woensdag 1 december 2021

Charelke Dop – Ernest Claes (boekbespreking door Björn Roose)

Charelke Dop – Ernest Claes (boekbespreking door Björn Roose)
Omdat er tussen mijn twee vorige besprekingen van werken van Ernest Claes, Voordrachtgevers zijn avonturiers en De fanfare “De Sint-Jans-vrienden”, meer dan anderhalf jaar zat, heb ik voor de volgende nauwelijks meer dan anderhalve week laten voorbijgaan. Onzin, natuurlijk, ik had gewoon zin om nóg een boek van Claes te lezen en dat is Charelke Dop geworden.

Charelke Dop is, in tegenstelling tot wat sommigen misschien zouden kunnen denken, géén dopper (een werkloze, voor de Noord-Nederlanders), maar, aldus de achterflap, “een profiteur tijdens de eerste wereldoorlog in België”, en werd daarmee – zo gaat dat in belgië – “in Vlaanderen een soort nationale ‘held’”. Zelf zou ik Charelke Dop noch een profiteur noch een held noemen, maar eerder een plantrekker. Werken is niet z’n favoriete bezigheid en niet iedereen kan nu eenmaal in de politiek zitten, dus … dopt hij z’n boontjes op een andere manier.

In eerste instantie, op het moment dat we hem leren kennen, geeft hij al toe dat hij “er wat beter voorzit en niet meer vandoen (…) [heeft] te werken”, maar hij stelt zich toch nog voor als handelaar: “Ik woonde vroeger hier te Diest, gelijk als nu, in het Keersegangske, vlak achter de kerk van Sint-Sulpis, maar een bitje wijder de straat in waar ‘t niet zo deftig is. Sedert de dood van Anzelien-zaliger zat ik daar alleen, en zette de kommèrs voort, en ik verkocht daar alle soort van suikergoed, sjokolat, tabletten, zwarte babbeleers, hamers, suikerstokken, nobelewitjes, zurebollekens, stroophorekens, perlagrekskens, en nog twee andere soorten van koekskens, jujub en moppen. Voor het venster lagen dan nog griffels en pennestokken, marrebollen, fluitjes, en in een pint stenen pijpen en op de toog stond een loterijdoos met sjokolattegoed van één cent het lot. ‘t Stond allemaal in glazen potten en kartonnen dozen, en elke zaterdag wierd er het stof afgeveegd, mijn affère blonk van propereteit. In de zomer had ik er anders wel veel last van de vliegen en de wespen. ‘t Is niet om de grote jan uit te hangen dat ik dat zeg, ‘t is alleen om te doen verstaan dat ze van mijn kommèrs niet zo’n klein gedacht moesten hebben. Als er in ‘t Keersegangske mensen waren die mijn affère het “boutikske van Charelke Dop” noemden, dan was dat alleen uit jaloezigheid.”

U merkt het, zoals in De fanfare “De Sint-Jans-Vrienden” het geval was, staat ook Charelke Dop bol van de min of meer dialectische woorden, in die mate zelfs dat ik er een paar keer een woord in tegenkwam dat ik ken uit het dialect van mijn vriendin, terwijl die nochtans niet uit de streek van Diest is: “swenst”. Maar laat dat zeker geen reden zijn om het boek niet ter hand te nemen: al die soorten snoep komen verder niet meer van pas en die dialectwoorden schetsen eerder de figuren dan dat ze een hinderpaal vormen voor de lezer.

En de figuur van Charelke Dop mag er wezen. Met zijn “Anzelien” getrouwd omdat hij “meende dat ze twee-duzend frank had”, maar bedrogen uitgekomen, want “’t waren er maar negenhonderd”. Al goed dat ze ook “de affère in het Keersegangske” en “twee huizen in ‘t Sint-Jobskwartier” in het huwelijk inbracht en uiteindelijk zo goed was dood te gaan en “de affère” en die twee huizen in zijn bezit te laten. Bezit dat uiteraard proper moet gehouden worden, iets waarvoor hij “een ferm boerenwicht van twintig jaar” inhuurt, een “ferm boerenwicht” dat hij vervolgens moeilijker met rust kan laten dan zijn “Anzelien-zaliger”: “Op de avond daags voor Kerstmis gaf ik heur, swenst dat ze neven de stoof stond, op ‘t onverwachts een kus. Het was me te straf dat jong ding daar in mijn keuken te zien staan.” Na nog enige avonturen met huishoudsters – die eerste wist de avances niet echt te waarderen –, komt echter “die verdoemelijke oorlog”.

Een oorlog die niet eens echt zo “verdoemelijk” is, leren we als snel, want “wie dan uit zijn ogen wilde zien kost wat smokkelen en wat kommèrs doen, en bij ‘t rijk volk van Brussel en Antwerpen was er dan een schone cent los te maken”. Maar zo ver is ‘t voor Charelke nog niet: “In de eerste dagen van de oorlog waren ze te Diest allemaal zo zat als tielebuis. Ge zoudt van ‘s morgens tot ‘s avonds de Brabbeson hebben moeten zingen, anders waart ge ‘n slechte Bels, en op mijn jaren kent een mens de schoolliekens zo goed niet meer. Ge moest met een strikske in uw knoopsgat lopen en een drapo uithangen, en dan nog alle momenten op de straat of in de herbergen roepen “Vivan de Belgique!” of “Vivan den armée!” En een mens gelijk ik die over het vaderland en dat soort van dingens nooit veel kopbreeksel gehad heeft, liep toen alle momenten de riskatie van voor een spioen bezien te worden”, terwijl het “in de Belgique (…) vooral de brouwers [zijn] die van ‘t vaderland en die dingens het meest profijt hebben.”

Enfin, Charelke laat er zich toch inlappen en tekent op een zeker moment als vrijwilliger voor die “armée”, waarmee hij een “eksempel voor al de Diesteneers” is, maar toch blij is dat de belze soldaten vertrekken en de Duitsers binnenkomen, waardoor hij van onder zijn engagement kan komen: “ik geloof dat ik een van de mensen ben die door de Duitsen van het ongeluk gered zijn”. Net zoals de lokale brouwers trouwens: “De Duitsen dronken geerne Diesters bier, en de brouwers en de gemeenteraad van Diest zijn daar lang fier over geweest. Van de politiek trokken ze hun eigen niks aan, want ze zaten zowel in de herbergen van de liberalen als in die van de katholieken. Dat ging de liberalen wel niet goed af, en ze probeerden op alle manieren om de Duitse officieren op hunne kant te krijgen, maar ‘t lukte niet.”

Maar Charelke is geen brouwer en geen cafébaas en met zijn snoepwinkel gaat het ook al niet goed, dus moet hij het hebben van de huur van zijn twee huizen “in ‘t Sint-Jobskwartier”, maar daar steekt de belze staat een stokje voor: blijkt dat huurders geen huur meer moeten betalen zolang het vaderland bezet is.. “Ik meende dat het huis op mijn kop viel”, aldus Charelke, maar “’t is tang-de-geir” en daar valt niks aan te doen: Charelke besluit te gaan inwonen bij zijn neef Gustaf (“de zoon van mijn vader zijn jongere broer, maar van jongsaf aan, omdat ik vijftien jaar ouder was dan hij, was ‘m gewend nonkel tegen me te zeggen”) en zijn vrouw te Brussel. “Ik peisde in m’n eigen, die twee loeren op mijn erfdeel, en om er zeker van te zijn zullen ze me wel in huis nemen.”

Wat ze ook doen, maar hij weet al meteen dat hij, zelfs als hij op dat moment nog iets te verdelen had gehad, hen niks van dat erfdeel zal geven: “Had ik gekund dan was ‘k recht weerom naar Diest gegaan. Ik zat onder de pannen, met een dakvensterke dat ge met een ijzer naar omhoog kost stoten, met een specie van soldatenbed en een kapotte biezen stoel, en op een oude spekkist stond een blikken kom met een bierpot zonder oor. Gedorie, peisde ik in m’n eigen, dat is maar ‘n hondse manier van iemand van de familie te ontvangen. Dat mammezelleke op de boulevard [een straatmadelief, noot van mij] was vriendelijker dan mijn eigen kozijn, en ik was blij dat Sefie [een cafébazin in Diest die hem wel mocht en met wie hij later trouwt, noot van mij] me daar niet zag zitten. De muur was aan de ene kant beplakt met gazetten, en wel twintig keer stond daar: Het laatste Nieuws, Het Laatste Nieuws, Het Laatste Nieuws. Charel, zei ik toen in mijn eigen, ge hebt het aan uw verdommenis, man, en ge zijt van de klaver naar de biezen gelopen en ge hadt beter gedaan met Sefie te trouwen, maar die hertefretter van een kozijn zal nog lang mogen wachten op erfdelen! Mijn eigen bed te Diest was honderd keren beter dan dat kwaad ijzer waar dat ik hier moest op slapen.”

Nu, ik ga u niet het hele verhaal uit de doeken doen, anders heeft u er ook niks meer aan, maar het draait er op uit dat Charelke in de misdaad terechtkomt (immers, ““wie dan uit zijn ogen wilde zien kost wat smokkelen en wat kommèrs doen, en bij ‘t rijk volk van Brussel en Antwerpen was er dan een schone cent los te maken”), daarin goed boert en er op het einde van de oorlog ook zonder schade weet van tussen te komen. Ik zei al dat Charelke Dop volgens mij eerder een plantrekker is dan (louter) een profiteur. “Voor mij was ‘t alleen kwestie van met iedereen wit te staan”, zegt hij op een zeker moment en hij slaagt daar inderdaad wonderbaarlijk in.

En toch heeft hij, verrader, smokkelaar, dief, z’n “principes”: “’t Soort van mensen waar dat ik abseluut geen allianschap mee gemaakt heb, dat waren de Aktivisten. Wat die eigenlijk wilden dat weet ik niet. Ik kwam er veel tegen swenst dat ik mijn kommèrs deed, en ik geloof niet dat er ene is die er geld mee verdiend heeft. Na de oorlog heb ik gezien dat ik verstandig gehandeld heb met me niet op te houden met dat soort. Daar is er geen ene die van de oorlog heeft weten te profiteren, en ‘t is maar goed dat ze die mannen in de bak gestoken hebben.” Van zodra Claes dát geschreven heeft, is er geen houden meer aan: Claes was immers zelf Vlaamsgezind en sleurt er in de laatste paar bladzijden nog de “helden van het laatste uur” (een soort die ook opdook in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog) door:

“’t Was voor veel mensen een ongeluk dat de oorlog zo gauw gedaan was, had het nog een bitje langer geduurd dan zouden er nu veel meer rijke mensen geweest zijn. (…) Ik trok eens langs het huis van menheer Bidoul en bekanst uit alle vensters stak een grote drapo. Als die blijft, peisde ik, dan kan ik ook blijven. Een uur later zat ik in een kabberdoeske aan de Nord te trakteren voor drij piotten en hun lieven en we zopen en zongen van ‘t vaderland tot in de klein uurkens. (…) Voor de piotten trakteerde ik overal waar dat ik ze tegenkwam, en ‘s avonds hielp ik ze om kaffékes kapot te slaan waar het vrouwvolk met de Duits had aangehouden, en ik hielp ze het haar afsnijden van die wijven. Ik hield ze vast met twee piotten en een sergeant van de chasseurs zat er met de scheer op. Gelachen dat we gedaan hebben! We sloegen alles kapot en scheurden zelfs het papier van de muur af, en als we buiten kwamen riepen de mensen bravo. (…) Ik deed overal goed mee waar ‘t kwestie was van ‘t vaderland, en de mensen respekteerden me meer en meer. Als ge maar cens hebt. (…) drij weken later wierd ik op het stadhuis geroepen, en de eerste schepene zei met een bitje jaloezie, docht me, dat ik nu Ridder was van de Kroonorde (…) In De Keyser is er heel serieus kwestie geweest, zie Lewie Serezo, van me op de lijst te brengen van de Belgische Nationalisten voor de Kamer, en dat het alleen nog te zien was of ze me van de eerste keer bij de fectieven zouden zetten of wel bij de supplejanten …”

“Hier eindigt het verhaal van Charelke Dop”, staat daarna, en hier eindigt ook deze boekbespreking. De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop, of kortweg Charelke Dop zoals het verhaal later ging heten, is inderdaad “vermakelijk” (dixit de achterflap), maar het is ter gelijker tijd ook een serieuze maatschappijkritiek. Niemand heeft ooit gezegd dat die twee niet samen kunnen gaan, natuurlijk, en Ernest Claes heeft dat met dit boek weer eens bewezen.

Björn Roose

vrijdag 26 november 2021

Brussel, hoofdstad der dromen – François Schuiten & Benoît Peeters (boekbespreking door Björn Roose)

Brussel, hoofdstad der dromen – François Schuiten & Benoît Peeters (boekbespreking door Björn Roose)
Mensen die me toevallig zouden volgen op Librarything.nl weten dat ik behalve duizenden boeken in mijn kasten ook nog een paar duizend strips heb staan. De liefde voor zowel strips als boeken is ontstaan in mijn kindertijd en hoewel ik de “mannekesboekskes” (genre Jommeke, Robert en Bertrand, Piet Fluwijn en Bolleke en uiteraard Suske en Wiske) al lang achter me gelaten heb, is de liefde voor strips in het algemeen net zomin bekoeld als die voor boeken.

En nochtans heb ik nog nooit (toch niet voor zover ik me herinner) een strip besproken. Niet omdat die niet het bespreken waard zouden zijn, in tegendeel, maar omdat het voor mij moeilijk is om elementen als tekenstijl, bladindeling, het visuele in al zijn vormen over te brengen naar de lezer toe. Zelf heb ik het nooit verder gebracht dan wat droedelen en een paar “technische” tekeningen in de middelbare school en hoewel ik wéét hoeveel werk een striptekenaar in zijn creaties steekt, is het mij dus moeilijk die creaties tot leven te brengen voor mijn lezers. De filosofie, de sfeer, het verhaal van een strip zit voor een groot deel in het tekenwerk, een tekstballon is zelden het citeren waard (al zijn er uitzonderingen), en het samenspel van die twee valt simpelweg niet weer te geven.

Maar toch ga ik voor Brussel, hoofdstad der dromen een uitzondering maken. En dat om meerdere redenen. Ten eerste is “hoofdstad der dromen” niet hetgene wat de meeste mensen zich voorstellen bij Brussel. Ik ook niet, al heb ik er dan zo’n tien jaar van m’n leven gewoond. Of misschien net doordat ik er zo’n tien jaar van m’n leven heb gewoond. Ten tweede zijn de auteurs, Benoît Peeters voor de tekst en François Schuiten voor het beeld, dan wel bekend als stripauteurs, maar is Brussel, hoofdstad der dromen – paukenslag, boem! – geen strip. Ten derde is dit bij Casterman (wel degelijk een stripuitgeverij) verschenen werk gewoon te mooi en te interessant om het hier niét te bespreken.

Om die argumenten even in averechtse volgorde te hernemen, werk ik eerst het derde uit: Brussel, hoofdstad der dromen telt een kleine honderddertig bladzijden, is voorzien van een harde kaft (hardcover – iets wat in de stripwereld, en ook in de boekenwereld, gezien wordt als een luxe), en zit stampensvol met interessante teksten (artikels bijna) en “illustraties” (al zijn de teksten op zekere momenten ook gewoon “illustraties” bij de beelden). Wat die laatste betreft: er zijn vele bladzijden voorbehouden aan in groot formaat weergegeven tekeningen, in een aantal gevallen over twee bladzijden lopend, en ook op zo goed als iedere bladzijde met tekst staat er minstens één illustratie. Voor de mensen die graag bladeren en kijken zonder noodzakelijk ook te willen lezen, is dit een boek om op de salontafel te leggen en te houden.

Wat dan het feit betreft dat ik eerst een uitleg over strips heb gedaan en daarna gezegd dat Brussel, hoofdstad der dromen er geen is: Casterman geeft nog wel wat anders uit dan strips, zijnde jeugdboeken, maar Brussel, hoofdstad der dromen is ook geen jeugdboek én je zal dit boek in iedere goede stripzaak vinden. Wat ook exact de plaats is waar je – met wat geluk, want ze zijn niet op grote oplages uitgegeven – Herinneringen aan het eeuwige heden, De theorie van de zandkorrel (deel 1 en deel 2), De onzichtbare grens (deel 1 en deel 2), De schaduw van een man, Het scheve kind, Brüsel, De weg naar Armilia, De toren, De archivaris, De koorts van Urbicande, De muren van Samaris, Nogenon, Z.A.R.A., 12- Schoonheid, Metamorfoses, Parijs zien … (deel 1 en deel 2, met als ondertitel De nacht van de vallende sterren), De rail, en Gwendoline en de machinisten zal vinden. In de meeste van die gevallen omdat het wel degelijk om strips gaat. Gwendoline en de machinisten draagt als ondertitel Schetsen voor een niet bestaande film en is – op horizontaal formaat, met uitzondering van de omslag – een verzameling van “schetsen” met een verhaal dat al die schetsen verbindt, net zoals ten dele De archivaris (van Schuiten en Peeters) en De weg naar Armilia (idem) – in die laatste twee gevallen met volledig uitgewerkte tekeningen en in “normaal” formaat –, maar alle andere zijn strips in de klassieke zin van het woord en da’s eigenlijk al meer dan je van de zoon van twee architecten (Schuiten) en een toch min of meer tot filosoof opgeleide scenarist (Peeters) zou verwachten. Dit is niet de plaats om al die werken te bespreken, maar ze behoren zonder uitzondering tot de mooist getekende en, mooiste in het geheel genomen, beeldverhalen die ik in huis heb. In een aantal gevallen door de vruchtbare samenwerking met andere tekenaars (Claude Renard, Schuitens leraar aan het Brusselse Sint-Lucasinstituut, voor Gwendoline en de machinisten, De rail en Metamorfoses; Luc Schuiten, François’ broer, voor Z.A.R.A. en Nogenon, beide onder de noemer De holle aarde uitgebracht), in een enkel geval van de hand van Schuiten alleen (12 – Schoonheid), in de meeste gevallen louter door de schitterende tekenstijl van François Schuiten en de scenario’s van Benoît Peeters.

Op Parijs zien … (deel 1 en deel 2) na zijn ook alle strips die voortkwamen uit de samenwerking van Peeters en Schuiten verschenen onder de noemer De duistere steden, steden die zich bevinden op een Tegenaarde, dixit Wikipedia “een hypothetische, vanaf de aarde onzichtbare planeet die de baan van de aarde volgt maar diametraal aan de andere kant van de zon ligt” en “in veel opzichten eerder een vervormde afspiegeling van onze eigen aarde [is]”. Brussel, hoofdstad der dromen is niét uitgebracht binnen De duistere steden-cyclus, maar is in zekere zin een Wiedergutmachung voor het wellicht bekendste deel uit die cyclus: Brüsel.

“Er bestaan verwarrende overeenkomsten tussen Brüsel, de trotse metropool van de Duistere Steden, en de stad Brussel, die al meer dan een eeuw een prooi is van politici en projectontwikkelaars”, luidt het nog op de eerste pagina van Brüsel, een pagina gevolgd door een zeven pagina’s lange inleiding over de decennialange vernielzucht in Brussel. Maar in de inleiding tot Brussel, hoofdstad der dromen lees je: “Toch hielden en houden we nog altijd van Brussel en zijn onmiskenbare aantrekkelijke aspecten. Je ziet er nog zo veel invloeden: Spaanse, Nederlandse, Franse… En de stad is nog altijd een smeltkroes van culturen. De incoherentie en de chaos van Brussel zal ons altijd bijblijven. Maar ook de diversiteit zal ons blijven aantrekken, de levenskwaliteit die de stad biedt en zijn zichtbare en minder in het oog springende schoonheid. We houden van het Brussel van de ‘Greenwich’ en de ‘Mort Subite’, van de smalle maar levendige straatjes en de immense flatgebouwen, van de grote tuinen midden in de stad. Ja, we hebben ons hart verpand aan het Brussel van Hergé, Magritte en Brel, aan het Brussel van het bijzonder bevreemdende Wiertz Museum en het ontoegankelijke Stocletpaleis. We zijn verknocht aan het Brussel dat in een vingerknip van stijl verandert, het Griekse of Marokkaanse Brussel, het Turkse of Congolese Brussel, het Brussel van de regenachtige zondagen en van de Zuidfoor.” Waarna de oplettende lezer van de werken van Schuiten en Peeters tot de conclusie komt dat er behalve “verwarrende overeenkomsten tussen Brüsel, de trotse metropool van de Duistere Steden, en de stad Brussel, die al meer dan een eeuw een prooi is van politici en projectontwikkelaars” ook “verwarrende overeenkomsten” zijn tussen de inleiding van Brussel, hoofdstad der dromen en die van Brüsel. Wat lezen we namelijk in die laatste? Dit: “Dit is het Brussel van de Mort Subite en de Cirio, van de Falstaff en de Ultieme Hallucinatie, het Brussel van de kleine bonte straatjes, de reusachtige appartementen, de grote tuinen verborgen midden in de stad, het Brussel van de Brabançon en de Comme chez soi, van Hergé, Magritte en Brel, van het ontoegankelijke Stocletpaleis. Dit is het Brussel dat in een oogwenk van stijl verandert, het Griekse of Marokkaanse Brussel, het Turkse of Zaïrese Brussel, het Brussel van de verregende zondagen en de kermis van Brussel (Foire du Midi), van de gedaanten die je in het voorbijgaan herkent. Dit Brussel dat we ondanks alles liefhebben.”

Misschien dacht Benoît Peeters dat geen kat meer zou weten wat hij als intro bij Brüsel geschreven had (en eerlijk is eerlijk, ik wist het ook niet meer, maar ik kwam het tegen bij het opzoekingswerk voor deze bespreking), maar hij heeft wat z’n introductie bij Brussel, hoofdstad der dromen betreft dus niet echt moeite gedaan om origineel te zijn. Anderzijds zijn de heren wél eerlijk wat het beeldmateriaal betreft. Op de laatste bladzijde lezen we immers: “De beelden opgenomen in dit boek werden door François Schuiten gemaakt in verschillende periodes en in het kader van verschillende projecten rond de stad Brussel. Veel van deze afbeeldingen zijn herwerkt voor de huidige uitgave. Sommige werden eerder gepubliceerd in Brussel – Routes, van François Schuiten en Christine Coste (Lonely Planet/Casterman, 2010).” Geen originele “beelden” dus in dit boek, hoogstens herwerkingen, maar tenzij u een die hard verzamelaar bent van álles wat Schuiten en Peeters gepubliceerd hebben, zal u daar geen last van hebben: ik heb al de eerder genoemde strips in bezit en kan toch niet zeggen dat ik voortdurend last had van déja vu.

Om ten slotte bij het eerst genoemde argument te komen: Benoît Peeters mag dan in zijn inleiding al wat lyrisch doen over de multiculturele “smeltkroes” die Brussel zou zijn, voor de meesten van ons is het geen droom, noch heeft een mens de indruk dat er veel dromen verwezenlijkt worden. Misschien hier en daar een droom van een vastgoedontwikkelaar (nog steeds, ja) of van een politicus (de dromen van een politicus zijn andermans nachtmerrie), maar dan zijn we zo’n beetje uitgeklapt. En toch gaat dit boek over dingen die in Brussel gedroomd en soms gerealiseerd zijn: het Egmontpaleis, de Grote Markt, het Broodhuis, de Muntschouwburg, de Sint-Hubertusgalerijen, het Justitiepaleis, de Hallepoort, het Koningsplein, de overwelving van de Zenne, het atelier van Antoine Wiertz (nu Wiertz Museum), de Senaat, het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (intussen AfricaMuseum), het Jubelpark, de Koninklijke Serres, het Autriquehuis, het Volkshuis, het Paleis voor Schone Kunsten (“Bozar” in dat typische belze koeterwaals dat dan ook voor Nederlandstaligen maar goed genoeg moet zijn), het Cauchiehuis, de Zaveltoren, de Saint Ghislain-school, de Waucquez Warenhuizen en de Innovation, het Stocletpaleis, de Boekentoren (zij het dat die in Gent staat), La nouvelle maison (in Tervuren), het belze paviljoen voor de Wereldtentoonstelling van Parijs (gebouwd in 1937, afgebroken in 1938), het Mundaneum, Brussel-Centraal en de zogenaamde Noord-Zuidverbinding, het Flageygebouw, het Heizelpaleis, het Atomium, de Albertina, het Europees Parlement en de wijk errond, het Vlaams Parlement, het cultureel centrum van Jette, het station van Schaarbeek, het waterreservoir van Etterbeek, … En natuurlijk ook over wie die dingen droomde, realiseerde, tegenwerkte, vernielde … of soms zelfs overvloog: Félix Tournachon bijvoorbeeld, ofte Nadar, een fotograaf annex ballonvaarder wiens naam uiteindelijk nog het meest verbonden bleef met de dranghekkens die geplaatst werden om “de massa in toom te houden” als hij opsteeg met z’n ballon. Maar even goed Jules Anspach, Joseph Poelaert, Antoine Wiertz, Charles Buls, Alphonse Balat, Ernest Solvay, Victor Horta, Josef Hoffmann, Henry Van de Velde, Henri La Fontaine, Paul Otlet, René Magritte, Georges Remi (ofte Hergé), Edgar P. Jacobs, Max Rosendor, enzovoort.

Aan elk van die gebouwen, in de tekeningen van Schuiten veelal uit hun context gehaald en van een nieuwe context voorzien, als in een droom, en mensen wordt door Peeters aandacht besteed. Waarmee hij inderdaad een boek samengesteld heeft dat de titel Brussel, hoofdstad der dromen waardig is. Wetende dat Peeters en Schuiten aan een aantal van die dromen enigszins hebben bijgedragen in modernere tijden, mag dit boek trouwens ook een béétje als een blik op de realisaties van beide heren beschouwd worden: de redding van het Autriquehuis (een van de eerste woningen die Victor Horta tekende, gelegen aan de sindsdien toch enigszins gedegradeerde Haachtsesteenweg in Schaarbeek) is zonder meer lovenswaardig geweest, het armillarium op de top van het cultureel centrum van Jette is een bijzonderheid, en Train World (het “treinmuseum” in het vroegere station van Schaarbeek waar onder andere het Type 12 , een stoomlocomotief uit 1939 met een bijzonder knappe lijn, uit het album 12 – Schoonheid te vinden is) is volledig – letterlijk – in scène gezet door Schuiten en zijn medewerkers.

Tel bij dat alles nog de vele citaten van een hele resem auteurs en de portretten van de dromers en het valt de auteurs meer dan te vergeven dat ze voor dit boek hun krachten weer eens gebundeld hebben zonder met iets volledig nieuw op de proppen te komen. Schuiten stopte in 2019 officieel met strips tekenen na het afwerken van De laatste farao, een album buiten reeks van Blake en Mortimer (het bekendste werk van de eerder genoemde Edgar P. Jacobs), maar het is een goede zaak dat hij voor Brussel, hoofdstad der dromen zijn pen weer bovenhaalde voor enige “herwerkingen” en dat Benoît Peeters voor leesbare, interessante teksten bij al dat materiaal zorgde (of omgekeerd, natuurlijk, da’s een verhaal van de kip of het ei). Beide auteurs hebben intussen vijfenzestig jaar op hun teller staan, maar ik durf hopen dat ze in de toekomst nog wel wat materiaal bij mekaar gaan sprokkelen en – al dan niet bij Casterman – willen publiceren.

Björn Roose

dinsdag 23 november 2021

De dageraad – Joris Candaele (boekbespreking door Björn Roose)

De dageraad – Joris Candaele (boekbespreking door Björn Roose)
Ik geloof niet dat dit me al eerder overkomen is, maar met Joris Candaele is het dan toch zover: een boek lezen, in casu De dageraad, van een auteur waarover ik nu eens werkelijk niks te melden heb. Niet omdat ik dat niet wíl, maar omdat ik over de man (en als ‘t een schuilnaam is mogelijk een vrouw) nergens iets terugvind. Toegegeven, ik ben niet naar een bibliotheek getrokken om hem daar op te zoeken en in bibliotheken zit toch wel een schat aan informatie, maar dat ik op het internet echt niks vind behalve een ander boek dat hij geschreven heeft - Het laatste concerto – en een paar artikels (in Boekengids en Dietsche Warande en Belfort) is toch wel sterk. Nu ja, “niks” is misschien enigszins overdreven: Bernard Kemp heeft het in Roeping, jaargang 36, op pagina 112 over Het laatste concerto en vermeldt daarbij dat “Candaele (…) een debutant op reeds gevorderde leeftijd [is]”. En misschien is dát wel de verklaring: ofwel kwam er na dat debuut uit 1960 alleen nog dit De dageraad uit 1961 en hield de auteur het vervolgens voor bekeken ofwel overleed hij.

Maar waar zelfs Boekengilde De Clauwaert vzw normalerwijze een korte bio van de auteur, samen met een intro tot de tekst op de achterflap van zijn uitgaves afdrukte, is ook dát hier niet het geval. Geen verdere info over de schrijver dus en ook niks over het verhaal, waardoor u het dus volledig met mijn uitleg moet doen. En het is een kortverhaal, dus veel uitleg valt er niet over te geven. Toch een poging: schrijver is herstellend van een operatie, operatie blijkt toch niet de redding geweest te zijn, schrijver gaat dood.

Beetje kort door de bocht uiteraard, want er is ook nog het feit dat degene die de operatie uitvoerde en tot de vaststelling komt dat die niet geholpen heeft een persoonlijke vriend van de schrijver is, dat die schrijver gescheiden is en een net-niet-vriendin heeft, en dat hij uiteindelijk niet dood gaat aan datgene waarvoor die operatie nodig was maar aan een voertuig dat over hem heen dendert. Drama langs alle kanten dus, maar ondanks dat een boekje dat je vlot uitleest (het is uiteindelijk maar 58 bladzijden dik) en dat niet de tijd krijgt op je zenuwen te gaan werken.

Zelfs niet als de auteur het heeft over “zijn djungle” in plaats van “zijn jungle” of de behoefte voelt het te hebben over “de bistouri” van de chirurg, terwijl we met zijn allen toch een stuk beter bekend zijn met het synoniem daarvoor, “scalpel”. Of even totaal verdwaalt in filosofisch gewauwel van deze aard: “Onoverbrugbaar is het nomansland tussen de begrippen “zijn” en “niet zijn”, “tijd” en “eeuwigheid”, of is de scheiding maar een misverstand ? Maar dan, van welke duistere machten zijn wij dan de dupe bij het staren naar de oneindigheid onder het nachtelijk uitspansel ? Is dat ons lot, na al die miljoenen jaren van vergeefs denken, met verbijstering te moeten blijven staren naar de fusie van onverenigbaarheden in demonische of goddelijke smeltkroezen ?”

Het moet allemaal niet te lang duren, dat soort ongein, natuurlijk, maar daar heeft Joris Candaele in dit De dageraad dan ook mooi voor gezorgd.


Björn Roose

zaterdag 20 november 2021

De beste beesten – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)

De beste beesten – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)
Ik “ken” eigenlijk niet zo heel veel “bekende” Nederlanders, maar van degenen die ik wel “ken”, zijn er toch twee met dieren bezig: Martin Gaus en Midas Dekkers. Voormalig honkbalinternational en tv-presentator Martin Gaus heeft een aantal boeken over honden en katten geschreven, maar die zitten nu niet meteen in mijn “rayon”, dus zal je hem verder in mijn boekbesprekingen waarschijnlijk ook niet echt veel tegenkomen. Bioloog en presentator Wandert Jacobus Dekkers, alias Midas Dekkers, heeft het in zijn boeken óók wel eens over honden en katten, maar zijn boeken – toch die boeken die ik in mijn kasten heb staan – zijn bundelingen van cursiefjes, columns zoals die tegenwoordig moeten heten, en gaan in essentie méér over mensen dan over dieren, dus die kan ik (bad pun intended) wel smaken. Zo ook het voorliggende De beste beesten.

Dat “beste” in De beste beesten slaat dan weer op het feit dat dit een bundeling uit bundelingen is. In dit boek zou het beste moeten staan uit De kanarie en andere beesten, De krekel en andere beesten, De koe en andere beesten, De flamingo en andere beesten, De baviaan en andere beesten, De bever en andere beesten en De kip en – nope – de pinguin. Niet zo best qua originaliteit, de meeste van die titels, maar misschien verkoopt herhaling wel goed.

Iets waar ik niet zo zeker van ben als het ook bínnen eenzelfde boek voorkomt, maar goed, dat euvel duikt maar een paar keer op in De beste beesten. Dekkers heeft het dan wel in verschillende hoofdstukken over honden (De christenhond, Het mormel, De collie, De schoothond, De basset, De basenji, De goede herder, De Haagse herdershond, De Ierse setter, De brokkenhond, De wolfshond, De maltezer, De zeeteef) of katten (De pers, De burmees, De postpoes, De lapjeskat, De pelspoes, De krolse kat, De kater, De etalagekat, De angora), maar ook over vogels (De kanarie, De kolibrie, De parkiet, De jaloerse kip, Het eendje, De fuut, De ekster, De flamingo, De lepelaar, De blinde vink, De eend, De trekvogel, De koekoek, De prieelvogel, De dodo, De duif, De pauw, De gier), insecten en ander klein grut (Lobocrapsis griseifusa, Het bieraaltje, Het virus, Het schrijverke, De krekel, De bacil, De regenworm, De horzel, De platworm, De kaasmade, De galmug, De dopluis, Het azijnaaltje, Het zaaddiertje, De bacterie, De bloedzuiger, De watervlo, De luis, De mier, De ruggezwemmer, De spin, De tabakpijlstaart, De keizersmantel, De steekmug), waterbewoners (De platvis, De otter, Fruits de mer, De spons, De witvis, De zakpijp, De zoenvis, De kwal, De gup, De elrits, De oester, De vleugelrog, De sportvis, De krab, De rog, De schootharing, De zeekoe, Het holtedier), een heel gamma aan diverse zoogdieren (De capibara, De jaguar, De luiaard, Het rijpaard, De wombat, De mensaap, Het springpaard, Koetje boe, De resusaap, De klipdas, De reageermuis, De steppewisent, De baviaan, De giraf, De olifant, Het varken, De muis, De mammoet, De koe, De horde, Het stinkdier, De ezel, Het girafje) en nog een paar gevallen in andere categorieën (De landschildpad, De koala, De ratelslang, De bloemzitter, Het buideldier, De dinosaurus, De kangoeroe, De slang), terwijl ie het in ál die hoofdstukken zoals gezegd eigenlijk voor het grootste deel over datgene heeft waar het ook over gaat in de andere hoofdstukken (De patiënt, De belg, De inboorling, De dreumes, De buitenlander, Het feestvarken, De dagjesmens, Het fabeldier, Het lijk, De pasja, De kakmadam, De waterlander, De zuster, De scholier, De kerstengel, De baarmoeder, De etter, De vroege vogel, De logé, De kijker, Stoffelijke voorschotjes, De muurbloem, Het boterlammetje, De reus, De minnaar, Het dikkopje, Het misbaksel, De schaker, Het fantoom, en U): de mens in al zijn aspecten. En daar valt natuurlijk heel wat over te schrijven.

En heel léuk over te schrijven ook (u had al wel gemerkt aan de opgesomde titels dat Dekkers een zeker gevoel voor humor heeft). Want Midas Dekkers mag dan wel een bioloog zijn, De beste beesten en de stukjes erin zijn noch van het soort ernst dat bijvoorbeeld tekenend is voor Het ongelooflijke toeval van ons bestaan – Een evolutionaire reis door het menselijk lichaam van Alice Roberts, dat ik in juni 2019 besprak (zie hier) noch beperkt tot het biologische. Dekkers doet feitelijk aan antropologie, maar dan door u te wijzen op wat u gemeenschappelijk hebt met andere beesten. Of zoals de achterflap vermeldt: “Eigenzinnig en verfrissend houdt Midas u een spiegel voor (…)”. Waarbij hij intussen niet nalaat u ook nog van nuttige info te voorzien: “Kanaries zijn vernoemd naar hun land van herkomst, de Canarische Eilanden, die op hun beurt vernoemd zijn naar de grote honden die er leefden; canis is Latijn voor hond. Zo draagt de kanarie godbetert de naam van het enige dier dat met zijn gezang inbrekers verjaagt en eerzame burgers de stuipen op het lijf jaagt.” Terwijl die “zangers” het er ook bij christenen (en niet alleen bij moslims, want van hen is het bekender) niet goed afbrengen: “(…) sinds de eerste paus, de heilige Petrus, die het niet zo op honden had. Zoals ‘de gewasschene zeug tot de wenteling in het slijk’, schrijft Petrus ons, zo keert ‘de hond weder tot zijn eigen uitbraaksel’. En die afkeer had Petrus niet van een vreemde. Jezus Christus, díe was de eerste hondenhater van onze jaartelling. ‘Het is niet betamelijk,’ zei Hij, ‘het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.’ En op de berg predikte hij: ‘Geef het heilige den honden niet, opdat zij niet te eeniger tijd dezelfde met hunne voeten vertreden, en zich omkeerende u verscheuren.’ Tot de laatste bladzijde van de bijbel toe worden honden in één adem genoemd met ‘hoereerders en afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft en doet’.”

In een zeldzaam geval zal Dekkers’ humor minder te vatten zijn voor een jongere generatie: “Links rechts of rechts links, dat geeft niet zo veel, dat is elkaars spiegelbeeld, maar boven en onder zijn heel verschillend, onverwisselbaar kop en staart, kruin en kin, behalve dan natuurlijk bij de kokkel, de zeeëgel en Chriet Titulaer.” Maar goed, wie Titulaer nog wél op televisie gezien heeft, vat hem. En voor de rest heb je – mede omdat Maus Slangen (what’s in a name?) voor passende en soms hilarische illustraties heeft gezorgd – alleen wat kennis van dieren nodig: “De capibara is een dier voor gevorderden. Als kleuter krijg je olifant, giraf en nijlpaard met de paplepel ingegoten, later komen flamingo en tapir erbij, een miereneter ook wellicht, en dan pas word je je van de capibara bewust. Je kunt je ogen niet geloven. Daar zit duidelijk een cavia, even vormeloos als het diertje thuis, maar dan groter, veel groter, monsterachtig groot. Een gezwel.” Of, zeer poëtisch: “Misschien is een vlinder niets anders dan een felgekleurde, tijdelijke toestand van de lucht, die zich op onvoorspelbare wijze verplaatst.”

Maar vooral – ik blijf het herhalen – de mens is het eigenlijke onderwerp van de stukjes van Midas Dekkers. Ik heb bij het lezen nogal wat passages aangeduid, maar beperk me voor deze bespreking tot een veel kleiner aantal:

– “Tegen Kerstmis lopen de meeste konijnen weg. Menig konijnehok staat dan akelig leeg. En ook in bos en veld, waar je anders nog weleens gezellig een haas of een fazant kunt tegenkomen, is het akelig stil. Een drukte van belang daarentegen is het bij traiteur en poelier. Fauna heet nu delicatesse.”

– “Een nieuwe lente en een nieuw geluid: onze plantsoenendienst heeft weer een nieuwe grasmaaier in gebruik genomen, weer een grotere natuurlijk, waarin de plantsoenendienaar als in een maanvoertuig over de plantsoenen hobbelt. Nu nog één, straks, tegen de zomer, twee keer per week, raast en giert en bromt en jankt de nieuwe lente urenlang rondom mijn huis. Tegen zoveel geweld zijn de tere grassprietjes niet opgewassen; ze worden er korter van. Als resultaat van deze ongelijke strijd liggen de gazons er bij ons altijd mooi bij en weten we precies wat de taak is van de plantsoenendienst: lawaai omzetten in schoonheid. Oorverdovend maakt ze het oogverblindend en bewijst daarmee eens te meer dat de mens een oogdier is.”

– “Vaststaat (sic) dat de oorspronkelijke bewoners, de Aborigines, nog steeds dol zijn op parkieten. Ze vangen ze bij bosjes, schroeien er in de hete as van een houtvuur de vleugeltjes af, schrobben ze schoon en eten ze met huid en haar op; alleen het gele velletje om de snavel lusten ze niet. De parkiet is de haring onder de vogels.”

– “Gelukkig heeft Staatsbosbeheer de natuur van een gebruiksaanwijzing voorzien. Routes. Rondwandelingen. Het aantal kilometers staat erbij, voor minder intelligente natuurliefhebbers in wandeltijd vertaald, zodat het liefhebben geen seconde te lang hoeft te duren en het genot binnen de perken blijft.”

– “Dieren ouwehoeren niet. Ze maken wel geluid, en papegaaien spreken zelfs, maar iets te zeggen hebben ze gelukkig niet. Moe van je werk thuisgekomen, begroeten ze je enthousiast zonder je meteen te vertellen wat hún heeft dwarsgezeten, zo’n hele dag op hún werk of thuis of op school. Terwijl je zelf tegen je dieren aanpraat alsof ze je verstaan, zoete woordjes brabbelt of ze haarfijn uitlegt waarom de personeelschef een sukkel is, houden ze hun mond, spreken je niet tegen. Vol begrip vallen ze op je schoot in slaap. Dat heeft te maken met het natuurlijk evenwicht. Mensen hun monden zijn groter dan hun oren. Doordat er meer gesproken dan geluisterd wordt, dreigt veel gesprokens onbeluisterd in de lucht te blijven hangen. Hond en poes, die wel goed horen, maar niet kunnen spreken, zuiveren de lucht van dat overschot en het evenwicht is hersteld. Tot slot wordt het weggevangen overschot verteerd en op straat uitgekakt, zodat we toch nog over ons eigen gelul uit kunnen glijden.”

– “Niets is zo onuitstaanbaar als een Franse kleuter. Tartend rijgt zo’n snotaap vloeiend de Franse woorden aaneen die een volwassen Nederlander ook na een degelijke schoolopleiding slechts zo schutterig uitbrengt dat, waar ook ter wereld, un, petit en peu de drie meest gesproken woorden in het Frans zijn.”

En dan wil ik u ten slotte deze les voor onze tijden niet onthouden: “Zelf heb ik geleefd op de overgangstijd van stoffen naar papieren zakdoek. Als schooljongen hadden wij een degelijk geblokte zakdoek, die wij wekenlang vulden, laag na laag, tot hij brak. Onsmakelijk, maar hygiënischer dan de moderne papieren zakdoek, die het reislustig virusvolkje niet kan stuiten. Een niessnelheid van tien à twintig meter per seconde, dat is immers 36 à 72 kilometer per uur, wat op de schaal van Beaufort overeenkomt met windkracht acht, stormachtig dus, ofwel de windkracht die de toppen van de golven afwaait, grote bomen in beweging brengt en het gaan bemoeilijkt. Zeilen zijn hier al slecht tegen bestand, laat staan een zakdoekje van papier. Met geweld en luid gedonder razen de virussen op hun raketjes door de poriën in het papier, nieuwe neuzen tegemoet. En wie zich toch laat vangen, nestelt zich, mét het nu lauwwarme papier, in broekzakken en damestasjes, nog lang niet uitgespeeld.” Mijn zakdoeken zijn niet, zoals die ouwerwetse, “geblokt”, maar het zijn verdorie wel degelijk nog steeds stoffen, en de uwe?

Waarna ik er – écht – om af te sluiten de meest wijze les tegenaan gooi die u van een bioloog kan krijgen: “Dit jaar zijn er weer meer dan honderdduizend Nederlanders overleden. Met honderden per dag leggen we het loodje. Geen beste beurt voor de volksgezondheid. Kan dat niet wat beter? Ja dat kan. Als we er nóg enkele miljarden guldens tegenaan gooien, gaan de sterftecijfers heus wel omlaag. Een tijdje. Daarna gaan we alsnog de pijp uit. Want sterven zullen we.” In tijden waarin we met z’n allen naar het pijpen van “leiders” en “experten” moeten dansen om een virus te “bestrijden” waaraan je nauwelijks kans maakt te overlijden, is dat de meest wijze les die je kunt leren: dood ga je onvermijdelijk toch. En als je dan uiteindelijk “dood wakker [wordt]” staat er met wat geluk als doodsoorzaak genoteerd: “Weet niet (…) stierf zonder hulp van een arts.”

Björn Roose

dinsdag 16 november 2021

Mondeken toe – Quinten Massijs (ca. 1465-1530) en de zot in de zestiende eeuw – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)

Mondeken toe – Quinten Massijs (ca. 1465-1530) en de zot in de zestiende eeuw – Larry Silver (boekbespreking door Björn Roose)
De reeks Phoebus Focus voorstellen hoeft voor de vaste lezers van mijn boekbesprekingen allicht sinds lang niet meer, maar ik houd er toch aan te vermelden dat ook dit Mondeken toe – Quinten Massijs (ca. 1465-1530) en de zot in de zestiende eeuw in die serie verscheen en daarin al het elfde deel was.

Logisch dus dat ook in dit deel weer Katharina Van Cauteren, “stafchef van de kanselarij van The Phoebus Foundation”, het voorwoord verzorgde en dat het boekje – zoals alle voorafgaande – prachtig verzorgd is: uitgegeven op glanzend papier, met talrijke illustraties (wat altijd meegenomen is als het onderwerp kunst is), en zonder op het eerste zicht vindbare zet- en of schrijffouten. Alleen vroeg ik me bij dit nummer XI af of de auteur dan zo goed het Nederlands beheerst of wie dan wel de vertaler mag zijn. Wat dat laatste betreft, vind ik geen enkele vermelding terug; wat het eerste betreft doet ‘s mans bio op de achterflap me toch vermoeden dat Nederlands niet diens moedertaal is: “Larry Silver (1947) is Farquhar emeritus professor in de kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Pennsylvania (Philadelphia, VS). Hij bekleedde eerder posities aan de Universiteit van Californië in Berkeley en aan de Northwestern University (…) Silver was voorzitter van The College Art Association en van The Historians of Netherlandish Art”. Maar het zoú natuurlijk kunnen zijn dat professor Silver een en ander heeft opgestoken tijdens zijn werk: “Als specialist in vroegmoderne schilderkunst en prentkunst in de Lage Landen heeft hij talloze studies gepubliceerd over kunstenaars uit de regio, van Jan Van Eyck tot Rubens en Rembrandt, maar Silver is het meest gekend om zijn werk over zestiende-eeuwse kunst uit de Nederlanden: Quinten Massijs, Jheronimus Bosch, Lucas van Leyden en Pieter Bruegel”.

Doet er uiteraard niet heel erg toe, maar voor de petite histoire had ik het graag geweten. Per slot van rekening komen we uit het voorwoord van Van Cauteren ook te weten hoe, volgens kunstenaarsbiograaf Karel Van Mander, “Quinten Massijs kunstenaar werd”: “Volgens die historie – die Van Mander als een rasechte journalist pseudoterughoudend en snoepend beschrijft – was Massijs oorspronkelijk smid. Hij ging zijn schort echter aan de wilden [daar dan toch die zeldzame schrijffout, noot van mij] omdat hij verliefd was op ‘een aerdigh schoon Meysken’. Zij speelde echter hard to get. Er was een kaper op de kust, en die bleek schilder. Nu wilde het meisje best wel verder met haar Quinten, maar ze vond dat smedenwerk zo vies. Ce que femme veut, Dieu le veut, en Quinten werd schilder. Het moet zowat de meest succesvolle carrièreswitch uit de geschiedenis zijn.”

Een verhaaltje misschien, maar waarom dit boek over “de zot in de zestiende eeuw” gaat, weten we in ieder geval met zekerheid: “In die zin getuigt het van gepaste humor dat het eerste stuk van Massijs dat werd verworven door The Phoebus Foundation geen plechtstatig historiestuk is, geen gewichtige heilige. De grote held van de Antwerpse schilderkunst is immers ook de maker van deze doldwaze Mondeken toe: een voorstelling van een zot, compleet met haakneus, bult en een haan op zijn hoofd. Zijn assistent laat zijn blote kont zien. Zelf houdt onze nar de vinger op de mond, want wat hij weet, mag hij eigenlijk niet vertellen. Nochtans zegt de zot al lachend zijn gedacht.” Waarmee u zich ook een begin van voorstelling van dat schilderij kan maken al hebt u het dan misschien nog nooit gezien (troost u, ik had het ook nog nooit gezien voor ik dit werkje ter hand nam).

Ook buiten dat schilderij héél veel afgebeeld referentiemateriaal voor het onderdeel van het thema “en de zot in de zestiende eeuw”: Lachende nar met een staf van Jan Saenredam (naar Hendrick Goltzius), Elk heeft de zijn uit Sinnepoppen van Roemer Visscher, Rebus: de wereld voedt veel zotten van Jan Massijs (geboren uit het tweede huwelijk van Quinten), De bedelaars van Pieter I Bruegel, Nar die door zijn vingers kijkt van een anonieme meester, De oude dwaas en zijn kat van Alexander II Voet (naar Jacob Jordaens), Harpocrates van Jan Harmenszoon Muller, De genezing der zotheid van Jheronimus Bosch, De operatie of de verwijdering van de Steen der Dwazen van Jan Van Hemessen, De ezel op school van Pieter I Bruegel, De keisnijder of de heks van Mallegem van Pieter Van der Heyden (naar diezelfde Pieter I Bruegel), Ecce Homo van Jheronimus Bosch, Vijf groteske hoofden van Leonardo da Vinci, Ongelijke liefde van Jacob Jordaens, enzovoort, enzovoort. Ongeveer een vierde van de werken waarvan afbeeldingen in dit boekje zijn opgenomen zijn in bezit van The Phoebus Foundation, voor de rest wordt u meegenomen op een rit langs één Nederlands museum (het Rijksmuseum in Amsterdam), één Zwitsers (de Öffentliche Kunstsammlung in Basel), één Frans (het Louvre in Parijs), één Spaans (het Prado in Madrid), twee Duitse (de Staatliche Museen in Berlijn en het Städel Museum in Frankfurt), twee in Engeland (National Gallery in Londen en Royal Collection Trust in Windsor), twee in de Verenigde Staten (het “Met” in New York en de National Gallery of Art in Washington), en ten slotte – toch wel – twee in Vlaanderen (het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en de Koninklijke Bibliotheek in Brussel). Een aardig reisje waarvoor je – in tegenstelling tot wat geldt voor minstens een aantal van die musea – géén muilkorf aan moet en al evenmin een “vaccin” in je lijf moet laten spuiten.

Behalve over de “zot” met al zijn attributen (de “marot”, de riem met belletjes, de hanenkam, ezelsoren) en eigen-aardigheden leer je in dit boekje uiteraard een en ander bij over de artiest zelf, die wellicht – of hij nu eerst smid was of niet – opgeleid werd door “een van de telgen van de beroemde Leuvense meester Dirk Bouts”. Maar tussendoor ook over Desiderius Erasmus (waarbij uiteraard diens Lof der Zotheid de connectie vormt), het Narrenschiff (Narrenschip) van Sebastian Brants, de Steen der Dwazen (ongeveer even dwaas als de Steen der Wijzen overigens). En dan krijg je ook nog een aantal minder “gekke” werken van Massijs voorgeschoteld: De heilige Maria Magdalena, Portret van een groteske oude vrouw, Portret van een oude vrouw (minder grotesk, maar ook zonder de vrouw in kwestie mooier te maken dan ze was), Lezende vrouw, Een geleerde, Aanbidding der Wijzen en Ecce Homo.

Een stevige portie interessante, maar – zoals gebruikelijk in deze serie – ook lichtverteerbare kost. Een aanrader voor wie geïnteresseerd is in kunst. Of in zotten natuurlijk.

Björn Roose

vrijdag 12 november 2021

Triptiek van heimwee en berusting – Valère Depauw (boekbespreking door Björn Roose)

Triptiek van heimwee en berusting – Valère Depauw (boekbespreking door Björn Roose)
Wie wel eens vaker mijn boekbesprekingen leest, weet dat ik zoniet een lichte voorkeur voor dan toch zeker geen probleem heb met werken van schrijvers die reeds enige jaren het tijdelijke voor het eeuwige hebben verwisseld. Ook Valère Depauw, overleden in 1994, valt onder die categorie, en heeft behalve het voorliggende Triptiek van heimwee en berusting nog een hele reeks andere werken afgeleverd die geduldig afwachtend tot ik ze lees in mijn boekenkast staan: Tavi, Opdracht in Guernica, Nevels over ‘t Moerven, Kronieken van Reinaart, Kapelhoeve – laatste haven, Ik ben zo wijd, Het late geluk van Remi Zwartekens, Jules Bonnemine, De dood met de kogel, De 15de compagnie, Breiz Atao, en Bijwijlen lief, bijwijlen leed.

Slechts een kleine selectie uit zijn vrij grote oeuvre eigenlijk, maar wel allemaal in het Nederlands, terwijl dat toch min of meer verbazingwekkend is: Depauw werd geboren in een franskiljons gezin in taalgrensgemeente Ronse en stapte als tienjarige in 1922 nog mee in een betoging tegen de vernederlandsing van de Gentse Universiteit (wie het verbazingwekkend vindt dat zulks ooit een kwestie was, moet er dringend de geschiedenisboeken eens op naslaan). Hij werd naar eigen zeggen Vlaamsgezind toen een leraar Frans aan zijn middelbare school zei dat het Frans de mooiste taal ter wereld was en dat in dezelfde periode waarin hijzelf interesse kreeg voor het proces en de veroordeling van August Borms. In 1928 veranderde hij van turnclub, van de franskiljonse katholieke naar de Vlaamsgezinde van de Christen Volksbond, waar de latere burgemeester Leo Vindevoghel zijn “bekering” afmaakte en hem Nederlandse les gaf: Depauw sloot zich aan bij de taalgrensactie van Flor Grammens, ging zich – aldus Wikipedia – “toeleggen op het spreken van de Nederlandse taal in het openbaar”, begon artikels te schrijven voor Het Volk van Ronse, ging veel lezen (aanvankelijk nog vooral Frans en later stilaan Nederlands), werd boekhandelaar in Gent, en vervolmaakte zichzelf in de Nederlandstalige schrijfkunst.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij bediende bij de uitgeverij van Angèle Manteau en journalist bij De Gazet, wat hem na de “bevrijding” op een jaar gevangenisstraf kwam te staan. Dat bracht hij door in de gevangenissen van Gent en Sint-Gillis (Brussel) en ten slotte het hechteniskamp Lokeren, waar hij “barakchef” werd en als secretaris degene had naast wiens boeken de zijne nu in mijn boekenkast staan: Filip de Pillecyn (zie mijn besprekingen van Monsieur Hawarden en De aanwezigheid).

Na z’n gevangenschap verhuisde hij naar Koekelberg, waar hij weerom boekhandelaar en bediende bij een uitgeverij werd, maar al snel z’n eigen uitgeverij, De Belhamel, begon en een vzw, Boekengilde Brederode, stichtte. In 1950 hield hij het in Brussel echter alweer voor gezien, knapte een vervallen hoeve in Sint-Job-in-’t-Goor op en schreef voor den brode wat dan heet “pulpliteratuur” onder schuilnamen als Jean Montreal en Claudine Lagarde. Ook onder schuilnaam (Piet Canneel en Jan Eyck) schreef hij in het anti-repressieblad Rommelpot, maar vanaf halverwege de jaren 1950 ging zijn carrière weer bergop: van 1955 tot 1969 was hij hoofdredacteur van het Nederlandse tijdschrift Panorama, toen nog een familieweekblad, van 1974 tot 1977 doceerde hij aan de Luxemburgse Académie internationale de Psychologie, en tussen die activiteiten door schreef hij dus ook nog een hele resem boeken, waarvan een niet onbelangrijk aantal verband hield met de Tweede Wereldoorlog, de repressie en – zoals in het geval van Triptiek van heimwee en berusting – zijn deelname aan de zogenaamde Achttiendaagse Veldtocht en zijn daaropvolgende krijgsgevangenschap in Oostenrijk.

In die Triptiek drie verhalen die oorspronkelijk wel degelijk apart werden gepubliceerd: Kerstvisioen in het Stalag (1943), Offergang (1944) en Een man keert terug (eveneens 1944). Zij het dan in een andere, logischer volgorde: Offergang, Kerstvisioen in het Stalag, en Een man keert terug. Logischer omdat Offergang de tocht van een aantal krijgsgevangenen naar een Stalag (Mannschaftsstamm- und Straflager, kortweg Stammlager, of nog korter Stalag, een gevangenenkamp voor manschappen en onderofficieren, in casu Stalag XVII B in het Oostenrijkse Krems-Gneixendorf, gelegen aan het oostelijke einde van de Wachau op zo’n 70 kilometer van Wenen) beschrijft, Kerstvisioen in het Stalag hun verblijf daar, en Een man keert terug hun vrijlating daaruit. “Een aantal krijgsgevangenen”, schrijf ik, maar zelfs als het ten dele om dezelfde mensen zou gaan, wordt dat niet verduidelijkt, terwijl het hoofdpersonage ook telkens iemand anders is: Peter in Offergang, Walter in Kerstvisioen in het Stalag, Luc in Een man keert terug. Iemand anders ook qua achtergrond, in het bijzonder wat de relatie met de aan het thuisfront achtergebleven vriendin/vrouw betreft, want dié relatie is eigenlijk waar het om draait. De tocht náár het gevangenenkamp, het “kerstvisioen” ín het gevangenenkamp, en de terugkeer uít dat gevangenkamp zijn duidelijk behalve een weergave van zaken die Depauw en velen met hem meemaakten ter gelijker tijd een metafoor, een op een andere manier weergeven van een innerlijke reis die de hoofdpersonages maken. Peter zet zijn Jenny, zwanger bij het begin van de oorlog, er toe aan abortus te plegen (Depauw hoeft het niet te noemen om het duidelijk te maken) en wil daar nu boete voor doen, een Offergang richting vagevuur, richting gevangenenkamp maken (ze hebben er allebei enorm spijt van gehad, maar hij is, voor zover hij weet in tegenstelling tot haar, niet in het reine gekomen met zichzelf). Walters vrouw, Martine, was eveneens zwanger bij het begin van de oorlog, ook hij zit er mee in dat ze zonder hem haar plan niet zal kunnen trekken, maar hij heeft vertrouwen in haar kunnen, en hoop dat ze het ook zonder hem redt. Z’n Kerstvisioen is dat zijn kindje geboren is en dat zijn Martine zal voelen dat hij im Geiste bij haar is. Luc heeft zijn echtgenote Nora, met wie hij geen kinderen kan krijgen, bedrogen; Nora weet dat, maar vóór hij vanuit een werkelijk berouw de zaken kon rechtzetten werd hij ten strijde geroepen. Zij heeft het in haar brieven nooit over vroeger, hij zou het daar wel willen over hebben, dus is het de vraag hoe hij thuis kan komen.

Dat levert drie prachtig geschreven kortverhalen op, waaruit ik bovendien (ook voor mijn driemaandelijks artikel in TeKoS) een aantal analogieën met onze tijd haalde. Wie niet blind is voor de feiten, voor wat er gaande is in die tijd van ons, zal er geen moeite mee hebben een en ander te herkennen:

“Nog dreunt en bonst de artillerie, maar zij lijkt niet meer gevaarlijk. Drie vliegtuigen razen zeer laag van oost naar west, maar slechts even schrikken de krijgsgevangenen op: zij zijn uitgeschakeld, zij hebben opgehouden wild te zijn. En zij stappen verder. Binnen in hen woedt soms, kort en hevig, een strijd; moeten zij verheugd zijn of treurig? Een enkele maal – de Duitser schreeuwt bars dat zij rapper moeten stappen – pijnigt de vernedering zo dat zij weerstand zouden willen bieden. Maar dan berusten zij weer, verstompen, vergeten de vernedering, en overwegen niet meer of zij nu treurig zijn ofwel gelukkig. (…) En de zwijgende stoet trekt verder. Dat zijn niet zoveel honderden of zoveel duizenden mannen. Dat is één wezen, een redeloos, willoos, stompzinnig beest. (…) En geen enkele krijgsgevangene doet een poging om te ontvluchten, al zijn de bewakers weinig talrijk en al zien zij er niet dreigend uit. Zij denken er eenvoudig niet aan om te ontvluchten, het is net alsof alle initiatief in hen gedood is, alsof zij alle persoonlijkheid hebben verloren, alsof zij niet meer kunnen denken.”

“Vroeg boden de mannen zich aan om te werken en in arbeidscommando’s, soms grote, soms kleine, verlieten zij het kamp. Waarheen bracht men hen? Zij wisten het niet en zij verlangden het ook niet te weten. Als zij hier maar weg waren. Weg van de kale barakken en de holle verveling en de ondraaglijke nutteloosheid. Zij vertrokken, beroofd van hun grootste illusie, maar met het rustige bewustzijn nu weer houvast te hebben aan het leven en weer reden tot leven te hebben. (…) Toen keerden vele groepen naar het Stalag terug. De mannen hadden gearbeid in de fabrieken van Bohemen, op de velden van Neder-Oostenrijk, in de bossen van Stiermarken of in de bergen van Tirol. En zij keerden terug vol hoop: nu het werk gedaan was en men hen niet meer gebruiken kon, wat stond er nu de terugkeer naar huis nog in de weg? Maar de dagen gingen voorbij en hun hoop werd niet vervuld. November, december… Kerstmis leek hun dan de uiterste datum voor de bevrijding; dàn zou het gebeuren! Maar ook Kerstmis ging voorbij, en Nieuwjaar. (…) En toen, plots, de verlossende tijding: tweeduizend Vlamingen mochten naar hun heimat terugkeren! Maar was het wel waar? Na de eerste uitbarsting konden zij het niet meer geloven; het was weer eens een vals gerucht dat morgen zou gelogenstraft worden… Er werden echter lijsten opgemaakt van de tweeduizend die in aanmerking kwamen, en de mannen die op de bureaus werkzaam waren, vertelden dat het vertrek voor zeer binnenkort was, want de ‘Entlassungsscheine’ werden klaar gemaakt. Nog durfden de krijgsgevangenen niet geloven in het geluk, maar zij werden afgezonderd van de anderen die moesten blijven en men gaf hun alles terug wat men hun had ontnomen bij hun intrede in het kamp, brieven, foto’s, vulpennen, boeken, geld… (…) De tweeduizend marcheren. Hun stap is zwaar en vast. Zij zwijgen als bij een grote plechtigheid en houden het hoofd hoog opgericht. Achter de laatsten wordt de slagboom opnieuw neergelaten, maar dat zien zij niet. Want geen enkele keert zich om, geen enkele heeft nog een blik over voor het kamp.”

Wat die heimwee en berusting uit de titel betreft: de heimwee lijkt er, logischerwijze, bij alle hoofdpersonages een te zijn naar de situatie zoals ze was voor de oorlog hun levens overhoop haalde, toen er nog hoop was op een onbevlekte toekomst, desnoods op een weer proper gemaakte toekomst. En de berusting, “een zich schikken in het onvermijdelijke”, is uiteraard ook gelijklopend, maar toch anders. Peter: “Hij weet nu, dat hij nooit werkelijk van Jenny gescheiden zal zijn en zelfs zéér ver van haar weg, zal zij als een goede engel over hem waken en steunen”. Walter: “En op dit ogenblik weet Walter, weet hij, zo zeker als God er is, wéét hij dat zijn kindje geboren is. En of nu duizend kilometer hen scheiden, bergen en vlakten en stromen en wouden, Walter is bij Martine”. Luc: “Er ligt over haar gelaat oneindige rust en sereniteit. Wijs en diep zijn de ogen. Niet moe, niet dof, wijs en diep. En, ja, daar zijn twee groeven langs haar mond en er zijn ook rimpeltjes rond haar ogen. En ziet hij daar niet enkele zilveren draden in haar haar? Maar haar schoonheid is onaantastbaar. De groeven langs de mond behoren er toe, de rimpeltjes rond de ogen, de enkele witte haren. En de ogen… Hij schouwt in de ogen en wat gebeurt er nu? Er zijn geen rimpeltjes meer, geen groeven, geen witte haren. En zie die glimlach… Zo glimlachte zij toen hij haar voor de eerste maal kuste, een zomeravond, zolang geleden. Zo glimlachte zij, een hemelse glimlach, toen zij huwden. Maar weemoedig werd na enkele jaren de glimlach, weemoedig, omdat er geen kindje werd geboren. En dan kwamen zeker ook de eerste rimpeltjes om haar ogen en de groeven langs haar mond. En de enkele witte haren… Nora… Zoals ze is, is zij hem lief en dierbaar. En hij weet nu ook dat geen stormen hen nog kunnen beroeren. Aan de sereniteit en de rust zal hij zich laven en de wijsheid en de diepte worden wellicht ook eens zijn deel.”

Hoeveel mooier wou u het nog geschreven zien? Voor mij volstaat dit boekje, dit Triptiek van heimwee en berusting, in ieder geval om Valère Depauw onder de auteurs te klasseren waarvan ik niet alleen nog heel wat te lezen heb, maar dat ook graag wil. Het is een beetje dringen wat de boeken betreft die ik op min of meer korte termijn nog ter hand zou willen nemen, maar die van Depauw zijn er dus in ieder geval bij. Dit boek is niet noodzakelijk, zoals de achterflap aangeeft, “wellicht het enige krijgsgevangene-proza van waarde in onze taal”, maar het is zeker een goed begin om met het oeuvre van Depauw kennis te maken.

Björn Roose

maandag 8 november 2021

De fanfare “De Sint-Jans-vrienden” – Ernest Claes (boekbespreking door Björn Roose)

De fanfare “De Sint-Jans-vrienden” – Ernest Claes (boekbespreking door Björn Roose)
Het is klaarblijkelijk alweer van eind maart 2020 geleden dat ik nog een boek van Ernest Claes besproken heb (de tijd vliegt voorbij als je voortdurend de pesterijen van de regering moet ondergaan, is het niet?), dus ik ga mooi de inleiding die ik schreef bij de bespreking van Voordrachtgevers zijn avonturiers opnieuw gebruiken (u kan zich die tóch niet meer herinneren):

“Ernest Claes voorstellen is een beetje onnozel, of zo lijkt het toch, maar welke zekerheden heeft een mens nog, hè? Ik herinner me dat we in mijn laatste jaar lagere school zelf een gedicht mochten kiezen om voor te dragen en dat ik er een gekozen had van Guido Gezelle. Mijn leerkracht kon het me niet naderhand verbieden, natuurlijk, maar hij vond het wel nodig me er op te wijzen dat Gezelle ‘oubollig’ was.

Kon het mij wat schelen wat die oliebol van Gezelle dacht, ik vond Gezelle gewoon een steengoede dichter. En dat vind ik nog steeds, net zoals ik nog steeds vind dat Ernest Claes een geweldige verteller en schrijver was. En ja, ik ben er vrij zeker van dat nog weinige mensen boeken als De fanfare van de Sint-Jansvrienden, De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop, Kiki, Wannes Raps, Pastoor Campens zaliger, Jeugd, Jeroom en Benzamien, Daar is een mens verdronken, Twistgesprek tussen Demer en Schelde (met de al even onnavolgbare Filip De Pillecyn), of zelfs zijn allerbekendste, De Witte, gelezen hebben, maar dat ligt dan aan die mensen, niet aan die boeken, want die blijven stuk voor stuk het (her)lezen waard.”

Ik zou me moeten schamen – doe ik ook – voor die verkeerd geciteerde titel (“De fanfare van de Sint-Jansvrienden” in plaats van “De fanfare “De Sint-Jans-vrienden””), maar ik kan gelukkig van de uitgever, in casu N.V. Standaard-Boekhandel, hetzelfde zeggen. Die presteerde het op deze oorlogsuitgave (zesde druk, 1941) op de voorflap zelfs een andere titel te zetten dan binnenin: “De fanfare “De St Jansvrienden”” versus “De fanfare “De Sint-Jans-vrienden””. Terwijl Wikipedia het toch écht heeft over “De fanfare van de Sint-Jansvrienden”. Een mens zou haast gaan denken dat zo’n uitgever in 1941 niet eerst even ging kijken op Wiki om te achterhalen wat de titel van zijn druksel nu eigenlijk was…

Enfin, maakt niet zoveel uit en in ieder geval minder dan dat de illustraties in deze uitgave van de hand van Martha Van Coppenolle zijn. Van Coppenolle, geboren in 1912 en overleden in 2004, was, aldus weer Wikipedia, “een van de meest invloedrijke Vlaamse illustratoren uit de twintigste eeuw”. Ik heb daar weinig zicht op, maar dat ze in 1930, op haar achttiende, in het jaar waarin ze haar studies aan het Antwerpse Technisch Instituut Sint-Maria afmaakte, de affiche voor de Wereldtentoonstelling ontwierp, valt toch wel bijzonder te noemen. En dat ze de illustraties voor De fanfare “De Sint-Jans-vrienden” verzorgde ook: samen met De geschiedenis van Black van dezelfde auteur was dit namelijk het eerste boek dat ze illustreerde. Na die ervaring zouden er nog vele volgen, onder andere van Karel Jonckheere, Stijn Streuvels, Guido Gezelle, Valère Depauw, Aster Berkhof, Theo Bogaerts, Jan Boschmans, Jozef Simons, Anton van de Velde, Aimé de Cort, Fritz Reuter en Gaston Duribreux. Wie wil zien wat dat, en andere opdrachten, zoal opleverde, kan daarvoor terecht bij het Antwerpse Letterenhuis, waar u uiteraard ook een en ander zal vinden over de auteur van de tekst, Ernest Claes hemzelve.

Of daar ook wat bij is over De Sint-Jans-vrienden weet ik niet, maar iedereen die wel eens in een fanfare “gezeten” heeft, of er van nabij kennis mee heeft gemaakt, zal er ondanks het feit dat dit werkje al uit 1910 dateert wel een en ander in herkennen. Fanfares lijken, zoals andere verenigingen wellicht, een beetje een verhaal van opstaan en vervolgens vallen en vallen en vallen en hopelijk helemaal op het einde opnieuw opstaan, maar heel vaak zelfs dát niet. In het – mijn excuses voor het slecht gekozen woord – geval van De Sint-Jans-vrienden staat de fanfare op, ontstaat ze, nadat “die van Averbode” de fanfare van “die van Oxlaar” aan het werk hebben gezien en “daarover een beetje jaloersch” worden. Gewoon omdat ze daar een fanfare hebben, trouwens, niet omdat die zo verschrikkelijk goed is:

“De fanfare begon dadelijk haar pardeblee – ze kende er nog maar één – maar de pastoor, die dat natuurlijk toen nog niet weten kon, stak even de hand op en deed “Ssssst!!” en die dat merkten deden ook allemaal “Sssst!!” want ze zagen dat de pastoor eveneens een aanspraak ging doen. De muzikanten hielden op met blazen, de eene voor en de andere na, en het was een oogenblik een verward getoeter van plots afgeknepen noten, een piston deed nog eens “tè-tè”, de tuba van Stinus Boets foempte een diepe do, de groskès bofte een enkelen slag, en Goeie Jef, de bugel-solo, pitste heel alleen wel vijf of zes hooge noten af eer hij het wist, daar Jef de oogen toedeed als het in de hooge noten kwam.”

Ik heb voor het leesgemak even de voetnoten uit die tekst gehaald, want ook in de tijd waarin deze zesde editie verscheen, ging men er nog niet van uit dat een leek wist wat een “pardeblee” of een “groskès” was. En u heeft zelf al wel gemerkt dat Claes thuis was in fanfaremuziek (hij treedt later in het verhaal ook, als tamboer, toe tot de fanfare, zelfs al was dat het gevolg van “een abuis”) en schreef in een intussen enigszins verouderd Nederlands, doorspekt met hier en daar een min of meer dialectisch woord. Maar al die aspecten zijn behalve vrij typisch voor het werk van de auteur ook bepalend voor de hele sfeer van dit boek en brengen al wie fanfares van enigszins dichtbij kent ook meteen in de sfeer. Ik bespeel persoonlijk slechts één instrument, mijn toetsenbord, maar ken toch een paar leden van een nabije harmonie en hier en daar een paar fanfareleden, maar zelfs dat in chaos eindigen heb ik wel eens meegemaakt.

En dan moet de chaos in Averbode nog beginnen: “Ze zeggen wel eens dat muziek de menschen zachter van karakter maakt. Dat kan waar zijn op andere plaatsen, en bij andere menschen, maar ten onzent was het juist het kontrarie. Kwam dat misschien doordat de menschen van Averbode anders zijn ? – of omdat het “slechte” muziek was ? Ik weet het niet zoo heel zeker, maar het zal, naar mijn meening, wel de kwestie van de muziek geweest zijn”.

“Slechte muziek” die Claes – en Van Coppenolle – onder andere illustreert met de dappere pogingen om de muzikanten in afwachting van de instrumenten toch alvast een noot juist te leren zingen: “Nand zong hun telkens de noten voor, en hij probeerde zijn leerlingen ook te doen zingen. Dat moest hij echter opgeven. Want als de Foester, of de Jesper, of de Witte van Merte de gam wilden zingen, kwamen er zoo’n vreemde, verdachte klanken uit hun keel, sprongen ze van onder naar boven en van hoog naar laag, dat er tusschen de achtereenvolgende noten soms wel een heel octaaf lag, en trokken ze hun oogen zoo ver open dat Nand zelf er niet ernstig kon bij blijven.”

Wat uiteraard niet belet dat ze van bij “de eerste schoone voorjaarsdagen” de straat op willen met hun “muziek”: “Ze wisten maar pas hoe ze het moesten vasthouden, en ze bliezen allen tegen elkander op, pistons en tuba’s, bugels en trombons, alto’s en baritons, een hoog schetterende dooreenmengeling van de onmogelijkste en schelste geluiden, een wanklankig, oorverscheurend spektakel, alsof alle duivels uit de hel opeens over het stille Averbode waren losgebroken”.

Maar “ze deden hun best zoo goed als men dat maar eenigszins van muzikanten van Averbode verlangen kon” en ze leren ook écht wel bij. La Vierge de Floride, bijvoorbeeld, of de “doodsmarsch” voor het overleden fanfarelid Sus Boets, of Adoration, terwijl het uiteraard volkomen fout gaat met “De Brabbeson” en de zeden zienderogen verwilderen: “Jongens van vijftien zestien jaar, die vroeger op dien leeftijd zondagsnamiddags naar het Lof moesten en daarna naar het patronaat, en die te negen uur in hun bed hadden moeten liggen, meenden nu waarachtig dat ze al mochten vrijen omdat ze in de fanfare tweeden bugel of derden piston speelden, en ge kondt ze tegen den avond al ieverans bij een staldeur of achter een houtmijt zien staan waar ze allerhand flauwe prullen vertelden aan het een of het ander zot ding van hun jaren.”

“Goed” dat aan dat alles een eind komt om een reden die eigen is aan ons mooie verenigingsleven, zijnde… geld: “Het was al eenigen tijd zoo wat hommelens geweest over de kwestie van de repetities, of die nu voor altijd bij Frans van Susses moesten blijven, ofwel of ze voor de verandering niet eenigen tijd bij een anderen herbergier konden gehouden worden, bijvoorbeeld bij den smid. Want de herberg van Frans van Susses vaarde daar goed mee, dat kunt ge verstaan, en waarom moest dat profijt alleen naar hem gaan als er toch nog verschillende andere herbergiers onder de mambers waren?”

Gevolg: heel tijdelijk een tweede “sjosseteit”, “De Wringers” genaamd; vervolgens helemaal geen fanfare meer; en ten slotte “een diepe wrok die jaren lang de menschen van Averbode verdeeld heeft gehouden, en die tot hiertoe nog niet heelemaal vergeten is”.

Al helemaal niet meer nadat dit boekje verschenen was, wellicht, maar goed, een kermis is een geseling waard en het genoegen om het verslag van Claes te lezen allicht ook dat pak slaag dat de leden van de beide fanfares mekaar gaven.

Björn Roose