daarmee verwantschap vertoont. Bewondering berust op affiniteit. Niemand ziet naar een ander op, of hij moet, zij het slechts in kiem, de mogelijkheid van die ander in zich dragen. En het is deze verwantschap, die Eckermann siert en Goethe zag. Men komt er niet met Eckermann als een nul te beschouwen. Hij was een potentieel getal, Goethe begreep dit. Hij telde het cijfer op dat hij had kunnen worden, als het lot deze misdeelde wat gunstiger had toegelachen, en behandelde de som als een reële uitkomst. Hij las de onzichtbare inkt van diens mogelijkheden en maakte deze ook voor Eckermann leesbaar.” Waaraan Bomans nog toevoegt: “Had Goethe nu geleefd, hij zou geen Eckermann gevonden hebben. Hij had louter genieën ontmoet en de stoel van Johann Peter was onbezet gebleven, omdat ze allen in die van Goethe hadden plaatsgenomen. Geen van hen had hij aangetroffen in de staat van dienstbaarheid die voor dit boek een voorwaarde is, niemand hunner was eenvoudig genoeg geweest om iets zo gecompliceerds te maken.”

En Ignace Wils? “(…) een late middeleeuwer”, “De held van Igualada”, de beschrijvingen die Bomans gebruikt in de titel van het aan hem gewijde artikel zullen u wellicht nog niet veel verder helpen, maar Ignace Marie Petrus Wils schopte het tot “kolonel van het bataljon der Carlistische zoeaven” en stierf in die hoedanigheid bij de in 1873 tussen Carlisten en Republikeinen gevoerde gevechten om Igualada (Catalonië). Een ook in Ravenstein, zijn geboortestad, allicht grotendeels vergeten figuur, al loopt er op het moment dat ik deze boekbespreking schrijf wél een tentoonstelling (nog open tot eind januari 2026) rond hem en zijn broer August onder de naam Zouaven Ravenstein, daarmee (al gaat de geschiedenis rond Ignace Wils dus ook nadien nog verder) aandacht bestedend aan het Pauselijk Zouavenkorps dat van 1861 tot 1870 vrijwilligers van overal ter wereld verenigde ter verdediging van de onafhankelijke Kerkelijke Staat.

Minus Oostrijk? Een postbode die Vincent van Gogh nog persoonlijk zou gekend hebben, maar waarvan ik op het internet geen spoor terug vind en waarvan ik na lezing van het artikel Echte Van Gogh in jutezak? ook niet zeker ben dat hij niet ontstaan is in de fantasie van Bomans, een artikel waarvan ik u desalniettemin de conclusie niet wil onthouden: “Wij weten nu, de ganse rivier van dit leven [dat van Van Gogh dus, noot van mij] overziende, dat Etten niet meer dan een schutsluis was, een voorbereiding tot hoger vaart, maar de sluiswachters wisten dit niet en konden dit ook niet weten. Daarom is het goed, één van hen te spreken. Wij zien een ogenblik de concrete Van Gogh, vóór het abstracte, uit alle bekende bouwstenen gecomponeerde en ons zo vertrouwde reuzenbeeld. En het stemt ons tot behoedzaamheid in het beoordelen van hen, die onze tijdgenoten zijn en die wij slechts kennen in een fase van hun ontwikkeling.”

En, ten slotte, voor we aan de bekendere figuren beginnen, Maria Sibylla Merian? Een vrouw naar wie recent in Amsterdam een brug werd genoemd, auteur van het in 1705 verschenen boek Metamorphosis insectorum Surinamensium, een van zestig kopergravures voorzien werk waarin ze de levenscycli beschrijft van insecten in Suriname (waar ze daartoe twee jaar verbleef), maar waarvoor (nu, in tijden waarin in het bijzonder aandacht besteed wordt aan vrouwen in de kunst en de wetenschap, misschien meer) nauwelijks belangstelling was (geweest) toen Bomans zijn artikel over haar schreef. En dat terwijl, zoals het óók getiteld is, Over de Voort-teling en Wonderbaerlyke Veranderingen der Surinaemsche Insecten. Beneffens de Gewassen daer ze op gevonden zijn. Waer in ook de wonderbaere Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en andere seltsame Gediertens worden vertoont en beschreeven. Alles in Amerika door M.S. Meiraen naar het leeven en levensgrootte Geschildert en nu in ‘t Kooper overgebracht “een schok door gans Europa [gaf]. En van buiten de grenzen reden de karossen der rijke verzamelaars voor de onaanzienlijke woning in de Kerkstraat (tussen Leidsestraat en Spiegelgracht) waar de vrouw, die dit alles in stilte schiep, in een armstoel zat, verlamd en uitgeput”. “Haar faam smeulde voort tot in de eerste helft der negentiende eeuw,” schrijft Bomans nog, “en doofde toen. En ik durf geloven dat het merendeel mijner lezers eerst door deze schets haar naam vernomen heeft. Want in onze vaderlandse geschiedenis gaan vlootvoogden en regenten vóór, en in de schaduw van hun roem wachten nog tientallen op onze genegenheid.”

Is dit een behoorlijk lange boekbespreking aan het worden? Ja, dat is het. Maar dat valt gezien de aard van het werk ook niet als… eigenaardig te beschouwen. Over dus naar de bekendere figuren, waarbij u alvast de sjans heeft dat ik in Een kampioen van het menselijk geluk – In memoriam H.G. Wells, geschreven kort na diens overlijden in augustus 1946 dus, niks als te citeren heb aangeduid. Niet omdat er niks interessants in staat, maar omdat het me allemaal al bekend was (wat dus allicht ook geldt voor al wie de jongste jaren wat biografische gegevens over Wells gelezen heeft).

Wat Hildebrand betreft zou ik me er dan weer kunnen van af maken met een verwijzing naar Merkwaardigheden rond de Camera Obscura, het boek waarin zeventien stukken van Bomans over dat boek en de auteur ervan gebundeld werden, maar ik geef u toch even de conclusie van Bomans’ gesprek met de dochter van Beets mee: “Het kon vader niet veel schelen. Maar het verdroot hem wel eens, dat de mensen altijd over zijn Camera spraken, alsof hij na zijn 25ste jaar niets anders zou geschreven hebben. Men kent zijn preken, zijn wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van taal en letteren en vooral zijn verzen niet. Daarmee doet men hem nochtans onrecht. Hijzelf schreef eens: ‘Mijn leven is in mijn Camera, mijn hart in mijn gedichten.’ Maar dat hart heeft voor velen vergeefs geklopt.”

En dan Simon Carmiggelt. Het ‘gesprek’ tussen hem en Bomans in Simon Carmiggelt 50 jaar had ik, me dunkt, ook al eens ergens gelezen en is duidelijk gefingeerd, maar het is hilarisch als Bomans op zijn best. Ik beperk me bijgevolg tot het weergeven van een klein stukje er uit: “Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de toekomst, met de levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. Kin, neus en oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te maken. De mond is delicaat gevormd en ook zijn maat schoenen blijft beneden het nationaal gemiddelde. Opmerkelijk is ook het spel van zijn handen. Ik kom daar misschien dadelijk op terug. Het breed gewelfde voorhoofd schept verwachtingen, die in de loop van het gesprek niet geheel worden ingelost, want Carmiggelt modelleert zijn mededelingen naar het bevattingsvermogen van degene, die tegenover hem zit. Het aan de slapen reeds grijzende haar wekt een vermoeden van leed, dat eveneens ongegrond blijkt. Kwam je hem op straat tegen, dan zou je denken: die jongen heeft het moeilijk, maar zie je hem thuis, dan is het best uit te houden, ben je mal, we zijn allemaal maar mensen en morgen komt er weer een dag.”

Een mening die Gilbert Keith Chesterton ongetwijfeld zou gedeeld hebben. Uit Bomans’ stuk over hem, G.K. Chesterton – Over een argeloze detective, waarin het overgrote deel van de aandacht dus naar de eerdergenoemde Father Brown gaat, zou ik wel wíllen citeren, maar ik kan het niet omdat ik dan tot mijn spijt de rest van de tekst niet mag citeren en het hele stuk gewoon groots is. Een mooie aanvulling op Gaston Durnez’ De lach van Chesterton ook, al dateert het boek van Durnez uiteraard van later.

Wat dan weer De sleutel tot de figuur Bilderdijk – Bij de herdenking van zijn geboortedag betreft, houd ik het bij twee stukjes tekst en het feit dat de ‘sociëteit’ die Bomans samen met een aantal anderen in Haarlem stichtte, Teisterbant genaamd, werd vernoemd naar diezelfde Bilderijk, die zichzelf als graaf van Teisterbant beschouwde: 1) “Men kan uitstekende wijn drinken en toch slechte gedichten schrijven. Ook de omgekeerde werkwijze is mogelijk en wordt hier herhaaldelijk toegepast”; 2) “Bilderdijk was, ofschoon hij slechte verzen schreef, een groot en waarachtig dichter. Hij dichtte de enorme gaten, die de realiteit openliet en schiep aldus een dijk, die tot ver in de Helleense oertijden doorliep: een Bilderdijk. Dit is: een dijk van beelden. Dat wij daarmee niet wensen ingepolderd te worden en hem, vergeleken bij onze eigen poëtische ingenieurs, als een Leeghwater beschouwen, doet niets af aan het feit dat hij eens grote provincies van ons nationale geestesleven heeft drooggelegd.”

Wat niet het soort bezigheid was waarmee Wim Sonneveld zich doorgaans onledig hield. In tegendeel, de tranen stroomden soms door de zalen waar hij optradt. Tranen van het lachen, wel te verstaan. Al waren er ook, misschien vooral, bij zijn ‘frater Venantius’ droeftoeters die het helemaal niet leuk vonden. Iets waarover Bomans schrijft: “Al die mensen, die in paniek raken omdat er een religieus is belachelijk gemaakt hebben niet begrepen, dat ‘frater Venantius’ in het ootje is genomen, niet als religieus, maar als cabaretier. Sonneveld zal er niet aan denken een kloosterling in zijn roeping aan te tasten; maar zodra de man als artiest gaat optreden, wordt hij kwetsbaar. Hij komt dan op het terrein van Wim Sonneveld, die volledig het recht heeft hem als zodanig te beoordelen. Dit oordeel was vernietigend. Wie nu meent, dat hiermee de kloosterstaat is beledigd en het katholieke geloof besmeurd, heeft totaal niet begrepen in welke functie frater Venantius is aangepakt. Dadelijk krijgen we misschien voetballende broeders. Moeten we dan vol eerbied op de tribune dat gelepel bekijken? Nee, zodra een kloosterling dat broekje aantrekt verliest hij de bescherming van zijn habijt en wordt hij naar zijn balcontrole beoordeeld. De mening dat fraters, wat ze ook doen, altijd in de eredivisie thuishoren, berust op een misverstand.”

Waarna alleen nog De Weense ambtenaar overblijft, Franz Kafka dus, of toch de Gespräche mit Kafka die Gustav Janouch in 1947, meer dan twee decennia na Kafka’s dood, optekende, Gespräche waaruit Bomans citeert. Citaten citeren lijkt me echter net wat te ver te gaan, dus laat ik dat maar achterwege. We moeten het immers ook nog over het derde deel van dit boek hebben, Interviews. Een “met de acteurs Paul Steenbergen en Myra Ward”, een “met minister J. Luns” (Ten huize van het echtpaar Luns), een “met prof. dr. Max Euwe”, en een “met Jan Foudraine” (De psychiatrie op de helling).

Even dacht ik u te kunnen verblijden met het ‘nieuws’ dat u Paul Steenbergen misschien kende als kapelaan De Goey uit Ciske de Rat, maar de Ciske de Rat waarin Steenbergen speelde, dateert van 1955, dus die kans is vrij klein. Myra Ward was zijn vierde echtgenote en zal wat het grote publiek betreft misschien nog het bekendst geworden zijn als Tante Adèle Takma uit de tv-serie Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uiteraard gebaseerd op de gelijknamige roman van Louis Couperus), maar die ligt intussen ook al vijftig jaar achter ons, dus is ze u wellicht even onbekend als Paul Steenbergen. Dat hoéft geen beletsel te zijn om uit dat vraaggesprek te citeren, maar gezien er – mijns inziens – niet echt iets van eeuwigheidswaarde in staat, doe ik dat niet. Iets wat ook geldt voor het vraaggesprek met Joseph Luns, al zou die kort nadien secretaris-generaal van de NAVO worden, Max Euwe, wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937, en psychiater Jan Foudraine, destijds bevallen van zijn eerste boek Wie is van hout? en nadien ook bekend geworden als Swami Deva Amrito. Ik ga niet zeggen dat die vraaggesprekken niet hadden moeten opgenomen worden in dit boek – de uitgever was per slot van rekening bezig met het bundelen van nagelaten werk -, maar de werkelijkheid heeft simpelweg de neiging vijftig jaar later minder interessant te zijn dan de fictie, en vraaggesprekken verliezen zelfs nog sneller aan belang. Ze zijn immers bij uitstek het soort momentopname waarop Bomans ook alludeert in het eerder genoemde stuk Echte Van Gogh in jutezak?.

Ondanks dat laatste deel echter zeker een aanrader, dit Van mens tot mens.

Björn Roose

dinsdag 3 juni 2025

Op het vinkentouw – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Op het vinkentouw – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Terwijl ik deze Op het vinkentouw nog aan het lezen was, kwam ik bij een bezoek aan de openbare bibliotheek iets tegen waarvan ik het bestaan niet kende: de verzamelde werken van de auteur, Godfried Bomans, of toch twee delen daarvan.

Ik dus op speurtocht naar de (rest van die) verzamelde werken (uitgebracht onder de titel Werken). Gemiddeld ergens tussen de vijftig en zestig euro per deel, zo bleek, en er waren zeven delen. Tot ik een aanbod vond dat te mooi scheen om waar te zijn: een niet geheel onbekende boekhandel in Nederland bood de volledige serie aan voor honderddertig euro. Verzendkosten: drieënhalve euro. Voor meer dan vijfduizend pagina’s van een van mijn lievelingsauteurs. Deal!

En nooit meer té veel betalen voor een van de boekjes van zijn hand, wat ik onlangs in Gent nog deed, omdat ik nu eenmaal een verzamelaar van ‘s mans werken ben en je die in onze contreien nu ook niet voortdurend tegenkomt. Want in die verzamelde werken staat natuurlijk álles van Bomans. Toch? Wel, nee… zo lijkt het inmiddels. Er staat gelukkig een register in (een paar verschillende zelfs, op andere manieren gestructureerd), maar als ik bijvoorbeeld de achtenvijftig stukjes die in Op het vinkentouw zijn opgenomen ga opzoeken in dat register, dan blijkt dat er een aantal niét in de verzamelde werken te vinden zijn. Althans: ze worden wel vernoemd in het register, mét de datum waarop ze oorspronkelijk verschenen zijn, maar er staat geen deel en pagina bij waar ze in de verzamelde werken zouden te vinden zijn. Wegens tijdsgebrek heb ik nog niet kunnen nagaan waarom niet alle werken in de verzamelde werken te vinden zijn, iets waar een verzamelaar toch wel een beetje van uit gaat, maar zélfs voor wie die verzamelde werken in zijn bezit heeft, zijn er dus in Op het vinkentouw negen stukjes te vinden die hij mogelijk nog niet in zijn bibliotheek heeft zitten (want er zijn natuurlijk veel verschillende bundels van Bomans uitgegeven, waarin soms dezelfde stukjes werden opgenomen): Een ere-saluut, Wennen aan waarheid, Zie ommezijde, Drie rotsen, Pijnlijk, Een misverstand, De manier, Cijfers gevraagd, en Een minuut stilte. Let wel: de stukjes met die titels die in 1956 werden gepubliceerd, want Bomans hergebruikte al eens een titel voor een in een ander jaar geschreven stukje, en die zijn dan weer wél in de verzamelde werken opgenomen. Wat toch nog minder verwarrend is dan wat met het stukje Sinterklaas gebeurde. Aan de goedheilig man en alles wat er rond hangt, wijdde Bomans – zoals bij zijn lezers bekend – véle stukjes, maar datgene waarnaar in het register van de verzamelde werken verwezen wordt als het Sinterklaas dat in 1956 gepubliceerd werd, is niét hetgene wat in Op het vinkentouw werd opgenomen.

Soit, als ik ooit eens de handleiding lees bij de verzamelde werken, dan kom ik op deze kwestie misschien terug in een volgende boekbespreking, maar wat betreft deze uitgave van Op het vinkentouw, de zestiende, na – dixit de uitgever in zijn voorwoordje genaamd Bij de zestiende druk – “zijn plotseling verscheiden”, bij Uitgeverij Westers, moet me van het hart dat het niet is omdat je een bundel van stukjes uitgeeft, dat die tijdens het lezen ook in stukjes uiteen moet vallen. Dat lijmen goedkoper is dan binden, weet ik ook wel, maar zorg dan tenminste dat je lijm fatsoenlijk is, want anders gaat zo’n boek ook “plotseling verscheiden” terwijl het daar nóóit het moment voor is.

Nu goed, ik probeer de “hier verzamelde beschouwingen” dan wel weer min of meer in orde te krijgen met plakband, want niet alleen heeft Bomans deze – aldus zijn eigen Verantwoording - in “de periode van 5 november 1954 – 5 februari 1955 en van 4 januari 1956 – 10 december 1956” onder het pseudoniem Parlevink voor De Volkskrant geschreven, hij droeg er ook een deel van voor “in de Aula van de Leuvense Universiteit”, wat er voor een Zuid-Nederlander niet alleen een beetje couleur locale aan geeft, maar ook bewijst dat ze toén aan de Katholieke Universiteit Leuven nog wél geïnteresseerd waren in wat zich in de katholieke wereld afspeelde, want dát is waarover veel stukjes in deze bundel gaan (al is dat beslist niet bij álle stukjes zo). Zoals in het Ter inleiding van ene M.G. staat: “In deze bundel satiren wendt de schrijver Godfried Bomans, wiens talent over veel kanten beschikt, ons zijn scherpe zijde toe. Zeker, hij heeft het floret van zijn sarcasme ook eerder te vermoeden gegeven. Maar was dit wapen vroeger veelal verborgen in de schede ener zachtmoedige ironie, die hem van de dichter Roland Holst de naam ‘fluwelen duivel’ deed verwerven, hier schittert het lemmet onbedekt en treft de stoot in het hart. Dat Bomans daarbij bepaalde toestanden of gebeurtenissen in de katholieke geloofspractijk niet ontziet, heeft sommigen bevreemd, enkelen verontrust. Wij achten deze stoutmoedigheid een verheugend verschijnsel. Zij is een teken, dat de katholieke emancipatie in haar ontwikkeling een punt bereikt heeft, waarop zij kritiek van binnen uit verdragen kan.”

Want laat ons wel wezen: Bomans was een katholiek, mild tegenover wie dat verdiende (en dat waren er velen) en strijdbaar tegenover wie dat niet deed (en zo waren er, zo blijkt uit deze bundeling, ook nogal wat). Maar Bomans was, voor wie nu de schrik om het hart slaat en eigenlijk zelfs al deze bespreking niet meer verder wil lezen, ook een schitterend schrijver en elk van de stukjes, werkelijk elk, in dit boek (en zijn andere boeken uiteraard) is daarom het lezen meer dan waard. Een begin als dat van De burger mag illustratief daarvoor wezen: “Ik heb een neef, die op school al niet wou deugen. Hij rommelde een tijdje in de bloembollen, drumde toen wat in een onduidelijk orkest, kocht hierna een gespikkeld strikje en werd binnenhuis-architect. ‘t Was eigenlijk wel een aardige jongen, maar sommige mensen zijn daartoe voorbestemd, ze kunnen het niet helpen en ik heb hem ook nooit hard bejegend.”

En dat lós van het feit dat echt niet elk stuk over katholicisme an sich gaat. Over het communisme bijvoorbeeld, zijn er ook een paar, al heeft geen enkele goeie katholiek natuurlijk ooit veel sympathie gehad voor die ideologie. En terecht. Wat weerom niet belet dat Bomans er met humor tegenaan gaat: “De heer Kroesjev is er eindelijk achter gekomen, dat Stalin een terreur heeft uitgeoefend en in de loop van zijn regime honderdduizenden om zeep bracht. Nu wisten wij, in het overigens misleide Westen, dit al tamelijk lang. Door middel van onomstotelijke documenten is dit sinds jaren tot in den treure aangetoond en bewezen. Ook de Russische machthebbers wisten dit. Men kan een enkel moordje wel verdonkeremanen, maar een slachtpartij, die zich over decenniën uitstrekt en waarbij miljoenen mensenlevens gemoeid zijn, kan aan de overblijvende ja-broers op het Kremlin natuurlijk niet ontgaan zijn. De ijver immers, waarmee zij ‘ja’ knikten, putten zij uit de wetenschap dat men onder zo’n man maar één keer ‘nee’ kan schudden. Voor de tweede maal is er geen hoofd meer voorradig.”

Een humor die trouwens niet kon beletten dat Bomans er door gesleurd werd in De Waarheid, de Nederlandse versie van de Pravda, iets waar hij dan weer garen uit spon om nóg een stukje aan dat fantastische communisme te wijden. Wie problemen wou, kon er immers altijd maken: “Het bureau van het aartsbisdom Utrecht voor jeugdzorg organiseerde kort geleden een praat- en denkavond over het thema ‘levensvreugde’. Wij hebben dit altijd als een van de weinige onderwerpen beschouwd, waarover zelfs in Nederland niet gedacht en gepraat behoefde te worden; maar we begrijpen na enig nadenken dat, als je maar bij elkaar in een zaaltje gaat zitten, er wel degelijk een probleem uit te halen is.” Maar goed, zo luidt het in weer een ander stukje: “(…) toen ik zelf een jongetje van tien jaar was, verwachtte ik ook niet dat deze problemen mij werden voorgelegd. In mijn tijd werd de wetenschap, waar New York ergens lag, voor de scholieren van tien jaar als de uiterste grens van algemene ontwikkeling beschouwd. Wie meer wist, bracht het onderwijzend personeel, dat slechts over een kleine reserve aan kennis beschikte, in de grootste verlegenheid.”

Wat dan weer niet wil zeggen dat je als lezer niets kan bijleren van Bomans: “Van de vele vormen, waarin men zijn medemensen voor de gek kan houden, is de zogenaamde ‘Köpenickiade’ mij het sympathiekst. Men moet, om in dit moeilijke genre te slagen, verbeeldingskracht, mensenkennis en durf bezitten. Het oer-voorbeeld is natuurlijk de ‘Hauptmann von Köpenick’: de man, die in het begin van deze eeuw een schitterende satire gaf op de Pruisische aanbidding van de uniform, door zich als kapitein te verkleden en in vol ornaat met de gemeentekas er vandoor te gaan. Hier werd een zeker type van mens geïmiteerd: de Pruisische officier. Moeilijker wordt het, een bepaald persoon voor te stellen. Het risico van door de mand te vallen stijgt dan aanzienlijk. Toch wil het wel eens lukken.” Waarna een verhaal volgt over een delegatie van veertien man die een meisjespensionaat bezochten onder leiding van de toen nog niet dode koning Boudewijn, daar goed at en dronk, en pas achteraf geen delegatie en geen koning bleken te wezen, maar vijftien Vlaamse studenten…

Of Bomans die anekdote meenam van zijn bezoek aan de Leuvense universiteit of ze daar vertelde, weet ik uiteraard niet, maar ik twijfel er niet aan dat ik nog veel te lang ga doorgaan met citeren als ik er nu geen einde aan brei. Met nog één citaat. Eentje over kunstenaars van wie men bij elk nieuw werk meteen merkt dat het van hen is, iets wat sommige mensen kennelijk saai voorkomt: “Wij signaleren hier een eigenaardig verschijnsel. Het doet zich niet alleen in de letterkundige sector voor, maar ook in besprekingen over muziek en beeldende kunsten. Componist D. moest eens iets anders durven. Schilder E. wordt dringend verzocht eens wat meer revolutionair voor de dag te komen. Allerwegen treft men in de huidige kunstkritiek ditzelfde vermaan. Het ergste verwijt, dat men een kunstenaar, hij zij uitvoerend of scheppend, naar het hoofd kan werpen, schijnt te zijn: dat hij gespeeld, geschilderd of geschreven heeft naar een ‘beproefd recept’, dat wij nu ‘langzamerhand wel kennen.’ Dit verwijt lijkt mij in zijn algemeenheid onbillijk. De onjuistheid ervan springt terstond in het oog, als wij het toepassen op kunstenaars uit het verleden. Ieder, die oor heeft voor muziek, zal na hoogstens één minuut luisteren kunnen zeggen, dat er een symfonie van Mozart wordt gespeeld, en bij Beethoven is de maker reeds na enkele maten duidelijk. Een verhaal van Dostojewski verraadt zich na één bladzijde en een beeld van Rodin herkent men bij eerste oogopslag. Het is niet duidelijk waarom datgene, wat de gestorven kunstenaar is toegestaan, de nu levende artiest onthouden zou zijn. Integendeel, juist de mate van herkenbaarheid pleit voor de grootte van een kunstenaar. Het zijn de kleinen, wier stem men niet herkent: zij lijken te zeer op anderen. Het geluid van de groten echter is enig en onvervangbaar. Wat zij te vertellen hebben, zeggen ze op hun eigen, persoonlijke en onnavolgbare wijze. Wie hierin een tekort ziet, vergist zich, omdat hij voor een gebrek houdt wat juist een kwaliteit genoemd moet worden.”

Iets wat ongetwijfeld ook mag gelden voor Godfried Bomans zelf, al zou hij dat, als fervente hulp-Sinterklaas, nooit van zichzelf geschreven hebben: “(…) Sinterklaas gaat nimmer ter kerke. Hij heeft dat zijn hele leven gedaan, is daarna heilig verklaard en er toen onmiddellijk mee opgehouden. Heiligen hoeven niet. Zij mògen wél. Sinterklaas wandelt dan voor de aardigheid een kerk binnen, werpt een pepernoot op de schaal en gaat buiten een sigaar roken. Ook de preek laat hij aan zich voorbijgaan. Hij is, evenals alle zaligen in de hemel, oneindig gelukkig en wil dit zo houden. Kerken, die aan hem speciaal zijn toegewijd, betreedt hij helemaal niet. Hij acht dit enigszins pedant en beschouwt het ook als een verkwisting om voor zichzelf een kaars op te steken.” Waarmee ik toch nog twéé citaten in deze bespreking heb binnengesmokkeld.

Björn Roose

dinsdag 8 februari 2022

Pa Pinkelman in de politiek – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Pa Pinkelman in de politiek – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Laat ons wel wezen: de enige reden waarom ik niet regelmatiger boeken van Godfried Bomans bespreek, is dat ik het merendeel daarvan al gelezen had vóór ik boeken begon te bespreken. Of in ieder geval het merendeel van z’n boeken die hier in m’n kasten staan en dat zijn er toch meer dan dertig. Alleen de Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas (bijeengezameld en geordend door Godfried Bomans) en Merkwaardigheden rond de Camera Obscura (over het gelijknamige werk van Hildebrand ofte Nicolaas Beets) haalden daarom eerder mijn boekbesprekingen. Maar toen een paar maanden terug even een lichtpuntje scheen in het Nederlandse corona-”beleid” – dat daar net zomin als aan deze kant van de kunstmatige grens die de Nederlanden scheidt wat dan ook te maken heeft met covid19 of met beleid die naam waardig, maar wél alles met het afhankelijk maken van mensen van de farmaceutische industrie en het installeren van een maatschappij van totale controle – dook ik er een kringwinkel binnen en vond er zowaar een drietal Bomans-werken die ik nog niét gelezen had. Waaronder voorliggend Pa Pinkelman in de politiek.

Nu heeft Bomans wel een aantal “series” geschreven, maar die rond Pa Pinkelman (en Tante Pollewop) bekleedt toch een speciale positie. Pa Pinkelman was namelijk, in zijn oorspronkelijke vorm, wat dan heet een tekststrip. Een strook (“strip” in het Engels) van tekeningen met telkens een stuk tekst onder elke tekening. Geen tekstballonnen dus, in dit soort strips, maar een combinatie van tekening en tekst. Een genre dat bijna typisch Nederlands kan genoemd worden. Ook Bulletje en Bonestaak (van de Vlaming George van Raemdonck en de Nederlander A.M. de Jong), Tom Poes (van Marten Toonder), Dick Bos (van Alfred Mazure), Eric de Noorman (van Hans G. Kresse), Flippie Flink (van Clinge Doorenbos en Robert Raemaekers), Kapitein Rob (van Pieter Kuhn en Evert Werkman), Panda (net zoals Tom Poes van Marten Toonder), en Paulus de Boskabouter (van Jan van Oort alias Jean Dulieu) verschenen op die manier (en ik noem slechts de bekendste series) en moesten internationaal als voorlopers eigenlijk alleen maar Max und Moritz en een aantal andere strips van Wilhelm Busch en Bécassine van Joseph Pinchon en Maurice Languereau laten voorgaan.

Bomans was echter geen tekenaar. En oorspronkelijk niet van plan een strip te gaan publiceren. Maar hij was kort na de “bevrijding” van Nederland door Joop Lücker, hoofdredacteur van De Volkskrant, binnengehaald als chef van de redactie Kunst en moest uiteindelijk ook wat gaan doen voor dat salaris. Hij voerde immers, ook naar zijn eigen mening, “geen bal uit” en het bestuur weigerde daarvoor te betalen. Lücker loste dat op door hem te vragen samen met tekenaar Carol Voges aan een strip te werken. Voges (Carel Willem, dus geen vrouw) had al enige ervaring opgedaan in dienst van Joop Geesink en zou na zijn werk voor De Volkskrant onder andere gaan meewerken aan Marten Toonders Tom Poes, de talloze series van Henri Arnoldus (met Pietje Puk volgens mij als de bekendste) en bladen als Sjors, Donald Duck, Bobo, Okki en Taptoe, maar zijn werk aan Pa Pinkelman valt zeker niet te verwaarlozen. Hij was het die enkele mogelijke personages schetste en daarmee de inspiratie bij Bomans op gang bracht. En het duo slaagde er in van wat oorspronkelijk toch een Gesamtkunstwerk voor kinderen was een verhaal te maken dat door massa’s volwassenen werd gelezen, waaronder, aldus Wikipedia, “veel politici die zichzelf soms zagen figureren in de verhalen”. Bomans wou er na een jaar al mee stoppen, maar Lücker slaagde er in hem tot in 1952 aan boord te houden. Toen kwam er een einde aan de strip, omdat, weerom volgens Wikipedia, “de schrijver er te veel tijd aan kwijt was”. Die tijd leverde in ieder geval De avonturen van Pa Pinkelman (1945-1946), Honderd avonturen van Tante Pollewop (1946-1947), Pa Pinkelman in de politiek (1947-1948), en De onsterfelijke Pa Pinkelman (1952) op.

Een bespreking van dat laatste boek houdt u nog van mij tegoed, want ook dát kocht ik bij mijn bezoek aan die kringwinkel en heb ik nog niet gelezen, maar ik kan u nu al zeggen dat Bomans door Lücker toch wel een “beetje” zal geprest zijn om dat verhaal nog te schrijven: het gat tussen 1948 en 1952 valt sowieso op en voorliggend Pa Pinkelman in de politiek eindigt met het zich terugtrekken op “een hofje te Haarlem” van Pinkelman en Pollewop om daar van “een kalme levensavond (…) [te] genieten”. Bij “tante Pollewop deden zich” immers “reeds kleine ouderdomsgebreken voor”, zoals “een wandelende nier”, zij het dan “nog wel niet over grote afstanden, maar toch al kleine uitstapjes”, en “avonturen beleefden zij niet meer. Wel werd Pa Pinkelman somtijds, als het begon te waaien, door een geheimzinnige onrust aangegrepen en kon men den beroemden man voor het venster zien staan, trommelend op de ruiten en met fonkelende ogen de jagende wolken in hun vaart volgend”, maar “dan dronk hij zijn thee en bedaarde.” “Dood gaan deden zij niet en evenmin werden zij begraven”, aldus Bomans helemaal op het einde van het verhaal, maar het was toch duidelijk dat de fel verouderde Pa Pinkelman en zo mogelijk nog verder achteruit gegane Tante Pollewop op het laatste in dit boek opgenomen prentje van Voges, weergegeven vele tientallen jaren na hun avontuur “in de politiek”, aan het einde van hun verhaal waren en dat Bomans niet van plan was daar ooit nog een vervolg aan te breien. Dat toen dat vervolg er in 1952 tóch kwam de titel De onsterfelijke Pa Pinkelman werd gekozen kan dus op enig sarcasme van Bomans gewezen hebben.

Een sarcasme dat overigens ook wel eens doorkomt in de andere avonturen van Pinkelman en Pollewop, maar dan steeds overgoten met een dikke laag absurdisme, een fenomeen dat de hele serie heeft gekleurd. Zelfs al in de tweede zin van de tekst bij het eerste plaatje van De avonturen van Pa Pinkelman (dat ik, net zoals Honderd avonturen van Tante Pollewop, maar dan onder de titel De avonturen van Tante Pollewop, ook in de oorspronkelijke vorm, dus als een “stripverhaal”, in bezit heb), toch nog geconcipieerd als een verhaal voor kinderen, merk je dat: “In een groot huis woonde eens een heel rijk en heel net jongetje, Kareltje Flens geheten. Hij droeg een sneeuwwit boordje, een bril, en een keurige scheiding in zijn haar”. Net zoals je ook al meteen van bij de eerste strook van dat eerste verhaal tot de conclusie moet komen dat een heruitgave van de verhalen er in onze “politiek correcte” tijden niet meer zou inzitten: “Er was zelfs een nikkertje in huis, dat alles op moest eten waar Kareltje niet van hield, en daarvan kogelrond was geworden. Dat nikkertje heette Flop, en ook van hem zullen wij nog veel horen”. Als ik daar aan toevoeg dat “dat nikkertje” door Voges steevast (tot en met De onsterfelijke Pa Pinkelman) werd getekend met een been door zijn neus, gouden oorringen, megadikke lippen, en op een soort rokje na helemaal in zijn blootje, snapt u wel dat aan een heruitgave tegenwoordig minstens een verontschuldiging van even lang als het verhaal zou moeten voorafgaan. Zelfs nog los van het feit dat Bomans in Pa Pinkelman in de politiek ook nog de verwarring tussen “dat nikkertje”, intussen “het negertje” geworden, en Zwarte Piet organiseert: “Zij omhelsde Kareltje tot driemaal toe en knuffelde toen het negertje, tot het kereltje buiten adem en zij zelf helemaal zwart in haar gezicht was.”

Nu goed, political correctness was toen nog niet uitgevonden, ikzelf doe er nog steeds niet aan, en wie nog eens smakelijk wil lachen doet er goed aan dat óók niet te doen. Lange tenen en humor gaan nu eenmaal niet samen. En dat in tegenstelling tot Bomans en humor. Zeer tongue-in-cheek humor, bijvoorbeeld in deze passage over de nacht van Sinterklaas (een figuur waar Bomans bijzonder veel affectie mee had): “Tante Pollewop verstijfde. Daar, recht boven haar hoofd, vernam zij duidelijk het geluid van sluipende voetstappen. Grote droppels parelden onder de slaapmuts van tante Pollewop. ‘Dus tòch,’ mompelde zij, viel ogenblikkelijk op haar knieën en zette met bevende stem een Sinterklaaslied in. En juist maakte zij zich gereed om met innige devotie het tweede couplet aan te vangen, toen er buiten het raam een ladder naar beneden zakte en hierlangs een schaduw, slechts in onderbroek en borstrok gekleed, met grote gezwindheid naar beneden klom en in de nacht verdween. Hoewel tante Pollewop slechts gebrekkig op de hoogte was van bisschoppelijke gebruiken in het algemeen en die van het Spaanse episcopaat in het bijzonder, achtte zij dit optreden toch zózeer in strijd met de waardigheid van de heilige man, dat zij met argwaan vervuld werd.” Als ik zoiets lees, dan vraag ik me nadat ik uitgelachen ben, toch af hoe je dat bij mekaar pent zonder zélf de hele tijd te zitten lachen.

Idem voor (en ik heb m'n selectie tot het absolute minimum moeten beperken) passages als de volgende trouwens:

– “‘Het zogenaamde Indonesische probleem heeft niets te betekenen. Naar het inzicht van het partijbestuur dienen de inlanders zich eenvoudig te onderwerpen, zodat onze jongens naar huis kunnen’”;

– “Boven stond de scheepskapel aangetreden en speelde zacht de nationale hymne ‘Wie zal dat betalen?’, waarop alle passagiers het hoofd ontblootten en voor zich op de grond staarden, ten prooi aan hun overpeinzingen”;

– “Pa Pinkelman lag de hele nacht wakker in bed, òp van de zenuwen en kwam de volgende dag zó vroeg in de vergaderzaal van de UNO, dat er nog niemand aanwezig was dan de werkster, die de zitplaatsen der verenigde volkeren een goede beurt gaf. ‘Gunst, meneer,’ sprak de brave vrouw, haar stofdoek uitslaande, ‘zo vroeg heb ik nog nooit ‘n verenigd volk zien binnenkomen.’”;

– “Hij was maar een eenvoudige sultan, die met hard werken van onder af was opgeklommen en door spaarzaamheid en vlijt elk jaar met Sinterklaas één vrouw opzij kon leggen en op die wijze tot vijftien echtgenoten was gekomen, wat belachelijk weinig is voor een sultan”;

– “Zelfs geen sprietje gras groeide er in de voortuin en in het achtertuintje bloeide slechts één paardenbloem, die de sultan elke dag met een gietertje begoot, om haar in stand te houden. Dit was een tegenvaller voor Pa Pinkelman, want hij had achter een struik in hinderlaag willen liggen”;

– of, ten slotte: “Weldra zagen zij de Waddeneilanden en de worstvormige gedaante der provincie Limburg beneden zich, ja, de stippeltjeslijnen van de Duitse en Belgische grens waren duidelijk voor het blote oog waarneembaar. Eindelijk zagen zij zelfs Spanje en de laars van Italië in ‘t blauwe water van de Middellandse Zee en de reusachtige omtrekken van het werelddeel Afrika. Kareltje en Flop keken ademloos toe. Dat de aarde zich zo stipt hield aan de afbeeldingen in hun atlassen, dat was iets, waarover zij zich oprecht verheugden en hun tot lering strekte. Pa Pinkelman, altijd op de loer om de kennis der hem toevertrouwde knapen te vermeerderen, beijverde zich om de nijverheids- en landbouwproducten der afzonderlijke gebieden op te sommen, terwijl hij hun wees hoe men de verschillende landen aan hun kleur kan onderscheiden, met uitzondering van de nog niet geheel ontdekte gebieden, die voorlopig wit waren gebleven. Hij toonde aan de hand der onder hem liggende voorbeelden onomstotelijk aan, dat de steden beneden de honderdduizend inwoners er als cirkeltjes uitzagen, terwijl die van honderdduizend en méér zich als vierkantjes aan het leergierige oog vertoonden.”

En dan zijn er natuurlijk nog de al genoemde tekeningen van Voges (zij het dat die in de uitgave in mijn bezit, die bij Elsevier uit 1972, slechts illustratief her en der meegegeven zijn) en de titels die Bomans gebruikt: een nummer met daaronder telkens een soort korte samenvatting van wat gaat gebeuren. Dingen als “Pa Pinkelman betreedt het Amerikaanse vasteland en stijgt terstond tot onmetelijke hoogte.” of “Het Pinkelman-plan wordt voor twee ton door de Nederlandse regering gekocht, waarna de vervaardiger het ter kennis van het Turkse volk brengt. Pa Pinkelman speelt met de gedachte om Nederlands minister te worden, doch tante Pollewop ziet, liggend in bed, gegronde bezwaren.” Je kan dat, zoals ik net deed, “een soort korte samenvatting” noemen, maar in feite zijn het nog extra stukjes humor.

Net zoals volkomen absurditeiten als een tekening van jezelf laten opnemen (terwijl je met de kas gaat lopen dan nog), zeggen dat de verteller en tekenaar de personages achterna reizen om te gaan kijken wat ze aan het doen zijn, fouten in de verhaallijn rechtzetten door een van de personages te laten zeggen dat dat aan de verteller of tekenaar ligt (“(…) ‘de oplossing is zeer eenvoudig. Het is een vergissing van de tekenaar.’”), of personages De Volkskrant laten lezen om er achter te komen waar de anderen zijn of wat ze doen (“(…) in de krant van deze morgen zit ik zelf met jullie te praten. Dàt is ‘t prettige van ‘n krant: dat je bij blijft. Je weet, waar je aan toe bent.’”). Wat dan natuurlijk weer in volkomen tegenspraak staat met dit: “Ook de twee kameeldrijvers waren het met juffrouw Knoop eens en de drie krankzinnigen eveneens, omdat zij van de gedachten uitgingen, dat de krant altijd gelijk heeft. Hetgeen ook in Europa een veel verbreide vorm van waanzin is.”

Ik heb dat soort technieken nóg zien toepassen in, al dan niet humoristische, verhalen, maar Bomans was hier werkelijk een meester in: “De minister glimlachte. ‘Kijk ‘s, Arie,’ zei hij, ‘’t zit zo: ik heb niets te vertellen. Wat ik nu doe, is door de schrijver eergisteren geschreven en wat ik overmorgen ga doen, dat zet hij vandaag op papier.” Dat is voer voor filosofen, zoal niet voor psychologen, toch?

“Zelfs de grootste misantroop zal”, zo vermeldt de achterflap, “moeten lachen bij de avonturen van dit ‘heerlijke stuk onbenul,’ zoals tante Pollewop haar geliefde echtgenoot pleegt te noemen. De humor, de speelse wijsheid en kleurrijke fantasie van Godfried Bomans hebben in dit Pinkelmanverhaal waarlijk ongeëvenaarde hoogten bereikt. Het reizen met Pa Pinkelman doet alle grenzen wegvallen, zelfs die van de logica.” Veel meer kan ik daar niet aan toevoegen, ook al omdat je anders voor je het weet, vervalt in politieke gewoonten:

“Minister Wittebol wilde het kort maken (applaus). Hij wilde zich slechts tot een enkel woord bepalen (langdurig applaus). Doch hij kon niet nalaten de tolk te zijn van alle aanwezigen. In het algemeen, zo zei hij, had hij opgemerkt, dat de mensen, die het hardste werkten, in de kleinste huisjes woonden (gejuich). Daarom deed het hem zo goed, dat er dit keer iemand in een klein huisje woonde, die volstrekt niets had uitgevoerd (stormachtig gejuich). Hij sprak de wens uit, dat deze gebeurtenis een aansporing zou zijn voor alle landgenoten om voort te gaan in de richting van het gemeenschappelijke doel en drukte de hoop uit, dat hij in deze verwachtingen niet beschaamd zou worden. Hierna sprak minister Gielen zijn hoop uit en wenste evenmin in zijn verwachtingen beschaamd te worden. Hierna drukten de referendaris, de secretaris-generaal, de hoofdinspecteur van het H.W. (het hofjeswezen) en een man met een platte pet die helemaal niets was, hun hoop en hun verwachtingen uit, allen in een enkel woord, doch tezamen in twee uur, en was de plechtigheid afgelopen.” En daarmee ook deze boekbespreking.

Björn Roose

woensdag 3 juni 2020

Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas bijeengezameld en geordend door Godfried Bomans (Godfried Bomans)

Björn Roose bespreekt - Pieter Bas (Godfried Bomans)
Vermoedelijk het boek met de langste titel dat ik ooit besproken heb. Het is dan ook genoegzaam bekend onder zijn kortere titel: Pieter Bas. En de titel op zichzelf is natuurlijk al een voorschot op dat fijne gevoel voor humor dat Godfried Bomans zo kenmerkte.

Bomans haalde helaas niet eens de zestig, maar met deze Memoires of gedenkschriften van minister Pieter Bas bijeengezameld en geordend door Godfried Bomans schoot hij al meteen van bij zijn eerste publicatie (1936 – hij was toen 23) raak. Goed, hij debuteerde eigenlijk in 1932, onder het pseudoniem Bernard Majorick met Drijfjacht en Gebed voor Nederland, gevolgd door het toneelstuk Bloed en Liefde, maar zijn officiële eerstgeborene zou later onder andere terechtkomen in educatieve series als de Moderne Nederlandse Auteurs – Nederlandse Lectuur voor middelbaar, normaal en technisch onderwijs, wat in tijden dat kunnen schrijven nog meer betekende voor het belang van een schrijver dan de juiste lulkoek verkopen op het juiste podium toch inhield dat je boek niet onverdienstelijk was.

Dat oordeel zou ook nu nog terecht zijn. Bomans was een “heerlijk” schrijver, wiens boeken in mijn kasten een broederlijke strijd leveren met die van Simon Carmiggelt. Twee grote namen aan het firmament van de Nederlandse literatuur wat mij betreft, al was Carmiggelt zo goed als louter een cursiefjes-schrijver terwijl Bomans alles aandurfde: ernstige stukken, sprookjes, toneelstukken, cursiefjes, strips (Pa Pinkelman en Tante Pollewop), vertaalwerk (hij legde zich op verschillende fronten sterk toe op Charles Dickens) en bijvoorbeeld deze verzonnen memoires van een minister. Bomans wint het hoe dan ook qua stijl, ook in deze Pieter Bas, geïllustreerd door Harry Prenen, met wie hij in het jaar van publicatie ook de zogenaamde Rijnlandsche Academie zou oprichten, een gewichtig maar volkomen gewichtloos genootschap dat tot enig doel had de aangekondigde demping van de Haarlemse Bakenessergracht te voorkomen, iets waarin het ook slaagde.

Zoals Pieter Bas er in slaagde minister te worden en uiteindelijk zelfs zijn memoires te schrijven. In de fantasie van Bomans, maar ook weer niet geheel daarin. Pieter Bas is immers vrijelijk geënt op wat de schrijver leerde over het milieu van zijn vader, Johannes Bernardus, kortweg Jan, advocaat en procureur te Haarlem, en actief in de Roomsch-Katholieke Staatspartij, waarvoor hij achtereenvolgens gemeenteraadslid, wethouder (schepen), lid van de Tweede Kamer, lid van de Provinciale Staten en de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland was, waarna hij in het eerste jaar van de Tweede Wereldoorlog ten slotte Commissaris van de Koningin (zoiets als gouverneur) werd. Zoon Godfried volgde niet in zijn voetsporen al politicus, maar wel als schrijver. Bij Jan Bomans bleef het schrijverschap beperkt tot de Jan Herbert Mac Donald-cyclus (wellicht enigszins ten onrechte verguisd, al kan ik dat niet vanuit eigen lezing bevestigen), bij Godfried Bomans resulteerde het in een zestigtal stuk voor stuk lezenswaardige boeken, waarvan deze zogenaamde memoires dus het eerste officiële was.

Verwacht u bij het lezen van deze memoires aan alles behalve serieuze politieke geschriften. Verder dan een totaal uit de hand lopende politieke meeting komt het in dit boek niet. Voor de rest: Geboorte en eerste levensjaren, Vroegste herinneringen, de voorbijgaande school- en studentenjaren, de ontmoeting met zijn toekomstige ega, en zijn intrede als burgemeester. Fictieve anekdotes dus, ingeleid door “den verzamelaar dezer memoires” met een stukje “om den gepasten toorn des lezers af te wenden en zijne welwillendheid in te roepen”. Een stukje dat eindigt met deze paragraaf: “Heb ik eigenlijk wel goed gedaan met de memoires uit te geven? Misschien zullen zij den ouden Bas uitlachen, zij zullen hem een simpelen ouden gek noemen – neen, voorwaar, dat moogt ge niet doen! Al zijt ge misschien driemaal geleerder, bezadigder en verstandiger, af en toe moet het woord eens gelaten worden aan iemand die niet geleerd, niet bezadigd en ook eigenlijk niet helemaal verstandig was.” Waarna de minister de lezers aanspreekt met “Mijn lieve lezers!” en aldus verdergaat: “Tien jaren lang heb ik weerstand geboden aan de verzoeken mijner vrienden om mijne gedenkschriften uit te geven. Zij wezen mij erop hoe heilzaam de stem eens tachtigjarigen in deze haastige tijden kon werken. Zij gebruikten zelfs het beeld van olie op de kokende golven, al was dit wat laat op den avond. Het ware onverantwoordelijk, aldus hun gedachtengang, indien iemand die alle rangen in Nederland doorlopen heeft, die heeft kunnen schouwen in de onpeilbare diepten van het Burgerlijk Wetboek, evengoed als in de fijnzinnige Verhandelingen der Staten Generaal, indien zo iemand zijn bevindingen het vaderland zou onthouden. Zij hebben gelijk. Ik mag niet langer zwijgen. Ziehier dan mijn boek, het eerste wat ik ooit geschreven heb. Het zal ook, naar ik uit het steeds ernstiger gezicht van mijn huisarts afleid, het laatste zijn.”

En daarmee is de gemaakt ernstige, en daardoor extra humoristische toon gezet voor de rest van het boek. Maar ik wil u, omdat zo één stukje als illustratie van die stelling nogal weinig is, een paar andere voorbeelden niet onthouden. Dit bijvoorbeeld: “Wij bezaten, ik weet het nog goed, zestig loden soldaatjes, waarvan er één geen hoofd had, zodat wij hem generaal maakten.” Of dit: “Doch dit is geen reden U de zienswijze te onthouden van mijn broeder Prick, die een klas hoger zat. Hij werd later journalist, doch zijn fantasie was reeds toen buitengewoon levendig.” Of ten slotte dit: “(…) tijdens het gevecht was hij in de acherhoede, ‘om een oogje in het zeil te houden’; was de slag geleverd, dan bevond hij zich in de voorste liniën, ‘om er wat orde in te brengen’. Sloegen wij op de vlucht, dan was hij zo goed om vooruit te lopen teneinde de richting aan te geven. Kortom, hij was een geboren strateeg (…)”.

Voor wie iets minder martiaal ingesteld is, is dít misschien wél herkenbaar: “(…) het behang, dat oppervlakkig beschouwd uit rozeknopjes bestond, bleek bij het groeien van den avond uit duizenden rode hoofdjes te bestaan, die U ieder apart aankeken tot ge bevend onder de dekens kroopt”. Ik weet niet of u zo’n behang op uw kinderkamer had, maar ik had wel degelijk een behang waarin in de schemering allerlei dingen te herkennen waren die er niet op zichtbaar waren bij klaarlichte dag.

Of voor de mannen en vrouwen die zich wel eens ingezet hebben tijdens een of andere “verkiezingsslag”, in tijden dat die nog niet voornamelijk uitgevochten werden op Twitter en iedereen er nog van kon meegenieten: “Men onderscheidt ‘plakkers’ en ‘kalkers’. De ‘plakker’ plakt uw naam en alles wat gij belooft op schuttingen en muren. Dit mag, en geschiedt des daags. De ‘kalker’ schildert uwe verdiensten met witte kalk op het plaveisel. Dit mag niet en geschiedt des nachts. Beide soorten zijn uiteraard zeldzaam, en worden bijeengehouden in ‘Propaganda-Verenigingen’ of ‘Verenigingen van propagandisten’ met een eigen kas. Is er na den verkiezingsstrijd nog wat over, dan heet dit de ‘pot’, waardoor dan een ‘dagje’ uit of ‘uitje’ mogelijk is.” En verder: “Huisbezoekers: dit is de zeldzaamste soort onder de propagandisten. Huisbezoekers bezoeken de kiezers persoonlijk in hunne huizen. Sommigen dringen tot in de keuken door. Zij worden gewoonlijk niet oud.”

En om toch maar helemáál in de politiek te eindigen een paar stukjes uit het “Getrouw verslag der politieke vergadering te Brielle”:

“En hier viel duidelijk het grote voordeel der democratie in het oog. Er waren landen, hij wilde ze niet noemen, waar het parlement slechts een wassen neus was, aangebracht op het gelaat van den waren machthebber. Er waren zelfs landen, waar in het geheel geen parlement was; waar de inwoners overgeleverd waren aan de macht en de willekeur van den enkeling. Hij wilde geen namen noemen. Doch niet alzo was het in ons gezegend vaderland. Zeker, het vaderland had ook gebreken. Hij kon daar nu niet nader op ingaan. Doch het had het algemeen kiesstelsel. Het was hier, zo hij een wat kloek doch aan de streek aangepast beeld mocht gebruiken, gelijk het op de veemarkt van Gorkum was. Er stonden daar vele runderen. Men koos het beste.”

“Naar men weet werd Bas door het kiesdistrict ‘Brielle en Omstreken’ met een kleine meerderheid gekozen, en verwarmde hij gedurende 4 jaren een kamerzetel, ten profijte van zijn gezin, tot nut van het vaderland, en tot onsterfelijken roem voor zichzelf.”

Er is sindsdien weinig veranderd, al moeten volksvertegenwoordigers, met corona als excuus, tegenwoordig zelfs hun zetel niet meer gaan verwarmen …

Björn Roose