Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht bomans. Sorteren op relevantieAlle posts tonen
Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht bomans. Sorteren op relevantieAlle posts tonen

maandag 10 augustus 2026

De man zonder eigenschappen – Robert Musil (boekbespreking door Björn Roose)

De man zonder eigenschappen – Robert Musil (boekbespreking door Björn Roose)
“Op een mooie augustusdag in 1913 neemt Ulrich, de man zonder eigenschappen, het ferme besluit een man mét eigenschappen te worden – vooral als hij in de krant heeft gelezen dat zelfs een renpaard ‘geniaal’ kan zijn; daar wil hij niet bij achterblijven. Hij raakt betrokken bij de ‘Parallelactie’, de organisatie die de viering van het zeventigjarige regeringsjubileum van keizer Frans Josef I voorbereidt en tevens wil proberen het dertigjarig jubileum van de Duitse keizer de loef af te steken. Beide jubilea zijn gepland voor 1918, het jaar waarin de twee monarchieën ineen zullen blijken te storten.” Die uitleg kan u lezen op de hoes – sjiek, hoor – van de Nederlandse vertaling van Der Mann ohne Eigenschaften die in 2000 zijn tweede druk beleefde bij Uitgeverij Areopagus, en de drie zinnen ervan vatten ook behoorlijk goed samen wat er allemaal gebeurt in dit meer dan dertienhonderdvijftig bladzijden dikke boek.

Meer nog: die derde zin is puur informatief, want van dat ‘ineenstorten’ is nog helemaal geen sprake in De man zonder eigenschappen. Het begin van de Eerste Wereldoorlog gloort ergens in de verte, maar in dit boek valt zelfs niet het eerste schot (“Was er nu wel of geen Balkanoorlog? Er vond wel een of andere interventie plaats; maar of dat oorlog was, hij wist het niet precies”). En bij de “Parallelactie” moet u zich ook al geen actie voorstellen, want daar komt het niet van (tenzij u het instellen van commissies, speciale commissies en subcommissies als actie zou beschouwen, in welk geval u waarschijnlijk in de politiek zit), terwijl ook de betrokkenheid van Ulrich erbij hoogst twijfelachtig is, net zoals dat “ferme besluit”. Er zíjn een paar personen die werkelijk iets doen in dit boek, maar ook daarover wordt dan vooral bladzijden lang, excusez le mot, geëmmerd. “Met fijnzinnige ironie omringt Musil zijn hoofdpersoon Ulrich met een keur aan curieuze personages”, luidt het verder op de al eerder genoemde hoes, maar “de mooie ambitieuze Diotima, de met Nietzsche dwepende Clarisse, de denk- en geldmagnaat Arnheim, de brave generaal Stumm von Bordwehr, de ‘doorsneemens’ Walter, en de vrouwenmoordenaar Moosbrugger”, die overigens ook al zijn actie ondernomen heeft vóór dit boek begint, zijn in essentie bordkartonnen personages, net zoals Ulrich trouwens én z’n in het derde deel opduikende zus Agathe, die moeten dienen om de filosofieën en filosofietjes van de schrijver aan op te hangen. Waarmee ik niet gezegd heb dat schrijvers hun filosofieën en filosofietjes niet mogen ophangen aan hun personages – integendeel, dat kan van ze verwacht worden -, maar het kan niet de bedoeling zijn dat de personages opgehangen worden aan de filosofieën en filosofietjes. Als je personages volstrekt onbelangrijk zijn, schrijf dan een essay, of een hoop essays, maar geen ‘roman’.

Maar goed, als Musil zich beperkt had tot een essay, of een hoop essays, in plaats van een ‘roman’ te schrijven over een man die zich overgeeft aan het – I kid you not – ‘essayisme’, dan was De man zonder eigenschappen in 1999 nooit, zoals de tekst op de hoes verder vermeldt, “door Duitse schrijvers en critici uitgeroepen tot de Duitstalige roman van deze eeuw, voor Der Prozess van Franz Kafka en Der Zauberberg van Thomas Mann”. En dan had Uitgeverij Areopagus – waarover u op het internet quasi niks zal terugvinden omdat dat simpelweg een ‘imprint’ is van de vroegere ‘boekenclub’ ECI (in 2010 overgenomen door Bertelsmann en uiteindelijk, na nog een paar verdere overnames en al lang geen ‘boekenclub’ meer geweest te zijn, een stille dood gestorven onder de naam Bookspot) – het niet kunnen uitgeven in zijn “Bibliotheek van de Twintigste Eeuw”, want in dat soort dingen komt nooit ofte nimmer een bundel essays terecht. Enfin, ik doe een beetje lastig, maar ben over één ding met betrekking tot deze “bij leven van de auteur gepubliceerde delen van de roman, tussen 1988 en 1989 eerder in het Nederlands verschenen als onderdeel van een volledige, vierdelige editie” wel blij: dat ECI, in tegenstelling tot J.M. Meulenhoff (tegenwoordig onderdeel van Lannoo), bij wie die “volledige, vierdelige editie” klaarblijkelijk verscheen, niét de ambitie heeft gehad ook het niet “bij leven van de auteur” gepubliceerde vierde deel op te nemen in deze klepper. Zijn weduwe liet dat in 1943, een jaar na het overlijden van de auteur, nog wel publiceren, en het werd zoals de eerste drie delen – voor zover ik dat goed begrepen heb – ook nog “met financiële steun van de Deutsche Akademie Austauschdienst, de Europese Gemeenschap en de Stichting Amsterdams Fonds voor de Kunst” in het Nederlands vertaald door Ingeborg Lesener, maar die – dixit Wikipedia – “600 pagina’s sterk tegenstrijdige fragmenten (…) welke na publicatie aanleiding gaven tot veel gespeculeer hoe de roman zou zijn geëindigd als Musil was blijven leven”, zouden allicht teveel hebben gevergd van mijn moed en doorzettingsvermogen (ik ben per slot van rekening nú al een kleine vier weken aan het lezen geweest in dit boek). “Sommige critici menen”, aldus nog steeds Wikipedia, “(…) dat Musil zijn roman nooit had kunnen beëindigen: zijn project zou zijn vastgelopen”, maar dat gevoel had ik niet: dit is, zoals gezegd, simpelweg geen ‘roman’ en hij gaat op geen enkel moment ergens heen. En als er na het eerste deel, Een soort inleiding, het tweede deel, Insgelijks geschiedt, en het derde deel, Naar het Duizendjarige Rijk (De misdadigers), nog een afgewerkt vierde deel was gevolgd, dan was dat niet anders geweest. Ja, Musil “doorschouwt (…) een cultuur die haar einde nadert”, zoals het op de hoes staat, “en tast (…) mogelijkheden af voor een nieuwe toekomst”, maar een ‘roman’ zou dat ook na een afgewerkt vierde deel niet opgeleverd hebben.

Is er dan helemaal niéts goed aan dit boek? Toch wel, toch wel. Maar het had, zoals gezegd, een bundel essays moeten zijn. Essays waarin Musil zónder zich van personages te bedienen had kunnen kiezen voor – en als de schrijvelaars van Wikipedia goed werk gedaan hebben, mag dat ook geciteerd worden – “een houding van pure beschouwelijkheid” en “door de doordringing van het bestaande een toekomst voor het mogelijke” had kunnen ontwerpen. In véél minder bladzijden, alhoewel ongetwijfeld nog steeds in de stijl hem eigen, een stijl gekenmerkt door enorm lange zinnen waarin je als lezer buitengewoon veel moeite moet doen om niet te verdwalen en die je bij momenten, omdat je brein nu eenmaal af en toe afdwaalt, ‘diagonaal’ gaat lezen. De voorbeelden daarvan zijn legio, maar ik geef er toch even een mee dat op pagina 15 van deze uitgave te bewonderen valt: “Hij stond achter een van de ramen, keek door het zachtgroene filter van de tuinlucht op de bruinige straat en telde met zijn horloge al tien minuten lang de auto’s, de karren, de trams en de door de afstand uitgevloeide gezichten van de voetgangers, die het net van de blik met een wemelende haast vulden; hij schatte de snelheden, de hoeken, de vitale krachten van de voorbijbewegende massa’s, die het oog bliksemsnel naar zich toe trekken, vasthouden, loslaten, die gedurende een tijd waar geen maat voor bestaat, de aandacht dwingen zich er schrap tegen te zetten, zich los te rukken, naar de volgende te springen en daar weer achteraan te snellen; kortom, nadat hij zo een poosje had staan hoofdrekenen stak hij lachend zijn horloge in zijn zak en stelde vast dat het onzin was wat hij deed. – Als je de sprongen van de aandacht zou kunnen meten, de verrichtingen van de oogspieren, de pendelbewegingen van de ziel en al die inspanningen die een mens zich moet getroosten om in de rivier van een straat overeind te blijven, zou er vermoedelijk – aldus had hij gedacht en spelenderwijs het onmogelijke proberen te berekenen – een grootheid uitkomen waarbij vergeleken de kracht die Atlas nodig heeft om de wereld te torsen gering is, en je zou kunnen meten welk een enorme prestatie tegenwoordig al wordt geleverd door iemand die helemaal niets doet.” Respect voor de vertaalster, dát krijg je daarvan (en het aantal schrijffouten dat in dit boek blijven staan is, is echt zeer gering), en je begrijpt dat Musil te mooi schreef om geen ‘romans’ te schrijven, maar dertienhonderdvijftig bladzijden hiervan, is méér dan lastig te verwerken als lezer.

Terwijl je bij het eerste hoofdstuk, Waar opmerkelijk genoeg niets uit volgt (de titels vormen, zoals bijvoorbeeld ook bij Godfried Bomans’ Pa Pinkelman het geval is, een soort minisamenvatting van wat in het hoofdstuk staat en zijn soms op zich al buitengewoon grappig, bijvoorbeeld die van hoofdstuk 100, Generaal Stumm dringt de staatsbibliotheek binnen en verzamelt ervaringen over bibliothecarissen, bibliotheekbedienden en intellectuele orde), toch nog de indruk krijgt dat dat niét zo zal zijn. Met de volgende passage begint dat eerste hoofdstuk namelijk: “Boven de Atlantische Oceaan bevond zich een barometrisch minimum; het trok oostwaarts, in de richting van een boven Rusland gelegen maximum, en vertoonde nog niet de neiging hiervoor naar het noorden uit te wijken. De isothermen en isotheren vervulden hun plicht. De luchttemperatuur stond in de voorgeschreven verhouding tot de gemiddelde jaartemperatuur, tot de temperatuur van zowel de koudste als de warmste maand en tot de aperiodische maandelijkse temperatuurschommeling. De opkomst en ondergang van de zon, van de maan, de lichtvariaties van de maan, van Venus, van de ring van Saturnus en vele andere gewichtige verschijnselen stemden overeen met de voorspellingen daaromtrent in de astronomische jaarboeken. De waterdamp in de lucht had zijn hoogste spankracht en de luchtvochtigheid was gering. In één woord, dat de feitelijke situatie heel aardig weergeeft, ook al is het wat ouderwets: het was een mooie augustusdag in het jaar 1913.” Da’s ironisch, da’s volbloed humor, da’s voldoende om je op het verkeerde pad te zetten. De manier waarop een boek begint, is namelijk ook de manier waarop de gemiddelde lezer – en ik reken mezelf tot die categorie – de rest van het boek zal bekijken en hoewel die humor, die ironie meestal in enige mate aanwezig is in die hele dertienhonderdvijftig bladzijden, is dat niet voortdurend zo, waardoor het boek vaak tegenwringt. Misschien was dat ook wel een van de bedoelingen van Musil, maar ik vond het niet goed werken: veel passages die ik aanvankelijk met een ironisch oog bekeek, leken achteraf bloedernstig. In het begin nam ik dan de moeite die passages nóg eens te lezen, in de hoop de toon ervan correct te vatten, maar dat is niet iets wat je blíjft doen. Ook hier zouden essays de oplossing geweest zijn: niks verhindert dat je er eens eentje in een ironische vorm giet, maar de kans is groter dat je die ironische vorm dan ook volhoudt.

En dan zou ik nu, zoals andere boekbesprekers hebben gedaan, bijvoorbeeld dieper kunnen ingaan op, zoals de schrijvelaars van Wikipedia dat doen, de “minstens negen karakters” van een inwoner van een land, of dat wat, naast de relativiteit van ‘goed’ en ‘kwaad’ (“De mens geeft aan de daad het karakter, en het gaat niet omgekeerd! Wij scheiden goed van kwaad, maar in onszelf weten wij dat ze een geheel vormen!”), zo ongeveer de kernfilosofie van dit boek is en tevens de titel van hoofdstuk vier: Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan. Maar dat laat ik liever over aan ernstige mensen als Nico van der Sijde. Al schrijft die dan in het begin van zijn bespreking dat het boek “werkelijk bezopen ingewikkeld qua inhoud, structuur en stijl” is, hij heeft wel redelijk hard zijn best gedaan om de filosofie van Musil/Ulrich weer te geven, en ik voel me niet geroepen die oefening nog eens dunnetjes over te doen. Zeker niet als ik bijvoorbeeld ook een hilarisch stukje kan citeren waarin Musil het heeft over het Oostenrijks patriottisme (een patriottisme dat bijvoorbeeld ook weerspiegeld werd in het kaiserlich und königlich, of in de hele evenwichtsoefening tussen Oostenrijks, Oostenrijks-Hongaars, Hongaars, enzovoort, waar Musil, zoals met zovele andere dingen die typisch waren voor de tijd én de geografie, op voortreffelijke wijze de draak mee steekt) van die dagen: “Patriottisme was in Oostenrijk een heel speciaal onderwerp. Want Duitse kinderen werd eenvoudig geleerd op de oorlogen van de Oostenrijkse kinderen neer te zien en men bracht ze bij dat Franse kinderen de nazaten waren van decadente losbollen, die het met duizenden tegelijk op een lopen zetten zodra er een Duitse landweerman op ze afkomt die een flinke baard heeft. En met de rollen omgedraaid en de nodige wijzigingen leerden de Franse, Russische en Engelse kinderen, die ook dikwijls hebben gezegevierd, precies hetzelfde. Nu zijn kinderen opscheppers, dol op rovertje spelen en te allen tijde bereid om de familie Y uit de Grote X-straat, als ze daar toevallig toe behoren, als de grootste familie van de wereld te beschouwen. Ze zijn dus gemakkelijk te winnen voor het patriottisme. Maar in Oostenrijk lag dat wat ingewikkelder. Want de Oostenrijkers hadden weliswaar ook alle oorlogen uit hun geschiedenis gewonnen, maar na de meeste van die oorlogen hadden ze het een of ander moeten afstaan.” Dat is namelijk míjn soort filosofie, dat begrijp ik. Net zoals: “(…) sport was ruw. Je zou kunnen zeggen, de neerslag van een uiterst fijn verdeelde, collectieve haat, die in wedstrijden wordt afgeleid. Natuurlijk werd het tegendeel beweerd, sport zou saamhorigheid scheppen, verbroederen en zo meer; maar dat bewees in feite alleen dat ruwheid en liefde niet verder van elkaar verwijderd waren dan de ene vleugel van een grote kleurige stomme vogel van de andere.” Of: “Op een conferentie brengt iedereen naar voren wat hij zou willen bereiken en juist vindt, en uiteindelijk komt daar iets uit voort dat niemand echt heeft gewild: dat is dan het resultaat.” Of een pareltje van fijnzinnige humor als dit: “Moosbrugger was een timmerman”, met een paar lijnen daar achter “Als aan de grond genageld bleef men staan wanneer men dit door God met alle tekenen van goedheid gezegende gezicht voor het eerst tegenkwam (…)”. Of dingetjes als: “(…) het moment dus waarop hij zich zonder rekening te houden met zijn pantalon en zijn toekomst aan Diotima’s voeten wilde werpen”, “Van de wijde wereld had men zes vierkante meter uitgezocht, en daarop liep Moosbrugger heen en weer”, “(…) de mooie dame deelde haar gezelschap mee dat zij de behoefte voelde om te genieten van het zonlicht en het jaar 1914”, of, ten slotte, “een schaal die was gevuld met radijsjes, mandarijntjes, kraakamandelen, smeerkaas en grote Turkse pruimedanten” die op de ene bladzijde “dit kostelijke en gezonde avondmaal” wordt genoemd en op de volgende simpelweg “groenvoer”.

Ik ga deze boekbespreking niet afsluiten met de bewering dat u het lezen van dit boek best kan nalaten – een beetje naar analogie van de hoofdstuktitel Een hoofdstuk dat een ieder die geen al te hoge dunk heeft van het denken als bezigheid kan overslaan -, maar u bent op z’n minst gewaarschuwd dat u er véél tijd zal moeten insteken, nul actie kan verwachten, en waarschijnlijk óók wel van oordeel zal zijn dat het allemaal een stuk korter had gekund. Zelf heb ik nog even getwijfeld of ik het boek niet alsnog in mijn kasten zou houden om het later, met wat meer geduld, nog eens te lezen, maar de kans dat ik dat zal doen, is sowieso verwaarloosbaar klein, dus wordt er plaats geruimd voor wat anders.

Björn Roose

dinsdag 21 juli 2026

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)

Simon Carmiggelt – Tussen twee stoelen (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb niet zoveel boeken van Simon Carmiggelt besproken als ik er gelezen heb (omdat ik nu eenmaal al lang aan het lezen was vooraleer ik aan het bespreken begon), maar ben met mijn bespreking van voorliggend Tussen twee stoelen toch al aan mijn vijfde toe. En ik dacht na al dat lezen Carmiggelt toch wel een beetje te kennen: altijd wel goed voor een glimlach, heel soms voor een schaterlach, nog zeldener voor een lachbui, een opa, een sul van een vent, een man die in cafés de mensen zit te bekijken (en beschrijven), een bezoeker van Artis (ook in dít boek, trouwens – “Goed, goed – ga naar Artis. Als de zon schijnt, treft ge er uw soortgenoten bij duizenden aan. De directeur vindt dat prettig, maar ik ben er niet zeker van, dat de ijsbeer hem bijvalt.”), een aan-elkaar-plakker van willekeurige stukjes conversatie, een gezapige toerist, een gebruiker van het openbaar vervoer, van bankjes in parken, van al wat dagdagelijks is, maar dat alles vooral in een weinig opvallende stijl. Cursiefjes hoéven ook niet per se in een opvallende stijl geschreven te zijn, ze zijn een stijl van zichzelf, maar hoe dan ook zou ik u, desgevraagd, voor de stijl sowieso naar – wie anders? – Godfried Bomans hebben doorverwezen, niet naar Carmiggelt. En dat zou ik wellicht nóg doen, maar dan wel uitzondering makend voor Tussen twee stoelen. Of naar de aan deze bundel ten grondslag liggende twee bundels, Louter leugens (daterend uit 1951) en Tussen mal en dwaas (gepubliceerd in 1949). Aan die twee zijn de teksten in Tussen twee stoelen “ontleend” en ik ga er van uit – ik heb ze, wegens niet in bezit, nog niet gelezen – dat er daarin ook nog teksten staan van het niveau van taalkundige verfijning dat tekenend is voor de teksten die er uit gehaald werden. Of van de meeste toch, want hier en daar, voornamelijk in het mini-verzamelingetje Kroegen (uiteraard!), is Carmiggelt toch ‘gewoon’ de Carmiggelt die ik van vele andere bundels kende.

Iets wat dus niet geldt voor het overgrote deel van de ‘stukjes’ in Tussen twee stoelen, wat al meteen – en op dat moment nog tot mijn verrassing – bleek uit het eerste ervan, Een lachsucces, dat aldus begint: “Toen ik een jongmens van zeventien jaar was, placht ik vrijwel dagelijks in sonnetvorm uiting te geven aan mijn verlangen naar vaste verkering. Het was een vertrouwd werkje, dat meestal kort voor het inslapen zijn beslag kreeg, maar op den duur vond ik er toch geen bevrediging in. Ik begeerde niet alleen in poeticis, doch ook metterdaad meisjes te ontmoeten en nam, na lang aarzelen, de zaak op met een oudere vriend, die reeds verscheidene verlovingen had verbroken en een motorfiets bezat, zodat hij als een kenner te boek stond.” Wie de werken van Carmiggelt enigszins kent, zal het met me eens zijn dat dát niet echt klinkt als de ‘standaard’ Carmiggelt én ook inhoudelijk van die ‘standaard’ afwijkt.

Wat overigens nog niet wil zeggen dat die ‘standaard’ er een is die anders in iedere bundel van Carmiggelt aangehouden werd. Al is het maar omdat de stukjes van Carmiggelt in zovele bundels van wisselende samenstelling zijn opgenomen. Het eerste deel van de mini-verzameling In het publiek, bijvoorbeeld, ben ik honderd procent zeker in een ander boek van hem tegengekomen, al zou het mij té veel tijd kosten om nu even uit te zoeken in wélk. Meer tijd nog dan het zou kosten om Zéér sterk, dat als volgt eindigt, niét als een absurd stuk te beschouwen: “Ik liep de kamer uit. Toen ik de buitendeur opende, riep Willebrand mij op onzekere toon na: ‘En nog wel bedankt, hoor’. Bij mijn thuiskomst wachtte mij nòg een verrassing. De slaapkamer binnentredend, zag ik mezelf namelijk naast mijn vrouw in bed liggen. De lezer begrijpt, hoe ik opkeek toen ik mij had wakker gemaakt. Alleen mijn vrouw vond het, geloof ik, niet zo erg. ‘Als jullie maar niet een van beiden de hele dag thuis gaat zitten,’ riep ze, ‘want niets is erger dan een man over de vloer, die geen werk om handen heeft.’ Enfin – we hebben het nu voorlopig zó geregeld, dat we om de beurt een dagje werken. De ene dag schrijf ik het stukje en de andere dag ik. Dit is van mij. Kunt u het merken?”

Al had het natuurlijk ook nog van een ander kunnen zijn, zo blijkt uit het tweede deeltje van de mini-verzameling Een werkdag (in mini-verzamelingen zijn de meeste van de cursiefjes in dit in 1963 bij De Bezige Bij uitgegeven, honderdvijfenzestig bladzijden dikke boekje overigens ingedeeld): “Met dat al blijkt buiten, dat de dag geurt als een meisje van vijftien jaar. Bepaald veerkrachtig spring ik bij het Centraal Station uit de tram en snuif behaaglijk. Schuimende morgen! ‘Neen dief, dat is van Marsman,’ denk ik. Mijn beste beelden blijken, bij nader inzien, altijd van een ander.” Een lichte overdrijving ongetwijfeld, zoals die waarmee het eerste deeltje van de (weerom) mini-verzameling Geringe misslagen begint alvorens dat helemaal uit de hand loopt: “Nou, daar op het Damrak waren we die oude lijn zestien weer spitsuurlijk aan het volstouwen. Door op de rug van een oud moedertje te klimmen, kwam ik nog net mee, als kurk op de fles. Ik duwde krachtig, doch beschaafd en draaide mij moeizaam om, ten einde oog in oog te komen met de voorbijsnellende, frisse lucht, waaraan een mens tijdens zo’n ritje altijd sterke behoefte heeft.”

Wat toch weer eens wat anders is dan het bijna literaire begin van het eerste stukje uit (sorry!) mini-verzameling Een toontje lager: “Ruiende herfstbomen doen mij vaak denken aan Shakespeareaanse wouden, vol wrange narren en ranke minnaars en met een wijze Oberon vooral, die zijn vrouw doet ontwaken uit haar bespottelijke bevlieging voor een ezelskop, met milde hand ener indanthrene echtgenotelijke liefde. Want de herfst, vrienden, is een zéér geserreerd seizoen. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr’ en wie het wèl heeft staat aan het venster en ziet glazig toe, hoe het kokette zomergroen, dat al een tikje fané begon te worden, thans definitief verinnigt tot het goudbruin van een dame, die nog bèst mooie, rustige jaren met Piet tegemoet gaat.” Niet echt raar dat dat stukje bij Willem Kloos eindigt, wat misschien niet kan gezegd worden van hoe het derde stukje in (toch, toch) mini-verzameling Facetten van het huwelijksleven begint: “Aanvankelijk zaten we als een kneuterig echtpaar bij de leeslamp – zij met De Pest van Camus [zie mijn bespreking hier, noot van mij] en ik met De Walging van Sartre, maar tòch de thee gezellig op het lichtje, of we Willy Corsari op de knie hadden. Toen brak opeens alles stuk, doordat mijn vrouw uit haar stervende ratten opkeek om polemisch te zeggen: ‘Morgen heb ik tachtig gulden nodig’.”

Maar goed, ik kan blíjven citeren, en dat wil ik u nu ook weer niet aan doen. Alleen nog een paar korte dingetjes. Uit Opera: “De zaal verhief zich, applaudisserend en ook ‘t echtpaar enigszins bekruimeld”. Uit Een sprookje: “‘Ach vogeltje, laat ik jou eens even helpen!’ zei de conducteur, die een goed hart had en hij boog zich voorover en spalkte het pootje met zijn sigarettenpijpje. Toen hij klaar was, veranderde het vogeltje eensklaps in een fee en de fee sprak, met een fijn stemmetje: ‘Omdat je zo lief voor me bent geweest, mag je een wens doen’”. Wat het begin is van een verhaal dat me terug deed denken aan Idioten. 5 Sprookjes van Jakob Arjouni. Uit het derde deel van de mini-verzameling Herfstachtig: “De mistige middag maakte de gracht helemaal onduidelijk. Ik liep er vaagjes, want ik wilde mij iets herinneren en faalde telkens als ik het bijna had. Opeens zei iemand iets tegen mij, maar ik verstond het niet, door mijn schemerigheid”. En, ten slotte, uit het tweede deel van – laatste keer dat ik de term gebruik, beloofd – de mini-verzameling Mensen: “Ze wonen maar één straat ver en het zijn rustige mensen. Hij schreef opmerkelijke verzen en werkt dus op een reclamebureau, zij studeerde chemie en kookt daardoor slechter dan iemand, die geen chemie studeerde. Veel boeken, geen kinderen, tòch geen hond, maar een abonnement op ‘The New Yorker’ en ook verder ‘t complete ziektebeeld van intellectuelen, die het niet helpen kunnen en in twee kamers, fijntjes monkelend zitten te wachten tot hun leven om is. Want als u denkt, dat de happy few zich happy voelt, hebt u ze nooit aangekeken.”

Degene die de achterflap van deze uitgave vol pende, noemt Tussen twee stoelen – “een titel die de auteur illustratief acht voor de humor als levenshouding” – een samenvoeging en herziening van “twee van zijn talrijke microverhalen”, wat me onzin lijkt, cursiefjes zijn simpelweg cursiefjes, maar ook als Carmiggelt “er hier en daar, naar eigen smaak, in schrapte en enige later geschreven schetsen aan het boek toevoegde”, is het geheel in ieder geval zeer geslaagd. Ondanks de vermelding overigens dat de inhoud van dit boek er “mede oorzaak [van was] dat Carmiggelt, in 1961 de Constantijn Huygensprijs ontving voor zijn hele oeuvre”. Zo’n prijs uitdelen komt immers, mijns inziens, op zoveel neer als zeggen dat de auteur van dat “hele oeuvre” er zo zoetjes aan wel mee mag stoppen, terwijl het maar goed is dat hij er nadien nog zesentwintig jaar mee is doorgegaan (en daar ook nog wel een paar prijzen voor kreeg).

Björn Roose

P.S.: dat ik consequent ben in wat ik schrijf, blijkt overigens uit het feit dat ik het bij mijn bespreking van Lachen kost niks van Carmiggelt óók al had over het feit dat Een sprookje – blijkbaar eveneens in dié bundel opgenomen - me deed denken aan Idioten. 5 sprookjes van Arjouni.


dinsdag 26 mei 2026

De wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch – Onno Blom (boekbespreking door Björn Roose)

De wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch – Onno Blom (boekbespreking door Björn Roose)
“Mulisch koos mijn naam, zo vertelde hij mij in de boekhandel, omdat die hetzelfde blijft als je ‘m omkeert.” Dat ene zinnetje was er verantwoordelijk voor dat ik dit boek van Onno Blom, De Wondergrijsaard – Portret van Harry Mulisch, ging lezen. Dat ene zinnetje en het feit dat mijn vriendin daar op wees, natuurlijk. Wat ze deed omdat ze zelf dit boek geleend had in de bib en het gelezen had. Wat merkwaardigerwijs samenviel met het feit dat ik De ontdekking van de hemel – uit mijn eigen bibliotheek – aan het lezen was. De ontdekking van de hemel van Harry Mulish dus, een boek waarin één van de hoofdpersonages Onno Quist heet.

Toeval? “Talent”, zou Mulisch het genoemd hebben. Maar “Mulisch beschouwde zijn persoonlijkheid” dan ook “als een kunstwerk, zijn oeuvre als één groot zelfportret. Hij voelde zich in dit opzicht verwant met Johann Wolfgang von Goethe. Johann Peter Eckermannn, diens bewonderde biograaf, had Goethe in zijn laatste levensjaren gevraagd: ‘Als je nu als Engelsman was geboren, ergens in de achterbuurten van Londen, wie was je dan geworden?’ ‘Dat zou ik nooit hebben gedaan,’ antwoordde Goethe. ‘Ik zou altijd heel goed ter wereld zijn gekomen, als kardinaal op zijn minst.’” Niks toeval dus, ook niet in zijn boeken: “In mijn boeken bestaat het toeval niet. Als er in De ontdekking van de hemel” – ongetwijfeld zijn meest bekende en, neem ik aan, ook best verkopende, boek – “op het hoofd van Max Delius een meteoriet valt nadat hij een geweldige ontdekking heeft gedaan, zullen mensen misschien zeggen: goh, wat een toeval. Maar zo is het natuurlijk niet. Een engel vertelt het verhaal van Max aan een andere. De engel manipuleert het leven van Max, en ik dat van de engel.”

Met dat citaat uit De wondergrijsaard loop ik een stukje vooruit op mijn bespreking van De ontdekking van de hemel zelf, maar daar valt niet zo veel aan te doen. En het maakt ook niet echt uit, gezien ik nog méér ga meegeven over De ontdekking van de hemel in deze bespreking van De wondergrijsaard.

Bijvoorbeeld dat Onno Blom het eerste hoofdstuk, volgend op de Proloog, voorzien heeft van de titel Het begin van het begin. Totaal niet toevallig ook de titel van het Eerste deel van De ontdekking van de hemel, waarvan de volgende delen Het einde van het begin, Het begin van het einde, en Het einde van het einde getiteld zijn, en dat in tegenstelling tot wat geldt voor enige verdere hoofdstukken in De wondergrijsaard.

Bijvoorbeeld ook dat Mulisch klaarblijkelijk “spatelduimen” had – een medische aandoening waarover ik, het internet bevat dan tóch niet alle info, niks heb kunnen terugvinden –, net zoals de al genoemde Max Delius. Of dat hij en zijn beste vriend, Hein Donner, drie weken uit elkaar geboren werden, maar dat Donner “drie weken te vroeg geboren was. We kwamen erachter dat we op dezelfde dag zijn verwekt: 29 oktober 1926.” Dát, zei Mulisch, “is toeval, maar dat zou aardig zijn om te gebruiken”. Wat hij dan ook deed: Onno Quist en Max Delius bevinden zich in dezelfde situatie.

Bijvoorbeeld dat Mulisch “de zoon van een Joodse moeder [was], wier familie in de oorlog werd afgeslacht, en een vader die zich aan ernstige collaboratie schuldig had gemaakt. Kurt Victor Karl Mulisch, door zijn zoon meestal aangeduid met zijn initialen, KVK, was een voormalig Oostenrijks-Hongaarse officier en drager van het ijzeren kruis eerste klasse vanwege zijn dapperheid in de Eerste Wereldoorlog, en ging in de Tweede Wereldoorlog als bankier voor de nazi’s werken.” Niet helemáál zoals de vader van Max Delius, wiens moeder eveneens joods is, maar toch close. “Ik ben de Tweede Wereldoorlog”, schreef Mulisch – “niet zijn meest bescheiden uitspraak”, dixit Blom.

Bijvoorbeeld eveneens dat Mulisch tijdens die oorlog wel eens het Museum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen in Leiden aandeed, het tegenwoordige Rijksmuseum Boerhaave, om zich daar te verlustigen in de aanblik van de telescopen, een bezigheid die hij buiten het museum verderzette door er door te kijken – “Naar mijn inzicht (…) bestond het wezen van de telescoop hieruit, dat men ermee kijkt, niet dat men ernaar kijkt”, aldus Mulisch -, wat meteen model staat voor het beroep van Delius: sterrenkundige.

Bijvoorbeeld…, bijvoorbeeld…, bijvoorbeeld. Wie dit Portret van Harry Mulisch leest en daarvóór of daarna De ontdekking van de hemel, zal beslist ontdekken dat zelfs als er niet expliciet verwezen wordt naar de gelijkenissen tussen Mulisch’ leven en dat van een aantal van zijn personages, die gelijkenissen legio zijn (in De ontdekking van de hemel bijvoorbeeld niet alleen Onno Quist en Max Delius, maar ook Quinten Quist). Wie met de man, een volbloed hetero over wie de International Herald Tribune in 1970 schreef dat hij “held a party to commemorate his thousandth sexual conquest” – “Het waren er natuurlijk veel meer. Misschien wel tweeduizend. Dat het er in die tijd met de dames vrolijk aan toe ging, dat wil ik niet ontkennen”, dixit Mulisch -, maar er, aldus kunstenares Marte Röling, uitziend “als een homofiele balletdanser” (wie zijn portret op de voorpagina van dit Portret ziet, zal weten wat ze bedoelde), in contact kwam, moest er gewoon rekening mee houden dat Mulisch’ lezers via zijn boeken ook in contact konden komen met hem, al mengde hij, zoals alle schrijvers, meerdere ‘echte’ mensen door mekaar om tot één fictief personage te komen.

Iets wat niet gebeurde met De Grote Drie, waartoe naast Harry Mulisch, ook Gerard (van het) Reve en W.F. Hermans gerekend werden (“Na de dood van Hermans en vanwege de geestelijke teloorgang van Reve, die niet meer schreef, werd Mulisch beschouwd als De Grote Een”): “Zij onderhielden een hevige creatieve concurrentie, maar door elkaar te verketteren hielden zij elkaar óók in stand. De onderlinge verschillen waren groot. Mulisch was een onverholen optimist en idealist, Reve en Hermans waren aartsconservatieven. Reve bekeerde zich tot het katholicisme, wenste zijn collega’s met communistische sympathieën [waaronder Mulisch die tijdens een reis naar Cuba “zeer onder de indruk raakte van de communistische utopie en haar charismatische leider, Fidel Castro”, noot van mij] in een concentratiekamp en de neger een ‘enkele reis op de tjoeki tjoeki stoomboot naar Takki Takki Oerwoud’ (…) Hermans was een nihilist, zag de mens als een gevangene in een sadistisch universum. Hij doopte zijn pen in giftige inkt om altijd gelijk te krijgen. Anders dan hij was Mulisch niet polemisch ingesteld. Hermans was van het grote Nee, hij was van het grote Ja. Mulisch wilde ook niet ‘de beste schrijver’ zijn, zoals Reve. Laat staan ‘de enige’, zoals Hermans. ‘Want wie bepaalt dat? Dan moet ik hen die dat bepalen toch eerst de beste lezers vinden, en op grond waarvan zou ik dat moeten uitmaken? Alleen op grond van het feit dat zij mij de beste schrijver vinden?”

Mij bevalt de daaruit sprekende mentaliteit wel. Net zoals degene die hieruit blijkt: “(…) ik ben liever niets naast Dostojevski, dan ‘iets’ naast de klungels die hier voor grote schrijvers doorgaan. Zo ijdel ben ik wel.” Of het feit dat hij in Haarlem het gezelschap van zijn vriend Godfried Bomans zocht bij de “sociëteit Teisterbant” (waarover Bomans overigens in meerdere van zijn verhalen geschreven heeft). Of de vaststelling dat Mulisch oorspronkelijke liefde voor het (Cubaanse) communisme niet belette dat hij later “geamuseerd naar het publieke optreden van Fortuyn [had] gekeken”, enige “bewondering voor zijn politieke talent” had, in tegenstelling tot de linkse politici die hem voor “een fascist” hielden van oordeel was dat “Es war nichts Böses in diesem Mann”, en later zelfs “geporteerd [raakte] van sommige van de denkbeelden van Geert Wilders”. Dat soort gegevens, door Blom kunstig verweven in een als een trein lezende biografie van zo’n tweehonderdvijftig bladzijden, heeft er in ieder geval voor gezorgd dat ik behalve De ontdekking van de hemel nog méér van Mulisch wil gaan lezen. De aanslag stond al in mijn bibliotheek, Het stenen bruidsbed sinds een aantal weken ook, en vandaag – dat wil zeggen, op de dag dat ik deze boekbespreking schrijf – is daar Twee vrouwen aan toegevoegd. Temeer omdat De wondergrijsaard niet alléén omwille van de gelijkenissen tussen Mulisch’ werkelijkheid en diens fictie ook een portret van zijn boeken is. Wie passages als de volgende leest, kan immers alleen maar in iets willen duiken dat van die boeken een soort ‘universum’ maakt: “Vaak zat het nieuwe boek al in het oude verstopt. Soms las hij iets, zoals in het geval van De elementen, of gebeurde er iets – en dan ontrolde zich een verhaal voor zijn ogen. Al was één ingeving nooit genoeg. Pas twee of drie ideeën tegelijk, die samen een magische verbintenis aangingen, leidden tot een roman. Als dat gebeurde, leek het wel of het boek zichzelf schreef.” En referenties als de volgende lijken geloofwaardig een keer je De ontdekking van de hemel hebt gelezen: “In De procedure knipoogt Mulisch niet alleen naar Thomas Mann – die hij beschouwde als zijn literaire vader, zoals hij Goethe als zijn literaire grootvader beschouwde – maar ook naar een andere voorganger. De titel van De procedure spiegelt Der Process van Franz Kafka, dat Mulisch beschouwde al de beste roman van de twintigste eeuw.”

Ik denk niet dat Onno Blom z’n best heeft gedaan om, als zoiets al mogelijk is, een objectieve biografie van Mulisch te schrijven – al heeft hij er, gezien ze pas in 2020 verscheen en Mulisch al in 2010 overleed, wel zijn tijd voor genomen -, en hij is ook zo fair in zijn Epiloog de geschiedenis tussen hem en Mulisch te beschrijven, maar de duidelijke – zullen we het dan maar zo noemen? – liefde die de auteur van dit Portret voelt voor de auteur van de na de Epiloog opgenomen Werken van Harry Mulisch (een lijstje dat ik helaas niet bij de hand kan houden, omdat dit boek na lezing terug naar de openbare bibliotheek moet) – is in het geheel geen minpunt voor dit, zoals het op de achterflap genoemd wordt, “intieme, ontroerende portret van de kunstenaar als oude man”. Een portret dat uiteraard eindigt met diens dood: “Hij lag in de zijruimte aan de voorkant. Achter hem de Egyptiana, zijn amuletten voor in het dodenrijk. Zijn lichaam was vederlicht geworden, zweefde bijna op de baar, zijn huid van perkament. Hij had, net als in Nice, zijn favoriete donkerblauwe linnen jasje aan, rood pochet in de borstzak, vuurrode kousen. Zijn neus stak, doordat zijn gesloten ogen diep in de kassen waren verzonken, nog scherper naar voren. Een wijze, oude vogel. Ik brak. ‘Dag Harry.’”

En dag lezer. Als u dit boek toevallig zou aantreffen, vergeet dan zeker niet het te lezen.

Björn Roose

maandag 16 februari 2026

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Van mens tot mens – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)
Van mens tot mens
van Godfried Bomans zou het laatste boek worden dat ik in 2025 las. Niet dus, ik blijk altijd nog wat tijd over te hebben voor het lezen van boeken, maar dat is uiteraard geen beletsel om het te bespreken. Zelfs al is die bespreking óók iets dat ik me niet had voorgenomen: Steen op steen van Wiesław Myśliwski zou de laatste bespreking worden die ik in 2025 schreef, maar toen bleek ik op de ochtend van mijn laatste werkdag, 31 december (jawel), nog een uurtje tijd over te hebben, dus begon ik vast aan wat mijn eerste kalenderjaaroverschrijdende boekbespreking ooit is geworden (ik heb ze beëindigd op 2 januari 2026).

Passend eigenlijk voor een boek waar ik zo’n maand over gedaan heb. Zo’n maand, omdat ik het in mijn bibliotheek bij de cursiefjesbundels geplaatst had (waar ook het meeste werk van Bomans te vinden is) en ik al vele jaren de gewoonte heb mijn vriendin na het ontbijt op zondag lastig te vallen met het vóórlezen van cursiefjes (ze doet daar niet moeilijk over, dus houd ik daar niet mee op). En dat voorlezen, is dan weer iets wat ik nu ook weer niet de hele zondag kan doen, dus kan het een tijdje duren voor zo’n boek uit is, zelfs al is het, zoals in dit geval, slechts een tweehonderdtal bladzijden dik. Maar... Van mens tot mens is geen bundeling van cursiefjes, het is een bundeling van – zo geeft de cover ook aan – “nagelaten werk”, de eerste bundeling van die aard, uitgegeven door Elsevier in 1973. De volgende bundelingen zouden Thomas Robert Spoon en Een mooie tijd (oorspronkelijk voorzien onder de titel Een goede tijd) gaan heten, maar de motivatie van de drie uitgaves staat ook al vooraan in de eerste: “Talrijke korte stukken, essays en interviews van Godfried Bomans, in kranten en tijdschriften verschenen tussen het jaar 1945 en zijn overlijden op 22 december 1971, werden tijdens zijn leven niet gebundeld [dat zou ook onmogelijk geweest zijn gezien hij doorging met publiceren tot het einde van dat leven, noot van mij]. Het lag wel in zijn bedoeling zulks te doen en hij had, in die zin, enkele plannen ontworpen”. Waarbij een van die plannen “een bundel interviews en hier en daar verspreide stukken over markante persoonlijkheden” was, een plan dat uiteindelijk uitdraaide op Van mens tot mens, “interviews, verspreide stukken en een reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”.

Die “reeks artikelen over Lodewijk van Deyssel”, waaronder een vraaggesprek overigens, is (met hier en daar een duidelijk zichtbaar wordende herhaling tot gevolg) samengebracht onder het hoofdstuk Mijnheer Thijm, Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm being de echte naam van schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de Tachtigers, en, net zoals Bomans dat lange tijd was, inwoner van Haarlem. Die “reeks artikelen”, negen exemplaren in totaal, vormt daarmee ook het thematische deel van het boek. Een thematisch deel waaruit telkens weer blijkt dat Godfried Bomans Lodewijk Van Deyssel werkelijk een warm hart toedroeg, zelfs al was hij verre van kritiekloos wat de auteur in de mens betrof – iets wat zich onder andere uit in Oratorio aan Lodewijk van Deyssel - en staan niet al de verzamelde artikels in dit hoofdstuk op hetzelfde niveau. Ik ben geneigd dat laatste op de bijna volstrekte afwezigheid van humor in de, voor zover ik dat kan inschatten, oudste stukken te steken, maar aan de andere kant ontbreekt die humor ook in veel van de onder het hoofdstuk Ontmoetingen met mensen en boeken verzamelde artikels en zijn die er niet minder boeiend om geworden. Misschien is het dan ook niet die afwezigheid van humor, maar een té groot respect voor het onderwerp, dat in de eerste artikels wat wringt. Een probleem dat duidelijk volledig opgelost was toen Bomans zich aan het schrijven van Herinnering aan Lodewijk van Deyssel zette (misschien omdat die toen al overleden was), een artikel dat samen met Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm het beste in dit deel vormt en aantoont dat kunnen lachen om iemand niet betekent dat men dat respect laat varen. Een citaat als dit mag daar, zelfs los van het feit dat Bomans daarin in hoofdzaak zichzelf op de hak neemt, getuige van zijn: “De indruk was verpletterend. Niemand zei wat. Het geweldige hoofd met de machtige kin voorwaarts gericht, de handen diep in de zakken van zijn grijze jas, rukte Van Deyssel dwars tegen de regen op naar het westen. Het aanduiden van de door hem gekozen richting met ‘het westen’ komt mij bij zulk een reusachtige verschijning gepast voor, al kan men ook zeggen dat hij naar Overveen liep om een sigaar te kopen. Beide opvattingen zijn verdedigbaar, maar de eerste is de meest juiste, omdat wij ons hier in de epische orde bevinden. In de mythologie wordt niet gewinkeld. Ook Achilles had kunnen voorbijkomen en dan had ook hij zich westwaarts voortbewogen. De bestemming van dergelijke figuren kan alleen door het bepalen van hemelstreken worden aangegeven.”

Omdat ook voor de rest de artikels Herinnering aan Lodewijk van Deyssel, Anekdoten rond Thijm en Over de aandacht van Thijm bijna volledig citerenswaardig zijn, houd ik het wat het hoofdstuk Mijnheer Thijm betreft verder op nog één citaat (in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, nietwaar?): “Thijm zag scheel. Ik aarzel eigenlijk met dit te zeggen, niet omdat zoiets verzwegen moet worden, maar omdat ik eraan twijfel of een dergelijke graad van scheelheid nog onder het begrip loensen valt. De gebruikelijke scheelheid is immers op te vatten als een min of meer mislukte poging om recht te kijken, terwijl de onderlinge afwijking van Thijms ogen elk streven in die richting bij voorbaat uitsloot. Hij had eenvoudig twee gezichtsvelden, die slechts in een gering segment samenvielen en voor het overige een volstrekt gescheiden deel van de schepping bestreken. Hij zag hierdoor ook veel meer dan andere mensen en men moest daar terdege rekening mee houden. Knipoogjes van omstanders werden, ook als deze zich zijwaarts van Thijm voltrokken, terstond opgemerkt en uitdrukkelijk gesignaleerd. Hij zei dan, zonder zich tot de schuldige te wenden, recht voor zich uit: ‘Ik neem u waar’, wat een spookachtige uitwerking had. Wie tegenover Thijm zat, bevond zich echter niet in de noodzaak een keuze te maken. Bij gewone scheelheid bestaat die moeilijkheid wel: men dient dan te besluiten tot welk oog men zich richten zal. Bij Thijm viel dit probleem weg. Het ene oog was op u gevestigd, terwijl het andere door het raam naar buiten keek.” Tot dan toe een quasi louter humoristisch vaststellen van een fysiek fenomeen, dit citaat, maar dan komt iets wat ook tekenend is voor het volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken, zijnde een tekststuk waarin Bomans blijk geeft van het diepgaand schouwen in de mensen waarover hij het heeft: “Ik geloof dat deze afwijking, die juist in het centrum van zijn begaafdheid (hij was een ogenmens), gelegen was, van beslissende betekenis moet zijn geweest voor de vorming van zijn eigenaardige persoonlijkheid. Zijn wonderlijke maniërisme, het voortdurend inwendig besturen van alles wat hij deed, de aanhoudende bewustheid waarmee hij ook zijn geringste handelingen begeleidde, men kan die niet verklaren als men dit centrale feit buiten beschouwing laat. Nu kan men zeggen dat in het werk van Thijm hiervan toch maar niets te bespeuren valt. Het is inderdaad waar dat het opvalt. Het is moeilijk aan te nemen dat een auteur die als geen ander zijn aandoeningen tot in de verste vertakkingen heeft vastgelegd, juist deze bron van emoties in het midden van zijn bestaan niet zou hebben opgemerkt. Dit is dan ook niet het geval. Thijm schreef daaromheen en dit voortdurend ignoreren groeide ook tot een houding in het dagelijks leven die door velen als ‘bestudeerd’ veroordeeld werd. Als vaststelling is dit juist, als vonnis niet. Thijm moest iets doen met die vreemde zoeklichten, die ieder hun eigen bundel de wereld inwierpen. Ik weet niet of het u is opgevallen, maar in dit stuk [het hele artikel, noot van mij] heb ik driemaal vermeld dat Thijm de blik neergeslagen hield ofwel de ogen niet opsloeg, waarbij ik nog het gefingeerde ‘tranen’ beschreven heb. Dit verhullen van een zo centraal gebrek gaf aan zijn optreden die gesteven weloverwogenheid die zich ook in zijn stijl van schrijven openbaarde, want werk en leven zijn één. Ik geloof trouwens dat iedere kunstenaar, ook een zo uiterst mededeelzame als Van Deyssel, creëert vanuit een verzwegen plek.”

En dan dus dat al twee keer genoemde volgende hoofdstuk, Ontmoetingen met mensen en boeken. Mensen zijnde Maria Sibylla Merian, Jan Klaassen, Herbert George Wells (van wie ik eerder De oorlog der werelden besprak), Nicolas Beets (de auteur van de Camera Obscura, voor wie Bomans ook al een enorme fascinatie aan de dag legde), Ignace Wils, Minus Oostrijk, Gilbert Keith Chesterton (wiens aan de avonturen van Father Brown gewijde bundel ik in 2021 besprak), Willem Bilderdijk, Felix Rutten, Simon Carmiggelt (van wie ik veel meer boeken gelezen heb dan ik er besprak), Wim Sonneveld, Johann Peter Eckermann, en Franz Kafka (van wie ik in 2022 de Kleine vertellingen heb besproken).

‘Maria Sibylla Merian?’, hoor ik u al vragen. ‘Ignace Wils?’ ‘Minus Oostrijk?’ ‘Johann Peter Eckermann?’ Misschien zelfs: ‘Felix Rutten?’. En: ‘Jan Klaassen, is dat die van de poppenkast?’

Om met die laatste te beginnen: ‘Ja, dat is die van de poppenkast.’ En dat beantwoordt ook de centrale vragen in het stuk Jan Klaassen en Katrijn, de poppenkast op de Dam: “Maar wie heeft dan die oude geschiedenis het aller-, állereerst verzonnen? Wie bedacht de figuur van Pierlala (de dood), van Jan Klaassen, de bedrogen echtgenoot en lachende wijsgeer, en van Katrijntje, zijn kijvend wijf? Wie stond hier het eerst op de Dam, vóór de grootvader van de ‘oude Kabalt’ en vóór zelfs diens vader geboren was?”

En Felix Rutten, over wie Bomans het heeft in het artikel De lege stoel? Dat was een – op dezelfde dag als Bomans overleden – (Nederlands-)Limburgse schrijver over wie de auteur het ook al had in Wandelingen door Rome en over wie hij hier onder andere schrijft: “(…) Felix Rutten woont in een tuinhuisje aan de Tiber. Door het ene raam ziet hij de koepel van de Sint-Pieter, door het ander het ondergoed van enige belendende religieuzen aan de drooglijn. Tussen beide aspecten van kerkelijk leven staat zijn tafel en stoel. Hier schrijft hij zijn gedichten, die niemand te lezen krijgt, omdat ze hemzelf genoeg zijn. Hij doet dit al vijftig jaar en er mag geen dag verloren gaan.”

Johann Peter Eckermann dan, de ‘arme van geest’ uit het artikel Zalig de armen van geest? Hij was de man die de Gespräche mit Goethe neerpende, een boek waarvan Bomans schreef dat hij het iedere zomer las, “omdat het ‘t ‘op de plaats rust’ als geen ander markeert”, een man over wie in de Goethe-literatuur doorgaans geschreven werd (en wordt, misschien, ik ben niet thuis in de literatuur over Johann Wolfgang von Goethe en heb van hemzelf ook nog niet meer gelezen dan Faust 1 en 2, al heb ik in het Duits wel zijn verzameld werk staan) dat hij “een glasplaat [was], een schone vensterruit en (…) het licht ongehinderd door[liet]”, dat hij “zich niet weg [hoefde] te cijferen” omdat hij “niets [was]”, een stelling die Bomans ten gronde betwist: “Afgezien nog van de volharding en trouw, die er nodig zijn om een dergelijke notulering negen jaar vol te houden, ziet men daarbij een gave over het hoofd, die in het algemeen weinig wordt opgemerkt, juist omdat zij zo zelden wordt aangetroffen en bovendien de schijn van negativiteit in zich bergt: het vermogen om in een ander volledig te geloven. Men vergeet dat deze faculteit, die wat laatdunkend met het woord ‘verering’ wordt aangeduid, in de bezitter ervan een geest veronderstelt, die ontvankelijk is voor het hem gebodene en dus daarmee verwantschap vertoont. Bewondering berust op affiniteit. Niemand ziet naar een ander op, of hij moet, zij het slechts in kiem, de mogelijkheid van die ander in zich dragen. En het is deze verwantschap, die Eckermann siert en Goethe zag. Men komt er niet met Eckermann als een nul te beschouwen. Hij was een potentieel getal, Goethe begreep dit. Hij telde het cijfer op dat hij had kunnen worden, als het lot deze misdeelde wat gunstiger had toegelachen, en behandelde de som als een reële uitkomst. Hij las de onzichtbare inkt van diens mogelijkheden en maakte deze ook voor Eckermann leesbaar.” Waaraan Bomans nog toevoegt: “Had Goethe nu geleefd, hij zou geen Eckermann gevonden hebben. Hij had louter genieën ontmoet en de stoel van Johann Peter was onbezet gebleven, omdat ze allen in die van Goethe hadden plaatsgenomen. Geen van hen had hij aangetroffen in de staat van dienstbaarheid die voor dit boek een voorwaarde is, niemand hunner was eenvoudig genoeg geweest om iets zo gecompliceerds te maken.”

En Ignace Wils? “(…) een late middeleeuwer”, “De held van Igualada”, de beschrijvingen die Bomans gebruikt in de titel van het aan hem gewijde artikel zullen u wellicht nog niet veel verder helpen, maar Ignace Marie Petrus Wils schopte het tot “kolonel van het bataljon der Carlistische zoeaven” en stierf in die hoedanigheid bij de in 1873 tussen Carlisten en Republikeinen gevoerde gevechten om Igualada (Catalonië). Een ook in Ravenstein, zijn geboortestad, allicht grotendeels vergeten figuur, al loopt er op het moment dat ik deze boekbespreking schrijf wél een tentoonstelling (nog open tot eind januari 2026) rond hem en zijn broer August onder de naam Zouaven Ravenstein, daarmee (al gaat de geschiedenis rond Ignace Wils dus ook nadien nog verder) aandacht bestedend aan het Pauselijk Zouavenkorps dat van 1861 tot 1870 vrijwilligers van overal ter wereld verenigde ter verdediging van de onafhankelijke Kerkelijke Staat.

Minus Oostrijk? Een postbode die Vincent van Gogh nog persoonlijk zou gekend hebben, maar waarvan ik op het internet geen spoor terug vind en waarvan ik na lezing van het artikel Echte Van Gogh in jutezak? ook niet zeker ben dat hij niet ontstaan is in de fantasie van Bomans, een artikel waarvan ik u desalniettemin de conclusie niet wil onthouden: “Wij weten nu, de ganse rivier van dit leven [dat van Van Gogh dus, noot van mij] overziende, dat Etten niet meer dan een schutsluis was, een voorbereiding tot hoger vaart, maar de sluiswachters wisten dit niet en konden dit ook niet weten. Daarom is het goed, één van hen te spreken. Wij zien een ogenblik de concrete Van Gogh, vóór het abstracte, uit alle bekende bouwstenen gecomponeerde en ons zo vertrouwde reuzenbeeld. En het stemt ons tot behoedzaamheid in het beoordelen van hen, die onze tijdgenoten zijn en die wij slechts kennen in een fase van hun ontwikkeling.”

En, ten slotte, voor we aan de bekendere figuren beginnen, Maria Sibylla Merian? Een vrouw naar wie recent in Amsterdam een brug werd genoemd, auteur van het in 1705 verschenen boek Metamorphosis insectorum Surinamensium, een van zestig kopergravures voorzien werk waarin ze de levenscycli beschrijft van insecten in Suriname (waar ze daartoe twee jaar verbleef), maar waarvoor (nu, in tijden waarin in het bijzonder aandacht besteed wordt aan vrouwen in de kunst en de wetenschap, misschien meer) nauwelijks belangstelling was (geweest) toen Bomans zijn artikel over haar schreef. En dat terwijl, zoals het óók getiteld is, Over de Voort-teling en Wonderbaerlyke Veranderingen der Surinaemsche Insecten. Beneffens de Gewassen daer ze op gevonden zijn. Waer in ook de wonderbaere Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en andere seltsame Gediertens worden vertoont en beschreeven. Alles in Amerika door M.S. Meiraen naar het leeven en levensgrootte Geschildert en nu in ‘t Kooper overgebracht “een schok door gans Europa [gaf]. En van buiten de grenzen reden de karossen der rijke verzamelaars voor de onaanzienlijke woning in de Kerkstraat (tussen Leidsestraat en Spiegelgracht) waar de vrouw, die dit alles in stilte schiep, in een armstoel zat, verlamd en uitgeput”. “Haar faam smeulde voort tot in de eerste helft der negentiende eeuw,” schrijft Bomans nog, “en doofde toen. En ik durf geloven dat het merendeel mijner lezers eerst door deze schets haar naam vernomen heeft. Want in onze vaderlandse geschiedenis gaan vlootvoogden en regenten vóór, en in de schaduw van hun roem wachten nog tientallen op onze genegenheid.”

Is dit een behoorlijk lange boekbespreking aan het worden? Ja, dat is het. Maar dat valt gezien de aard van het werk ook niet als… eigenaardig te beschouwen. Over dus naar de bekendere figuren, waarbij u alvast de sjans heeft dat ik in Een kampioen van het menselijk geluk – In memoriam H.G. Wells, geschreven kort na diens overlijden in augustus 1946 dus, niks als te citeren heb aangeduid. Niet omdat er niks interessants in staat, maar omdat het me allemaal al bekend was (wat dus allicht ook geldt voor al wie de jongste jaren wat biografische gegevens over Wells gelezen heeft).

Wat Hildebrand betreft zou ik me er dan weer kunnen van af maken met een verwijzing naar Merkwaardigheden rond de Camera Obscura, het boek waarin zeventien stukken van Bomans over dat boek en de auteur ervan gebundeld werden, maar ik geef u toch even de conclusie van Bomans’ gesprek met de dochter van Beets mee: “Het kon vader niet veel schelen. Maar het verdroot hem wel eens, dat de mensen altijd over zijn Camera spraken, alsof hij na zijn 25ste jaar niets anders zou geschreven hebben. Men kent zijn preken, zijn wetenschappelijke verhandelingen op het gebied van taal en letteren en vooral zijn verzen niet. Daarmee doet men hem nochtans onrecht. Hijzelf schreef eens: ‘Mijn leven is in mijn Camera, mijn hart in mijn gedichten.’ Maar dat hart heeft voor velen vergeefs geklopt.”

En dan Simon Carmiggelt. Het ‘gesprek’ tussen hem en Bomans in Simon Carmiggelt 50 jaar had ik, me dunkt, ook al eens ergens gelezen en is duidelijk gefingeerd, maar het is hilarisch als Bomans op zijn best. Ik beperk me bijgevolg tot het weergeven van een klein stukje er uit: “Carmiggelt is dan, om met de deur in huis te vallen, een goede vijftiger, nog vol geestkracht en plannen voor de toekomst, met de levendige gelaatstrekken van iemand, die veel te zeggen heeft, maar wel zo wijs is om dat niet te doen. Kin, neus en oren verraden in hun krachtige snit een ondernemend karakter, maar de melancholieke ogen hebben allang besloten daar geen gebruik van te maken. De mond is delicaat gevormd en ook zijn maat schoenen blijft beneden het nationaal gemiddelde. Opmerkelijk is ook het spel van zijn handen. Ik kom daar misschien dadelijk op terug. Het breed gewelfde voorhoofd schept verwachtingen, die in de loop van het gesprek niet geheel worden ingelost, want Carmiggelt modelleert zijn mededelingen naar het bevattingsvermogen van degene, die tegenover hem zit. Het aan de slapen reeds grijzende haar wekt een vermoeden van leed, dat eveneens ongegrond blijkt. Kwam je hem op straat tegen, dan zou je denken: die jongen heeft het moeilijk, maar zie je hem thuis, dan is het best uit te houden, ben je mal, we zijn allemaal maar mensen en morgen komt er weer een dag.”

Een mening die Gilbert Keith Chesterton ongetwijfeld zou gedeeld hebben. Uit Bomans’ stuk over hem, G.K. Chesterton – Over een argeloze detective, waarin het overgrote deel van de aandacht dus naar de eerdergenoemde Father Brown gaat, zou ik wel wíllen citeren, maar ik kan het niet omdat ik dan tot mijn spijt de rest van de tekst niet mag citeren en het hele stuk gewoon groots is. Een mooie aanvulling op Gaston Durnez’ De lach van Chesterton ook, al dateert het boek van Durnez uiteraard van later.

Wat dan weer De sleutel tot de figuur Bilderdijk – Bij de herdenking van zijn geboortedag betreft, houd ik het bij twee stukjes tekst en het feit dat de ‘sociëteit’ die Bomans samen met een aantal anderen in Haarlem stichtte, Teisterbant genaamd, werd vernoemd naar diezelfde Bilderijk, die zichzelf als graaf van Teisterbant beschouwde: 1) “Men kan uitstekende wijn drinken en toch slechte gedichten schrijven. Ook de omgekeerde werkwijze is mogelijk en wordt hier herhaaldelijk toegepast”; 2) “Bilderdijk was, ofschoon hij slechte verzen schreef, een groot en waarachtig dichter. Hij dichtte de enorme gaten, die de realiteit openliet en schiep aldus een dijk, die tot ver in de Helleense oertijden doorliep: een Bilderdijk. Dit is: een dijk van beelden. Dat wij daarmee niet wensen ingepolderd te worden en hem, vergeleken bij onze eigen poëtische ingenieurs, als een Leeghwater beschouwen, doet niets af aan het feit dat hij eens grote provincies van ons nationale geestesleven heeft drooggelegd.”

Wat niet het soort bezigheid was waarmee Wim Sonneveld zich doorgaans onledig hield. In tegendeel, de tranen stroomden soms door de zalen waar hij optradt. Tranen van het lachen, wel te verstaan. Al waren er ook, misschien vooral, bij zijn ‘frater Venantius’ droeftoeters die het helemaal niet leuk vonden. Iets waarover Bomans schrijft: “Al die mensen, die in paniek raken omdat er een religieus is belachelijk gemaakt hebben niet begrepen, dat ‘frater Venantius’ in het ootje is genomen, niet als religieus, maar als cabaretier. Sonneveld zal er niet aan denken een kloosterling in zijn roeping aan te tasten; maar zodra de man als artiest gaat optreden, wordt hij kwetsbaar. Hij komt dan op het terrein van Wim Sonneveld, die volledig het recht heeft hem als zodanig te beoordelen. Dit oordeel was vernietigend. Wie nu meent, dat hiermee de kloosterstaat is beledigd en het katholieke geloof besmeurd, heeft totaal niet begrepen in welke functie frater Venantius is aangepakt. Dadelijk krijgen we misschien voetballende broeders. Moeten we dan vol eerbied op de tribune dat gelepel bekijken? Nee, zodra een kloosterling dat broekje aantrekt verliest hij de bescherming van zijn habijt en wordt hij naar zijn balcontrole beoordeeld. De mening dat fraters, wat ze ook doen, altijd in de eredivisie thuishoren, berust op een misverstand.”

Waarna alleen nog De Weense ambtenaar overblijft, Franz Kafka dus, of toch de Gespräche mit Kafka die Gustav Janouch in 1947, meer dan twee decennia na Kafka’s dood, optekende, Gespräche waaruit Bomans citeert. Citaten citeren lijkt me echter net wat te ver te gaan, dus laat ik dat maar achterwege. We moeten het immers ook nog over het derde deel van dit boek hebben, Interviews. Een “met de acteurs Paul Steenbergen en Myra Ward”, een “met minister J. Luns” (Ten huize van het echtpaar Luns), een “met prof. dr. Max Euwe”, en een “met Jan Foudraine” (De psychiatrie op de helling).

Even dacht ik u te kunnen verblijden met het ‘nieuws’ dat u Paul Steenbergen misschien kende als kapelaan De Goey uit Ciske de Rat, maar de Ciske de Rat waarin Steenbergen speelde, dateert van 1955, dus die kans is vrij klein. Myra Ward was zijn vierde echtgenote en zal wat het grote publiek betreft misschien nog het bekendst geworden zijn als Tante Adèle Takma uit de tv-serie Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (uiteraard gebaseerd op de gelijknamige roman van Louis Couperus), maar die ligt intussen ook al vijftig jaar achter ons, dus is ze u wellicht even onbekend als Paul Steenbergen. Dat hoéft geen beletsel te zijn om uit dat vraaggesprek te citeren, maar gezien er – mijns inziens – niet echt iets van eeuwigheidswaarde in staat, doe ik dat niet. Iets wat ook geldt voor het vraaggesprek met Joseph Luns, al zou die kort nadien secretaris-generaal van de NAVO worden, Max Euwe, wereldkampioen schaken van 1935 tot 1937, en psychiater Jan Foudraine, destijds bevallen van zijn eerste boek Wie is van hout? en nadien ook bekend geworden als Swami Deva Amrito. Ik ga niet zeggen dat die vraaggesprekken niet hadden moeten opgenomen worden in dit boek – de uitgever was per slot van rekening bezig met het bundelen van nagelaten werk -, maar de werkelijkheid heeft simpelweg de neiging vijftig jaar later minder interessant te zijn dan de fictie, en vraaggesprekken verliezen zelfs nog sneller aan belang. Ze zijn immers bij uitstek het soort momentopname waarop Bomans ook alludeert in het eerder genoemde stuk Echte Van Gogh in jutezak?.

Ondanks dat laatste deel echter zeker een aanrader, dit Van mens tot mens.

Björn Roose

maandag 27 oktober 2025

In Europa – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)

In Europa – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)In Europa – Geert Mak (boekbespreking door Björn Roose)
Geert Mak, van wie ik eerder dit jaar al Hoe God verdween uit Jorwerd besprak, doet in In Europa drie dingen waar ik een beetje jaloers op ben en die ik zelf slechts in te geringe mate kan: schrijven, reizen, en met geschiedenis bezig zijn. Weliswaar doet hij dat laatste in niet onbelangrijke mate door tijdens die reizen veelvuldig in bibliotheken ondergedoken te zitten en nog veelvuldiger met locals te spreken, twee dingen waar ik me zo weinig mogelijk mee bezig houd (op reis lees ik minder dan anders en ik vind – visueel ingesteld als ik ben - met de inboorlingen praten een verlies van tijd als ik ergens kom waar ik nog nooit geweest ben), maar zolang het schitterende werken oplevert als In Europa, ondertitel Reizen door de twintigste eeuw, zou ik het aan mensen als Geert Mak zeker blijven aanraden.

Je lezers gedurende achthonderdvijftig bladzijden (zoveel zitten er in de eenentwintigste druk, daterend van februari 2009, bij Uitgeverij Atlas) op sleeptouw kunnen nemen van Amsterdam, Parijs, Londen, Berlijn en Wenen voor de Eerste Wereldoorlog, naar Wenen (okee, die sprong was er geen), Ieper, Cassel, Verdun en Versailles tijdens de Eerste Wereldoorlog, is die inspanning waard. Ze vervolgens, met een kleine sprong terug in de tijd om aan boord van Lenins trein te komen, van 1917 tot 1924 meenemen naar Stockholm, Helsinki, Petrograd en Riga, om dan tussen de twee Wereldoorlogen op reis te gaan van Berlijn, over Bielefeld en München naar Wenen, en van Predappio, over Lamanère, Barcelona en Guernica, naar München, kunnen die lezers alleen maar leuker vinden. Vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog tot het einde daarvan over verschillende sporen denderen is logisch en niet minder interessant: van Fermont, over Duinkerken, Chartwell en Brasted, naar Londen; van Berlijn, over Himmlerstadt, Auschwitz, Warschau en Leningrad, naar Moskou; van Stalingrad, over Odessa, Istanbul, Kefallonía, Cassino, Rome en Vichy, naar Saint Blimont. En na het einde van de Tweede Wereldoorlog met tussenhaltes in 1956, 1980 en 1989 ook richting einde van de eeuw gaan, kan in een boek met de ondertitel Reizen door de twintigste eeuw niet meer dan logisch zijn, al moet er meteen bij gezegd worden dat waar de reis tot 1944 vijfhonderddertig bladzijden in beslag neemt, de reis vanaf dat jaartal nog amper tweehonderdzeventig bladzijden duurt (de laatste vijftig bladzijden zijn gereserveerd voor de Literatuur-lijst en het bijzonder goed opgestelde Register, iets wat bijvoorbeeld volkomen ontbrak in het voor de rest toch schitterende boek Mijn Duitsland van Geert van Istendael, een schrijver die Mak ook ontmoet tijdens zijn reis). Van Bénouville, over Oosterbeek, Dresden, Berlijn, Neurenberg en Praag, naar Budapest: dertien jaar geschiedenis in zeventig bladzijden. Van Brussel, over Amsterdam, Berlijn, Parijs, Lourdes en Lissabon, naar Dublin: vijfentwintig jaar geschiedenis in vijfenzeventig bladzijden. Van Berlijn, over Niesky, Gdańsk en Moskou, naar Tsjernobyl: tien jaar geschiedenis in vijftig bladzijden. En van Boekarest, over Novi Sad en Srebrenica, naar Sarajevo: nog eens tien jaar geschiedenis in veertig bladzijden. Je krijgt de vage indruk dat het interessantste aan de twintigste eeuw voorbij was na de Tweede Wereldoorlog (wie die indruk bevestigd wil zien, hoeft overigens maar binnen te lopen in de gemiddelde boekwinkel), en dat we – als West-Europese geschiedkundig geïnteresseerden – blij mogen zijn dat elf jaar voor het einde van de eeuw het IJzeren Gordijn aan metaalmoeheid ten onder ging en wat later een stukje van de twisten die onder de communistische knoet hadden begraven gelegen weer oplaaide, want anders was het na de Hongaarse Opstand, op wat gedoe rond Solidarność na, toch wel verdomd rustig geweest. Allemaal de fout van figuren als Jean Monnet en Robert Schumann, zou ik zeggen, figuren die vrij uitgebreid aan bod komen in de hoofdstukken vanaf September – 1944-1956 (in het geval van Monnet ook al eerder), figuren die inderdaad – laat ons wel wezen – geschiedenis gemáákt hebben, maar ook als je zo goed schrijft als Mak niet half zo interessant zijn om over te vertellen als Radovan Karadžić, Željko Ražnjatović (bijgenaamd Arkan) of Slobodan Milošević. Zoals P.J. O’Rourke al schreef in Vakanties in de hel: “Het zal altijd leuker zijn om met een wapen door de heuvels te lopen en met ideologisch verwarde studentes naar bed te gaan, dan je leven achter een waterbuffel door te brengen of wegrottend in een sloppenwijk.” Dat geldt zélfs als die waterbuffel Europese Economische Gemeenschap heet en die sloppenwijk bij het Brusselse Leopoldstation ligt, zelfs al heeft Mak het op een zeker moment ook over dat Leopoldstation.

Enfin, ik loop vooruit terwijl ik u van Maks boek nog niet eens het eerste stukje van de Proloog heb laten lezen: “In het dorp had niemand ooit de zee gezien – behalve de Hollanders, de burgemeester en Jószef (sic) Puszka, die in de oorlog was geweest. De huizen lagen rondom een smalle beek, een handvol vergeelde, verbrokkelde boerderijen, groene tuinen, kleurige appelbomen, twee kerkjes, oude wilgen en eiken, houten hekken, kippen, honden, kinderen, Hongaren, Zwaben, en zigeuners. De ooievaars waren al vertrokken. Hun nesten stonden stil en leeg op de schoorstenen. De zomer gloeide na, de burgemeester maaide zwetend het gemeentegras. Er was geen mechanisch geluid te horen; alleen stemmen, een hond, een haan, overstekende ganzen, een houten paardenkar die krakend over de weg reed, de zeis van de burgemeester. Later op de middag werden de ovens aangestoken; een dunne sluier blauwe rook trok over de daken. Zo nu en dan krijste een varken.” Het lijkt bijna alsof Mak een Hongaars dorpje aan het begin van de twintigste eeuw omschrijft en zijn keuze voor Vásárosbéc als filosofisch vertrekpunt voor zijn reis is ongetwijfeld niet willekeurig geweest (“In dit Zuid-Hongaarse dorp (…) bleef het almaar 1925.”), maar aan het einde van zijn boek komt hij er – uiteraard al evenmin toevallig – terug om vast te stellen dat de twintigste eeuw aan het begin van de eenentwintigste het dorp aan het inhalen is: de EU bemoeit zich met alles, maar de burgemeester heeft daar ook subsidies gevonden om een cultureel centrum op te trekken; “Bijna alle mannen hadden nu werk, de lonen gingen omhoog”; “Iedereen was een beetje rijker geworden”; “Het laatste stuk zandweg was geasfalteerd”; “De gemeente had een maaimachine gekocht (…) de stilte werd zeldzaam”.

Ik ben zelf nooit in Vásárosbéc geweest (al ga ik er wel prat op ‘heel’ Hongarije bezocht te hebben) - zelfs wie aan de hand van Google Maps op zoek gaat naar wat dan ook dat toeristisch bezienswaardig is in de streek zal met een zeer magere oogst thuiskomen -, dichter dan in het twintig kilometer lager liggende Szigetvár en het dito hoger liggende Kaposvár kwam ik niet in de buurt, maar ik heb in het volgende decennium (ik bereisde Hongarije voornamelijk tussen 2010 en 2020) in grote delen van het land een nog veel snellere evolutie kunnen waarnemen. Zelfs in een land dat na geruïneerd te zijn door de Eerste en de Tweede Wereldoorlog vijftig jaar onder het communisme heeft geleefd, is de tijd sinds 1989 niet blijven stilstaan, ook niet in plaatsen die tussen de plooien van de geschiedenis lijken gevallen te zijn. Plaatsen waar weinig geschiedenisboeken aandacht aan schenken, zoals ook geldt voor veel van de feiten waar Mak het over heeft, het soort feiten dat er voor zorgt dat je bij In Europa nooit gaat denken: ‘Weer een geschiedenisboek…’ Het soort feiten waarvan ik er – uiteraard – een hele resem heb aangeduid als mogelijk citerenswaardig, maar waardoor ik me bij het schrijven van deze bespreking niet mag laten meeslepen. Bijvoorbeeld dít over de fameuze Dreyfus: “Toen een groep intellectuelen decennia later aan de bejaarde Dreyfus vroeg of hij een appèl wilde ondertekenen om de levens van Sacco en Vanzetti te redden – twee Amerikaanse slachtoffers van een politiek proces – werd hij woedend: hij wilde niets meer met dat soort zaken te maken hebben.” Of dit over de jonge Adolf Hitler: “Er bestaat een merkwaardige tekening van de Michaelerplatz uit 1911 of 1912, waarop de jeugdige kunstschilder A. Hitler het plein volledig weergeeft, op één gebouw na, een herenmodezaak, een ontwerp van de moderne architect Adolf Loos uit 1910. In plaats daarvan kopieerde hij een achttiende-eeuwse voorstelling. Hoewel het ‘huis zonder wenkbrauwen’ van Loos toen al grote bekendheid genoot, mocht het van Hitler niet bestaan.” Of dit over de realiteit van het front: “De doodsbrief van de Britse regering aan de nabestaanden bevatte standaard de volgende zin: ‘Hij stierf door een kogel, recht in het hart.’ In werkelijkheid was maar een enkeling zo’n dood gegund. Tallozen bloedden langzaam dood tussen de linies waar niemand hen kon helpen, tussen de stervende ezels en de jammerende paarden. Na de eerste dag van de slag aan de Somme steeg, zo vertelde de Britse luitenant Hornshaw later, vanuit het niemandsland een onaards gejammer en gekreun op, ‘een geluid alsof natte vingers over een enorme ruit schraapten’”. Of een aantal paragrafen over Köpenick (die ik ook al tegenkwam in Op het vinkentouw van Godfried Bomans), de nazaten van Karel Cogge (“De Cogges in Nieuwpoort gaan gewoon voort, ze trekken zicht van geen geschiedenis wat aan.”), of de arbeider Jemeljanov die op een ‘mooie’ dag Lenin en Zinovjev hielp ontsnappen aan de Voorlopige Regering: “Jemeljanov, de enige echte arbeider in het hele verhaal, vervloekte naderhand de dag dat hij Lenin had overgeroeid. Hij werd van kamp naar kamp gesleept. ‘Stalin was er ook bij, bij die vlucht in de boot,’ zeiden de partijchefs jarenlang, maar Jemeljanov wist dat het in werkelijkheid Stalins rivaal Grigori Zinovjev was. Dat was voldoende om de arme man het leven eeuwig zuur te maken. Hij stierf in 1958. Zelfs na zijn dood werd nog met hem omgesold. De arbeiders van de nabijgelegen fabriek wilden hem op hun schouders naar de begraafplaats dragen, maar om een of andere reden besloot het lokale partijcomité dat hij clandestien begraven moest worden. Het werd uiteindelijk een heel getrek: de politie wilde zijn kist in een vrachtauto duwen, de arbeiders trokken hem er weer uit. ‘Christus nog aan toe,’ zei de buurman die ons het verhaal vertelde. ‘Het was alsof Jemeljanov nog in leven was. Eerst in de gevangenis, dan er weer uit, dan er weer in. Goeie genade, wat een bestaan!’”

En dat terwijl Mak onderweg ook nog eens, zonder ooit zijn belezenheid te benadrukken, losjes verwijst naar onder andere Sebastian Haffner (auteur van, onder meer, een zeer sterke ooit nog bij Knack verschenen Hitler-biografie), Robert Musil (bekend van onder andere De man zonder eigenschappen), Hannah Arendt (Totalitarisme, De banaliteit van het kwaad, Over geweld, enzovoort), Ernst Jünger (In Stahlgewittern, Luitenant Sturm, Der Arbeiter), F. Scott Fitzgerald (voornamelijk bekend van De grote Gatsby), Ivan Goncharov (“Zo beleef ik mooie dagen in huize Oblomov.”), Thomas Mann (van wie ik onlangs nog het, vond ik, minder geslaagde Felix Krull besprak), George Orwell (als schrijver van Homage to Catalonia), en Antoon Coolen (u uiteraard bekend van mijn bespreking van diens Kinderen van ons volk), of een waarneming neerpent over de tegenwoordige tijd of plaats: “Dinsdag 9 februari 1999. Over de vlakte achter Diksmuide jagen luchten vol sneeuw. De wolken komen niet aandrijven, ze rijzen op uit het land, als een brede zwarte muur. Achter mijn rug schijnt de zon nog, fel licht, op de modder van de akkers, op de sneeuw in de voren, de handvol rode huizen, de scherpe torenspitsen in de verte. Tegelijk heeft dit landschap iets gelatens. Je veegt er een paar elektriciteitsmasten van af, wat varkensstallen, en je hebt weer een slagveld.”

Bij dat alles merk je onvermijdelijk dat de sympathie van de auteur ter linkerzijde ligt – ook een (amateur)historicus is nooit objectief -, maar dat lijkt er slechts hoogst zelden toe te leiden dat hij weinig politiek-correcte feiten vermijdt. “In totaal zijn naar schatting ongeveer twee miljoen Duitse vrouwen verkracht [door sovjetsoldaten, noot van mij], meestal meerdere malen. De sovjetleiding wist heel goed wat er gebeurde, maar deed er niets tegen.” “In de middag van 30 januari voer het enorme vakantieschip Wilhelm Gustloff van Kraft durch Freude de Oostzee op, volgepakt met zes- à tienduizend vluchtelingen, onder wie zo’n vierduizend kinderen. Midden in de ijskoude nacht werd het door een sovjetonderzeeër getorpedeerd. Dertienhonderd evacués konden zich redden in sloepen en te hulp geschoten marineschepen. Duizenden raakten benedendeks door het binnenstromende water opgesloten. Met ‘een collectieve eindschreeuw’ ging de Wilhelm Gustloff ten onder, een ramp die vele malen groter was dan die van de Titanic, maar die ruim een halve eeuw later pas dankzij Günter Grass in brede kring bekendheid kreeg.” “Bij de Duitse bombardementen op Engeland vielen in totaal ongeveer zestigduizend burgerdoden, plus nog eens negentigduizend zwaar- en honderdvijftigduizend lichtgewonden. Bij de geallieerde raids op Duitsland zijn naar schatting vijfmaal zoveel mensen omgekomen, rond driehonderdduizend, onder wie vijfenzeventigduizend kinderen. Bijna achthonderdduizend mensen werden ernstig gewond. Zeven miljoen Duitsers werden dakloos, een vijfde van alle woningen werden vernield. Het effect van de bommen op de oorlogsindustrie viel ernstig tegen. Albert Speer schatte het totale productieverlies over 1943 op hooguit 9 procent, een daling die gemakkelijk kon worden opgevangen. Hij vond, zei hij, tijdens zijn latere verhoren, de tactiek van de geallieerden ‘onbegrijpelijk’: waarom hadden ze niet de basisindustrie (staal, olie) en het transportnetwerk aangevallen? Nu bleef, ondanks de enorme branden, de industriële capaciteit van een stad als Berlijn tot de laatste maanden van de oorlog voor een groot deel intact. (…) Deze wanverhouding tussen industriële schade en burgerslachtoffers was geen toeval. Het was bewust beleid. Al voor de oorlog hadden de Britten het ‘strategische bombardement’ ontwikkeld, de methode om de vijand uit te schakelen door zijn bevolkingscentra te vernietigen. De bombardementen op Duitsland waren dus geen reactie op Duitse aanvallen op Londen, Coventry en andere Britse steden, ze waren, integendeel, onderdeel van een al veel eerder geplande strategie. Coventry was geen aanleiding, maar enkel een rechtvaardiging.” Ik heb, in alle eerlijkheid, rechtse auteurs geweten die op kousenvoeten om deze feiten heen liepen, alleen al daarom hoedje af voor Geert Mak dus.

Daarom en omwille van zo ongeveer iedere regel in dit prachtige boek. Dit is er eentje waar je regelmatig naar terug zal grijpen als een of andere naam valt die wel een belletje doet rinkelen, maar waarvan je niet meer weet waarom, of als je voorafgaand aan een bezoek eraan minstens het wedervaren van een stad in de vorige eeuw wil leren kennen. Ik zou er nog wat superlatieven willen bij kappen, maar daarvan zijn er nauwelijks genoeg om dit boek voldoende eer aan te doen.

Björn Roose

dinsdag 3 juni 2025

Op het vinkentouw – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Op het vinkentouw – Godfried Bomans (boekbespreking door Björn Roose)

Terwijl ik deze Op het vinkentouw nog aan het lezen was, kwam ik bij een bezoek aan de openbare bibliotheek iets tegen waarvan ik het bestaan niet kende: de verzamelde werken van de auteur, Godfried Bomans, of toch twee delen daarvan.

Ik dus op speurtocht naar de (rest van die) verzamelde werken (uitgebracht onder de titel Werken). Gemiddeld ergens tussen de vijftig en zestig euro per deel, zo bleek, en er waren zeven delen. Tot ik een aanbod vond dat te mooi scheen om waar te zijn: een niet geheel onbekende boekhandel in Nederland bood de volledige serie aan voor honderddertig euro. Verzendkosten: drieënhalve euro. Voor meer dan vijfduizend pagina’s van een van mijn lievelingsauteurs. Deal!

En nooit meer té veel betalen voor een van de boekjes van zijn hand, wat ik onlangs in Gent nog deed, omdat ik nu eenmaal een verzamelaar van ‘s mans werken ben en je die in onze contreien nu ook niet voortdurend tegenkomt. Want in die verzamelde werken staat natuurlijk álles van Bomans. Toch? Wel, nee… zo lijkt het inmiddels. Er staat gelukkig een register in (een paar verschillende zelfs, op andere manieren gestructureerd), maar als ik bijvoorbeeld de achtenvijftig stukjes die in Op het vinkentouw zijn opgenomen ga opzoeken in dat register, dan blijkt dat er een aantal niét in de verzamelde werken te vinden zijn. Althans: ze worden wel vernoemd in het register, mét de datum waarop ze oorspronkelijk verschenen zijn, maar er staat geen deel en pagina bij waar ze in de verzamelde werken zouden te vinden zijn. Wegens tijdsgebrek heb ik nog niet kunnen nagaan waarom niet alle werken in de verzamelde werken te vinden zijn, iets waar een verzamelaar toch wel een beetje van uit gaat, maar zélfs voor wie die verzamelde werken in zijn bezit heeft, zijn er dus in Op het vinkentouw negen stukjes te vinden die hij mogelijk nog niet in zijn bibliotheek heeft zitten (want er zijn natuurlijk veel verschillende bundels van Bomans uitgegeven, waarin soms dezelfde stukjes werden opgenomen): Een ere-saluut, Wennen aan waarheid, Zie ommezijde, Drie rotsen, Pijnlijk, Een misverstand, De manier, Cijfers gevraagd, en Een minuut stilte. Let wel: de stukjes met die titels die in 1956 werden gepubliceerd, want Bomans hergebruikte al eens een titel voor een in een ander jaar geschreven stukje, en die zijn dan weer wél in de verzamelde werken opgenomen. Wat toch nog minder verwarrend is dan wat met het stukje Sinterklaas gebeurde. Aan de goedheilig man en alles wat er rond hangt, wijdde Bomans – zoals bij zijn lezers bekend – véle stukjes, maar datgene waarnaar in het register van de verzamelde werken verwezen wordt als het Sinterklaas dat in 1956 gepubliceerd werd, is niét hetgene wat in Op het vinkentouw werd opgenomen.

Soit, als ik ooit eens de handleiding lees bij de verzamelde werken, dan kom ik op deze kwestie misschien terug in een volgende boekbespreking, maar wat betreft deze uitgave van Op het vinkentouw, de zestiende, na – dixit de uitgever in zijn voorwoordje genaamd Bij de zestiende druk – “zijn plotseling verscheiden”, bij Uitgeverij Westers, moet me van het hart dat het niet is omdat je een bundel van stukjes uitgeeft, dat die tijdens het lezen ook in stukjes uiteen moet vallen. Dat lijmen goedkoper is dan binden, weet ik ook wel, maar zorg dan tenminste dat je lijm fatsoenlijk is, want anders gaat zo’n boek ook “plotseling verscheiden” terwijl het daar nóóit het moment voor is.

Nu goed, ik probeer de “hier verzamelde beschouwingen” dan wel weer min of meer in orde te krijgen met plakband, want niet alleen heeft Bomans deze – aldus zijn eigen Verantwoording - in “de periode van 5 november 1954 – 5 februari 1955 en van 4 januari 1956 – 10 december 1956” onder het pseudoniem Parlevink voor De Volkskrant geschreven, hij droeg er ook een deel van voor “in de Aula van de Leuvense Universiteit”, wat er voor een Zuid-Nederlander niet alleen een beetje couleur locale aan geeft, maar ook bewijst dat ze toén aan de Katholieke Universiteit Leuven nog wél geïnteresseerd waren in wat zich in de katholieke wereld afspeelde, want dát is waarover veel stukjes in deze bundel gaan (al is dat beslist niet bij álle stukjes zo). Zoals in het Ter inleiding van ene M.G. staat: “In deze bundel satiren wendt de schrijver Godfried Bomans, wiens talent over veel kanten beschikt, ons zijn scherpe zijde toe. Zeker, hij heeft het floret van zijn sarcasme ook eerder te vermoeden gegeven. Maar was dit wapen vroeger veelal verborgen in de schede ener zachtmoedige ironie, die hem van de dichter Roland Holst de naam ‘fluwelen duivel’ deed verwerven, hier schittert het lemmet onbedekt en treft de stoot in het hart. Dat Bomans daarbij bepaalde toestanden of gebeurtenissen in de katholieke geloofspractijk niet ontziet, heeft sommigen bevreemd, enkelen verontrust. Wij achten deze stoutmoedigheid een verheugend verschijnsel. Zij is een teken, dat de katholieke emancipatie in haar ontwikkeling een punt bereikt heeft, waarop zij kritiek van binnen uit verdragen kan.”

Want laat ons wel wezen: Bomans was een katholiek, mild tegenover wie dat verdiende (en dat waren er velen) en strijdbaar tegenover wie dat niet deed (en zo waren er, zo blijkt uit deze bundeling, ook nogal wat). Maar Bomans was, voor wie nu de schrik om het hart slaat en eigenlijk zelfs al deze bespreking niet meer verder wil lezen, ook een schitterend schrijver en elk van de stukjes, werkelijk elk, in dit boek (en zijn andere boeken uiteraard) is daarom het lezen meer dan waard. Een begin als dat van De burger mag illustratief daarvoor wezen: “Ik heb een neef, die op school al niet wou deugen. Hij rommelde een tijdje in de bloembollen, drumde toen wat in een onduidelijk orkest, kocht hierna een gespikkeld strikje en werd binnenhuis-architect. ‘t Was eigenlijk wel een aardige jongen, maar sommige mensen zijn daartoe voorbestemd, ze kunnen het niet helpen en ik heb hem ook nooit hard bejegend.”

En dat lós van het feit dat echt niet elk stuk over katholicisme an sich gaat. Over het communisme bijvoorbeeld, zijn er ook een paar, al heeft geen enkele goeie katholiek natuurlijk ooit veel sympathie gehad voor die ideologie. En terecht. Wat weerom niet belet dat Bomans er met humor tegenaan gaat: “De heer Kroesjev is er eindelijk achter gekomen, dat Stalin een terreur heeft uitgeoefend en in de loop van zijn regime honderdduizenden om zeep bracht. Nu wisten wij, in het overigens misleide Westen, dit al tamelijk lang. Door middel van onomstotelijke documenten is dit sinds jaren tot in den treure aangetoond en bewezen. Ook de Russische machthebbers wisten dit. Men kan een enkel moordje wel verdonkeremanen, maar een slachtpartij, die zich over decenniën uitstrekt en waarbij miljoenen mensenlevens gemoeid zijn, kan aan de overblijvende ja-broers op het Kremlin natuurlijk niet ontgaan zijn. De ijver immers, waarmee zij ‘ja’ knikten, putten zij uit de wetenschap dat men onder zo’n man maar één keer ‘nee’ kan schudden. Voor de tweede maal is er geen hoofd meer voorradig.”

Een humor die trouwens niet kon beletten dat Bomans er door gesleurd werd in De Waarheid, de Nederlandse versie van de Pravda, iets waar hij dan weer garen uit spon om nóg een stukje aan dat fantastische communisme te wijden. Wie problemen wou, kon er immers altijd maken: “Het bureau van het aartsbisdom Utrecht voor jeugdzorg organiseerde kort geleden een praat- en denkavond over het thema ‘levensvreugde’. Wij hebben dit altijd als een van de weinige onderwerpen beschouwd, waarover zelfs in Nederland niet gedacht en gepraat behoefde te worden; maar we begrijpen na enig nadenken dat, als je maar bij elkaar in een zaaltje gaat zitten, er wel degelijk een probleem uit te halen is.” Maar goed, zo luidt het in weer een ander stukje: “(…) toen ik zelf een jongetje van tien jaar was, verwachtte ik ook niet dat deze problemen mij werden voorgelegd. In mijn tijd werd de wetenschap, waar New York ergens lag, voor de scholieren van tien jaar als de uiterste grens van algemene ontwikkeling beschouwd. Wie meer wist, bracht het onderwijzend personeel, dat slechts over een kleine reserve aan kennis beschikte, in de grootste verlegenheid.”

Wat dan weer niet wil zeggen dat je als lezer niets kan bijleren van Bomans: “Van de vele vormen, waarin men zijn medemensen voor de gek kan houden, is de zogenaamde ‘Köpenickiade’ mij het sympathiekst. Men moet, om in dit moeilijke genre te slagen, verbeeldingskracht, mensenkennis en durf bezitten. Het oer-voorbeeld is natuurlijk de ‘Hauptmann von Köpenick’: de man, die in het begin van deze eeuw een schitterende satire gaf op de Pruisische aanbidding van de uniform, door zich als kapitein te verkleden en in vol ornaat met de gemeentekas er vandoor te gaan. Hier werd een zeker type van mens geïmiteerd: de Pruisische officier. Moeilijker wordt het, een bepaald persoon voor te stellen. Het risico van door de mand te vallen stijgt dan aanzienlijk. Toch wil het wel eens lukken.” Waarna een verhaal volgt over een delegatie van veertien man die een meisjespensionaat bezochten onder leiding van de toen nog niet dode koning Boudewijn, daar goed at en dronk, en pas achteraf geen delegatie en geen koning bleken te wezen, maar vijftien Vlaamse studenten…

Of Bomans die anekdote meenam van zijn bezoek aan de Leuvense universiteit of ze daar vertelde, weet ik uiteraard niet, maar ik twijfel er niet aan dat ik nog veel te lang ga doorgaan met citeren als ik er nu geen einde aan brei. Met nog één citaat. Eentje over kunstenaars van wie men bij elk nieuw werk meteen merkt dat het van hen is, iets wat sommige mensen kennelijk saai voorkomt: “Wij signaleren hier een eigenaardig verschijnsel. Het doet zich niet alleen in de letterkundige sector voor, maar ook in besprekingen over muziek en beeldende kunsten. Componist D. moest eens iets anders durven. Schilder E. wordt dringend verzocht eens wat meer revolutionair voor de dag te komen. Allerwegen treft men in de huidige kunstkritiek ditzelfde vermaan. Het ergste verwijt, dat men een kunstenaar, hij zij uitvoerend of scheppend, naar het hoofd kan werpen, schijnt te zijn: dat hij gespeeld, geschilderd of geschreven heeft naar een ‘beproefd recept’, dat wij nu ‘langzamerhand wel kennen.’ Dit verwijt lijkt mij in zijn algemeenheid onbillijk. De onjuistheid ervan springt terstond in het oog, als wij het toepassen op kunstenaars uit het verleden. Ieder, die oor heeft voor muziek, zal na hoogstens één minuut luisteren kunnen zeggen, dat er een symfonie van Mozart wordt gespeeld, en bij Beethoven is de maker reeds na enkele maten duidelijk. Een verhaal van Dostojewski verraadt zich na één bladzijde en een beeld van Rodin herkent men bij eerste oogopslag. Het is niet duidelijk waarom datgene, wat de gestorven kunstenaar is toegestaan, de nu levende artiest onthouden zou zijn. Integendeel, juist de mate van herkenbaarheid pleit voor de grootte van een kunstenaar. Het zijn de kleinen, wier stem men niet herkent: zij lijken te zeer op anderen. Het geluid van de groten echter is enig en onvervangbaar. Wat zij te vertellen hebben, zeggen ze op hun eigen, persoonlijke en onnavolgbare wijze. Wie hierin een tekort ziet, vergist zich, omdat hij voor een gebrek houdt wat juist een kwaliteit genoemd moet worden.”

Iets wat ongetwijfeld ook mag gelden voor Godfried Bomans zelf, al zou hij dat, als fervente hulp-Sinterklaas, nooit van zichzelf geschreven hebben: “(…) Sinterklaas gaat nimmer ter kerke. Hij heeft dat zijn hele leven gedaan, is daarna heilig verklaard en er toen onmiddellijk mee opgehouden. Heiligen hoeven niet. Zij mògen wél. Sinterklaas wandelt dan voor de aardigheid een kerk binnen, werpt een pepernoot op de schaal en gaat buiten een sigaar roken. Ook de preek laat hij aan zich voorbijgaan. Hij is, evenals alle zaligen in de hemel, oneindig gelukkig en wil dit zo houden. Kerken, die aan hem speciaal zijn toegewijd, betreedt hij helemaal niet. Hij acht dit enigszins pedant en beschouwt het ook als een verkwisting om voor zichzelf een kaars op te steken.” Waarmee ik toch nog twéé citaten in deze bespreking heb binnengesmokkeld.

Björn Roose