“Bert Govaerts (1952) werkte tot 2015 als documentairemaker voor
VRT en schreef eerder veelgeprezen biografieën van o.a. de politicus
Albert De Vleeschauwer en de schrijvers Ernest Claes en Marnix
Gijsen. Bij Manteau publiceerde hij in 2024
Erfgoed op de vlucht”.
Althans, dat is wat ik lees op de achterflap van voorliggend
De
man die uit de lucht viel, ondertitel
De Spaanse jaren van
Léon Degrelle, 1945-1994, dat in juni 2025 verscheen bij
Manteau/Standaard Uitgeverij.
Niet dat ik daar wat aan heb: ik heb al langer geen tv meer gezien
dan Bert Govaerts bij de VRT vertrokken is, keek daarvoor óók al
bijzonder weinig, ben (hoe eigenaardig dit in de context van deze
bespreking ook klinkt) niet heel erg geïnteresseerd in politieke
biografieën, heb er geen staan van Claes of Gijsen (in tegenstelling
tot wat geldt voor boeken van hun hand), en volg de uitgaves van
Manteau niet echt op de voet. Desalniettemin is dit boek, dat
ik leende in de openbare bibliotheek, me ook bevallen zónder aanbeveling.
Ik kende uiteraard de figuur Degrelle – wie de figuur niet kent,
zal wellicht weinig aan deze halve biografie hebben, t.t.z. een
biografie die grotendeels de eerste negenendertig jaar van ‘s mans
leven overslaat -, heb wat primaire literatuur (zie daarover straks
meer) van en secundaire literatuur over hem staan (zij het dat ik er
nog niet aan toe gekomen ben die te lezen), en kan niet anders dan
toegeven dat ik het toch eerder ook al fascinerend vond hoe de
oprichter van (Les Éditions de) Rex en Sturmbannführer
er in geslaagd was van 8 mei 1945 (de dag dat hij met een aantal
anderen in een Heinkel III in de baai van San Sebastián ‘uit de
lucht viel’) tot aan zijn dood op 31 maart 1994 (een Witte
Donderdag, dixit Govaerts) in Spanje te blijven zónder zich de hele
tijd te moeten verbergen, zelfs al nam ik aan wat daar doorgaans kort
over verteld wordt: generalisimo Francisco Franco en/of de
mensen rondom hem hielden Degrelle de hand boven het hoofd (wat dan
onder andere zou te wijten zijn aan het feit dat Degrelle “lidkaart
nummer I van de Falange Exterior, de buitenlandorganisatie van de
Falange Española” had en de Spanjaarden die nog wilden doorvechten
nadat de Divisón Azul teruggeroepen was incorporeerde als een
aparte compagnie van zijn Waals Legioen).
Dat laatste wordt bevestigd én tegengesproken in dit ongeveer
tweehonderdzeventig bladzijden dikke boek, dat ondanks het feit dat
Govaerts voor de VRT heeft gewerkt – geen aanbeveling op dat
vlak – toch redelijk objectief aangepakt lijkt te zijn. Al had ik
daar enige twijfels over bij de inleiding: “De strapatsen van de
Führer uit Bouillon in de Belgische politiek van de jaren dertig,
zijn rol in de collaboratie en zijn krijgsverrichtingen als lid van
de Wehrmacht en de Waffen-SS zijn allemaal uitvoerig beschreven,
onder anderen door hemzelf, in een eindeloze reeks gedenkschriften.
Maar het grootste deel van zijn leven, bijna vijftig jaar, leefde
Degrelle in Spanje. Zijn Spaanse jaren krijgen doorgaans veel minder
aandacht en vaak wordt er, ook door ernstige historici die zich voor
zijn ‘Duitse’ jaren grondig documenteerden, zeer slordig over
geschreven. Het zijn jaren waarin Degrelle vermoedelijk geen schot
meer heeft gelost. Of toch niet op een mens. Hoogstwaarschijnlijk
heeft hij het Spaanse grondgebied ook nooit meer verlaten. In de
geborgenheid van de Franco-dictatuur kreeg en greep hij kansen als
zakenman. Maar zijn oude passies, schrijven en publiceren, lieten hem
niet los. Toen zijn beperkte commerciële talent begon te falen gaf
hij zich weer helemaal aan het woord.”
Een woordgebruik dat duidelijk laat doorschemeren dat Govaerts geen
naoorlogse fan van zijn onderwerp is, zoveel is duidelijk, maar zelfs
dan heeft Govaerts wel gelijk als hij het over die weinig
gedocumenteerde naoorlogse jaren heeft. Al kan dat ook liggen aan een
simpel gebrek aan interesse. Zoals de auteur immers zelf blijft
stellen: Degrelle bleef hetzelfde deuntje spelen. Hij evolueerde een
héél klein beetje op het politieke vlak, sloot zelfs hier en daar
een onverwachte vriendschap, maar zijn zakenleven was niet
interessant genoeg om te compenseren voor het feit dat hij eigenlijk
alleen ‘interessant’ was omwille van wat hij vertelde over zijn
vooroorlogse- en oorlogsjaren en dat blééf doen. Een keer je het
daar als biograaf over gehad hebt, voel je misschien niet de behoefte
de endless repeat van het verslag ook nog op te volgen.
Jean-Marie Frérotte, zoals Degrelle opgegroeid in Bouillon, maar
door Govaerts niet genoemd, hield het dan ook in zijn biografie, Léon
Degrelle, le dernier fasciste, gepubliceerd in 1987 bij Paul
Legrain, bij zo’n vijftien bladzijden over Degrelle in Spanje.
Wim Dannau, dixit Govaerts “gespecialiseerd in vulgariserende
literatuur over lucht- en ruimtevaart en medewerker van het stripblad
Robbedoes”, “de wandelende megafoon van Léon Degrelle”,
wiens vraaggesprek met Degrelle in februari 1972 desalniettemin
gepubliceerd werd door Knack, heeft het er met de man zo’n
vijftig bladzijden over aan het einde van het in 1971 bij Editions
De Schorpioen verschenen Degrelle – Face a face avec le
Rexisme. Maar Govaerts wint het dus wat die naoorlogse jaren
betreft, wat ongetwijfeld ook zijn bedoeling was, want anders had hij
zich niet op slechts een déél van het leven van Degrelle geconcentreerd.
Een deel dat wat de handelingen tussen Spanje en belgië betreft
leest als een langdurige klucht, een feit waar ik zelf niet al te
diep zal op ingaan (anders hoeft u het boek niet meer te lezen), maar
waarvan ik u graag dit ene voorbeeld meegeef van meteen na de oorlog:
“België en Spanje hebben een uitleveringsverdrag, maar dat
verbiedt uitlevering op basis van politieke misdaden. Madrid wil
Degrelle daarom niet rechtstreeks aan België uitleveren, maar hem
wel als ‘oorlogsmisdadiger’ [wat hij, voor zover het om bewezen
feiten gaat, niet was, noot van mij] in de handen geven van
vertegenwoordigers van een ‘inter-geallieerde overheid’, die dan
zelf mogen beslissen over zijn lot. De Britten en de Amerikanen laten
meteen weten dat ze dat niet zien zitten. De term oorlogsmisdadiger
is volgens hen alleen van toepassing op onderdanen van de aslanden
(Duitsland, Italië en Japan). Dat is een diplomatiek handigheidje om
vooral te vermijden dat er een precedent wordt geschapen waardoor ze
met nog meer vervelende dossiers worden opgezadeld.”
Maar niet alleen dié handelingen zijn klucht-ig, ook het feit dat
stouterd (of fouterd, zoals u wil) Degrelle regelmatig
gecensureerd wordt (net zoals documentaires van anderen óver hem dat
werden of er minstens gepoogd werd dat te doen, bijvoorbeeld die van
Maurice de Wilde), lijkt een slechte grap. Als iemand dan toch zó
fout is, als iedere ‘democraat’ (en dat waren er na de Tweede
Wereldoorlog in het ‘vrije’ westen plotseling méér dan
voordien) het dan toch zo oneens is met wat zo’n figuur te
vertellen heeft, waarom zou je hem dan het woord ontnemen? Hij kan
toch alleen maar méér aantonen dat hij onzin verkoopt als je hem
die onzin laat publiceren? Nee dus, nadat Frankrijk het aldaar
verschenen La Campagne de Russie, Degrelle’s eerste boek van
na de oorlog “na wat aandringen uit Brussel (…) bij een
ministerieel besluit van Binnenlandse Zaken” heeft verboden, en dat
ondanks het feit “dat het Belgische gerecht niet is opgetreden
tegen het Brusselse weekblad Europe Amérique, dat drie weken
aan een stuk uittreksels uit Degrelles boek heeft gepubliceerd”,
komt ook “het volgende werkstuk van Degrelle, La Cohue de 1940”
onder vuur te liggen. Zelfs nog voor het gepubliceerd is, want “het
speelt zich niet af op de Russische steppe, maar in België en
Frankrijk en beschrijft onder andere de vlucht van de Belgische
regering en haar gedrag in de eerste bezettingsmaanden”. Dit boek
verschijnt in 1950 in Zwitserland, waar “zelfs Mein Kampf
(…) vrij te koop [is]”, wat weinig kans op een verbod lijkt te
geven, maar de belgische regering dringt er met het oog op de op
komst zijnde volksraadpleging over de terugkeer van koning Leopold
III op aan en… krijgt zijn zin: “De Bondsraad vergadert drie keer
over de kwestie, maar raakt er niet uit. De stemmen staken twee keer
(drie tegen drie) en de voorzitter wil de knoop niet doorhakken. Maar
op 3 juni valt het verdict: La Cohue de 1940 wordt definitief
verboden. De Bondsraad heeft het boek laten analyseren door
specialisten en laat het uiteindelijk verbieden, niet vanwege de
beledigingen die het bevat, maar omdat het ‘staatsgevaarlijk’ is.
Degrelle is nog altijd een nationaalsocialist, stelt de Raad en het
nationaalsocialisme als beweging is nog niet dood. Daarom moet
Zwitserland zich hoeden voor propaganda die de democratie kan
aantasten. Sommige Zwitserse volksvertegenwoordigers vinden dat maar
een slappe argumentatie.” Wat het inderdaad is. En wat niet
verhindert dat van de kleine drieduizend exemplaren die uiteindelijk,
voor het verbod in voege ging, van de drukpers rolden er precies 869
exemplaren (aldus Govaerts) “naar België geëxporteerd [zijn]”.
“Een bijkomende levering van 1516 exemplaren aan Belgische klanten
is door het gerecht verhinderd. In Zwitserland zijn er 478 boeken
naar de winkels gegaan. De export naar Frankrijk bedroeg drie
exemplaren.” Van die 869 ‘belgische’ exemplaren belandde er in
ieder geval, in november 2011, uiteindelijk eentje bij mij. Hoe dat
gebeurde, zou ik niet kunnen zeggen. Niet omdat ik dat niet wil, maar
omdat ik het gewoon niet meer weet, zoals ik toen niet wist dat het
boek illegaal in dit land verbleef. Ik heb het, zoals eerder
aangehaald, toen ik het over primaire en secundaire literatuur had,
nog niet gelezen, maar het begin ervan is alvast bijzonder: “La
grenade qui alluma la Deuxième guerre mondiale roula sur le sol
durant la dernière nuit d’août 1939. On eût pu la désamorcer
avant cet instant fatal. On eût pu retenir le bras avant la terrible
projection. On eût pu encore, à l’ultime seconde, détourner
l’explosif vers des champs morts. Non. La guerre était revenu
parce qu’elle devait revenir, parce que trop de gavials la
désiraient, parce que les hommes sont fous, ont besoin de sang, ont
besoin de haine, et trouvent dans les grandes tueries internationales
ces exutoires fabuleux où les vertus s’exaltent, où les vices se
repaissent, où la vie – Bien ou Mal – peut jaillir vers
l’exceptionnel. Dès les premiers remous européens, je fus
l’ennemi acharné de cette guerre.” Mijn excuses als dat
Chinees voor u is, maar in dit geval: pour les Flamands, la même
chose, want ik ben te lui om zelfs maar een poging te ondernemen
om dat in even mooi Nederlands te vertalen. Los van het feit dat deze
boekbespreking dan natuurlijk weeral een stuk langer wordt.
Voor de rest houd ik het dus maar bij een paar bijzonderheden. De
manier waarop Govaerts de feiten rond Otto Skorzeny, de man die
Benito Mussolini uit zijn gevangenis in het hotel Campo Imperatori in
de Abruzzen bevrijdde, weergeeft, bijvoorbeeld: “volgens sommigen
de ‘ontvoering’”, “hoewel hij daarbij alleen een
ondergeschikte, misschien zelfs hinderlijke rol heeft gespeeld”,
iets wat bij mijn weten niet klopt, in tegenstelling wellicht tot wat
Govaerts een aantal bladzijden later weet te zeggen over het op 9
oktober 1969 plaatsvindende huwelijk tussen de jongste dochter van
Degrelle, Marie-Christine, en José Ramón Hervella Novoa: daarbij
aanwezig als huwelijksgetuige was Skorzeny, van wie ik begin 2022
overigens de autobiografie LEBE gefährlich besprak. Iets wat
ik me zonder probleem herinnerde en me op volgende verwijzing naar
voormalig Nederlands eerste minister en desondanks NAVO-baas
geworden Mark Rutte brengt: “Martin-Arajo blijkt geen actieve
herinnering aan zijn belofte te hebben en zijn archief is ook niet op
orde.” Iets wat dan weer niet geldt voor Albert Mélot, “rechter
bij de rechtbank van eerste aanleg in Namen”, “veteraan van het
Belgische verzet en een reserveofficier, die nog geregeld deelneemt
aan militaire oefeningen van de paracommando’s”. Die haalt het in
zijn hoofd Degrelle te ontvoeren, meldt dat ook netjes aan de
belgische ambassade in Madrid, en wordt daar dringend geadviseerd dat
niet te doen (anderen zouden niet om advies vragen, maar desondanks
niet slagen): “Mélot zal later nog veel journalisten gelukkig
maken met het relaas van zijn ontvoeringsplannen, maar na zijn bezoek
aan de ambassade bergt hij ze op.” Of Jaime, de jongere broer van
Fabiola, in 1960 aan het publiek voorgesteld als de verloofde van de
belze koning Boudewijn, veel journalisten gelukkig maakte, is me niet
bekend, maar roddels bereikten af en toe wel de pers. Of tot die
roddels ook deze behoord heeft, weet ik helaas al evenmin: “Jaime
behoorde volgens Degrelle tot de vriendelijke soldaten die hem in het
militair hospitaal van San Sebastián zonder veel ijver bewaakten.”
Een verklaring voor het feit dat hij later nog vaker in diens
gezelschap verkeerde: op de receptie na het huwelijk van zijn jongste
dochter “daagt ook Jaime de Mora y Aragón op, broer van koningin
Fabiola, derdeplansacteur en ster van het mondaine uitgaansleven in
Marbella, waar hij net een dure nachtclub heeft geopend. Jaime lijkt
revanche te willen nemen op zijn zuster, die er in 1960 voor heeft
gezorgd dat hij niet naar Brussel mocht komen voor haar bruiloft.”
Over
Tintin, mon copain, het boek dat er pas na zijn dood
kwam, heb ik het verder niet – volgens Govaerts kan het onmogelijk
“volledig van hem” zijn -, maar u vindt het onder andere
hier gratis als pdf, net als het eerder genoemde
La Cohue
de 1940,
trouwens, en
La Campagne de Russie.
Plus een hele hoop
ander werk in allerhande talen over of door Degrelle. Wat maar mooi bewijst dat
er dan wel monsters als
Chat Control,
Moneycontrol,
enzovoort bestaan, maar dat het met censuur en het internet voorlopig
nog niet zo goed wil lukken. Een boek is per slot van rekening geen
hoop as die je de grens over wil brengen: “Brussel maakt zich”,
na het overlijden van Degrelle, “zorgen over het stoffelijk
overschot. Als dat naar België wordt gebracht, kan dat onrust
veroorzaken. Het graf kan een bedevaartsoord worden, maar misschien
brengt het ook wel antifascisten op gekke, rustverstorende ideeën.
Dus wil Brussel om te beginnen precies weten wat er met het lichaam
is gebeurd. Kanselier W. Mertens wordt uitgestuurd en hij meldt op 8
april dat het lichaam van Léon Degrelle gecremeerd is in opdracht
van de begrafenisonderneming La Soledad in Málaga. ‘De as werd in
ontvangst genomen door een schoonzoon. Alle verdere informatie werd
uitdrukkelijk geweigerd.’” Wat uiteindelijk leidt tot het
hilarische koninklijk besluit van Louis ‘Uw sociale zekerheid’
Tobback: “In overweging nemend dat de aanwezigheid op het Belgisch
grondgebied van het stoffelijk overschot van Léon Degrelle
ontegensprekelijk van aard is om verstoringen van de openbare orde
uit te lokken… wordt het zonder meer verboden om die resten over de
grens te brengen. Wie het toch doet kan bestraft worden met een
gevangenisstraf van acht tot veertien dagen.”
Victi invictus victuri stond op het ‘doodsprentje’ van
Léon Degrelle, “de verslagenen zullen zegevieren”. Of een deel
van zijn assen alsnog, zoals de geruchten toch al lang gaan,
uitgestrooid werden bij Le Tombeau du Géant in Bouillon, weet
ik niet met zekerheid (hoewel een over het algemeen wat Franstalig
radicaal-rechts aanging goed geïnformeerde voormalige collega van me
dat zo’n vijfentwintig jaar geleden voor absoluut waar verkocht),
maar de ‘verslagen’ Degrelle zegevierde met het gedoe dat rond
zijn assen ontstond in ieder geval nog een laatste keer over het
circus dat ‘belgië’ heet. Een circus waarin onder andere de
clowns Willy Claes en zijn socialistische partijgenoot Frank
Vandenbroucke, beiden niet vies van enig smeergeld, later nog
optreden in een act gewijd aan het geld dat het naar eigen zeggen nog
moest krijgen van Degrelle. Hun partijgenoot Erik Derycke – voor
zover ik weet niét corrupt – kreeg van het ministerie van
Financiën nog onder zijn voeten omdat hij niet genoeg moeite deed,
maar de overnemers van de tent kapten er later uiteindelijk helemaal
mee: “In de zomer van 1999 is er in België een nieuwe regering
aangetreden: de paarse regering-Verhofstadt I, met de Franstalige
liberalen Louis Michel en Didier Reynders op respectievelijk
Buitenlandse zaken en Financiën. Het is Reynders die de zoektocht
naar de erfenis van Léon Degrelle definitief heeft stilgelegd.”
Misschien was hij ook toén al meer geïnteresseerd in het vullen van
zijn eigen zakken, dan in het vullen van de staatskas? Geen idee,
maar het opgeven van die onzin sierde hem meer dan de uitgebreide,
als appendix toegevoegde, uithalen van de auteur naar de werken van
Jonathan Littell en Bruno Cheyns, respectievelijk Het droge en het
vochtige. Een korte verkenning op fascistisch grondgebied uit
2009 en Léon Degrelle. De Führer uit Bouillon, Bert Govaerts
sieren. Die kleinzieligheid draagt niet bij aan de kwaliteit van De
man die uit de lucht viel en had dus beter kunnen nagelaten
worden. Manteau had die twee appendixen dan wel niet moeten
wegcensureren, maar het opnemen ervan aan de auteur moeten afraden...
Björn Roose