dinsdag 1 juni 2021

Meningen van een clown – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)

Meningen van een clown – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)
U zal zich (als u een vaste lezer van mijn boekbesprekingen bent – vaste lezer, where art thou?) misschien herinneren dat ik bij het aanvangen van de bundeling Kou van jou van Herman Brusselmans twijfelde of ik alle boeken daarin ineens zou bespreken of toch maar elk apart. Indien u zich dat niet herinnert (of geen vaste lezer van mij boekbesprekingen bent), dan kan u dat hier nagaan.

U zal zich iets soortgelijks echter zeker niet herinneren met betrekking tot de omnibus van Heinrich Böll uitgegeven bij De Boekerij in Amsterdam, bevattende Biljarten om half tien, Groepsfoto met dame, en het voorliggende Meningen van een clown. Meteen na lezing van Biljarten om half tien (waarvan u de bespreking hier vindt) was het me duidelijk dat elk van de boeken in de omnibus een aparte bespreking zou verdienen. Dat was dan ook wat ik schreef in de inleiding van mijn bespreking (zie hier) van Groepsfoto met dame: “(…) ik heb eigenlijk maar één boek van Böll in mijn bibliotheek zitten, zijnde die in een onbekend jaar uitgegeven omnibus. Maar de verschillende verhalen daarin verdienen – en daarover is mijn mening na het lezen van het tweede dus zeker niet veranderd – elk een boekbespreking (...)”

Die mening is ook na lezing van … Meningen van een clown niet veranderd, al voert Böll, zoals verwacht (ook in mijn bespreking van Groepsfoto met dame) in Meningen van een clown inderdaad niet de “kameleon-act” op die ik waarnam tussen Biljarten om half tien en Groepsfoto met dame: in dít boek heb je niet de indruk dat je met een andere schrijver te maken krijgt, het is niet wéér totaal anders geschreven dan voornoemde twee. Meningen van een clown lijkt qua vormgeving en schrijfstijl eerder een overgang te vormen tussen Biljarten om half tien en Groepsfoto met dame en bij nader inzien zou dat ook wel eens kunnen. Het verhaal is in deze omnibus dan wel opgenomen als derde, maar is oorspronkelijk niet als derde verschenen. Billard um halb zehn werd gepubliceerd in 1959, Gruppenbild mit Dame in 1971 en Ansichten eines Clowns in 1963. U weet (en daar spreek ik die mythologische vaste lezer weer aan) dat ik niet de gewoonte heb me veel aan te trekken van wanneer een boek verschenen is, maar ik had de verhalen misschien toch in de originele volgorde gelezen als ik vooraf dat opzoekingswerk gedaan had. Héél soms is dat soort achtergrondkennis toch nuttig.

Enfin, laat dat de pret niet bederven, daarvoor is Meningen van een clown inhoudelijk voldoende. Böll schreef – en dat zeg ik enkel op basis van wat ik van hem gelezen heb – geen vrolijke boeken, maar Meningen van een clown is toch wel het minst vrolijke van de drie in deze omnibus. Hans Schnier, de als solo-act rondreizende clown waarvan sprake in de titel, brengt de andere personages (zoals in Groepsfoto met dame, ongetiteld hoofdstuk per ongetiteld hoofdstuk voorgesteld en uitgewerkt) zelden aan het lachen en áls ze al lachen, dan is het zo’n “vettige” lach, een lach waarbij de sigaar tussen de tanden gekneld blijft, een lach die volkomen gekunsteld is, een lach omdat het personage op dat moment niets beters weet te produceren.

Een lach die Schnier misschien op de een of andere manier ruikt, zelfs als die lach geproduceerd wordt tijdens een telefoongesprek. Want het hoofdpersonage – en dat is wel een bijzondere literaire truc van Böll – beweert van zichzelf dat hij kan ruiken over de telefoon: zweet, sigaren, parfum, angst. En telefoneren is wat het personage in het merendeel van de hoofdstukken doet. Na een, al dan niet bewuste, val op het podium trekt Schnier naar huis, een huis waar niemand op hem wacht, maar dat hij ooit heeft gedeeld met een vrouw. Een vrouw met wie hij niet getrouwd was en die hem “afgenomen” werd – althans naar zijn mening – door een van de katholieken uit de kring waarin zijn vrouw verkeerde. Pilaarbijters, maar ook en vooral farizeeërs. In staat de moraal te mollen met de wet. Iets wat Schnier nooit gekund heeft en waarmee hij tot op het einde van het boek blijft worstelen: hij was bereid met zijn vrouw te trouwen volgens de katholieke rite, maar alleen omdat zij dat zo per se wou en niet meer toen bleek dat dat niet kon zonder in eerste instantie een burgerlijk huwelijk te sluiten. En hij probeert, gevallen als hij is (letterlijk, maar ook doorheen de bodem van zijn carrière en maatschappelijk), wel aan geld te komen tijdens zijn telefoongesprekken en vooral het fysieke gesprek met zijn vader (een stijlbreuk, maar wel een zinnige), maar volhardt niet, wíl eigenlijk niet schooien, gooit z’n laatste mark (van euro’s was toen nog geen sprake) op straat. Het enige wat hij heeft, is onderdak, maar dat kan hij niet ten gelde maken want hoewel het zijn bezit is, is testamentair bepaald dat hij het niet kan vervreemden.

Zoals de heren uit de katholieke kring hem ook telkens weer duidelijk maken dat hij zijn vrouw dan wel mag “gehad” hebben, maar dat hij uiteindelijk naar hun wetten geen poot heeft om op te staan als hij beweert dat ze hem afgenomen is door een ander: ze waren immers niet getrouwd, hadden geen kinderen (miskraam/abortus), hun relatie bestond niet voor hen, zij hebben haar zelfs gered uit zijn onchristelijke handen.

En daar vermag geen lievemoederen vanwege Schnier ook maar iets aan. Hij smijt de heren, én zijn moeder, én zijn vader, én zijn broer, én wat nog resteert aan vrouwen in zijn leven zijn waarheid in het gezicht, hij probeert ze met hun eigen moraal in de hoek te drijven, hij confronteert ze nog net niet met hun oorlogsverleden (dat oorlogsverleden is een vast gegeven in de boeken van Böll, niet geheel onlogisch voor een Duitse auteur uit die jaren), maar het mag niet baten: aan het einde van de rit is hij zo mogelijk nog eenzamer dan te voren. Zelfs de illusies hebben hem dan verlaten.

Maar vóór dat einde toch weer een schitterend geschreven verhaal. Een verhaal dat bijvoorbeeld in de beginparagraaf sterk doet denken aan Biljarten om half tien: “Vijf jaar lang ben ik haast iedere dag ergens vertrokken en ergens aangekomen, ik liep ‘s morgens stationstrappen op en af en ‘s middags stationstrappen af en op, riep taxi’s aan, zocht in mijn jaszak naar geld om de chauffeur te betalen en kocht avondbladen aan kiosken, en in een hoek van mijn bewustzijn genoot ik van de precies ingestudeerde nonchalance van deze werktuiglijkheid”. Een scène die me meteen deed denken aan de aankomst van de jonge architect in Biljarten om half tien (ingestudeerde nonchalance), maar om een of andere reden (wellicht die avondbladen) ook aan het stuk Morning papers uit The City van Vangelis. Net zoals de zin “De kinderen van deze wereld zijn niet alleen verstandiger, ze zijn ook menselijker en royaler dan de kinderen van het licht” me deed denken aan het nummer Wilkommen im Nichts van Eisbrecher.

Raar hoe een stukje tekst je meteen op een stuk muziek kan brengen, zelfs als de overeenkomsten tussen dat stukje tekst en die muziek nogal gering in aantal zijn. Sterk dan weer hoe een summiere beschrijving je echt een beeld kan geven: “(…) de liftdeur open doen, op de vijf drukken: een zacht geluid droeg me naar boven; door het smalle liftruitje telkens op het portaal van een verdieping, dan door het raam van dat portaal kijken: de rug van een standbeeld, het plein, de kerk, verlicht; een stuk zwart, de betonnen vloer en opnieuw, nu even verschoven: de rug, het plein, de kerk, verlicht; drie keer, de vierde keer alleen nog plein en kerk.”

Sterk ook hoe je in een paar zinnen de … zinloosheid van iemands dood kan beschrijven: “Henriette is al zeventien jaar dood. Ze was zestien toen de oorlog afliep, een mooi meisje, blond, de beste tennisspeelster tussen Bonn en Remagen. Het heette toen dat de meisjes zich vrijwillig bij de luchtafweer moesten melden, en Henriette ging zich aanmelden, in februari 1945. Het ging allemaal zo vlug en vlot dat ik het niet eens begreep.”

Er is overigens niks tussen Bonn en Remagen, toch niet meer sinds Bad Godesberg opgegaan is in Bonn (wat nog niet officieel het geval was toen het boek verscheen, al zat zo goed als iedere ambassade in de toenmalige West-Duitse hoofdstad in werkelijkheid in Bad Godesberg). Misschien dus toch wel een héél fijn stukje humor daar, zoals ook wel het geval is in deze paragraaf: “Die bezorgdheid om de heilige Duitse grond is op een interessante wijze komiek, als ik eraan denk dat een aardig pakket van de kolenaandelen zich sinds twee generaties in handen van onze familie bevindt. Sinds zeventig jaar verdienen de Schniers aan het graafwerk dat de heilige Duitse grond moet dulden: dorpen, bossen, kastelen vallen voor de graafmachines als de muren van Jericho.” Even later gevolgd door: “Ik werd veroordeeld om onder Herberts toezicht in de tuin een tankgracht te graven, en nog diezelfde middag groef ik, naar de goede gewoonte van de Schniers, in de Dutise grond, hoewel – hetgeen tegen de goede gewoonte van de Schniers was – eigenhandig.” Of in deze zin: “Fijn vaatwerk klinkt niet fijn als het tegen de keukenmuur gesmeten wordt.”

Ook kleinere stukjes maatschappijkritiek zitten trouwens her en der begraven in Meningen van een clown. Ik graaf er een paar voor u op: “Ik heb het allang opgegeven met wie dan ook over geld of over kunst te praten. Wanneer die twee met elkaar in aanraking komen klopt de zaak nooit: kunst is of onder- of overbetaald.” Of: “Misschien zou het toch beter zijn het schrijven van een hoofdartikel of van koppen over te laten aan een cybernetische machine. Er zijn grenzen, waar zwakzinnigheid niet bovenuit zou mogen komen.” Of: “(…) er moest veel meer slaag gegeven worden op school. (…) vooral de leraren moesten veel meer slaag krijgen.” Of: “De oude Derkum had het, iedere keer als Marie hoog over Kinkel begon op te geven, over Kinkel-cocktails gehad: mengseltjes van verschillende bestanddelen: Marx met Guardini, of Bloy met Tolstoi.” Of: “(…) hij zou zijn vrouw nog in een roze nachthemd de straat op gestuurd hebben als de een of andere homo dat tot mode had uitgeroepen.” Of, ten slotte: “De televisie berooft ook hem van het restje schaamte dat ik hem moet toekennen. Als onze eeuw een naam verdient, zou hij de eeuw van de prostitutie moeten heten. Die lui daar raken gewend aan de woordenschat van hoeren. Ik zag Sommerwild nog eens na zo’n debat (‘Kan moderne kunst religieus zijn?’) en hij vroeg me: ‘Was ik goed? Vond je me goed?’ Woordelijk vragen die hoeren aan hun vertrekkende minnaar stellen.”

Voor het geval u overigens zou denken dat Meningen van een clown een anti-katholiek boek is, dat is het niet. Anti-religieus misschien wel, daarvan moge volgende passage getuigen: “‘Katholieken maken me zenuwachtig’, zei ik, ‘omdat ze unfair zijn.’ ‘En protestanten?’ vroeg hij lachend. ‘Die maken me ziek met hun gefriemel in hun geweten.’ ‘En atheïsten?’ Hij lachte nog steeds. ‘Die vervelen me omdat ze het altijd alleen maar over God hebben.’”

En net zomin is het een communistisch boek: “(…) toen stond de hoofdcultuurbons op en zei dat ze toch geen propaganda tegen de arbeidersklasse konden dulden. Hij was al niet meer bleek, maar lijkwit – een paar anderen durfden tenminste te grijnslachen. Ik antwoordde dat ik er geen propaganda tegen de arbeidersklasse in kon zien, als ik bij voorbeeld een gemakkelijk in te studeren nummer als ‘De Partijdag kiest zijn presidium’ zou doen, en ik maakte de stomme fout om Bardijdag te zeggen, en toen werd de lijkwitte fanaticus woest, gaf een zo harde klap op tafel dat de slagroom van mijn gebakje op het schoteltje vloog en zie: ‘We hebben ons in u vergist, vergist’, en ik zei dat ik dan wel weer kon vertrekken, en hij zei: ‘Ja, dat kunt u – met de eerstvolgende trein alstublieft.’ Ik zei nog dat ik het nummer ‘Directievergadering’ gewoon ‘Zitting van het Kringbestuur’ zou kunnen noemen, want dat daar toch ook wel alleen maar dingen besloten zouden worden die allang tevoren besloten waren. Toen werden ze doodgewoon onbeschoft, verlieten het zaaltje en betaalden niet eens onze koffie.” Of verder: “De pers die zich de linkse noemt schreef daarop, dat ik me blijkbaar door de reactie had laten afschrikken, en de pers die zich de rechtse noemt schreef dat ik zeker had ingezien dat ik het oosten in de kaart speelde, en de onafhankelijke pers schreef dat ik blijkbaar ieder radicalisme en engagement had afgezworen. Allemaal volslagen waanzin. (…) Als ik ergens geen plezier meer in heb schei ik ermee uit – dat aan een journalist uit te leggen is waarschijnlijk veel te ingewikkeld.”

Goed dat Böll plezier bleef vinden in het schrijven: hij ging ermee door tot kort voor zijn dood (misschien tot bij zijn dood, er werd hoe dan ook nog een en ander na zijn dood gepubliceerd). Als ik weer eens wat tegenkom van hem – wie weet komt er ooit weer een tijd dat ik zonder mondmasker en zonder vaccinatie kan rondlopen op een bibliotheekverkoop, een rommelmarkt of in een kringwinkel –, dan zal ik het me gaarne aanschaffen.

Björn Roose

zaterdag 29 mei 2021

Ik weet wie je bent en wat je doet – Hoe we onze privacy verliezen en wat je daaraan kunt doen – Matthias Dobbelaere-Welvaert (boekbespreking door Björn Roose)

Ik weet wie je bent en wat je doet – Hoe we onze privacy verliezen en wat je daaraan kunt doen – Matthias Dobbelaere-Welvaert (boekbespreking door Björn Roose)
Twitter
is nu niet meteen een omgeving die mensen aanzet tot het lezen van boeken, maar voor wie sowieso graag en veel boeken leest, is het natuurlijk wéér een omgeving die aanzet tot het lezen van boeken. Niet dat er massaal verwezen wordt naar zelfgeschreven boekbesprekingen of dat er heel erg positief gedaan wordt over boeken en hun besprekingen (in tegendeel, doorgaans gaat het om kinderen die er zóóó’n hekel aan hebben en ouders of leraren die vanalles proberen uit te vinden om het ze dan toch maar te laten doen), maar er zit wél her en der een auteur op. En af en toe volg ik die zelfs. Als ik dan in een boekhandel binnenstap en ik zie een boek van die mensen liggen, dan wil ik dat wel eens nader bekijken en in sommige gevallen ook meenemen. Dat was een tijdje geleden het geval met Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is van Pieter Marechal en Rik Torfs (had ik niet moeten doen – zie deze bespreking) én voorliggend boek, Ik weet wie je bent en wat je doet – Hoe we onze privacy verliezen en wat je daaraan kunt doen van Matthias Dobbelaere-Welvaert https://ministryofprivacy.eu/.

Als ik het fifo-principe (first in first out) zou hanteren, zou ik mogelijk nooit meer aan het lezen van die boeken toekomen (“Er zijn nog duizend wachtende boeken vóór u” …). Als ik daarentegen het lifo-principe (u raadt het al: last in first out) hanteerde, zou ik nooit toekomen aan het lezen van boeken die al veel langer in mijn collectie zaten. Gelukkig dat ik dus nauwelijks principes hanteer wat betreft de volgorde waarin ik boeken lees: als een boek me op een zeker moment interesseert, dan begin ik er aan. En in tijden van alsmaar meer camera’s, apps die je door je strot geduwd worden, “sociale” media, en burgers die mekaar met graagte verklikken, interesseert een boek als dat van Matthias Dobbelaere-Welvaert me zonder meer.

Zou ook voor u het geval moeten zijn, trouwens. En ja, een mens heeft het minstens ten dele nog zelf in handen, aldus Dobbelaere-Welvaert: “Het grootste gevaar voor onze privacy komt niet van Facebook, Google of Amazon. Zelfs niet van onze overheid. Het komt van jou. En van je buurman. En je collega. En je lief. De waarheid is dat privacy onze harten niet beroert. Niet zoals de liefde, onze gezondheid, ons geld, onze reizen. Als je je zuurverdiende centen ziet opgaan aan de vele belastingen die ons land rijk is, dan voel je dat. Als je binnen een paar maanden met je blote voeten op een of ander tropisch zand rondtrappelt, dan voel je dat. Als je een stuk privacy verliest, dan voel je dat gewoonlijk … helemaal niet. Het grootste gevaar voor de privacy van onze kinderen en kleinkinderen, dat zijn wij.”

Ja, de auteur is een beetje cynisch, verre van goedgelovig. Hij denkt aan de toekomst én aan de gemeenschap. Hij is een filosoof. En dat alles ter gelijker tijd: “De mens lijkt niet of op z’n minst niet voldoende in staat te leren van de geschiedenis. Dat lijkt een mix van arrogantie (‘wij kunnen het beter’), naïviteit (‘het overkomt ons geen tweede maal’) en een natuurlijke drive tot vooruitgang en optimisme. We móéten nu eenmaal vooruit, we móéten nieuwe technologie uitvinden, onszelf elke dag ‘verbeteren’ (…) Staan we vandaag – maar evengoed de komende jaren en decennia – niet op de barricaden, dan riskeren we alles kwijt te raken. Want met het verlies van privacy, verliezen we onze ik: wie we zijn, waarover we dromen, wat onze ambities, angsten en hartstochten zijn. Privacy is meer dan je gordijnen ‘s avonds sluiten. Het is de sluier van de ziel, de beschermengel van het hart, de biechtvader van de zonden. Privacy is alles en niets tegelijk – maar het waard om er een leven lang voor te vechten.”

Ik zou Matthias Dobbelaere-Welvaert eerder ter rechter zijde situeren – of toch ter wat voor mij de rechter zijde is, want met de begrippen “rechts” en “links” wordt de jongste decennia wel zéér creatief omgegaan –, maar hij maakt ook meteen duidelijk dat behalve de commerciële sector (en daar behoren voor de duidelijkheid, voor wie het echt nog steeds niet door heeft, ook de “gratis” sociale media bij) ook politici in het algemeen onze privacy opofferen aan hún doelen: “Politici van elke strekking gebruiken hun ideologie om onze privacy beetje bij beetje te verminderen, soms bewust, soms onbewust. Afhankelijk van het rechts-linksverhaal zijn er andere gebieden waar privacy als een wisselmunt wordt opgeofferd voor het grotere doel. Dat kan veiligheid zijn, het milieu (denk aan de knips of LEZ in vele steden) of onze gezondheid.”

En als we het over veiligheid hebben, dan hebben we het de jongste jaren onvermijdelijk over terrorisme. Het aantal slachtoffers daarvan stelt, zoals Dobbelaere-Welvaert opmerkt, niks voor in vergelijking met het aantal verkeersslachtoffers, maar heeft er intussen toe geleid dat we met z’n allen geen anonieme simkaarten meer kunnen kopen en dat … terroristen daar totaal geen last van hebben: zij kopen zo’n simkaart in het buitenland, gebruiken gestolen gsm’s, of “applicaties zoals Telegram en Signal, die encryptie en anonimiteit waarborgen”. Bovendien gebruiken ze codetaal. “De enigen die de overheid met zo’n maatregel treft, je raadt het al, zijn onschuldige burgers die zich graag wat anoniemer zouden willen bewegen.” En da’s geen toeval: “Terroristische aanslagen zijn hét gedroomde instrument om de bevolking op te zadelen met beslissingen en maatregelen die er anders nooit of te nimmer zouden doorkomen. Het is in momenten van crisis, in momenten van diepe rouw, in momenten van blinde paniek, dat de aandacht voor de rechten en vrijheden van individuele burgers zodanig verslapt dat men de kans schoon ziet om allerhande onnodige en bijwijlen gevaarlijke regels in te voeren.”

Regels die behalve simkaarten bijvoorbeeld uiteraard ook “slimme” camera’s betreffen. Of ANPR-camera’s (automatische nummerplaatherkenning; intussen ingezet om te controleren of u geen “niet-essentiële verplaatsingen” doet). Of vingerafdrukken op uw identiteitskaart (waarmee meteen ieders vingerafdrukken verzameld worden, ook van degenen die nooit in aanraking met de politie gekomen zijn). Of gezichtsherkenning (je kent de filmpjes van het internet: in China hoef je je betaalkaart niet eens meer boven te halen, het systeem herkent je gezicht en haalt meteen geld van je rekening aan de kassa, hoé handig!): “Een pet, hoed, mondmasker of make-up dragen zal amper helpen tegen gezichtsherkenningstechnologie: aan 10% van het gezicht heeft de software vaak meer dan genoeg.”

En dan moest de echte terreur nog uitbreken: de door de overheid georganiseerde corona-terreur. “Wat er ook gebeurde in deze crisis, was een uitholling van onze rechten en vrijheden. Niet alleen het recht om ons vrij te bewegen, maar ook ons recht op geheimhouding. Het recht op privacy. Drones vlogen ons om de oren van de kust tot aan de Schelde, uitgerust met hittesensoren om stouteriken op te sporen. Caravanbewoners aan zee, wandelaars in een park in Brussel: allemaal werden ze er een voor een uitgepikt, terwijl een schrille elektronische stem hen toesprak: ‘Ga naar huis.’ Of er werd een heuse politie-eenheid op afgestuurd, dat kon ook.” Over de belze corona-app is Dobbelaere-Welvaert positief waar het de privacy betreft, maar “absolute garanties zijn er niet”: “de koppeling met Apple en Google [biedt] heel wat onzekerheden” en ondertussen zijn er dus al technische middelen om de “anonieme appgebruikers” op te sporen, terwijl net de anonimiteit van wie het signaal uitzendt door de app werd gegarandeerd.

Na het hoofdstuk Privacy actueel volgt een zeer uitgebreid hoofdstuk Privacy praktisch. Het stukje “en wat je daaraan kunt doen” uit de ondertitel van het boek, zeg maar. Sterke wachtwoorden, wachtwoordkluizen (LastPass, bijvoorbeeld, dat helaas onlangs betalend is geworden voor wie het wil gebruiken op “vaste” apparaten én smart phones), two-factor authentification, VPN (bijvoorbeeld NordVPN), smart speakers (niet zo smart om die te hebben), IP-camera’s (idem), Google Street View, al te “slimme” meters (die je helaas niet eens kan weigeren), het passeert allemaal de revue in het stukje Privacy bij je thuis. In het deel Privacy op de weg komt Dobbelaere-Welvaert uiteraard terug op de ANPR-camera’s en moet ie toegeven dat je nauwelijks nog anoniem op de weg kan zijn, tenzij voorlopig nog te voet, met de fiets of op een step (speedelecs hebben wél al een nummerplaat). En in Privacy op het werk en Privacy op school wijst de auteur er op dat je daar wel degelijk bepaalde rechten hebt. Wat uiteraard niet wil zeggen dat uw baas of schooldirectie daar ook rekening mee houdt. In Privacy op straat komen onder andere amateur-fotografen in beeld (bad pun intended), in Privacy op reis onder andere publieke wifi (het advies is daar sowieso, ook als het in eigen land is: “Blijf-van-publieke-wifi-af! Dat is het beste devies dat je zal lezen in deze sectie. Blijf eraf.”) en reisapps op je telefoon (“al die applicaties willen maar één ding: je data”). En dan zijn er ook nog Privacy en je geld (over privacycoins, bijvoorbeeld, maar vooral over het belang van cash kunnen betalen – iets wat met gebruikmaking van de door de overheid georganiseerde crisis rond corona alsmaar moeilijker wordt); Privacy en seks (niet dat er doorgaans camera’s in je slaapkamer staan, maar sommige mensen hebben wel de neiging hun “bezigheden” te filmen en op een of andere manier aan het internet toe te vertrouwen, én er zijn ook nog steeds mensen die niet door hebben dat Google alles weet omdat het al je zoekopdrachten bijhoudt); Privacy binnen je familie en met je partner (apps die alles bijhouden en ouders die – sharenting – alles aan het internet toevertrouwen; “slim” speelgoed); Privacy in de (e-)winkel (Wat houden web- en andere winkels allemaal bij over je?); Privacy op festivals (Wat kan een festivalorganisator allemaal niet “organiseren” op basis van die slimme armband waarmee je je drankjes betaalt?); Privacy bij je dokter en in het ziekenhuis (Wat houden die niet allemaal bij over je, waarmee hebben ze werkelijk zaken, en wie kan er nog meer aan die gegevens?); Privacy en dating (Tinder-toestanden); Privacy en sporten (“Staat het niet op Strava, Runkeeper of Runtastic, dan is het niet gebeurd” en alle mogelijke gevolgen daarvan); Privacy op terras/restaurant (reserveren via telefoon is de boodschap, én cash betalen uiteraard); en Privacy en je verzekering (“Wie gelooft dat verzekeraars er zijn voor jou, en niet in de eerste plaats voor hun eigen winstmaximalisatie, heeft toch dringend een reality check nodig.”)

Kortom, een hele hoop nuttige “weetjes” en tips. Alleen al voor dit deel, zou je dat boek moeten kopen. Maar misschien behoor je tot die mensen die zeggen “Ik heb niets te verbergen. Als je niets verkeerd doet, heb je niets te vrezen! Privacy is allang dood, Facebook weet alles. Mijn gezondheid/veiligheid heeft absolute voorrang op privacy! Privacy is voor criminelen”. Daarop antwoordt Dobbelaere-Welvaert: “Dooddoeners, stuk voor stuk. Ze blijven echter wel vlotjes meegaan, en in elke privacydiscussie die je na het lezen van dit boek voert ga je ze horen.” Vandaar dus dat hij in hoofdstuk 4, Hoe overtuig je iemand van het belang van privacy, een antwoord formuleert op al die dooddoeners. Bijvoorbeeld: “De volgende keer dat je iemand hoort zeggen dat ze ‘niks te verbergen hebben’, moet je hen er misschien even aan herinneren dat niemand over een glazen bol beschikt. Of men nu rechts of links is, homo of hetero, zwart of wit, jong of oud: we hebben allemaal wél iets te verbergen. Als het vandaag niet is, dan wel morgen.” “Privacy draait niét om het verbergen van informatie, maar om het beschermen van data en privé-informatie. (…) Privacy is een fundamenteel mensenrecht, en je hoeft aan niemand te bewijzen waarom dat niet zo zou zijn. (…) Het verlies van, of gebrek aan, privacy creëert aanzienlijke schade. Je hebt privacy hard nodig. Dat is simpelweg de realiteit. Niemand wordt graag geconfronteerd met identiteitsdiefstal (online of offline), online manipulatie (‘hoi, je wil vast wel dit kopen!’), discriminatie, stalking, enzoverder.” En zo gaat de auteur geleidelijk heel het rijtje af, daarbij ernstige kritiek op de overheid niet schuwend: “Hoe onveiliger de burger zich voelt, hoe meer leiderschap hij zoekt en hoe afhankelijker hij wordt van de overheid. De overheid, die heeft macht. En wat wil iemand met macht? Meer macht. (…) iedereen is mogelijk verdacht. En dan zeggen ze dat ik af en toe paranoïde ben. Geleerd van onze overheid dus.” Of – en geloof me, dit gaat uiteindelijk niet beperkt blijven tot China, want wordt al geleidelijk geïntroduceerd via de op komst zijnde coronapas – “Is het het waard om je burgers te behandelen als vee, met een social credit score, om absolute veiligheid te bereiken?”

Het laatste hoofdstuk is er ten slotte weer een gewijd aan praktische tips: Wat bij een privacyschending? En hoe neem je een stukje terug? In dit hoofdstuk dus het recht om vergeten te worden, het recht op inzage, het recht op bezwaar, enzovoort. Maar ook hoe om te gaan met Google, Facebook, Apple, Twitter, WhatsApp, Facebook Messenger, Waze, enzovoort. Een paar tips van de auteur: “Vervang Google Search door DuckDuckGo, Chrome door Brave, Gmail door Protonmail, Drive door Nextcloud, Calendar door Lightning Calendar, Google Translate door DeepL en Google Maps door OsmAnd.” En wat Waze, Google Maps en Apple Maps betreft: “Wil je privacy? Gebruik dan een van deze vijf alternatieven: DuckDuckGo Maps (werkt prima, want het draait op Apple’s Mapkit JS Framework), OsmAnd Maps, Sygic Maps, Where To? Of HERE WeGo (van Nokia, het ooit zo iconische bedrijf – zijn nieuwe lijn smartphones sloeg helaas niet aan.”

Ik wás al behoorlijk bezig met het versterken van m’n privacy vooraleer ik dit boek las, maar was me bijvoorbeeld niet bewust van het feit dat Waze eigendom is van Google. En ik gebruik op dit moment behalve Blogger (ook van Google) ook nog Google Maps. En ik heb ook echt wel nog een en ander bijgeleerd over hotels, ziekenhuizen, enzovoort. Ik kan dit boek dus méér dan van harte aanraden aan iedereen die zelfs maar in het minste begaan is met z’n privacy. Kopen, lezen en opvolgen!

Björn Roose

dinsdag 25 mei 2021

Vlucht voor mij – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Vlucht voor mij – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Tijd voor een etappefeestje: met deze bespreking beëindig ik ook mijn lezing van Kou van jou, de bundel waarin Heden ben ik nuchter, Zijn er kanalen in Aalst?, Dagboek van een vermoeide egoïst en dus deze Vlucht voor mij zijn opgenomen. Terugblikkend op wat ik schreef in mijn bespreking van Heden ben ik nuchter over de keuze tussen de hele bundel ineens bespreken en de verschillende “romans” apart had ik misschien moeten gaan voor die eerste mogelijkheid, maar gedane zaken nemen geen keer: bij deze dus de laatste van de vierling (Joehoe, alleen nog Kwantum te gaan en da’s een dunnetje!).

En het moet gezegd: Brusselmans heeft met Vlucht voor mij toch nog een poging gedaan “origineel” uit de hoek te komen. Het is een “brievenroman” geworden. Alhoewel … na z’n Vierde brief aan Victor, aardig uit de hand lopend tot zo’n negentig bladzijden, geeft hij aan dat concept de brui en lapt er nog Het vijfde hoofdstuk bij zonder verder te doen alsof het om brieven gaat. Nu ja, ‘t waren toch al brieven zonder tegenbrieven, want Victor bestaat in tegenstelling tot Brusselmans – of dié werkelijk bestaat zoals hij in zijn boeken bestaat, blijft een onbeantwoorde vraag - helemaal niet.

Net zomin als er tegenwoordig nog wat belangrijkers dan covid-19 lijkt te bestaan, een fenomeen dat Brusselmans ook al in de jaren tachtig zag opduiken, maar toen met aids: “Oké, gedaan over kanker. Ik denk dat ik er verder toch niks over te lullen heb; zij het dat ik ineens bedenk dat (doch dit terzijde), dat toen aids in de wereld kwam, kanker plots uit de belangstelling verdween en zelfs niet eens meer als een zware ziekte leek te worden beschouwd, eerder als iets in de trant van aandoeningen gelijk pakweg een hersenvliesontsteking of het rondsluipende zona. Enfin, de mening luidde dat als je geen aids had, er verder niks aan de hand was.”

Geef toe, ‘t is lang geleden dat ik het in een boekbespreking nog over het corona-circus gehad heb, maar Brusselmans bood me dus de gelegenheid daar toch nog iets over te “lullen”. Maar toch beduidend minder dan Brusselmans zelf over het “geile zangeresje (A.D. heet ze)”; cartoonist Erik Meynen (“E.M.”); vrouwen waarop hij al dan niet verliefd wordt; z’n eigen vrouw; Mabiche (zoals in de vorige boeken), al is “zij (…) uit mijn leven” en wil hij “geen enkel woord meer over die vrouw schrijven”; “mannen zonder vrouwen”, zonder, in tegenstelling tot wat in een van de andere in de bundel opgenomen “romans” het geval was – ik heb niet bijgehouden welke –, ook de naam Ernest Hemingway te noemen (hier vind je de bespreking van dat boek); en over zuipen, natuurlijk (onderwijl soms verwijzend naar andere literaire fenomenen genre “de brave soldaat Svejk”, eveneens zonder de naam van diens schepper te noemen – Jaroslav Hasek, met zo’n raar kapje op de s, voor wie het echt wil weten).

Hij heeft het daarentegen niet over “het weer, de literatuur, Albert Camus en Sylvia Plath”, al heeft ie het daar naar eigen zeggen wel over met een “zeer mooie professor in de filosofie”. En ook niet zo heel vaak over de “verschillende zeer geleerde critici” die Iedere zondag sterven en doodgaan in de week de grond inboorden, lezers die zijn boeken wél goed vinden of kennissen die het enigszins “gênant” vinden dat ze er zoveel in herkennen. Of over het – voor zover ik weet – tot op heden onveranderlijke feit dat hij “geen enkel kind [heeft] gecreëerd”.

Maar gelukkig heeft Brusselmans het dan weer wel even over de titel van de “roman”: “ik ben (en daar denk ik veel, nachtenlang, over na) een Ware Schrijver, want ieder die in mijn buurt komt, of in mijn hoofd verwijlt, riskeert de verantwoordelijkheid voor enige woorden of zinnen, of paragrafen, of hoofdstukken (of een heel boek god betere het) in mijn Verzameld Werk. Vlucht voor mij, Victor!” En over bossen die vol liggen “met achteloos weggeworpen blikjes, plastic, sigarettenpakjes, condooms, injectienaalden, honden en manuscripten van een boswachter die na jaren eindelijk heeft ontdekt dat hij niet kan schrijven.” Of over Salman Rushdie, die “door één of andere idioot uit ‘het verre Iran’, Khomeini genaamd, ter dood is veroordeeld omdat hij, Rushdie dus, in een boek een zekere Mohammed zou beledigd hebben. Mohammed, dat is zo iemand in de trant van God, over wie ik het wel eens heb, maar veel krankzinniger en de hele tijd nuchter (God, die zuipt goed door.) Bovendien ruikt die Mohammed niet lekker want hij wast zich nooit.” Of over acht ondergedoken joden, “zo hoog stond het waterpeil reeds”.

Ik was aan het twijfelen of ik het ook nog zou hebben over het ten tonele gevoerde echtpaar Herman De Coninck en Kristien Hemmerechts - die Brusselmans in die jaren allicht wel eens tegen het lijf liep alhoewel dat naar alle waarschijnlijkheid niet vaak in Gentse cafés zal gebeurd zijn - maar zo interessant zijn die twee noch het ten tonele voeren ervan nu ook weer niet. In tegenstelling tot een paar van de eerder genoemde passages dus. Die zijn niet voldoende om van Brusselmans’ boeken “oude boeken die je veel te laat ontdekt” te maken (“Hoe mooi ze zijn, hoe goed geschreven, hoeveel waarheid ze bevatten, hoe vernieuwend de stijl eens moet geweest zijn, en hoe wit het papier.”), maar ze breken de eentonigheid en dat is toch al iets. Een mens stelt geleidelijk zijn verwachtingspatroon bij als ie al tig werken van Herman Brusselmans heeft gelezen. Om de schrijver te parafraseren: ze “ontgoochelen mij niet meer. Ik verwacht van hen alles wat mogelijk kan zijn, wat er op neerkomt dat ik van hen helemaal niks meer verwacht.”

Brusselmans sluit Vlucht voor mij af met z’n thuiskomst bij Gloria na een hele nacht “alleen” stappen: “Daar staat ze, in dat schattige korte nachtkleedje. Ze bekijkt me. ‘Gloria’, stamel ik, ‘sorry, ik had een geschenk voor jou maar dat ben ik verloren, en toen heb ik de oude man van mijn dromen ontmoet, en toen …’ En dan barst ik uit in het typische snikken van de dronkeman die met zijn leven geen weg wil weten. Gloria klemt me aan zich vast en helpt me binnen, en sluit de deur. ‘Kom,’ zegt ze, ‘er is niks aan de hand … er is alweer helemaal niks gebeurd … Helemaal helemaal niks …’” Je zou Brusselmans – op z’n minst het hoofdpersonage Brusselmans – op dat moment vijf frank geven, maar die heeft hij allicht ook al ontvangen van degene die dit boek oorspronkelijk kocht. Ik kocht het boek gelukkig tweedehands en misschien vind ik ook nog iemand die het derdehands van me wil overkopen ...

zaterdag 22 mei 2021

Vlerk in vogelvlucht – Johan Anthierens (boekbespreking door Björn Roose)

Vlerk in vogelvlucht – Johan Anthierens (boekbespreking door Björn Roose)
Het laatste nog ongelezen boekje van Johan Anthierens dat ik in mijn boekenkasten had, is bij deze gelezen. Met de bespreking van Vlerk in Vogelvlucht – een Vlaamse gaai op de voorpagina, bij ons beter bekend als Hamse wuiten – sluit ik dan ook (minstens voorlopig) de besprekingen van Anthierens’ werken af. En ik heb genoten van Vlerk in Vogelvlucht zoals ik genoten heb van Onder anderen en De flauwgevallen priester op mijn tong. De boterhammen van de bakkerin en Het Belgische domdenken – smaadschrift waren iets minder, maar three out of five ain’t bad.

Het boek, uitgegeven in Amsterdam bij uitgeverij Allert de Lange in 1981, mikt duidelijk op de Nederlandse lezer – op de achterflap begint de introductie met “Johan Anthierens is een balorige Belg en een vlerk van een Vlaming” – en bevat “een twintigtal zelfportretten” die eerder verschenen in De Volkskrant (in de jaren 1979 tot en met 1981), “aangevuld met een novelle geïnspireerd op frivole opstellen die hij voor het weekblad ‘Knack’ bedacht”, De getelde dagen van Bella Bimba.

Plus een fragment uit het gedicht Oiseaux de Passage (Trekvogels) van Jean Richepin, aan wie dit boek aldus Anthierens een hulde is. Het gedicht van Richepin kan u hier lezen, maar ik geef u graag mee wat Anthierens er over weet te melden: “Jean Richepin (1849-1926), de poëtische Franse geus en anarchist, huldigt in ‘Oiseaux de Passage’ (‘Trekvogels’) de enkele vermetelen die zich boven het rondscharrelend pluimvee verheffen om hoogvliegers te zijn, avonturiers van het leven, waaghalzen van de liefde, bezeten van-wat-feitelijk-niet-kan. Grenzeloos gedreven overzeilen zij ravijnen, pikken in de einder en storten neer, met bloedende snavel, tesamen met scherven van een bijna waar gemaakte luchtspiegeling. … In vogelvlucht schijten zij op de koppen van de gedeisden, de monarchisten, de vaderlanders, de burgers die deugden als hormonen verwerken en mettertijd zo tam zijn dat zij hun vleugels gebruiken om de schouders op te halen.” Het doet vermoeden dat Vlerk in vogelvlucht bijtend zal zijn als Het Belgische domdenken – smaadschrift, maar dat is het niet: Vlerk in vogelvlucht is Anthierens op z’n best, poëtisch, met woorden spelend, (zelf)relativerend. “Ik ben een vreemde eend die nimmer in de ganzepas loopt”, schrijft Anthierens aan het einde van zijn voorwoord, en dat klopt. Zélfs niet in de ganzepas van de zelf geschapen verwachtingen.

Maar, zoals gezegd: die poëzie! Die woordspelingen! Eigenlijk moet je dit boek tig keer lezen om ze allemaal gezien te hebben en sowieso kan je ze nooit allemaal citeren. Z’n teksten bulken van de dichterlijke staaltjes en de taalvondsten buitelen er over mekaar heen. Alsof het allemaal maar Spielerei is, alsof hij het zo uit zijn mouw schudde. Ik beperk me dus tot hier en daar een zinnetje als ik daarvan getuigenis probeer af te leggen:

– “De vezels van de pelerine lagen bloot, de zakken (onderduikadres voor handen) rafelden en de kraag glom zonder dat de malchanceuse dichter er een halszaak van maakte.” (uit Weemoed in Vogelvlucht)

– “Over twee uur moet ik de deur uit om, grijs van de slaap, naar Schaarbeek te scheuren om deze regels aan een mij onbekende Boliviaanse te overhandigen. Alsof vrouwen al geen regels genoeg krijgen.” (uit Met Ronkende Zinnen)

– “Ze heet Pilàr en is te herkennen aan blauwglimmende kabelvlechten en aan honderd jaar eenzaamheid in de oogopslag.” (ook al uit Met Ronkende Zinnen; en ja, zelfs ik herken de titel van het boek van Gabriel García Márquez, terwijl ik het nooit gelezen heb; geen idee overigens of Anthierens zich er van bewust was dat Márquez Colombiaan was, geen Boliviaan)

– “Ik kus graag, zij het met mondjesmaat. Pilàr draait zich om en verdwijnt, voor een roodhuid niet als een pijl uit de boog (…)” (eveneens uit Met Ronkende Zinnen)

– “Vier jaar geleden, toen zeventien soorten beleg de tongen losmaakten en saucijsjes onder een zilveren stolp in speekselbellen van heet vleesnat knisperden, kon je hier volmondig toetasten. Die tijd is voorbij, surrogaat en zijn ouwe moer maken de dienst uit, op een warme plaat versterven koffie en thee, dienende medemensen van uitheems coloriet verstaan de kunst je wenken te ignoreren. Toen ging ik opgeruimd van tafel, nu zit ik ermee in mijn maag.” (over het ontbijt in het toenmalige American Hotel in Hollands Weekend (2): Voor een verre Princess)

– “Om tien uur (ginds, om die hoek, verbijt Lies haar lippenrood, proeft plankenkoorts) monstert broer Raphaël aan, uitgerust voor de strijd tegen de badkamer die in staat van hygiënische ongenade verkeert, een vervuiling waar wij schoon genoeg van krijgen. Op ons verzoek zet Raf, van huize uit tuinder maar gepatenteerd klusjesman, er de beuk in. Voor de zoveelste zaterdag loopt hij storm tegen het sanitair, met tegenslagend resultaat: de muur stoot de wasbakken af die hij met veel kwinkslagen en godslasteringen aanhechten wil. Aan werktuigen geen gebrek, alom alaam, maar de Engelse sleutel blijft doof voor zijn Vlaamse instructies.” (uit Zoeklicht op Zaterdag)

– “September, de maand dat de vulpen in je binnenzak een druiper krijgt, de schoolmaand, de maand van krijtrotsen en inktzwarte nachten. Ik draag deze augustus-ballade op aan de twaalfjarige Benjamin die in september terug naar school gaat en treurt omdat hij het slijmspoor van slak missen zal en niet treuren mag. Hij moet uit zijn blote zomervoeten stappen en schoenen aantrekken, een onaantrekkelijk gebeuren dat hij zich aantrekt. Benjamin begrijpt niet waarom hij de vruchten des velds moet achter laten voor de vierkantswortel die door mensen werd bedacht, een bedenkelijke gedachte.” (uit Pluspunt voor Benjamin)

– “(…) godsdiensten moet je op hun erewoord geloven, niet tegenspreken: overal ter wereld paraderen militaire kapellen” (uit Bier met Bloesem)

– “In mijn eerste frans (sic) sinds weken gil ik: ‘Monsieur, vous oubliez mon bien!’, vrij vertaald ‘Mein Herr, ik hab doch keine (sic) koffer (sic) in Berlin! Ik kan mij niet in iedere Europese stad laten beroven en uitkleden (…)” (uit Cannes prolongeren; ik ga er van uit dat u de, hoewel in belabberd Duits geschreven, verwijzing naar het nummer Ich hab noch einen Koffer in Berlin van Aldo ‘von’ Pinelli, onder andere gezongen door Hildegard Knef, zelf al gezien had; in dezelfde tekst verwijst Anthierens trouwens voor een tweede keer naar Berlijn: “Een kwartier later paradeer ik op de Croisette, Cannes’ Fifth Avenue, Unter die Palmen (…)”)

– of, ten slotte, “Het lijkt op Iers hongerstaken, binnenste buiten gekeerd.” (over het vetmesten van ganzen in Ganzeveer en Hellevuur)

Terwijl al die taalkundige schoonheid toch niet wil zeggen dat Anthierens zijn scherpte niet zou etaleren. Dat doet hij bijvoorbeeld in de drie stukken die hij wijdt aan het moordenaarsduo Freddy Horion en Ronald Feneulle (waarin hij afrekent met de wreedheid van het publiek, de balk in het eigen oog bij het zien van de splinter in die van een ander), maar ook onder andere – zonder dat er doden vallen – in Hollands Weekend (1): Houten Koorts, waarin hij onder andere verhaalt van een ontmoeting met Renate Rubinstein op een Feestavond tegen de Lelijkheid van Nederland in het Amsterdamse Paradiso: “Renate taxeert mij denigrerender dan een jaar geleden, toen ik op het BRT-scherm haar eigendunk over de lelijkheid van huwelijksverdriet aankaarten mocht. Ze merkt op dat ik het in ‘de Volkskrant’ bestaan heb de goeroe van de stukjesschrijvers, keuvelende Simon Kronkel [Simon Carmiggelt, noot van mij: ‘Kronkel’ was zijn pseudoniem], aan te tasten maar hij mij per kerende kolom lik op stuk gaf. Kort geleden zag zij Carmiggelt, die het zaakje ter sprake bracht, moraliserend dat je bij de minste poging tot contestatie ‘er de wind onder moest houden’. Voorwaar een autoritaire reflex voor een beschrijver van de bescheiden existentie. Zijn reprimande was doeltreffend, noteert Rubinstein, je hebt geen kik meer gelaten. Gnuift zij, of stel ik mij dat voor? Braaf luister ik naar de mens achter het lava-kapsel, vind nu ook geen repliek. Bovenaan de hitladder van de schuine literatoren staat Carmiggelt in wijde goeroe-jurk, met in lagere rangorde zijn naschrijvers die de ogen zedig neerslaan. Voor mijn ogen schemert een oktobernummer van de ‘Haagse Post’, met de mond-op-mond lof van alle cursivisten voor elkaar. Rubinstein die Kees van Kooten wil zijn en Koot die zwijmelt voor Carmiggelt en de maëstro zelf die zich als een in plakjes publicerende Willem Elsschot ziet. Een incestueuze escalatie, een door elkaar kronkelen van darmparasieten.”

Dat ze niet alleen dóór elkaar kronkelden, maar ook mét elkaar, heeft Anthierens wellicht nooit geweten: Rubinstein onthulde pas in haar in 1991 postuum verschenen boek Mijn beter ik dat ze er van 1977 tot eind 1978 een relatie op nahield met Carmiggelt – iets waar Carmiggelts echtgenote zich, aldus Wikipedia, zeer aan “stoorde”, waarop hij een punt achter de relatie zou gezet hebben – en vervolgens opnieuw vanaf 1980 tot zijn dood in 1987. Een mens wil eigenlijk niet weten wie het nog meer met wie doet in de schrijvende Nederlanden.

En een mens wil er wellicht niet aan denken hoe weinig er de jongste decennia ten goede is veranderd (als er al werkelijk iets ten goede is veranderd). Uit De resten van de mens: “Bij een te kort bezoek aan mijn ouders, zes zondagen geleden, vertelden zij over de lichtjaren die zij voetstoots doorliepen, want zij groeiden op in Brugge, in de jaren tien van deze eeuw, toen de brouwer zich met hoefgetrappel aandiende en een trekhond met lange tong rammelende melkbussen versleepte. Armoe was overal, armoe was democratisch; je kon in je blote kont op straat, een scheur in je broek was schering en inslag en iedere lotgenoot leende je grif zijn nagel, om te krabben waar het jeukte. Het leven was een harde noot om te kraken, herinneren mijn ouders zich, maar een mensenhand was gauw gevuld; brood smaakte naar koren, aardappelen smaakten naar de aarde en boter smolt op je tong. De ouderen stierven jonger, maar binnen de familiekring, kinderen annexeerden moeders rokken. Vandaag sterven bejaarden met een visitekaartje aan hun grote witte teen in de dodengang van het rusthuis; hummeltjes kruipen rond in een crèche, moeder zit op fabriek of kantoor heimwee te versnutten naar de uitbestede snotneus.” En verder: “De wereld is een speelgoedkamer vol knoppen en lichtjes die op wenken flitsen en opereren, accuraat tot in het waanzinnige. Maar in het stadium van electrisch aangedreven tandenborstels vertrouwt de mens zijn macht niet langer: het tweebenige wezen ligt tussen andersoortige wandelstokken op een hoop gegooid, bij de kaduke voorwerpen. Alles is massaal, collectief, sectair-communicatief. Het individu als kapotte paraplu, de enkeling als drenkeling. Alle samenlevingen, de communistische op kop, zijn als de dood voor de Sterveling; op ‘jezelf zijn’ staat uitwijzing, uitstoting, vergetelheid; in meer dan een land betekent het afzondering gevolgd door opsluiting en beschadiging. Politie is de herdershond die de kudde in de flank begeleidt en de buitenbeentjes bijt.”

Maar die scherpte slaat weer helemaal om in poëzie, zelfs dromerigheid in het laatste deel van het boek, De getelde dagen van Bella Bimba – Kort geheugenverlies met ornament, aldus de achterflap “een dag uit het leven van prostituée Bella Bimba, waarin niet alleen de bakker en de postbode verschijnen, maar ook Albert Speer, Leopold de tweede en Franco”. Nog een paar mensen méér ook en Bimba lijkt “het” om allerlei redenen te doen (groenten en fruit, champagne, aanbidding), maar het verhaal lijkt nooit over een hoer te gaan. Wel over de wisseling van de maanden en seizoenen, ook in een mensenleven; over de trouweloosheid van politici (zij worden in het verhaal de hoer ontrouw, ruilen haar in voor een jonger meisje); over leeuwen die op Einstein lijken en postbodes die twee keer bellen (nóg een verwijzing, inderdaad); over Louis-Paul Boon (“gejammer, gemekker van een sexueel gefrustreerde, miskramerij van een Vlaams proleet van de liefde”; “in documentaires is Louis een koning, in de eigen ontboezemingen een manke zielepoot, waar hij op speelt”); over geheelonthoudende fascisten; over Ezra Pound en Oriana Fallaci; over John Lennon (“John heeft nu vleugels, net als zijn neus”); over Maigret, Miss Marple, Watson en de Hound of the Baskervilles. Een schatkamer om uit de putten, een soort dwaaltocht door de geheugenflarden van Johan Anthierens, een waardige afsluiter van dit boek en voor mijn serietje boekbesprekingen over Anthierens’ werken.

Björn Roose

dinsdag 18 mei 2021

Apollo op de zonnewagen – Een barok meesterwerk van Jan Boeckhorst (1604-1668) – Hans Vlieghe (boekbespreking door Björn Roose)

Apollo op de zonnewagen – Een barok meesterwerk van Jan Boeckhorst (1604-1668) – Hans Vlieghe (boekbespreking door Björn Roose)
Ik kan intussen al halve boekbesprekingen “vullen” met het opnoemen van de titels uitgegeven door The Phoebus Foundation die ik eerder besprak. Laat ik dat deze keer dus maar niét doen en u gewoon verwijzen naar één pagina op mijn aan boekbesprekingen gewijde blog waar u al die besprekingen kan vinden: deze. Goed, daar staan ze (om redenen die mij ontgaan) niet in de volgorde waarin ze geschreven zijn, maar dat is ook niet echt belangrijk (de data staan er trouwens boven). Kwestie is dat u weet dat ik nog steeds bij iedere uitgave van het tijdschrift OKV-magazine als “extraatje” een boekje uitgegeven in de Phoebus Focus-reeks ontvang en dat zulks ook na intussen 8 exemplaren nog steeds bevalt.

Zelfs … al ben ik niet echt een liefhebber van de barok. Ik weet dat dat (vaak letterlijk) een beetje vloeken in de kerk is in het land van, onder andere, Rubens en Van Dyck, maar het is niet anders. En het verhindert niet dat ik ook dit nummer VIII in de serie, Apollo op de zonnewagen – Een barok meesterwerk van Jan Boeckhorst (1604-1668), weer zeer leerzaam en interessant heb gevonden. Auteur Hans Vlieghe heeft immers aan het werk (dat u overigens kan zien bovenaan op de publicaties-pagina van The Phoebus Foundation), behalve informatie over het schilderij, de schilder en de mensen in zijn omgeving, ook teksten gekoppeld over de Val van Antwerpen, de reformatie, kartons en wandtapijten, Apollo zelve, en de Metamorphosen van Publius Ovidius Naso, en net die “bijkomstige” gegevens maken de werkjes verschenen in deze serie vaak zo lezenswaardig.

Edoch, de tekst van Hans Vlieghe is wel zéér beperkt. Illustraties zijn in werken over kunst uiteraard van sterk belang en altijd in grote mate aanwezig in deze reeks (in dit geval 55 bladzijden tegenover 23 bladzijden tekst), maar je kan er niet naast kijken dat er wel héél veel witruimte is op de bladzijden met tekst, zelfs op die waarop de gebruikelijke inleiding van Katharina Van Cauteren, “stafchef van de kanselarij van The Phoebus Foundation”, staat. Die is verspreid over twee pagina’s, terwijl ze zonder ernstige problemen op één pagina kon gezet zijn. Van Cauteren heeft het in die inleiding over het feit dat Vlieghe een van haar professoren was tijdens haar opleiding tot kunsthistorica en dat ze zich “nog steeds enigszins in de arm [moet] knijpen om (…) [zich] ervan te vergewissen dat voorliggend boekje echt bestaat” en dat “de man die in mijn doctoraatsjury zetelde, (…) de Phoebus Focus-reeks [vereerde] met een bijdrage over een kunstenaar die hij kent als geen ander: Jan Boeckhorst”, maar ik krijg eerlijk gezegd de indruk dat Vlieghe hiermee een plezier werd gedaan. Nu ja, Hans Vlieghe was ook al tachtig jaar oud toen hij dit boekje schreef en zo te zien al een paar jaar niet meer echt actief aan het publiceren (dit boekje staat zelfs niet eens op zijn lijst van publicaties). Misschien is deze tekst een bewerking van een aantal eerdere teksten? Zou, gezien er in de Eindnoten een aantal van die werken vermeld worden, zomaar kunnen.

Maar goed, in de 21 bladzijden tekst (inclusief witruimte) van Vlieghe leer je dan wel dat Boeckhorst afkomstig was uit Münster, zich vestigde in Antwerpen, daar in de leer ging bij Jordaens en mogelijk Rubens (met wie hij in ieder geval verschillende keren samenwerkte), na wiens dood hij zich meer ging oriënteren op de werken en de stijl van Antoon Van Dyck. Je leert ook dat “een van de meest opmerkelijke opdrachten die Boeckhorst kreeg, (…) het maken [was] van acht geschilderde ontwerpen – zogeheten modelli – voor een tapijtenreeks die was gewijd aan de Griekse god Apollo” en wel vanwege “de befaamde kunstverzamelaar en kunstkenner Antonio Van Leijen (1628-1686), die meerdere malen als schepen in het Antwerpse bestuurscollege zat” (vandaar dus de uitleg “over kartons en wandtapijten”, waarvan eerder sprake). En ten slotte leer je ook nog heel wat – dat was voor mij het interessantste deel, een mogelijke aanzet tot het vroeg of laat nóg eens ter hand nemen van een of ander boek over Griekse goden, iets wat ik met Mythos en Helden van Stephen Fry (zie deze boekbespreking) een kleine twee jaar geleden ook al eens deed – over Apollo ofte Phoebus Apollo.

De “tapijtensuite” waarvan sprake omvat uiteraard slechts een aantal momentopnames uit leven en werken van genaamde, maar met Latona en de Lycische boeren (Latona being Apollo’s moeder), Apollo en Daphne, Apollo die Python verslaat, Oordeel van Midas (die met zijn ezelsoren), Apollo en Diana vermoorden de kinderen van Niobe, Apollo als beschermgod van Delphi, Apollo en de Muzen, en ten slotte Apollo op de zonnewagen heb je toch al even de handen vol qua vertellingen. En qua bij mekaar zoeken, klaarblijkelijk, want hoewel het – als ik het goed begrepen heb – verre van zeker is dat de inmiddels ontdekte tapijten “die zichtbaar teruggaan op Boeckhorsts ontwerpen”, “maar daar anderzijds toch niet direct naar geweven lijken te zijn” effectief die van Van Leijen zijn geweest, zijn de schilderijen en pentekeningen wel sterk verspreid geraakt: Apollo op de zonnewagen (olieverf op doek) bij The Phoebus Foundation in Antwerpen, Apollo en de Python (olieverf op paneel) in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, Apollo en Diana doden de kinderen van Niobe (olieverf op doek) in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, Apollo als beschermengel van Delphi (olieverf op doek) in het Stadtmuseum van Münster, Apollo en de Muzen (pen- en penseeltekening op papier) bij het Ashmolean Museum in Oxford en een andere versie bij het Stedelijk Prentenkabinet in Antwerpen, Latona en de Lycische boeren in het Musée du Mont-de-Piété in Sint-Winoksbergen (Frans-Vlaanderen), enzovoort. Al moet het gezegd dat laatstgenoemd museum, dat van Sint-Winoksbergen, wel een serieuze collectie van de pentekeningen in bezit heeft weten te krijgen: behalve Latona en de Lycische boeren worden in dit boekje ook nog getoond/genoemd Apollo die Python verslaat, Apollo en Daphne, Oordeel van Midas, Apollo en Diana vermoorden de kinderen van Niobe (verschillende versies zelfs), Apollo op de zonnewagen, en Apollo als beschermgod van Delphi. Alleen de Muzen ontbreken in dat rijtje, maar mogelijk zijn die (of toch een versie ervan) ook te vinden in het kleine stadje dat helaas sinds de Vrede van Aken van 1668 “definitief” in Frankrijk is komen te liggen (al leert De Vlaamse Leeuw ons dat alleen een volk nooit vergaat).

En dan besteedt Hans Vlieghe ook nog enige aandacht aan de bronnen die Jan Boeckhorst (en anderen met hem) aansprak voor zijn werken rond Apollo: Publius Ovidius Naso, burger van de Romeinse Republiek, en een aantal mensen die ook al in “de laars” geboren werden, maar veel later, zijnde Andrea Camassei, Giovanni-Battista Pasqualini en Guido Reni. Die laatste drie worden tegenwoordig gemakshalve aangeduid als Italianen (ze waren het uiteraard niet, want Italië zou pas zo’n tweehonderd jaar na hun dood ontstaan), waren grafische artiesten en deden voor hun werk eveneens beroep op Publius Ovidius Naso. Boeckhorst ging leentjebuur spelen bij de “Italianen” wat betreft de composities van zijn werken, maar allen beriepen zich op Publius Ovidius Naso wat de inspiratie betrof: de Metamorphosen, “een vijftiendelig gedicht van net geen 12,000 Latijnse verzen”, “een ketting (…) van spannende en vaak dramatische verhalen over tal van personae uit de Griekse en Romeinse mythologie: goden, stervelingen, nimfen en saters”, waarbij “veel aandacht gaat naar de transformatie (of gedaanteverwisseling) die ze aan het eind ondergaan”. En waarbij ik deemoedig moet erkennen dat ik er in slaagde me af te vragen of de naam van de auteur niet Lucius moest zijn. Neen, dus. Ik bleek de auteur van de “schilders-bijbel” (zo genoemd omdat het werk een “schier onuitputtelijke inspiratie (…) vormde voor contemporaine schilders”, maar ook voor “de Europese letterkunde, beeldhouwkunst en muziek (…) tot op vandaag”) te verwarren met die van een ander Metamorphosen genaamd boek, Lucius Apuleius Madaurensis. Die laatste werd óók (zij het een stuk later) geboren in het Romeinse keizerrijk, maar dan aan de andere kant van de Mare Nostrum, in het toenmalige Numidië, en zijn Metamorphosen werd beter bekend onder de naam De Gouden Ezel. Die Gouden Ezel is de enige Latijnse roman die in zijn geheel is blijven bestaan. Een zogenaamde “schelmenroman” dan nog, waarin verhaald wordt over ene Lucius die zichzelf per ongeluk in een ezel verandert, maar wel met de hersens van een mens blijft zitten, zo allerlei eigenaardigheden van dichtbij kan waarnemen en uiteindelijk toch nog gered wordt. En die roman ken ik eigenlijk alleen in de visuele vertaling die striptekenaar Milo Manara er aan gaf. Waarmee we ook wat dié Metamorphosen betreft toch weer bij de beeldende kunsten zijn aangekomen en waaruit we de conclusie kunnen trekken dat ik dan wel veel lees en al gelezen heb, maar nog steeds zo goed als niets. Maar óók dat zelfs een boekje met maar 23 bladzijden tekst je aan kan zetten tot het leggen van verbanden die je voordien nooit gezien had, tot het lezen van teksten die je voorheen niet kende, en tot het weerom uitzien naar het volgende boekje in deze serie.

Björn Roose

vrijdag 14 mei 2021

Dagboek van een vermoeide egoïst – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Dagboek van een vermoeide egoïst – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Mijn besprekingen van Brusselmans’ werken beginnen zo langzamerhand als het dagboek van een vermoeide recensist te voelen eigenlijk, maar ik ben slecht in opgeven en heb er na dit Dagboek van een vermoeide egoïst maar twee meer te gaan (Vlucht voor mij en Kwantum). En gaan, zal ik ze.

Dagboek van een vermoeide egoïst volgt logisch op Heden ben ik nuchter en Zijn er kanalen in Aalst?, twee boeken die ik eerder besprak (hier en hier). Met dat verschil dat de auteur vanaf nu “gewoon” de auteur is en overgegaan is in zijn sindsdien bijna permanente ik-stijl. Exit Kronenburg-Brusselmans dus, exit echter niet de “avonturen” die Kronenburg-Brusselmans in eerder genoemde “romans” heeft beleefd. Ook in zijn Dagboek van een vermoeide egoïst lult Herman Brusselmans bijgevolg een eind weg over de personages in die eerdere boeken en in het bijzonder over Mabiche. Wat ik daarvan vind, kon u al verschillende keren lezen in de besprekingen van die “romans”, dus dat ga ik niet herhalen.

Wat ik vind van de onderverdeling van Dagboek van een vermoeide egoïst in de hoofdstukken Deel 1 – De halve roman, Deel 2 – De andere halve roman, en Deel 3 – De anderhalve roman mag u daarentegen best weten: goed gevonden (en aangekondigd in Zijn er kanalen in Aalst?). Beter in ieder geval dan de titels die Péter Esterházy gebruikte voor de hoofdstukken van zijn (uiteraard óók al “postmoderne”) roman Stroomafwaarts langs de Donau, waarvan u de bespreking hier vindt.

Wat Herman Brusselmans vond van z’n in Zijn er kanalen in Aalst? geuite voornemens (zie mijn boekbespreking daarover) aangaande zijn schrijversschap, blijkt ook al meteen uit de eerste bladzijde van Dagboek van een vermoeide egoïst: “De beste Vlaamse schrijver van de jaren tachtig (van déze eeuw) worden was niet zo moeilijk”. Ik kan het me niet zo meteen herinneren (de jaren tachtig liggen voor mij intussen ook al veraf), maar misschien was er gewoon niet zo heel veel concurrentie. En als die concurrentie er mogelijk was, in de vorm van Jo Claes bijvoorbeeld, dan serveert hij die af op basis van een fout in diens scenario (een telefoongesprek dat plotseling een live gesprek wordt), terwijl hij zelf ook zo’n fouten maakt (zie weerom mijn bespreking van Zijn er kanalen in Aalst?).

En wat de lezer moet vinden van het al dan niet autobiografische karakter van de werken van Brusselmans blijft ook hier duister: “Het probleem van de schrijver. Hij verwart z’n werkelijkheden met woorden en vice versa en misschien wordt hij, zoals in mijn geval, dank zij die verwarring de beste jonge Vlaamse schrijver sinds eeuwen, maar het is hoe dan ook geen lolletje, neem dat van me aan.”

Intussen zijn die “werkelijkheden” wel al helemaal degene die je ook in zijn latere werken vindt. Behalve drank en vrouwen onder andere zijn moeder. Nog niet dood, op dat moment, maar toch al een halfgod in de ogen van Brusselmans. Het lijkt wel of de lezer, in tegenstelling tot Gloria – “m’n vrouw en niet m’n verdomde psychiater” – voor de schrijver de rol speelt van “een of andere kroegkennis die even naar mijn problemen luistert voor ie over de zijne gaat beginnen te zeiken”. Met dat verschil dat Brusselmans het gezeik niet moet horen (laat staan lezen). Terwijl hij toch zélf schrijft: “Als je le fond des choses gevonden hebt, kan je nadien maar beter voor eeuwig zwijgen. Ik bedoel, hoe meer ik schrijf hoe dichter ik le fond des choses op de hielen zit en dat wordt dus een heel probleem”, want … “moet ik inderdaad niet van het schrijven leven?”

Van het schrijven en schnabbelen wellicht, wat ook blijkt uit het feit dat hij in dit boek collega-schnabbelaars als Tom Lanoye begint op te voeren, terwijl langzamerhand zijn vroegere personages naar de achtergrond beginnen te verdwijnen (zéér langzamerhand) en hijzelf als schrijverdas Leiden des jungen Autors – een steeds belangrijker rol begint te spelen. Kronenburg duikt trouwens toch nog even op, maar dan als boekhouder van de schrijver. En Eduard blijkt dan weer de voornaam te zijn van iemand die Brusselmans vooraf al een “alter ego” heeft genoemd: “De Bezopene”. “De kwestie is (…) dat ik weinig fantasie heb. Ik kom er niet toe om een verhaal uit m’n duim te zuigen”, schrijft hij ergens, maar het is uiteraard ook mogelijk dat hij juist heel véél fantasie heeft (al gebruikt hij die dan op een weinig zinnige manier).

Nah ja, Brusselmans beseft toch wel dat ie niet perfect is: “De beste schrijver van Vlaanderen, maar m’n haar splitst aan de uiteinden.” En dát probleem heb ik ook, zelfs al ben ik dan niét de beste schrijver van Vlaanderen.
Björn Roose

dinsdag 11 mei 2021

Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is – Pieter Marechal & Rik Torfs (boekbespreking door Björn Roose)

Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is – Pieter Marechal & Rik Torfs (boekbespreking door Björn Roose)
Ik heb al vele jaren geen kabelabonnement meer. Geen Netflix. Geen Zevende Dag. Geen … extra ergernissen bovenop degene die sowieso al elke dag langs andere kanalen binnen stromen.

Ik heb óók nog nooit een abonnement op een week- of dagblad gehad (t.t.z. ik heb er wel eens een gehad, ergens vooraan in de jaren negentig, voor een half jaar of zo, op Knack, omdat dat me nuttig leek als student economische wetenschappen, maar dat bleek al snel niét zo) en ik ben niet gek genoeg om losse nummers van zo’n bladen te kopen.

Ik ken bijgevolg Rik Torfs niét van de media. Niet van zijn artikels in De Standaard of Le Soir, niet van zijn optredens in De Laatste Show, De Pappenheimers of Recht van Antwoord. Niet van Nooitgedacht, De Slimste Mens ter Wereld, of De Tafel van Tijs. En óók niet van zijn korte carrière in de politiek, al speelde die zich dan af in een tijd dat ik van in de provincie nog wel enige aandacht had voor die uitermate smerige branche van het “gemeenschapsleven”.

Maar ik heb m’n ogen niet in m’n zakken en er is toch één reden waarom ik gebruik maak van sociale media, dus zag ik op Twitter wel eens berichten passeren van Rik Torfs en ben ik sinds enige maanden ook één van de (op dit moment) meer dan 140,000 volgers van de hoogleraar en – zoals de achterflap van dit boek vermeld – “gezaghebbend mediafiguur” (whatever that means). Torfs produceert op Twitter “mijmeringen” à volonté en daar zitten af en toe toch dingen in die goed gezegd en/of ook in mijn ogen waar zijn.

Rik Torfs’ collega-auteur Pieter Marechal zit kennelijk óók op Twitter, maar hem heb ik daar niet eerder ontmoet (iedereen ter wereld zou in zeven clicks met ieder ander te verbinden zijn, maar er zijn mensen waarmee je, hoe geografisch dichtbij ook, nooit “zomaar” contact zal maken). Nu ja, Marechal is behalve co-auteur van Over morgen – Mijmeringen voor wie niet van gisteren is voornamelijk docent aan de Economische Hogeschool Tilburg en schepen in Brugge en lijkt op Twitter in eerste orde over voorliggend boek en Brugge te schrijven, dus moge me dat vergeven worden.

Net zoals het feit dat ik niet echt onder de indruk was van het boek. Had ik niet erg gevonden als ik het boekje (die tweehonderd bladzijden zijn zo voorbij) geleend had in de bibliotheek (waar ik niet meer kom sinds ik er een mondmasker moet dragen, wat me toch te veel gevraagd is op een plaats waar ik graag langer dan een kwartiertje doorbreng), maar ik heb het ding gekocht in een boekhandel (binnen en buiten in tien minuten) en me een aardig sommetje laten aftroggelen op basis van de veelbelovende tekst op de achterflap: “Bent u het versteende debat van gelijkhebbers van links en rechts beu? Voelt u ook de noodzaak aan van een pragmatische politiek, wars van extremisme en populisme? Zoekt u ook naar oplossingen voor de uitdagingen waar onze samenleving voor staat? Met Over Morgen bieden Rik Torfs en Pieter Marechal u een verfrissend manifest voor de toekomst.” “Manifest voor de toekomst” … Zeg nu zelf, dan verwacht je toch al wat? Méér dan wat “mijmeringen” in ieder geval, maar over de op de voorflap véél kleiner dan Over morgen gedrukte ondertitel Mijmeringen voor wie niet van gisteren is had ik in mijn haast heen gelezen.

Nu ja, dat wil niet zeggen dat het werkje van Torfs en Marechal (die een jaar of tien geleden trouwens ook al gezamenlijk Wie mooi wil zijn, moet leiden publiceerden) niks te bieden heeft. Niks nieuws weliswaar, niks “verfrissend” ook voor wie wel eens vaker een boek leest, niks dat enigszins op een “manifest” lijkt, maar goed, ook als niet-katholiek kan ik al eens vergevingsgezind uit de hoek komen.

Verwacht dus niet te veel van het voornemen van de auteurs om “onbegane wegen te verkennen, archaïsche gewoonten te doorbreken, onverwachte opties te overwegen”. En eigenlijk al evenmin van “behouden wat ons dierbaar is”, want de heren zijn héél erg bang om voor conservatief versleten te worden. Wat ze niet belet om verder in het boek een titel als Veranderen om te behouden – of “rentmeesterschap”, dat zich zou bevinden tussen conservatisme en progressisme - te gebruiken, een rechtstreekse verwijzing naar het To change in order to preserve van Edmund Burke, aartsvader van het conservatisme. En al maken ze wel duidelijk een aantal conservatieve overwegingen, zoals deze, met onuitgesproken verwijzing naar De meeste mensen deugen van Rutger Bregman: “De vraag is evenmin of mensen deugen of niet, dat is een semantisch spel. Mensen hebben zowel deugden als ondeugden. Zo zitten we nu eenmaal in elkaar. Een realistische mensvisie, mensenkennis en een minimale liefde voor de onvolmaakte mens, daar ligt de sleutel voor een succesvolle politiek.”

Verwacht ten slotte ook niet dat ze ín het boek iets anders zullen zeggen over “declinisten”, “ecofundamentalisten”, “populisten” of “collectivisten” dan samengevat op de achterflap: “Declinisten vrezen dat de wereld om zeep is. Ecofundamentalisten wenden de klimaatcrisis aan om een vervreemdende levenswijze op te leggen. Populisten en collectivisten beweren dat een ideale wereld mogelijk is als we onze vrijheden opgeven voor hun plannen. Allemaal doodlopende paden.”

Rik Torfs en Pieter Marechal nemen het op voor de zogenaamde “middenklasse”, die uiteindelijk bijna elk van ons omvat en steeds weer de dupe wordt van elk ideetje om het geld te halen waar het zit (“De rijken die zullen betalen, zijn immers altijd de anderen, nooit zijzelf. Maar pas op, voor mensen het goed en wel beseffen, maken ze ook deel uit van die groep ‘rijken’”). Marechal en Torfs nemen het op voor wat nog rest aan natuur (en terecht), maar (al even terecht) tegen de door sommigen aangebrachte “oplossing” om iedereen dan maar samen te proppen in de steden. Trouwens, schrijven de auteurs even later, Thomas Malthus (An Essay on the Principle of Population) had ongelijk, net zoals de Club van Rome (De grenzen aan de groei): alles sal reg kom, ook zonder dat we allemaal ons plig doen. Elektrische wagens zijn de toekomst, net zoals “thuiswerk en virtuele vergadering” en kernenergie. We hebben met andere woorden te doen met christendemocratische believers in technologische oplossingen. Positiviteit is goed, we moeten alleen “van een utilitaristisch naar een humanistisch positivisme gaan”, aldus Torfs en Marechal. En dat “ondersteunen” ze dan ook nog graag met een aantal statistische gegevens die, afhankelijk van hoe het uitkomt, in procenten of in absolute cijfers weergegeven worden.

Als conservatief kan ik het moeilijk niét eens zijn met hun stelling dat de ideale wereld niet bestaat (alhoewel, die bestaat wel, hij is alleen alsmaar minder ideaal geworden naarmate mensen hem gingen proberen te vormen naar hún idealen) en dat de Nirvana Fallacy een belangrijk probleem is dat uit de wereld kan geholpen worden door eerlijke communicatie over wat wérkelijk te verwachten valt, maar de aard van het partijpolitieke beestje, van verkiezingen is helaas dat steeds weer beloofd wordt, gesuggereerd wordt dat het “beter” zal worden en er wordt zéér zelden duidelijk gemaakt voor wie en in welke mate “het” dan wel “beter” zal worden of náár wie en in welke mate de rekening zal doorgeschoven worden. Wie de Nirvana Fallacy wil aanpakken, zal meer moeten doen dan wat mijmeren over “politieke boodschappen die leugens verpakken in een verhaal dat vele mensen als muziek in de oren klinkt”. De vraag stellen of de overheid zich wel werkelijk met álles moet bemoeien, iets wat Rik Torfs en Pieter Marechal doen, is daarbij inderdaad een goed begin. Maar, het is wat het is, we hebben nauwelijks tot geen ervaring met overheden die zich met mínder gingen bemoeien (op de golf van “deregulering” in het voormalige communistische blok na die zich echter voornamelijk op het economische vlak afspeelde en uitdraaide op kapitalistische rampen). Beweren dat “mensen (…) sinds de coronacrisis meer dan ooit [willen] dat de overheid instaat voor uitkeringen die hen garanderen dat ze een waardig bestaan kunnen leiden, ook wanneer tegenslagen zich aandienen” of dat “mensen (…) een overheid [willen] die regels oplegt aan bedrijven waardoor werknemers in staat worden gesteld om hun werk zo uit te voeren dat er voldoende vrije tijd overblijft om wat vaker tot rust te komen”, lijkt me dan weer gebruik maken van het populistisch vocabularium: “mensen” willen namelijk van alles en uit al die verschillende willetjes één groot “willen” halen, is simpelweg bedrog. Ik ben er bijvoorbeeld sterk van overtuigd dat de meeste mensen het liefst zouden hebben dat de overheid hen niet op allerlei manieren hindert in het uitoefenen van hun baan, dat de overheid hen niet in naam van een virus zou gijzelen, dat de overheid hen niet hun broodwinning zou afnemen, en niet zozeer dat de overheid dat eigen wangedrag dan maar zou “compenseren” met een uitkering. Ik ben er óók sterk van overtuigd dat de “middenklasse” die moet betalen voor dat “compenseren” er alle belang bij zou hebben als de overheid daar eens mee ophield. Maar kennelijk vallen mijn meeste mensen en mijn “middenklasse” niet onder de “mensen” van Torfs en Marechal. Het “vinden van een maatschappelijk draagvlak” dat “zal bepalen hoe de uitkomst van de huidige crisis gestalte krijgt”, lijkt me bijgevolg politieke woordenkramerij. Een “mijmering”, zo u wil.

Over politieke woordenkramerij gesproken, aan het begin van het hoofdstuk Wat we gemeen hebben, zal ons verder brengen dan onze verschillen slaan Pieter Marechal en Rik Torfs zo ongeveer alles wat dat betreft: “Zulke complottheorieën komen de laatste jaren steeds vaker voor. Denk maar aan de groeiende groep aanhangers van de gedachte dat de aarde plat is. Of het toenemende aantal mensen dat vaccinaties slecht acht voor ons.” Mensen die kritisch zijn over de werking van vaccins gelijkstellen met flat earthers … je moet eigenlijk maar durven. En zeker niet bang zijn achterhaald te worden door “de” wetenschap, want “we weten dat de wetenschap ze tegenspreekt”. Dezelfde “de” wetenschap allicht die een aantal decennia geleden nog – mits daar genoeg voor betaald – beweerde dat roken goed was voor zwangere vrouwen, dat vet véél schadelijker was dan geraffineerde suiker, dat graan telen in Siberië kon als je de zaden maar vooraf wende aan de kou, of – een beetje verder terug – dat de aarde effectief plat was. Als je als wetenschapper, wat beide heren toch zijn, niet eens door hebt dat “de” wetenschap niet bestaat, dat ze hoogstens een kwestie is van voortschrijdend inzicht, dan mankeert het je op zijn minst aan de noodzakelijke nederigheid om je vak naar behoren te beoefenen. Ik zou dat een “mijmering” van mezelf kunnen noemen, maar het is eerder een immer toenemende ergernis.

Een terechte ergernis in het geval van Rik Torfs en Pieter Marechal kennelijk, want even later pleiten de auteurs ook nog voor het voeren van “de” strijd tegen … fake news. Een strijd die – let op – moet gevoerd worden “om het onderlinge vertrouwen tussen mensen te herstellen, zodat we weer tot een dialoog en debat die naam waardig kunnen komen”. Echt, zonder zeveren, de heren wensen tot dialoog te komen door mensen het zwijgen op te leggen. Klinkt bijna als een gesprek met “god” (als we het dan toch over fake news en complottheorieën hebben): die zegt ook lekker niks terug. Maar, het moet gezegd worden, de heren houden een slag achter de arm: een keer door de bestrijding van fake news en het aldus komen tot “een dialoog en debat die naam waardig” “een gedeeld wereldbeeld” is ontstaan waardoor we “samen stappen (…) [kunnen] zetten naar een gemeenschappelijke toekomst” zou het zomaar kunnen dat “we op een dag tot de vaststelling [komen] dat één of meerdere aspecten van hun verhalen waarvan we dachten dat ze onmogelijk waar konden zijn, toch blijken te kloppen. Onfeilbaarheid komt tegenwoordig de paus steeds minder toe – waarom zouden wij het dan altijd bij het rechte eind hebben?” Mág ik dan een “beetje” cynisch zijn door te vragen waarom “we” dan nu de dialoog om zeep zouden moeten helpen door onwelgevallige meningen te cancellen als zijnde fake news of complottheorieën?

En mag ik, nu ik toch toestemming aan het vragen ben, ook een beetje over m’n nek gaan van het belang dat de heren Torfs en Marechal hechten aan de wandelingetjes-met-looprek van ene Captain Tom ter financiering van de Britse sociale zekerheid? Ja, hij werd door er veel media-aandacht aan te schenken tot “held” gebombardeerd, maar hetzelfde is in eigen land ook gebeurd met verpleegsters, postbodes, pakkemannen en zelfs Marc Van Ranst, terwijl in Groot-Brittannië per slot van rekening ook de massamoordenaar Arthur ‘Bomber’ Harris nog steeds als een held wordt aanzien. De enige echte helden in het hele corona-circus zijn wat mij betreft de burgers die dit alles betalen, nog generaties ver in de toekomst, in veel gevallen ook nog mét het opgeven van het laatste bastion van vrijheid, hun eigen lichaam. Ik ben wat dat betreft geen held, want niet idioot genoeg om dat laatste te doen ter meerdere eer en glorie van het “algemeen belang” van het zittende regime. Als de heren “Ask not what your country can do for you, but what you can do for your country” als Leitmotiv wensen aan te halen, dan sta ik bijzonder ver van ze af. My country moet mij zoveel mogelijk met rust laten, zodat ik hetzelfde kan doen voor my country. Wat “algemeen belang” is, kan ik in alle eerlijkheid niet uitmaken en iedereen die meent dat hij het wél kan, is ofwel verschrikkelijk pretentieus ofwel een politicus ofwel beide. En het Rijnlandmodel – kennelijk de essentie van het “verfrissend manifest voor de toekomst” – waar Rik Torfs en Pieter Marechal zo’n fan van zijn, heeft inderdaad een tijd in belangrijke mate iets gediend dat het algemeen economisch belang kán genoemd worden, maar “een tijd” is hier wel zéér kort en wie hoopt dat hij door wat bijschroeven aan en oppoetsen van dat model – “een grondige schoonmaakbeurt” en “enkele onderdelen zijn aan vervanging toe”, aldus de auteurs – de zaak draaiende kan houden, zal toch héél hard zijn ogen moeten leren sluiten voor de systeemfouten ervan. Waarmee ik, voor de duidelijkheid, niet gezegd heb dat “zuiver” kapitalisme of dito communisme ook maar een haar beter zouden zijn: alle systemen, toegepast op grote schaal (“groeiende institutionalisering van het systeem en de anonimisering van de solidariteit”, zoals de heren auteurs het noemen), zijn gedoemd om te falen.

Soit, genoeg gezaagd, een keer je in drie vierde van het boek bent, komen er inderdaad nog een paar “mijmeringen” voorbij waarmee ik het in mindere of meerdere mate eens kan zijn. Een en ander over “de” economie bijvoorbeeld (bij die “de” stellen Rik Torfs en Pieter Marechal zich wél vragen), over de dictatuur van tijd en het idee dat je voortdurend “productief” moet zijn (iets wat Charlie Chaplin vijfentachtig jaar geleden al aankaartte in zijn film Modern Times), over “nabijheid” en eenzaamheid (goede buren en verre vrienden, weet u wel), over Heimat (een onderwerp dat door de auteurs zéér voorzichtig en vaag wordt aangepakt), over – echt waar, er staat één concreet voorstel in het boek – het dichter bij de burger brengen van de politici door de kieskringen kleiner te maken (alsof politici dan niet binnen die kleinere kieskringen de burgers dezelfde onzin gaan wijsmaken en even weinig zullen doen met wat die burgers menen), en ten slotte over een paar religieus/filosofisch getinte zaken als pelgrims (een hoofdstukje waarin Zygmunt Bauman en Karl Marx de revue passeren), noodlot (en het omhelzen ervan door Nietzsche), vergiffenis (met Didier Pollefeyt als inspirator) en het bij kunstminnaars bekende memento mori.

Een keer u op bladzijde 178 aangekomen bent, kan u het boek rustig dichtdoen en opbergen. Of u kan, als u gehaast bent, die eerste 178 bladzijden overslaan en pas beginnen lezen vanaf pagina 180. De laatste 13 bladzijden zijn namelijk niet meer dan een samenvatting van de eerste 178. Een essay binnen een essay dus. Dat laatste essay wordt dan wel betiteld als Manifest voor het midden, maar ik beschouw het als een manifeste papierverspilling. De rest van het boek is niet zo héél veel beter, maar wie eens een politiek boek wil lezen zonder dat er verwacht wordt dat hij er ook nog iets mee gaat doen, zal er mogelijk zijn gading in vinden. Je hoeft je er ook niet per se aan te ergeren, je kan het ook eenvoudig over je heen laten gaan. ‘t Zijn per slot van rekening maar “mijmeringen” en mogelijk hebben de heren Torfs en Marechal niet zélf die laatste paragraaf op de achterflap geschreven ...

Björn Roose