maandag 29 december 2025

De vijand – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)

De vijand – Jos Vandeloo (boekbespreking door Björn Roose)
Het is nog niet eens zo lang geleden – iets meer dan een jaar – dat ik het enige andere boek besprak dat ik van Jos Vandeloo in mijn boekenkasten staan had (en ook na lezing nog steeds heb): Het gevaar. Zoals ik bij die gelegenheid aangaf, was het de tweede keer dat ik dat boek las (de eerste keer was in mijn middelbare-schooltijd, toen ik er een open-boekexamen over moest afleggen), maar voor zover ik me kan herinneren, is dat niet het geval met voorliggend De vijand. Dat is nochtans, aldus de flaptekst, “zonder twijfel een der mooiste en beste verhalen van Jos Vandeloo”, maar Wikipedia staat er op dat behalve Het gevaar vooral De muur en Het huis der onbekenden Vandeloo’s “bekendste werken” waren, dus misschien staat “mooiste en beste” niet in rechtstreeks verband met “bekendste”. Wat best kan zijn en niet verhindert wat verder op de achterflap gezegd wordt: “Nadat dit verhaal in de gelijknamige bundel verscheen, die spoedig uitverkocht was, herschreef de auteur de tekst in zijn huidige en definitieve vorm”.

“Herschreef” en ‘breidde uit’ zou dat volgens de al genoemde online ‘encyclopedie’ dan weer moeten wezen, maar alla, laat ons het over het boek met de tegenwoordig weer op veler lippen bestorven terminologie als titel hebben, De vijand. Niet de Russen, maar de Duitsers werden in de tijd waarin het verhaal speelt, de Tweede Wereldoorlog, en in onze contreien nog aldus aangeduid (nu worden de Duitsers geacht onze beste vrienden te zijn), al is net dát, die eenzijdige alomvattendheid van dat etiket, het thema van dit een goeie honderd bladzijden dikke boekje: “‘De vijand’ speelt aan het einde van de oorlog in een dorp bij het Belgisch-Nederlands grensgebied, dat beurtelings door de Duitsers en de Amerikanen wordt bezet en weer heroverd. De hoofdfiguur is een vijftienjarige jongen, die door de oorlog als het ware tussen hamer en aambeeld wordt geplet.”

“(…) tussen hamer en aambeeld”, inderdaad, waarmee meteen wordt aangegeven dat De vijand aan beide kanten kan zitten. Ook aan de Amerikaanse kant, al moet je op dat ‘nieuws’ wachten tot halverwege het boek. Daar, in het laatste hoofdstuk gewijd aan de vier Amerikanen die al vijf weken in een wei nabij het dorp kamperen, ziet het vijftienjarige hoofdpersonage hoe Bea, “een lief meisje met een witrond gezicht en donkere haren, donkerrood eigenlijk”, “even oud als ik, ook vijftien”, waarmee hij is opgegroeid, en waarop hij voorheen verliefd is geworden, het veldbed ingelokt is door een van die Amerikanen. In een van die op het internet circulerende boekbesprekingen las ik dat ze “verkracht” werd, maar daarvan is voor zover ik nog kan lezen geen sprake: “Ik ga naar de tent en trek het zeil opzij voor de ingang. Het is er donker. Een klad licht valt naar binnen en ik hoor Karl ontstemd vloeken. Ik zie het meisje Bea op het veldbed. Haar schoenen liggen op de grond. Er liggen ook nog andere kledingstukken. De regenjas van haar moeder en de kap en nog meer. Haar rok is opgeschort. Ze heeft een heel witte huid. Karl hangt gebogen over haar heen met zijn mager, ongezond lichaam. Haar buik is een zeldzame witte schelp, hij moet zeer zacht zijn, van fluweel. En hij is vooral zeer blank. Een glanzende vlek in het halve duister. Karl maakt een boos gebaar omdat ik zo plots en onverwacht in de opening van de tent sta. Bea wendt het hoofd af. Ik laat het zeil voor de opening vallen. Het is een bliksemschicht geweest, een weerlicht, één ondeelbaar ogenblik. De onsplitsbare kern van de tijd. Nu is het binnen weer donker. Ik heb nog net gezien hoe Karl op haar neerstreek. Behoedzaam en geruisloos als een grote vogel.”

“Maar wie is tenslotte de vijand?”, vraagt de verteller zich op het einde van dat hoofdstuk af. “Iedereen is de vijand en niemand is de vijand. Ik geloof dat vrienden en vijanden aan dezelfde tafel zitten, soms op dezelfde stoel. Misschien zijn wij onze eigen vijand?”

Waarna de helft van het boek komt die aan de Duitse vijand is gewijd. Niet omdat die Duitse vijand de kamperende Amerikanen verjaagt, maar omdat Vandeloo daar een zeer verwarrende kunstgreep heeft uitgehaald, een kunstgreep waarbij geen enkele uitleg voorzien is: de verteller maakt een sprong naar de weken vóór de Amerikanen hun kampement opsloegen, de weken waarin, zoals op de achterflap aangegeven is, de ene keer de Duitsers het terrein beheersten, de andere keer de Amerikanen. Waaróm Vandeloo zo gewerkt heeft, is me in alle eerlijkheid ontgaan. En of die kunstgreep meteen in het verhaal zat of niet, weet ik niet. Resultaat is in ieder geval dat de conclusie die het hoofdpersonage trekt halverwege het boek staat en de lezer hoe dan ook de boodschap meekrijgt dat wat de Duitsers in dat tweede deel doen érger is dan wat die Amerikaan in het eerste deel doet. Wetende dat het tweede deel eindigt met de voorgenomen executie van een aantal mannen, waaronder de vader van het hoofdpersonage, valt daar ook wel iets voor te zeggen, natuurlijk, maar je krijgt de indruk dat Vandeloo de impact van het tweede deel niet wou afzwakken door er chronologisch correct het eerste deel achter te plakken. “Het boek zit vol van innerlijke spanning”, heet het dan op de achterflap, maar misschien was dat een beetje te veel spanning. Of te veel evenwicht, want het grootste part van het tweede deel gaat eigenlijk net over een Duitser die de dorpelingen niet echt als vijand kunnen beschouwen, een soldaat die, in zijn buik geschoten, ligt te creperen, een soldaat die ze wegens de omstandigheden niet kunnen verzorgen terwijl ze dat als mensen wel zouden wíllen, een soldaat die je ook zonder dat hij kansloos lag te lijden niet zomaar als vijand kon beschouwen: “We zaten in een niemandsland. Het was een situatie waar niemand iets van begreep. Door de zakken voor de ingang van de schuilkelder even opzij te trekken, kon ik soms een glimp opvangen van gebogen lopende soldaten, maar je kon bijna nooit zeggen of het vrienden of vijanden waren. Wat ik wel kon zien, was de angst die ze allemaal hadden. Ze waren bang, doodsbenauwd, je kon ze zelfs zien zweten. Ze waren allemaal vreselijk bang voor de dood en misschien nog veel meer voor de verwondingen of verminkingen en de daarbij horende pijn. Ze zagen er niet als helden uit, aan geen van beide kanten. Het waren kleine, angstige mensen die vooruit of achteruit moesten en hun best deden om het er levend af te brengen.”

Misschien is dat wel wat je moet onthouden over ‘de vijand’. En moet je de warrige structuur van het boek er maar bij nemen.

Björn Roose

vrijdag 26 december 2025

Heilige Familie in Nazareth – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)

Heilige Familie in Nazareth – Katharina Van Cauteren (boekbespreking door Björn Roose)
Met deze Heilige Familie in Nazareth, ondertitel Over Diego Quispe Tito (ca. 1611-1681), de kunst van Cuzco, en Antwerpen als Hollywood aan de Schelde, van Katharina Van Cauteren is de Phoebus Focus serie reeds aan haar vijfendertigste deel toe. Is, of beter was, want dit werk verscheen in 2023, en wel als dikste deel in die serie tot op dat moment (op de verdere delen heb ik voorlopig nog geen zicht). Met z’n honderdtweeënnegentig bladzijden mag het zowaar een boek genoemd worden in plaats van een boekje, en overtreft het nog met veertig bladzijden de vorige bijdrage van Van Cauteren aan de serie, Suzanna en de Ouderlingen (nummer XXX), ook al geen dun dingetje in vergelijking met de standaard in de serie, terwijl het meer dan dubbel zo dik is als de eersteling van Van Cauteren in dezelfde serie (nummer V) Het meermonster van Tagua Tagua.

Al heeft het met dat meermonster en die Suzanna wel gemeen dat het, omdat Van Cauteren, vaste inleider van de serie, kennelijk moeilijk zichzelf kan inleiden, van een Voorwoord van de hand van Paul Huvenne, ere-directeur van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, voorzien is. Wat dan weer tot gevolg heeft dat ik minder geneigd ben om te citeren uit dat Voorwoord, want niet iedereen is zo’n begenadigde inleider als Van Cauteren (zie daarvoor mijn besprekingen van de vorige vierendertig edities). Desalniettemin dit: “Grote verzamelingen met Latijns-Amerikaanse kunst zijn, zeker buiten Spanje, schaars in Europa, en nog schaarser wanneer het gaat om schilderijen en sculpturen uit de koloniale tijd. The Phoebus Foundation had van meet af aan een bijzondere belangstelling voor Latijns-Amerikaanse kunst van de twintigste eeuw. Recent werd onder supervisie van dr. Katharina Van Cauteren ook een volledige collectieniche uitgebouwd rond de periode van de onderkoninkrijken. Het is een kweektuin waarin ik Katharina graag zie tuinieren, om haar visie en bevlogen aanpak, en, bovenal: omdat zij hierin als geen ander de synergie onderkent tussen de Antwerpse beeldtaal en de lokale tradities.”

Een béétje Antwerps chauvinisme is er inderdaad altijd wel bij, daar bij The Phoebus Foundation, en dat is inzake het werk van Diego Quispe Tito ook geoorloofd, zelfs al kwam die vanuit zijn geboorte- en sterfplaats San Sebastián del Cuzco nooit naar de stad aan de Scheldemonding afgezakt en begint Van Cauteren haar verhaal met foto’s van een half afgebrande kerk in datzelfde San Sebastián: “16 september 2016. In de kerk van San Sebastián, een buitenwijk van de Peruviaanse stad Cuzco, raakt de ene elektrische draad de andere. Achteraf zal iedereen zich afvragen hoe dat kon gebeuren. Tussen 2008 en 2013 onderging de kerk nog een miljoenenrestauratie. En toch gaat het fout. Werden de leidingen nonchalant geïnstalleerd? Vergat de koster de koffiezet uit te schakelen en raakte die oververhit? (De koffiezet, niet de koster.) Of knaagde een Andesmuis hongerig aan de kabels? Hoe het ook zij: ergens begint iets te smeulen. Om drie uur ‘s nachts wordt pastoor Genaro uit zijn bed getrommeld. Een gemeentelijke bewaker heeft rook gezien, veel rook. Waar rook is, is vuur. De pastoor is meteen klaarwakker. In zijn huis van God ziet hij de hel: het hoofdaltaar staat al in lichterlaaie.” Katharina Van Cauteren , geboren in 1981, “stafchef van de Kanselarij van The Phoebus Foundation”, mag dan al – zie de achterflap – “doctor in de kunstwetenschappen” zijn, ze schrijft ook vlot en zit in haar teksten nooit verlegen om een grap. Ze behoort dus tot die generatie van (kunst)historici die beseffen dat wat je aan het publiek voert niet noodzakelijk gortdroog moet zijn. Iets wat dat publiek, of toch minstens dat minieme deeltje daarvan dat ik als ik wens aan te duiden, weet te waarderen. Iets wat ook geenszins de kwaliteit van het aldus doorgegevene in de weg gaat zitten. Als Van Cauteren het in een van die voor de publicaties in deze serie typische tussenkadertjes in haar titel heeft over De toxic masculinity van de gebroeders Pizarro laat ze ook duidelijk zien dat ze die terminologie niet gebruikt in de zin die er vandaag de dag maar al te vaak aan gegeven wordt: “Te bedenken dat Atahualpa [de god-keizer van de Inca’s, noot van mij] zijn halfzus nog cadeau had gedaan aan Francisco Pizarro. Ze baart hem een zoon en een dochter, die later zal trouwen met Francisco’s halfbroer Hernando. Zelf ziet Francisco nog meer prestige in een alliantie met de piepjonge weduwe van de Incakeizer. Van Cuxirimay Ocllo Yupanqui wordt ze herdoopt tot Doña Angelina – dat bekt makkelijker voor een Spanjaard -, en ze schenkt Pizarro nog twee zonen. Intussen legt broer Gonzalo het aan met de titelvoerende Incakeizerin, die hij ontvoert, verkracht en uiteindelijk gruwelijk om het leven laat brengen. Voor wie zich ooit afvraagt wat toxic masculinity is: denk Pizarro.” Toch heel wat anders dan een portie ongevraagde mansplainingnietwaar?

Maar om terug te komen op dat Antwerps chauvinisme: hoe geraak je van de Spaanse kolonie in Antwerpen? Awel, via de gebroeders Hiëronymus en Johannes Wierix, twee Virtuoze schobbejakken, zonen van Anton I Wierix en broers van Anton (II, zeker?) Wierix. Het zijn zij en een latere zoon van Anton (II) “die een stempel zullen drukken op de kunstgeschiedenis: samen behoren ze tot de meest productieve graveurs van de laatzestiende- en vroegzeventiende-eeuwse Nederlanden. In totaal zijn de gebroeders en hun neefje goed voor niet minder dan 2 333 prenten”. Prenten die met de hulp van religieuze ordes, in eerste instantie de jezuïeten, de markt en het land zouden overspoelen in Peru en daar aldus hun religieuze en kunstzinnige invloed zouden gaan uitoefenen: “In het Incarijk alleen al wordt er gepraat, gegrapt, geruzied en onderhandeld in meer dan zevenhonderd talen die geen Europeaan ooit hoorde. Daar is een bijbelvertaler wel even zoet mee. Maar wacht! Zelfs zevenhonderd vertalers brengen in deze amper zoden aan de dijk, want de indios zijn niet geletterd: hun cultuur is oraal, niet literair. Als ze al iets noteren, doen ze dat niet met letters of woorden, maar met mysterieuze knoopjes in bontgekleurde touwen: de zogenaamde ‘quipu’s’. Gelukkig is de taal van het beeld universeel. Ongedoopte zieltjes bekeren zich bij de vleet bij het zien van de gruwelscènes van het Laatste Oordeel. In de Rhetorica christiana (1579) van de Mexicaanse broeder Diego Valadés is te zien hoe een franciscaan vanaf de preekstoel wijst naar schilderijen met de Passie en de Verrijzenis van Christus. Zo wordt het katholieke geloof de indianen letterlijk ingeprent.” En zo beginnen kunstenaars van hier ook naar daar te trekken, terwijl kunstenaars van daar die van hier beginnen te kopiëren, imiteren, aan te vullen. Kunstenaars van daar, waaronder Don Diego Quispe Tito, inga. Die is meer dan geletterd genoeg om op zijn schilderijen toe te voegen dat hij ze ‘inbenit’ heeft, maar vertaalt toch maar al te vaak “Europese modes naar een Andespubliek”.

Zoals ook andere Europese gewoontes overgeplaatst werden naar Zuid-Amerika. De gilden, bijvoorbeeld: “In Lima is er al een timmermansgilde in 1549, in Santiago de Chili in 1555, en Mexico-Stad volgt in 1557.” Wat dan misschien weer verklaart waarom het schilderij dat in deze Phoebus Focus specifiek besproken wordt, een schilderij waarvan een deel op de cover van dit boek staat, samen met andere in dat thema, “de timmerende Jozef”, “een heus succesnummer” was: houtbewerking bestond in de Andes amper vóór de Europese ongenode gasten aankwamen. “Nooit eerder heeft hij zoveel gezaagd en geschaafd”, schrijft Van Cauteren, “in zijn werkplaats en daarbuiten. En op andere voorstellingen [bijvoorbeeld een exemplaar toegeschreven aan Baltasar de Echave Orio, Christuskind met passie-instrumenten, dat op pagina 123 van dit boek staat, noot van mij] draagt of aanbidt Jezus, de jonge timmerman, het kruis dat hij duidelijk eerst zelf in elkaar zette”. Plus het alaam waarmee hij dat gedaan heeft dus.

Wat Maria op het schilderij van Diego Quispe Tito óók doet: “Want terwijl Jozef in Amerika een nieuwe technologie importeerde uit de oude wereld, wordt de handwerkende Maria toepasselijk naadloos vastgehaakt [let op die schitterende woordspeling, noot van mij] aan een zeer solide, en ook nog eens zeer hoog geachte traditie. Want spinnen, weven, naaien en alles wat daarbij hoort: dat kunnen de Andesvrouwen als geen ander. Ze hebben de techniek naar eigen zeggen geleerd van Mama Ocllo, de zus/vrouw van Cuzco-stichter Manco Capac en daarmee de oermoeder van de Inca-adel. Zij wist al dat spinnen en weven orde brengen in de chaos van de wereld – plukken wol worden draad, draad wordt een weefsel, niets wordt iets. Handwerken, dat is het overdoen van de schepping op microschaal.”

En net – als we de toevoeging van twee moeilijk te definiëren vogels even niet meetellen - in de weergave van het aldus geschapene wijkt Diego Quispe Tito aanzienlijk af van de ets van Hiëronymus Wierix, Jezus helpt Sint-Jozef bij het zagen terwijl Maria spint, waarnaar hij zijn van zo’n vijfenzeventig jaar later daterende Heilige Familie in Nazareth gekonterfeit heeft: “Aan de grijze wereld van Hiëronymus Wierix geeft hij kleur. En niet zo’n beetje. Bij het delicate, van blauwgroene naar blauwgrijze tinten verglijdende berglandschap kan menige noordelijke landschapsschilder enkel goedkeurend staan knikken. De subtiele weergave van de struiken, de nuances in de rotsen: hier is een kunstenaar aan het werk die weet wat bergen zijn. Maar de met toefjes struikgewas begroeide heuvels vormen slechts de fond, want vooraan stelen de sprankelende kleuren de show. Knallend karmozijn en azuurblauw echoën de tijd dat dieprood nog de kleur was van de Incakeizer en zijn familie, en blauw die van de hemel waar de oude goden woonden. Voeg daar goud aan toe, stralend als de zon, en dus de passende kleur voor – andermaal - de Incaheerser als god op aarde. Goud is dus wat ook de nieuwe goddelijke familie nodig heeft. Veel goud. Goud op rokken, broeken en tunieken. Goud, zoals dat in de zeventiende eeuw ook daadwerkelijk wordt ingewerkt in de klederdracht.” “Quispe Tito’s brocateado-techniek blijkt ook figuurlijk een gouden formule. Plots wil zowat heel Cuzco een schilderij met bling. En dus halen kunstenaars over de hele stad hun Midas touch uit de kast. Ze plakken zo enthousiast bladgoud op hun taferelen dat je tot vandaag in een oogopslag ziet: ha, dit werk is gemaakt in het Cuzco van de late zeventiende of vroege achttiende eeuw.”

U merkt het, ik vond dit boek van Katharina Van Cauteren meer dan interessant, maar ik kan u helaas geen inkijkje geven in wat niét tekstueel is: de talloze illustraties. Het schilderij en details daaruit van Diego Quispe Tito, uiteraard, maar ook andere schilderijen van hem en, bijvoorbeeld, werken van Pedro de Vargas, eerdergenoemde Diego Valadés, Jan Van Somer, Guillam I Forchoudt, Simon Pereyns, Diego de la Puente, Gregorio Gamarra, Angelino Medoro, Albrecht Dürer, Alonso López de Herrera, Felipe Guaman Poma de Ayala, Juan de las Roelas, Jacob II De Gheyn, Ignacio Chacón, de familie Wierix (waarvan een hele resem etsen is opgenomen), en een massa ‘onbekende meesters’ die desalniettemin bezienswaardig werk hebben afgeleverd.

“Sommige stukken van deze editie van Phoebus Focus voelden als een thuismatch. Ah, natuurlijk was Antwerpen in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw het artistieke centrum van de wereld. (In Antwerpen denken ze dat dat nog steeds zo is, en niet enkel artistiek.) En wat is het gezellig dollen met Theresia van Ávila [over wie ik het in deze boekbespreking weliswaar niét gehad heb, noot van mij]. Maar hoe”, vraagt Van Cauteren zich af, “schrijf je in deze tijden van culturele appropriatie en koloniale mea culpa’s nog zonder dichtgeknepen billen over kunst die voortkomt uit een beladen bladzijde in de Europese geschiedenis? Mag een Vlaamse kunsthistorica überhaupt nog iets zeggen over een schilderij dat is gemaakt door een kunstenaar die met een voet in de Incatradities stond? Of is het motto ‘eigen kunst eerst’ en moet je het terrein laten aan onderzoekers uit Latijns-Amerika?” Ik onthoud u het antwoord van de schrijfster – u moet het boek zelf maar lezen -, maar antwoord daarop alvast in omgekeerde volgorde met: nee, ja, en – al zijn er ongetwijfeld nog andere mogelijkheden – zoals Katharina Van Cauteren.

Björn Roose


maandag 22 december 2025

Stijloefeningen – Raymond Queneau (boekbespreking door Björn Roose)

Stijloefeningen – Raymond Queneau (boekbespreking door Björn Roose)
“Het deed me denken aan een misvatting die ik hier en daar in onze geesteswereld heb ontmoet”, schreef Gaston Durnez in het stukje Voorwoord, opgenomen in de bundel Sun Corner Bar die ik een tijdje geleden besprak, “en die hierop neerkomt, dat je een boek waar je een voorwoord voor schrijft ook gelezen moet hebben!” Durnez bedoelde dat uiteraard ironisch, maar soms is het zelfs erger dan dat. Soms moet je van een boek alleen maar het voorwoord lezen en je van de rest onthouden.

Zulks is het geval met voorliggend Stijloefeningen van Raymond Queneau, met eenendertig jaar vertraging vertaald van het Frans (de taal waarin het bij Gallimard verscheen in 1947) naar het Nederlands (de taal waarin het bij BBLiterair werd uitgegeven in 1978), al is het mogelijk dat het voorwoord, hier Inleiding genoemd, pas in de vierde druk, uitgegeven bij De Bezige Bij in 1992, door de vertaler, Rudy Kousbroek, werd toegevoegd, want een eerdere druk van dit werkje heb ik niet in handen. ‘In handen’ zijnde gelukkig een toestand waarvoor ik niet moeten betalen heb, want ik leende het honderdzestig bladzijden dikke ding (d.w.z. het dozijn lege exemplaren aan het einde meegerekend) uit de openbare bibliotheek. Omdat het mij wel lollig leek. Toch op basis van de flaptekst: “Queneau zelf schreef in 1947 aan zijn uitgever het volgende pleidooi voor Stijloefeningen: ‘In zijn nieuwe roman, met de hem eigen virtuositeit gewrocht, heeft de beroemde romancier X, aan wie wij al zo veel meesterwerken te danken hebben, ernaar gestreefd de lezer slechts te confronteren met scherp getekende personages, wier handelingen plaatsvinden in een atmosfeer die voor ieder, groot en klein, begrijpelijk is. De intrige nu draait rond de ontmoeting, in een tram, van de held van deze geschiedenis met een tamelijk raadselachtig persoon, die ruzie maakt met de eerste de beste. In de slotepisode zien we hoe dit mysterieuze individu uiterst aandachtig staat te luisteren naar de adviezen van een vriend, meester in het dandyisme. Het geheel geeft een charmante indruk, die de romancier X op zeldzaam gelukkige wijze heeft geciseleerd.”

Als u dacht dat dat als onzin klonk: dat dacht ik eveneens en daarom las ik de rest van de achterflap óók: “Stijloefeningen bestaat uit 99 variaties op die ene gebeurtenis in de tram. ‘Een volstrekt zinloze en onmiskenbaar Queneau-achtige geschiedenis,’ schrijft Rudy Kousbroek in zijn inleiding, waarin hij over Queneau de loftrompet steekt. ‘Soms, vooral wanneer ik weer een of ander nieuw aspect aan hem heb ontdekt, word ik overvallen door de gedachte dat Queneau de incarnatie is van de ideale Schrijver, degene die ‘alles heeft’, die alle gewenste eigenschappen in zich verenigt. In de eerste plaats gevoel voor humor. (…) Queneau’s humor is oorspronkelijk en verrassend – vrolijk als Rabelais maar tegelijk droog en verlegen, herinnerend aan Laurence Sterne of Stan Laurel. (…) De betekenis van Queneau voor de Franse literatuur is groot en vergelijkbaar met die van Céline.”

De waarschuwing van Durnez niét indachtig – de vertaler heeft per slot van rekening het boek wel degelijk gelezen en weet bijgevolg waarover hij het heeft als hij het de hemel in prijst – zette ik me dus aan het lezen. Van die Inleiding waarin Kousbroek “over Queneau de loftrompet steekt” en van de verdere inhoud. Een verdere inhoud waarvan ik me op basis van de Inleiding nog meer voorstelde dan ik me er al van voorstelde op basis van die “99 variaties op die ene gebeurtenis in de tram”. Wat ik vooral niet had moeten doen. Okee, de Flaptekst-variatie was heel erg flapteksterig, de Alexandrijnen waren lollig, de Plat-versie kon niet platter, het laatste bedrijf van het Blijspel maakte het ding helemaal af, Spookachtig deed me sterk denken aan Louis Couperus, Aanroep was een echte aanroeping, Verzamelingen bewees dat Queneau behalve letterkundige inderdaad ook wiskundige was, de Anglicismen, Germanismen en het Afrikaans waren verstaanbaar, maar voor de rest zijn de teksten, en heus niet alleen de laatste onder die titel, zo Gekunsteld dat ze ofwel volkomen onleesbaar waren of al van bij de tweede regel vervelend werden of op de zenuwen gingen werken.

Ja, “Middag werd geweest” aan het begin van Lijdende vorm is grappig, maar daarna is het wel zo’n beetje voorbij met die lol. Ja, tussenwerpsels als “te gek”, “dus” of “kelere” hebben twee zinnetjes lang een enigszins op de lachspieren werkend effect, maar als ze daarna nog gebruikt worden, krijg ik er de wubbekes van. Ja, “(…) daarna liet hij zijn kastanjes in het vuur liggen en hij pootte zich ergens anders neer” klinkt aardig Plantaardig, maar meer hoeft ook weer niet. En ja, “gepakt als sardines / gepakt als sardon / sardon in een tines / sardien in een ton” of “als deze beschrijving / als deze beschon / uw volste accoord heeft / uw accordeon” klinkt goed, maar drieënhalve bladzijde op elke tweede regel een woord dat eindigt op -on is niet gewoon on-zin, maar overbodig.

En dan heb ik het alleen nog maar over een aantal teksten gehad waar je nog wat in herkent en die je bijgevolg al dan niet humoristisch kan vinden (de meeste van die teksten heb ik niet genoemd omdat ze hoogstens slaapverwekkend waren). Variaties als Aphaeresis, Apocope, Syncope, Permutaties met een groeiend aantal letters, Permutaties met een groeiend aantal woorden, Prosthetis, Epenthesis, Paragoge, Methathesis, Kedietje vedielen, A met een aba, Antistrofen, en Tussenwerpsels zijn echter noch humoristisch noch saai, maar alleen letterlijk onleesbaar, en zouden op zijn best één zinnetje lang kunnen dienen als voorbeeld voor de taalkundige afwijking waar ze voor staan.

Dan is die onbewuste taalfout die Kousbroek maakte in Vooringenomen toch veel grappiger: “Na idioot lang te hebben moeten wachten kwam de tram eindelijk de hoek om en remde af bij de halte.” Een taalfout die je anderzijds doet hopen dat het bedroevend lage niveau aan humor van dit boek ligt aan het vertaalwerk. “Al met al”, schrijft Kousbroek immers in zijn Inleiding, “blijft het vertalen van Exercices de Style een onmogelijke opgave”. Met alle begrip dat ik kan opbrengen voor de problemen die hij noemt en die inderdaad niet denkbeeldig zijn, zou ik in ieder geval zeggen dat hij geen moeite had moeten doen.

Björn Roose

vrijdag 19 december 2025

Het menselijk tekort – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)

Het menselijk tekort – Midas Dekkers (boekbespreking door Björn Roose)
Wie mijn boekbesprekingen zo’n beetje volgt, moet er al tegengekomen zijn van werken van Midas Dekkers. In januari 2025 kwam Lichamelijke oefening aan de beurt, in maart 2023 Poot – Verhalen over de hond, in juni 2022 De koeskoes en andere beesten, in mei 2022 De kikvors en andere beesten, en in november 2021 De beste beesten. Allemaal bundels van cursiefjes op Lichamelijke oefening (daterend uit 2006) na, dat je als een zeer uitgebreid essay zou kunnen beschouwen, iets wat ook geldt voor voorliggend Het menselijk tekort.

Menselijke tekorten heb ik natuurlijk in meer dan voldoende mate, maar dankzij een boekenbon die ik van mijn vriendin kreeg voor mijn verjaardag - met boekenbonnen kan u mij altijd plezier doen - kon ik dít menselijk tekort kopen terwijl het nog vers in de boekhandel lag, zijnde in het najaar van 2025. Zonder dat ik zelfs maar naar de achterflap gekeken had, want een boek van Midas Dekkers kan me óók altijd plezier doen. Dat gezegd zijnde, voor de mensen die misschien wél een achterflapaanbeveling nodig hebben: “Is de mens nu nog niet af? Na miljoenen jaren evolutie is er nog steeds veel te wensen over. Survival of the sukkels. En dat is maar goed ook. Onvolmaaktheid is juist onze charme. De verlegen jongeman, het struikelende kind, dat spleetje tussen de tanden stemmen mild. Volmaaktheid is de dood in de pot en behelpen is leven. Wat moet een mens met een ideale schoonzoon? Wat moet de natuur met een ideale soort? Het leven wordt voortgedreven door onvolkomenheden, hoe hard de moderne mens die ook probeert te ontkennen door middel van fitness of botox. Koester ze. Zoals alleen Midas Dekkers dat kan legt hij uit dat het tekort hetgeen is dat ons menselijk maakt.”

Waarmee ík niet gezegd heb dat alleen Midas Dekkers dat kan. Maar misschien kan alleen Midas Dekkers het zoals Midas Dekkers het kan. In hoofdstukken die bijna van oneliners aan mekaar hangen – zóveel citatenmateriaal! -, soms ook oneliners die hij al in andere boeken gebruikt heeft (soms zelfs méér dan oneliners, bijvoorbeeld aan het begin van hoofdstuk 4, Ons eigen ik, als hij het over zijn vroegere ambitie had om vrijgezel te worden), van het ene onderwerp naar het andere fietsend, met veel tongue-in-cheekhumor en een hoger gehalte aan filosofie dan je doorgaans in wel twintig biologen sámen aantreft, er voor zorgend dat je op het einde van die tweehonderdtachtig bladzijden denkt van ‘Verdomme, ‘t is weeral uit…’, al gebied de eerlijkheid ook te melden dat het lettertype in deze uitgave van Atlas Contact een stuk groter is dan het dat was in Lichamelijke oefening (toen nog bij gewoon Contact). Begint de volgend jaar tachtig wordende Dekkers wat last van zijn ogen te krijgen en wil hij zijn lezers, dat ondervindende, ontzien? Wou de uitgeverij een dikker lijkend boek serveren dat toch zo snel zou uit zijn als een exemplaar dat een derde dunner is? Of wou Dekkers de lezer wat tijd besparen zodat die lezer sneller naar een van de boeken van de vele door hem geciteerde auteurs zou kunnen overschakelen? Boeken zoals André Malraux’ uit 1933 daterende La condition humaine, door de Nederlander Edgar du Perron vertaald als Het menselijk tekort, het boek dat Dekkers tot het zijne inspireerde en waarvan hij simpelweg de titel overnam. Of boeken zoals The Human Condition van Hannah Arendt (ja, die titel is wel vaker gebruikt), Liefde’s verbijstering van Belcampo (Herman Pieter Schönfeld Wichers), Kroeglopen van Simon Carmiggelt, Das Unbehagen in der Kultur van Sigmund Freud, Onbehagen van Bas Heijne, Verzen van Willem Kloos, De toverberg van Thomas Mann, Paradise Lost van John Milton, de Essays van Michel de Montaigne, of een van de tientallen andere die hij niet alleen in de tekst noemt, maar – da’s behalve handig ook altijd aangenaam – ook opneemt in de tien bladzijden lange Literatuur-lijst op het einde van dít boek.

Als Dekkers al niet verwijst naar teksten zónder die specifiek te noemen, natuurlijk. In “Steeds doemden wetten op en praktische bezwaren, maar vooral toch blijk je jezelf voor de voeten te lopen”, bijvoorbeeld. Of in “Thuis worden ouden van dagen en jonge kinderen met de televisie in slaap gebracht in natuurprogramma’s vol dromen van onbezoedelde zeeën en eeuwig zingende bossen”. Dat laatste later nog eens in een variante gebracht: “Het bloed spat tegen de takken, eeuwg huilen de bossen.” Ziet u de verwijzingen niet? Dan is dat jammer voor u, maar u zal er ook niet aan dood gaan. En dat gebrek aan achtergrondkennis wordt misschien gecompenseerd met niéuwe achtergrondkennis: “Om het goede binnen en het kwade buiten te houden dient elk paradijs hermetisch van de gewone wereld te zijn afgescheiden. Het is er zelfs de definitie van. In het oud-Perzisch is een paradijs een omwalling, een pairi-daeza – ‘rondom muur’.” Een muur waarbinnen mijn oud-collega Levi zich ettelijke keren per jaar gedurende een dag bewoog, waar ik slechts één keer over geklommen ben (bij wijze van spreken dan, Eric Domb en Marc Coucke), maar die ik nu nooit meer zal vergeten. Om het maar niet al te uitgebreid te hebben over al die zaken waar Dekkers mij, en ongetwijfeld vele andere lezers, zo van het ene onderwerp naar het andere glijdend, aan herinnert: de gulden snede, de Vitruvius-man, de vijg der wijsheid, de doop als symbolische vergeving van de erfzonde (toch bij katholieken), of het essentiële verschil tussen een hemelvaart en een tenhemelopneming, om er maar een paar te noemen: “Als om alle sporen uit te wissen is er op aarde geen enkel overschot van Maria achtergebleven. Zij is met lichaam en ziel van de aarde verdwenen, wat elk jaar op 15 augustus wordt gevierd als Maria-Tenhemelopneming. Geen hemelvaart dus zoals haar zoon, maar een tenhemelopneming, want ze ging niet op eigen kracht. Verschil moet er wezen.”

Nog meer dingen noemen waarover Dekkers het in dit boek heeft, zou essentieel oneerlijk zijn tegenover de auteur. Hij heeft het namelijk over zóveel dingen dat ik er zelfs zal vergeten of wegens de schrik deze boekbespreking te lang te maken niet zal opnoemen waarvan ik in eerste instantie vond dat ze moesten vermeld worden. Ik ga dat dan ook niet doen. En ik ga nu niet eens een truc toepassen (wat ik wel vaker doe) om het stiekem tóch te doen. “Een mens doet wat hij kan”, schrijft Dekkers. “Hij kan praten, maakt gereedschap, zingt zeemansliederen, heerst zo’n beetje over de aarde en peutert in zijn neus als de beste”, maar hij kan ook dingen laten. Zoals Noach had kunnen laten twee exemplaren van de menselijke soort mee aan boord te nemen: “Een ark met 99 procent van de landschepsels aan boord lijkt nog het meest op een ruimgesorteerde insectendoos, maar dan zonder spelden. Samen met de wormpjes en andere kriebelbeestjes vormen ze de ruggengraat van het leven. Zelfs het merendeel van de zoogdieren kan mee. Dat zijn dan vooral knaagdieren zoals muizen. Die zouden het op de ark best naar hun zin hebben. In heel de Bijbel komt geen kat voor. In de dierentuin zou je ze beslist missen, de olifanten, nijlpaarden en neushoorns, maar de natuur draait zonder die grote jongens heus wel door; zonder dino’s en wolharige neushoorns redt ze het ook al een hele tijd. Groot is mooi en veel is lekker, maar je kunt ook overdrijven. In de rij van kandidaten om uit te sterven staan opmerkelijk veel uit hun krachten gegroeiden. Hun grootste vijand zijn zij zelf met hun enorme massa. Daar kunt u van meepraten. Als een van de SUV’s in het dierenrijk gaat een mens onder zichzelf gebukt.” Maar duidelijk nog niet genoeg: “In zijn ongeduld om de tijd naar zijn hand te zetten riep de mens onlangs zijn eigen tijdperk uit: het Antropoceen of Antropozoïcum. Waar Paleozoïcum en Mesozoïcum miljoenen jaren nodig hadden voor je iets wezenlijks zag veranderen meent de mens in een paar eeuwen zijn stempel te kunnen zetten. In zijn eentje. De mens! Die de rest van het leven op aarde amper in de gaten heeft, omdat die met z’n miljoenen zijn, of te snel, of te langzaam, of te groot, of te klein, of al uitgestorven. Hoogmoed. Voor elke mens telt de aarde duizenden schimmels en wieren. Wij kunnen er niet zonder, zij kunnen ons missen als kiespijn. Antropoceen! Laat me niet lachen.”

Ook niet met bijvoorbeeld het feit dat “tot aan de Burgeroorlog [in de Verenigde Staten, noot van mij] (…) daar nauwelijks linker- en rechterschoenen te koop [waren]. De mensen wilden ‘rechte’ schoenen die aan beide voeten pasten. In de oorlog kwamen de soldaten er eindelijk achter dat je voeten spiegelbeelden van elkaar zijn, maar er ging nog een generatie overheen voor de nieuwe ‘kromme’ schoenen algemeen waren.” Of met elritsen, een ook in onze beekjes levende soort karperachtigen: “Om zich tegen zijn vijanden te verweren verzamelt dit visje zich tot grote scholen, die zich als één organisme achter hun leider aan wenden en keren als een spreeuwenvolk. Om dat voor elkaar te krijgen is elk visje heel eenvoudig geprogrammeerd: zwem achter een andere elrits aan. Als iedere elrits die goed bij zijn hoofd is deze order opvolgt handhaaft de school zich als vanzelf. Maar wie zwemt dan voorop? Dat laten de vissen over aan het toeval. Er is er altijd wel een bij die niet goed bij zijn hoofd is. Die zwemt maar wat, met heel de rest er als vanzelf achteraan. Experimenteel is het zelfs mogelijk gebleken een willekeurige elrits door een hersenamputatie tot grote leider te promoveren.” Waaraan Dekkers dan nog toevoegt: “Ik vertel dit verhaal graag als luchtige noot op bedrijfsbijeenkomsten. In de zee van blauwe pakken is de baas van het bedrijf dan duidelijk te herkennen. Dat is die man met dat rode hoofd die zo schaapachtig meegrijnst.” Of, ten slotte met alle mensen, niet alleen de baas: “Chimpansees weigeren ondanks alle aansporingen van taalkundigen te gaan praten. Na een halve eeuw onderzoek weten we nu ook waarom. Apen doen er het zwijgen toe omdat ze niets te zeggen hebben. Mensen hebben niet veel meer in te brengen, maar praten juist om dat te verbergen.”

“Star is dom”, schrijft Dekkers ergens in het laatste hoofdstuk. “Als je elke generatie alleen doet wat je genen je ingeven ben je niet goed wijs. Nieuwe omstandigheden vragen om een nieuwe aanpak. ‘Verzin een list,’ zei Heer Bommel als hij weer eens in de problemen kwam. Daar had hij Tom Poes voor. Die stond dan ook als slim ventje te boek. Maar iets nieuws verzinnen is het grootste probleem niet, het oude loslaten, dat is de kunst. Dat moest Bommel zelf doen. Daar was híj dan weer goed in, omdat hij zo’n sukkelaar is.” Zoals ik dus, een sukkelaar als het op het stoppen met een boekbespreking aankomt. Vooral als het boek alle aanprijzing verdient. Maar goed, niets aan te doen, mijn inkt is op, ik moét wel ophouden.

Björn Roose

maandag 15 december 2025

De Rechten van de Mens – Marten Toonder (boekbespreking door Björn Roose)

De Rechten van de Mens – Marten Toonder (boekbespreking door Björn Roose)
Van Marten Toonder besprak ik in oktober 2022 Het gouden Bommelboek en wie (voornamelijk in Nederland) zou navragen waarvan Toonder (overleden in 2005) het bekendst was, zou ongetwijfeld als antwoord ook voornamelijk Heer Bommel en Tom Poes krijgen. Niet onterecht natuurlijk, want de strips én boeken met dat duo in de hoofdrol waren stuk voor stuk het lezen waard, - voor kinderen omwille van de prentjes, voor volwassenen ook omwille van de filosofie -, al waren (en zijn) ook Panda, Kappie en Koning Hollewijn bekend. Met dien verstande dat die laatste drie series bij momenten quasi volledig door medewerkers van zijn studio verzorgd werden, een fenomeen dat wat Heer Bommel en Tom Poes betreft toch beperkter bleef.

Dat gezegd zijnde: voorliggend De Rechten van de Mens is eigenlijk de derde titel uit de serie rond Koning Hollewijn en verscheen oorspronkelijk, onder de titel De zoekgeraakte rechten, als serie in De Telegraaf van 20 juli 1954 tot en met 7 oktober van datzelfde jaar. Oorspronkelijk, zeg ik, want in 1956 verscheen het verhaal als boek met de titel Koning Hollewijn en de rechten van de mens bij Uitgeverij Van Dishoeck/ De Telegraaf, in 1973 samen met De holle appel en De worteltrekker onder de originele titel bij Uitgeverij Skarabee, in 1998 als De rechten van de mens: een fragment uit het leven van Koning Hollewijn bij Uitgeverij De Vijver, en in 2012 nog eens in samenhang met De holle appel en De worteltrekker maar dit keer onder de dubbele titel De zoekgeraakte rechten/De rechten van de mens bij Uitgeverij Cliché. De versie verschenen in 1998 is degene in mijn bezit en die versie werd, in samenwerking met Amnesty International, gepubliceerd met als reden (of excuus) “de vijftigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens”.

Vanwege dat laatste feit is in deze versie ongetwijfeld ook een Nawoord van “De uitgevers” te vinden, maar gezien dat Nawoord zo boeiend is als de elfendertigste heruitzending van FC De Kampioenen heb ik het verder alleen maar over wat daar aan voorafgaat: koning Hollewijn die tot de vaststelling komt dat de op schrift gestelde mensenrechten van onder de glazen stolp in het paleismuseum zijn verdwenen en dat niemand ze mist. “Koning Hollewijn beseft echter”, aldus de schrijver van de achterflap, “hoe belangrijk mensenrechten zijn, ook al is verder niemand zich daarvan bewust. Hij gaat ze zoeken, omdat hij vindt dat de mensenrechten voor al zijn onderdanen bereikbaar moeten zijn. Zijn speurtocht brengt hem in vele vreemde situaties, maar wordt uiteindelijk beloond, al gebeurt dat anders dan hij zich had voorgesteld.”

Dat die mensenrechten onder een glazen stolp zaten, geeft al wat weg van de humor van Toonder, maar dat doet de rest van het verhaal van meet af aan natuurlijk nog meer: “Het koninklijk paleis te Koudewater is als laatste vorstelijk verblijf uit de twintigste eeuw zeker het aanschouwen waard. Terwijl de fijne fin de siècle-gevel liefelijk uit de hakgrienden opstijgt, herbergt het binnenste menig historisch curiosum. Behalve koning Hollewijn zelf, bewaart men er bijvoorbeeld een echte rijksappel en een scepter, die weliswaar door de regering-Dreutel zijn uitgehold, maar die nog altijd een interessante herinnering vormen aan een langvervlogen tijd.”

Een langvervlogen tijd waaruit ook huisdetective Euvel lijkt te stammen: “Hm, ik heb ze nooit gemist, majesteit. Ik wist eerlijk gezegd niet eens dat er rechten bestonden. Dacht dat er alleen wetten en verordeningen waren (…) Voor ons, van de politie is het toch al geen lolletje. Zou u nou werkelijk die Rechten wel laten opzoeken? Hoe meer rechten de mensen hebben, hoe lastiger ze worden. Laten ze zich aan de wet houden, zeg ik altijd maar, dan hebben ze geen rechten nodig, wat u?”

Een visie waarmee Hollewijn het natuurlijk niet eens is en bediende Plichtpleger al evenmin, maar die laatste dan op een andere manier: “De rechten van de werkende mens zijn door de betreffende vakbonden vastgelegd en nauwkeurig omschreven. Neemt u nu bijvoorbeeld de vakbond voor huispersoneel. Die heeft uitdrukkelijk voorgeschreven dat iedere bediende recht heeft op ten minste twee weken vakantie per jaar, hetgeen weinig is als ik het goed naga. Maar enfin, om verder te gaan: we hebben recht op…”

Een mening waarmee Hollewijn nog maar aan het begin van zijn taalkundige en filosofische lijdensweg is. Bij het ministerie van Financiën wordt hij ei zo na in de boeien geslagen omdat hij een ambtenaar voor rechten en accijnzen zodanig in de war brengt dat die denkt dat de oude man hem komt overvallen. Bij de Bond tot Verheffing der Mensheid blijkt hij bij een troep terechtgekomen te zijn die vooral iedereen die nog niet zover verheven is als zij – lees: de barbaroi in Afrika en Azië – wil opstuwen in de vaart der volkeren en dát een recht vindt van die te verheffenen. De eerste minister vindt dat de Rechten van de Mens overbodig zijn: “Dat is tegenwoordig toch niet meer nodig. De partij zorgt toch voor al die dingen? Wij staan pal voor de belangen van de mens, majesteit! Werkelijk, u moest dit maar aan ons, geschoolde partijleiders, overlaten. Wij zorgen dat iedereen rustig kan slapen.” Dolf Dollemans lacht er eens mee. En de voddenman ziet er brood in, of hij die rechten nu vernietigt, beschermt tegen de nieuwsgierige blikken van de bevolking, of doorgeeft aan anderen om er iets echt nuttigs mee te doen. Iets echt nuttigs zoals ze gebruiken ten voordele van de wapenindustrie, bijvoorbeeld: “Een bedrijf dat zo keurig netjes op de vernietiging is ingericht, is een kenmerk van onze beschaving”.

Hoe koning Hollewijn tussen al die mensen door laveert, daarbij geholpen door zijn bevallige assistente Wiebel Wip, vertel ik u lekker niet – het boek valt ook gewoon als tongue-in-cheek humoristisch avonturenverhaal te genieten -, maar de conclusie van de koning wil ik u toch niet onthouden: “Ik heb ingezien dat drukwerk tot springstof leidt, kindlief. Een recht is iets wat men hééft – en daar heeft men geen boekjes bij nodig.” En omgekeerd, zou ik zeggen: ‘t is niet omdat een recht op papier staat dat je het ook echt hebt. Wie zijn rechten niet zelf kan verdedigen, heeft er simpelweg geen. Ze ‘krijgen’ is onzin.

Björn Roose

vrijdag 12 december 2025

De man die uit de lucht viel – De Spaanse jaren van Léon Degrelle, 1945-1994 – Bert Govaerts (boekbespreking door Björn Roose)

De man die uit de lucht viel – De Spaanse jaren van Léon Degrelle, 1945-1994 – Bert Govaerts (boekbespreking door Björn Roose)
“Bert Govaerts (1952) werkte tot 2015 als documentairemaker voor VRT en schreef eerder veelgeprezen biografieën van o.a. de politicus Albert De Vleeschauwer en de schrijvers Ernest Claes en Marnix Gijsen. Bij Manteau publiceerde hij in 2024 Erfgoed op de vlucht”. Althans, dat is wat ik lees op de achterflap van voorliggend De man die uit de lucht viel, ondertitel De Spaanse jaren van Léon Degrelle, 1945-1994, dat in juni 2025 verscheen bij Manteau/Standaard Uitgeverij.

Niet dat ik daar wat aan heb: ik heb al langer geen tv meer gezien dan Bert Govaerts bij de VRT vertrokken is, keek daarvoor óók al bijzonder weinig, ben (hoe eigenaardig dit in de context van deze bespreking ook klinkt) niet heel erg geïnteresseerd in politieke biografieën, heb er geen staan van Claes of Gijsen (in tegenstelling tot wat geldt voor boeken van hun hand), en volg de uitgaves van Manteau niet echt op de voet. Desalniettemin is dit boek, dat ik leende in de openbare bibliotheek, me ook bevallen zónder aanbeveling.

Ik kende uiteraard de figuur Degrelle – wie de figuur niet kent, zal wellicht weinig aan deze halve biografie hebben, t.t.z. een biografie die grotendeels de eerste negenendertig jaar van ‘s mans leven overslaat -, heb wat primaire literatuur (zie daarover straks meer) van en secundaire literatuur over hem staan (zij het dat ik er nog niet aan toe gekomen ben die te lezen), en kan niet anders dan toegeven dat ik het toch eerder ook al fascinerend vond hoe de oprichter van (Les Éditions de) Rex en Sturmbannführer er in geslaagd was van 8 mei 1945 (de dag dat hij met een aantal anderen in een Heinkel III in de baai van San Sebastián ‘uit de lucht viel’) tot aan zijn dood op 31 maart 1994 (een Witte Donderdag, dixit Govaerts) in Spanje te blijven zónder zich de hele tijd te moeten verbergen, zelfs al nam ik aan wat daar doorgaans kort over verteld wordt: generalisimo Francisco Franco en/of de mensen rondom hem hielden Degrelle de hand boven het hoofd (wat dan onder andere zou te wijten zijn aan het feit dat Degrelle “lidkaart nummer I van de Falange Exterior, de buitenlandorganisatie van de Falange Española” had en de Spanjaarden die nog wilden doorvechten nadat de Divisón Azul teruggeroepen was incorporeerde als een aparte compagnie van zijn Waals Legioen).

Dat laatste wordt bevestigd én tegengesproken in dit ongeveer tweehonderdzeventig bladzijden dikke boek, dat ondanks het feit dat Govaerts voor de VRT heeft gewerkt – geen aanbeveling op dat vlak – toch redelijk objectief aangepakt lijkt te zijn. Al had ik daar enige twijfels over bij de inleiding: “De strapatsen van de Führer uit Bouillon in de Belgische politiek van de jaren dertig, zijn rol in de collaboratie en zijn krijgsverrichtingen als lid van de Wehrmacht en de Waffen-SS zijn allemaal uitvoerig beschreven, onder anderen door hemzelf, in een eindeloze reeks gedenkschriften. Maar het grootste deel van zijn leven, bijna vijftig jaar, leefde Degrelle in Spanje. Zijn Spaanse jaren krijgen doorgaans veel minder aandacht en vaak wordt er, ook door ernstige historici die zich voor zijn ‘Duitse’ jaren grondig documenteerden, zeer slordig over geschreven. Het zijn jaren waarin Degrelle vermoedelijk geen schot meer heeft gelost. Of toch niet op een mens. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het Spaanse grondgebied ook nooit meer verlaten. In de geborgenheid van de Franco-dictatuur kreeg en greep hij kansen als zakenman. Maar zijn oude passies, schrijven en publiceren, lieten hem niet los. Toen zijn beperkte commerciële talent begon te falen gaf hij zich weer helemaal aan het woord.”

Een woordgebruik dat duidelijk laat doorschemeren dat Govaerts geen naoorlogse fan van zijn onderwerp is, zoveel is duidelijk, maar zelfs dan heeft Govaerts wel gelijk als hij het over die weinig gedocumenteerde naoorlogse jaren heeft. Al kan dat ook liggen aan een simpel gebrek aan interesse. Zoals de auteur immers zelf blijft stellen: Degrelle bleef hetzelfde deuntje spelen. Hij evolueerde een héél klein beetje op het politieke vlak, sloot zelfs hier en daar een onverwachte vriendschap, maar zijn zakenleven was niet interessant genoeg om te compenseren voor het feit dat hij eigenlijk alleen ‘interessant’ was omwille van wat hij vertelde over zijn vooroorlogse- en oorlogsjaren en dat blééf doen. Een keer je het daar als biograaf over gehad hebt, voel je misschien niet de behoefte de endless repeat van het verslag ook nog op te volgen. Jean-Marie Frérotte, zoals Degrelle opgegroeid in Bouillon, maar door Govaerts niet genoemd, hield het dan ook in zijn biografie, Léon Degrelle, le dernier fasciste, gepubliceerd in 1987 bij Paul Legrain, bij zo’n vijftien bladzijden over Degrelle in Spanje. Wim Dannau, dixit Govaerts “gespecialiseerd in vulgariserende literatuur over lucht- en ruimtevaart en medewerker van het stripblad Robbedoes”, “de wandelende megafoon van Léon Degrelle”, wiens vraaggesprek met Degrelle in februari 1972 desalniettemin gepubliceerd werd door Knack, heeft het er met de man zo’n vijftig bladzijden over aan het einde van het in 1971 bij Editions De Schorpioen verschenen Degrelle – Face a face avec le Rexisme. Maar Govaerts wint het dus wat die naoorlogse jaren betreft, wat ongetwijfeld ook zijn bedoeling was, want anders had hij zich niet op slechts een déél van het leven van Degrelle geconcentreerd.

Een deel dat wat de handelingen tussen Spanje en belgië betreft leest als een langdurige klucht, een feit waar ik zelf niet al te diep zal op ingaan (anders hoeft u het boek niet meer te lezen), maar waarvan ik u graag dit ene voorbeeld meegeef van meteen na de oorlog: “België en Spanje hebben een uitleveringsverdrag, maar dat verbiedt uitlevering op basis van politieke misdaden. Madrid wil Degrelle daarom niet rechtstreeks aan België uitleveren, maar hem wel als ‘oorlogsmisdadiger’ [wat hij, voor zover het om bewezen feiten gaat, niet was, noot van mij] in de handen geven van vertegenwoordigers van een ‘inter-geallieerde overheid’, die dan zelf mogen beslissen over zijn lot. De Britten en de Amerikanen laten meteen weten dat ze dat niet zien zitten. De term oorlogsmisdadiger is volgens hen alleen van toepassing op onderdanen van de aslanden (Duitsland, Italië en Japan). Dat is een diplomatiek handigheidje om vooral te vermijden dat er een precedent wordt geschapen waardoor ze met nog meer vervelende dossiers worden opgezadeld.”

Maar niet alleen dié handelingen zijn klucht-ig, ook het feit dat stouterd (of fouterd, zoals u wil) Degrelle regelmatig gecensureerd wordt (net zoals documentaires van anderen óver hem dat werden of er minstens gepoogd werd dat te doen, bijvoorbeeld die van Maurice de Wilde), lijkt een slechte grap. Als iemand dan toch zó fout is, als iedere ‘democraat’ (en dat waren er na de Tweede Wereldoorlog in het ‘vrije’ westen plotseling méér dan voordien) het dan toch zo oneens is met wat zo’n figuur te vertellen heeft, waarom zou je hem dan het woord ontnemen? Hij kan toch alleen maar méér aantonen dat hij onzin verkoopt als je hem die onzin laat publiceren? Nee dus, nadat Frankrijk het aldaar verschenen La Campagne de Russie, Degrelle’s eerste boek van na de oorlog “na wat aandringen uit Brussel (…) bij een ministerieel besluit van Binnenlandse Zaken” heeft verboden, en dat ondanks het feit “dat het Belgische gerecht niet is opgetreden tegen het Brusselse weekblad Europe Amérique, dat drie weken aan een stuk uittreksels uit Degrelles boek heeft gepubliceerd”, komt ook “het volgende werkstuk van Degrelle, La Cohue de 1940” onder vuur te liggen. Zelfs nog voor het gepubliceerd is, want “het speelt zich niet af op de Russische steppe, maar in België en Frankrijk en beschrijft onder andere de vlucht van de Belgische regering en haar gedrag in de eerste bezettingsmaanden”. Dit boek verschijnt in 1950 in Zwitserland, waar “zelfs Mein Kampf (…) vrij te koop [is]”, wat weinig kans op een verbod lijkt te geven, maar de belgische regering dringt er met het oog op de op komst zijnde volksraadpleging over de terugkeer van koning Leopold III op aan en… krijgt zijn zin: “De Bondsraad vergadert drie keer over de kwestie, maar raakt er niet uit. De stemmen staken twee keer (drie tegen drie) en de voorzitter wil de knoop niet doorhakken. Maar op 3 juni valt het verdict: La Cohue de 1940 wordt definitief verboden. De Bondsraad heeft het boek laten analyseren door specialisten en laat het uiteindelijk verbieden, niet vanwege de beledigingen die het bevat, maar omdat het ‘staatsgevaarlijk’ is. Degrelle is nog altijd een nationaalsocialist, stelt de Raad en het nationaalsocialisme als beweging is nog niet dood. Daarom moet Zwitserland zich hoeden voor propaganda die de democratie kan aantasten. Sommige Zwitserse volksvertegenwoordigers vinden dat maar een slappe argumentatie.” Wat het inderdaad is. En wat niet verhindert dat van de kleine drieduizend exemplaren die uiteindelijk, voor het verbod in voege ging, van de drukpers rolden er precies 869 exemplaren (aldus Govaerts) “naar België geëxporteerd [zijn]”. “Een bijkomende levering van 1516 exemplaren aan Belgische klanten is door het gerecht verhinderd. In Zwitserland zijn er 478 boeken naar de winkels gegaan. De export naar Frankrijk bedroeg drie exemplaren.” Van die 869 ‘belgische’ exemplaren belandde er in ieder geval, in november 2011, uiteindelijk eentje bij mij. Hoe dat gebeurde, zou ik niet kunnen zeggen. Niet omdat ik dat niet wil, maar omdat ik het gewoon niet meer weet, zoals ik toen niet wist dat het boek illegaal in dit land verbleef. Ik heb het, zoals eerder aangehaald, toen ik het over primaire en secundaire literatuur had, nog niet gelezen, maar het begin ervan is alvast bijzonder: “La grenade qui alluma la Deuxième guerre mondiale roula sur le sol durant la dernière nuit d’août 1939. On eût pu la désamorcer avant cet instant fatal. On eût pu retenir le bras avant la terrible projection. On eût pu encore, à l’ultime seconde, détourner l’explosif vers des champs morts. Non. La guerre était revenu parce qu’elle devait revenir, parce que trop de gavials la désiraient, parce que les hommes sont fous, ont besoin de sang, ont besoin de haine, et trouvent dans les grandes tueries internationales ces exutoires fabuleux où les vertus s’exaltent, où les vices se repaissent, où la vie – Bien ou Mal – peut jaillir vers l’exceptionnel. Dès les premiers remous européens, je fus l’ennemi acharné de cette guerre.” Mijn excuses als dat Chinees voor u is, maar in dit geval: pour les Flamands, la même chose, want ik ben te lui om zelfs maar een poging te ondernemen om dat in even mooi Nederlands te vertalen. Los van het feit dat deze boekbespreking dan natuurlijk weeral een stuk langer wordt.

Voor de rest houd ik het dus maar bij een paar bijzonderheden. De manier waarop Govaerts de feiten rond Otto Skorzeny, de man die Benito Mussolini uit zijn gevangenis in het hotel Campo Imperatori in de Abruzzen bevrijdde, weergeeft, bijvoorbeeld: “volgens sommigen de ‘ontvoering’”, “hoewel hij daarbij alleen een ondergeschikte, misschien zelfs hinderlijke rol heeft gespeeld”, iets wat bij mijn weten niet klopt, in tegenstelling wellicht tot wat Govaerts een aantal bladzijden later weet te zeggen over het op 9 oktober 1969 plaatsvindende huwelijk tussen de jongste dochter van Degrelle, Marie-Christine, en José Ramón Hervella Novoa: daarbij aanwezig als huwelijksgetuige was Skorzeny, van wie ik begin 2022 overigens de autobiografie LEBE gefährlich besprak. Iets wat ik me zonder probleem herinnerde en me op volgende verwijzing naar voormalig Nederlands eerste minister en desondanks NAVO-baas geworden Mark Rutte brengt: “Martin-Arajo blijkt geen actieve herinnering aan zijn belofte te hebben en zijn archief is ook niet op orde.” Iets wat dan weer niet geldt voor Albert Mélot, “rechter bij de rechtbank van eerste aanleg in Namen”, “veteraan van het Belgische verzet en een reserveofficier, die nog geregeld deelneemt aan militaire oefeningen van de paracommando’s”. Die haalt het in zijn hoofd Degrelle te ontvoeren, meldt dat ook netjes aan de belgische ambassade in Madrid, en wordt daar dringend geadviseerd dat niet te doen (anderen zouden niet om advies vragen, maar desondanks niet slagen): “Mélot zal later nog veel journalisten gelukkig maken met het relaas van zijn ontvoeringsplannen, maar na zijn bezoek aan de ambassade bergt hij ze op.” Of Jaime, de jongere broer van Fabiola, in 1960 aan het publiek voorgesteld als de verloofde van de belze koning Boudewijn, veel journalisten gelukkig maakte, is me niet bekend, maar roddels bereikten af en toe wel de pers. Of tot die roddels ook deze behoord heeft, weet ik helaas al evenmin: “Jaime behoorde volgens Degrelle tot de vriendelijke soldaten die hem in het militair hospitaal van San Sebastián zonder veel ijver bewaakten.” Een verklaring voor het feit dat hij later nog vaker in diens gezelschap verkeerde: op de receptie na het huwelijk van zijn jongste dochter “daagt ook Jaime de Mora y Aragón op, broer van koningin Fabiola, derdeplansacteur en ster van het mondaine uitgaansleven in Marbella, waar hij net een dure nachtclub heeft geopend. Jaime lijkt revanche te willen nemen op zijn zuster, die er in 1960 voor heeft gezorgd dat hij niet naar Brussel mocht komen voor haar bruiloft.”

Over Tintin, mon copain, het boek dat er pas na zijn dood kwam, heb ik het verder niet – volgens Govaerts kan het onmogelijk “volledig van hem” zijn -, maar u vindt het onder andere hier gratis als pdf, net als het eerder genoemde La Cohue de 1940, trouwens, en La Campagne de Russie. Plus een hele hoop ander werk in allerhande talen over of door Degrelle. Wat maar mooi bewijst dat er dan wel monsters als Chat Control, Moneycontrol, enzovoort bestaan, maar dat het met censuur en het internet voorlopig nog niet zo goed wil lukken. Een boek is per slot van rekening geen hoop as die je de grens over wil brengen: “Brussel maakt zich”, na het overlijden van Degrelle, “zorgen over het stoffelijk overschot. Als dat naar België wordt gebracht, kan dat onrust veroorzaken. Het graf kan een bedevaartsoord worden, maar misschien brengt het ook wel antifascisten op gekke, rustverstorende ideeën. Dus wil Brussel om te beginnen precies weten wat er met het lichaam is gebeurd. Kanselier W. Mertens wordt uitgestuurd en hij meldt op 8 april dat het lichaam van Léon Degrelle gecremeerd is in opdracht van de begrafenisonderneming La Soledad in Málaga. ‘De as werd in ontvangst genomen door een schoonzoon. Alle verdere informatie werd uitdrukkelijk geweigerd.’” Wat uiteindelijk leidt tot het hilarische koninklijk besluit van Louis ‘Uw sociale zekerheid’ Tobback: “In overweging nemend dat de aanwezigheid op het Belgisch grondgebied van het stoffelijk overschot van Léon Degrelle ontegensprekelijk van aard is om verstoringen van de openbare orde uit te lokken… wordt het zonder meer verboden om die resten over de grens te brengen. Wie het toch doet kan bestraft worden met een gevangenisstraf van acht tot veertien dagen.”

Victi invictus victuri stond op het ‘doodsprentje’ van Léon Degrelle, “de verslagenen zullen zegevieren”. Of een deel van zijn assen alsnog, zoals de geruchten toch al lang gaan, uitgestrooid werden bij Le Tombeau du Géant in Bouillon, weet ik niet met zekerheid (hoewel een over het algemeen wat Franstalig radicaal-rechts aanging goed geïnformeerde voormalige collega van me dat zo’n vijfentwintig jaar geleden voor absoluut waar verkocht), maar de ‘verslagen’ Degrelle zegevierde met het gedoe dat rond zijn assen ontstond in ieder geval nog een laatste keer over het circus dat ‘belgië’ heet. Een circus waarin onder andere de clowns Willy Claes en zijn socialistische partijgenoot Frank Vandenbroucke, beiden niet vies van enig smeergeld, later nog optreden in een act gewijd aan het geld dat het naar eigen zeggen nog moest krijgen van Degrelle. Hun partijgenoot Erik Derycke – voor zover ik weet niét corrupt – kreeg van het ministerie van Financiën nog onder zijn voeten omdat hij niet genoeg moeite deed, maar de overnemers van de tent kapten er later uiteindelijk helemaal mee: “In de zomer van 1999 is er in België een nieuwe regering aangetreden: de paarse regering-Verhofstadt I, met de Franstalige liberalen Louis Michel en Didier Reynders op respectievelijk Buitenlandse zaken en Financiën. Het is Reynders die de zoektocht naar de erfenis van Léon Degrelle definitief heeft stilgelegd.” Misschien was hij ook toén al meer geïnteresseerd in het vullen van zijn eigen zakken, dan in het vullen van de staatskas? Geen idee, maar het opgeven van die onzin sierde hem meer dan de uitgebreide, als appendix toegevoegde, uithalen van de auteur naar de werken van Jonathan Littell en Bruno Cheyns, respectievelijk Het droge en het vochtige. Een korte verkenning op fascistisch grondgebied uit 2009 en Léon Degrelle. De Führer uit Bouillon, Bert Govaerts sieren. Die kleinzieligheid draagt niet bij aan de kwaliteit van De man die uit de lucht viel en had dus beter kunnen nagelaten worden. Manteau had die twee appendixen dan wel niet moeten wegcensureren, maar het opnemen ervan aan de auteur moeten afraden...

Björn Roose

maandag 8 december 2025

Fantastische verhalen 1905-1921 - H.P. Lovecraft (boekbespreking door Björn Roose)

Fantastische verhalen 1905-1921 - H.P. Lovecraft (boekbespreking door Björn Roose)
Het is kennelijk al van januari 2024 geleden dat ik nog een bespreking gepubliceerd heb van een boek van Howard Phillips, ofte H.P., Lovecraft, maar dat is slechts te wijten aan het feit dat ik van de auteur in kwestie alleen dat ene boek in mijn boekenkasten had staan, te weten Het gefluister in de duisternis. Had en héb staan, eerlijk gezegd, want voorliggend Fantastische verhalen, 1905-1921 (verschenen bij Uitgeverij IJzer in 2021) heb ik geleend uit de openbare bibliotheek. Een feit dat enerzijds te danken is aan het gegeven dat ik nooit boeken van Lovecraft tegenkom in kringwinkels of uitverkopen van bibliotheken (nog steeds mijn voornaamste bronnen wat aanwinsten betreft), en anderzijds aan het gegeven dat mijn vriendin het boek zien staan had in de bib. Zij leende het, vond het na een paar verhalen gelezen te hebben maar niks; ik leende het, vond het als geheel groots.

Wat kan liggen aan het goed lezen van de inleiding van vertaler Ivo Gay. Die heeft namelijk niet alleen als vertaler zeer goed werk geleverd – ongetwijfeld niet eenvoudig gezien Lovecrafts nogal barokke stijl -, maar ook als inleider, een feit waarop ik ook al wees in mijn bespreking van Hubert Lampo’s De zwanen vanStonehenge, zelfs al begint Gay die inleiding met het voorspelbare: “De bewering dat Howard Phillips Lovecraft (1890-1937) een merkwaardige man was, is een understatement; hij was een hoogst merkwaardige man en dat in alle opzichten.” In plaats van een soort minibiografie van die “hoogst merkwaardige man” te schrijven – iets wat ook op de twintig bladzijden die het Woord vooraf inneemt mogelijk was geweest -, beperkt Gay zich namelijk tot dát deel van Lovecrafts leven waarbinnen ook die “eerste negenentwintig fantastische verhalen” zijn geschreven. De achtergrond waartegen die geschreven zijn, hoe ze tot stand kwamen, waar ze gepubliceerd werden (als ze dat al werden), dat soort door Gay meegegeven dingen zorgen ervoor dat de lezer niet alleen uit de verhalen de innerlijke wereld van Lovecraft ziet ontstaan, maar ook uit het leven van de man die ze schreef de uiterlijke wereld waarbinnen/waardoor ze ontstonden. En je kan wel zeggen dat dat laatste er niet echt toe doet – iets waarover je dan ongetwijfeld nog gelijk hebt ook -, maar hoe fantastisch de verhalen van Lovecraft ook zijn, je voelt dat de auteur zélf aanwezig is in zijn hoofdpersonages. Waardoor meer weten over de auteur ook meer weten over de hoofdpersonages betekent.

Maar dat is niet echt waarnaar ik verwees toen ik het had over “het goed lezen van de inleiding”. Waar ik het wel over had, is het feit dat je in die inleiding kan vernemen dat Lovecraft aan het eerste verhaal in deze bundel, Het beest in de grot, begon in de lente van 1904 en het voltooide op 21 april 1905. Lovecraft schreef het verhaal dus van toen hij nog geen veertien was tot toen hij dat al een half jaar was. Hij schreef toen al langere tijd “populair-wetenschappelijke artikelen, die soms in lokale kranten werden opgenomen” en had zich vóór zijn achtste (toen hij Edgar Allan Poe ontdekte en tot de conclusie kwam dat hij er eigenlijk niks van bakte) al wel eens vergrepen aan poëzie en kortverhalen, maar behalve aan het behoorlijk voorspelbare einde van het verhaal valt die onervarenheid met het schrijven van fictie nergens aan te merken. En, eerlijk is eerlijk, er zijn ook hopen volwassen auteurs wiens kortverhalen op zeer voorspelbare manier eindigen. “‘Het beest in de grot’”, zo schrijft Gay, “is (…) het eerste verhaal van Lovecraft dat een duidelijke overeenkomst vertoont met zijn latere werk; hij had zijn idioom gevonden, hij moest het alleen nog verfijnen.” Iets waarvoor hij de tijd nam: De alchemist, het tweede verhaal uit deze bundel, schreef hij pas in 1908, dus drie jaar later, en Het graf, het derde verhaal, zag pas in juni 1917 het licht. Tussendoor werd hij amateurjournalist, nam hij functies op in organisaties ván amateurjournalisten, stichtte hij een eigen blad, The Conservative, en nam hij positie in in een aantal debatten die toen de wereld teisterden. Positie die hem volgens Gay tot een racist maakte, iets waarvan – als je verhalen van (meer dan) een eeuw geleden per se door een hedendaagse moralistische bril wil bekijken – hier en daar wel iets terug te vinden is in dit boek, maar dat hem “ondanks zijn antisemitisme” niet belette een jodin te huwen en joodse vrienden te hebben. Wat dan weer “weinig af [doet] aan de verwerpelijke standpunten die hij vaak innam”, dixit Gay, maar volgens mij vooral in de benadering van de biograaf toont wélk feit die het belangrijkste vindt.

Enfin, vanaf 1917 begon Lovecraft dus weer proza te schrijven, iets waarmee hij pas in 1935, twee jaar voor zijn dood, ophield, maar waarover Gay het maar tot in 1921 heeft. Althans, dat zegt de titel, maar dat klopt niet met de inhoud. Het negenentwintigste verhaal in deze bundel, Herbert West – Reanimator, is er namelijk zes, en werd in serie gepubliceerd in het blad Home Brew van februari tot en met juli 1922. Maar misschien volgde er toen wat minder goed werk van Lovecraft, want die zes-in-één hadden wat mij betreft niet in dit boek moeten opgenomen worden. De auteur begint elk van die zes verhalen namelijk met een, uiteraard steeds langer wordende, samenvatting van de vorige, en eigenlijk had het hele zootje in plaats van veertig bladzijden maar tien bladzijden mogen beslaan. Voor een variant op Frankenstein, zij het met veel meer aandacht voor een aantal ‘wetenschappelijke’ details en beduidend minder filosofische diepgang, was dat sowieso wel genoeg geweest. En dat nog los van het feit dat deze zes verhalen niet in het universum van Lovecraft passen, een universum dat je geleidelijk ziet opgebouwd worden vanaf Het beest in de grot tot en met De muziek van Erich Zann, het verhaal voorafgaand aan Herbert West – Reanimator. Een universum waarin Lovecraft – of toch zijn ik-personage (want bijna alle verhalen zijn verteld vanuit een ik-personage, zij het telkens een ander) – iedere keer in de eerste paragraaf van een verhaal al resoluut binnenstapt. In Het beest in de grot: “De vreselijke conclusie die zich geleidelijk aan mijn verwarde en weifelende geest had opgedrongen, was nu een afschuwelijke zekerheid. Ik was verdwaald, volkomen en hopeloos verdwaald in een enorme, labyrintische uithoek van de Mammoetgrot.” In De alchemist: “Hoog verheven, de grazige top bekronend van een hoog oprijzende heuvel wiens flanken aan de voet bebost zijn met de knoestige bomen van het ongerepte woud, staat het oude kasteel van mijn voorvaderen. Eeuwenlang hebben zijn hoge tinnen dreigend neergekeken op het woeste, ruige land eromheen en diende het als thuis en burcht voor het trotse geslacht waarvan de eervolle stamboom ouder is dan de met mos begroeide kasteelmuren.” In Het graf: “Terwijl ik vertel over de omstandigheden die leidden tot mijn opsluiting in dit krankzinnigengesticht, ben ik me ervan bewust dat mijn huidige situatie een voor de hand liggende twijfel kan doen rijzen over de echtheid van mijn verhaal.” Geen gezapige inleiding, geen voorzichtig aanloopje, neen, meteen les pieds dans le plat, hupsakee, het zijn kortverhalen, we gaan geen tijd verliezen. Toen ik me zelf nog wel eens aan een kortverhaal waagde, deed ik het net zo (maar dan minder goed). Ik kan die stijl dus wel waarderen.

Maar latere verhalen als De lokroep van Cthulhu en De bergen van waanzin gelezen hebbende, is het ook een werkelijk plezier om in de in Fantastische verhalen 1905-1921 opgenomen exemplaren geleidelijk de elementen te zien opduiken die in die latere verhalen een steeds belangrijker rol gaan spelen. In Het graf, waarin de verwijzing naar Robert Louis Stevensons Dr. Jekyll en Mr. Hyde trouwens nauwelijks verborgen is, bijvoorbeeld al de “oude en weinig bekende boeken”, die geleidelijk – in andere verhalen – evolueren van bestaande, bijvoorbeeld Paradise Lost van John Milton en “het zeldzame verslag van Pigafetta over de Congo, in het Latijn geschreven naar de notities van de zeeman Lopez en in 1598 in Frankfurt gedrukt” (in De afbeelding in het huis), naar onbestaande als “het duivelse boek dat hem naar zijn einde voerde – het boek dat hij in zijn binnenzak bij zich droeg toen hij verdween - (…) in karakters geschreven die ik nooit tevoren had gezien”, de “zinnen van Alhazred, de waanzinnige Arabier”, of de Pnakotische Manuscripten. In De doem die over Sarnath kwam later telkens weer opduikende steden als het genoemde Sarnath, maar ook Ib, Kadatheron, Ilarnek en Thraa, en een voorloper van de in deze bundel nog niet (met uitzondering van in De andere goden en Nyarlathotep) voluit aanwezige maar in het latere werk schering en inslag zijnde oude goden, “Bokrug, de grote waterhagedis”. In Feiten over wijlen Arthur Jermyn en zijn familie geheimzinnige voorwerpen, in dit geval uiteindelijk nog wel geduid, maar in latere verhalen dikwijls geheimzinnig blijvend tot voorbij de afloop van het verhaal. Tempels onder water (in De Tempel), tempels onder de grond (in De stad zonder naam), tempels op eilanden (in Het maanmoeras). Mythisch-Grieks aandoende verhalen in mythisch-onbestemd aandoende landschappen (in Celephaïs, in De queeste van Iranon, in De boom). En uiteraard, van meet af aan eigenlijk, de toon van wetenschappelijkheid (op zijn sterktst in Van daarginds), het getuigenis afleggen, de universiteit van Miskatonic.

En dan zitten er tussen dat alles in ook nog pareltjes als De Straat. Niet ‘typisch’ Lovecraft, er zit weinig ‘fantastisch’ aan, zou ik zeggen, maar deze levensgeschiedenis van een straat lijkt een verre voorloper van Dropsie Avenue, Will Eisners uit 1995 daterende graphic novel. Of De verschrikkelijke oude man, een verhaal waarvan je de clou kent van zodra je de naam “Peters” gelezen hebt, maar dat ook al een voorloper van een aantal verhalen van Eisner lijkt (net zoals De katten van Ulthar dat zou kunnen zijn, overigens), zelfs al krijg je bij het ingeven van de namen Eisner en Lovecraft vanwege meneer of mevrouw AI meteen de respons dat er geen verband is tussen de twee.

Edoch, niet geklaagd daarover, voor een veelvraterige lezer als ik is het sowieso leuk tot dat soort verbanden te komen, terwijl ook de verbanden tussen de in deze bundel opgenomen verhalen onderling en tussen deze verhalen en de latere zoals gezegd niet te miskennen vallen. En ook los daarvan: als u in acht neemt dat de eerste paar verhalen op zeer jeugdige leeftijd zijn geschreven en u bereid bent zich enigszins te laten betoveren door Lovecraft, die – zoals ik ook al meegaf in mijn bespreking van Gefluister in de duisternis – nooit echt moeite lijkt te doen om de lezer helemaal binnen te slepen in het verhaal, dan vormt deze bundel een meer dan mooie inleiding tot het latere werk van de auteur.

Björn Roose

vrijdag 5 december 2025

De belofte – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)

De belofte – Leen Wuyts (boekbespreking door Björn Roose)
Even dacht ik geluk te hebben: bij het opzoeken van de naam Leen Wuyts, de naam dus van de auteur van voorliggend in 1990 bij De Clauwaert verschenen kortverhaal (een goeie zeventig bladzijden) De belofte, vond ik zowaar een Wikipedia-artikel. Beter dan niks, maar toch niet echt: hoewel de Leen Wuyts aan wie het lemma op Wikipedia is gewijd ook geboren werd in 1950 in het Antwerpse, was dat in Berchem en niet in Wijnegem. En dat de schrijfster ook speerwerpster zou geweest zijn, of de speerwerpster ook schrijfster, vind ik niet meteen terug. Laat ons voor de biografie van de schrijfster dus maar afgaan op wat op de achterflap vermeld staat: “Leen Wuyts (Wijnegem, 1950) is werkzaam op de juridische dienst van het ministerie van Onderwijs. Naast filmscenario’s, o.a. voor de tv-film Mijn papa, mama (1990), schreef ze drie prozawerken waaronder de novelle Morgen wellicht (De Clauwaert, 1983)”. Toevallig heb ik dat laatste boekje óók nog liggen en op de achterflap dáárvan staat dat ze geboren werd “in de winter van 1950”. Tenzij iemand 20 maart, de geboortedatum van de speerwerpster, nog zou beschouwen als “de winter”, mogen we er dus effectief van uit gaan dat de schrijfster niet de atlete is.

Waarmee ik dan ook alles gezegd heb wat ik te weten kwam over die schrijfster. Zelfs op plaatsen die doorgaans een goede bron van info blijken met betrekking tot Vlaamse schrijvers, bijvoorbeeld Schrijversgewijs en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, kom ik verder niks te weten, al zijn er op die laatste pagina wel een paar verwijzingen te vinden naar tijdschriften waarin anderen, waaronder Dries Janssen (van wie ik in maart 2025 Weekend in augustus besprak), het over Leen Wuyts (de schrijfster) hebben. Maar die tijdschriften bevinden zich niet in mijn bezit. Wat ook niet zo heel erg is, want De belofte vond ik, net zoals het leeuwendeel van de in de serie Novellenbibliotheek verschenen boekjes, noch een belofte noch een vervulling daarvan.

Waarom? Omdat dit ook weer zo’n voor De Clauwaert typisch dramaatje is, een trieste tranche de vie, een rit van diep in de put naar – nu ja, dat houd ik voor mezelf. “Myriam is een jonge vrouw die als kind de dood van haar vader niet heeft kunnen verwerken”, luidt het over die rit op de achterflap. “Zij blijft nog steeds op hem wachten en op wat hij beloofde: de vrijheid voluit te leven en gelukkig te zijn. Niemand heeft echt hart voor haar verdriet, verlangens en angst. Ze sluit zich meer en meer op in een eigen, intense ervaringswereld. Tot Myriam bij Walter voldoende vertrouwen vindt om los te komen van het verleden. Maar zij heeft tijd nodig, heel veel tijd. En die wordt haar niet gegund. Niet door haar possessieve moeder, niet door haar vrienden en niet door Walter. Ook hij zal de belofte niet inlossen. Er blijft nog één vluchtweg…” “De belofte is een krachtige novelle met een sublieme sfeerschepping die bijblijft”, heet het dan, maar voor mij is het gewoon weer luisteren naar dat meisje aan de toog dat mij zo’n vijfendertig jaar geleden half zat vertelde hoe zielig haar leven wel was. En bleef vertellen. Tot ik lachte waar ik niet mocht lachen. Omdat ik door de luide muziek de helft niet hoorde van wat ze te vertellen had en ook niet echt geïnteresseerd was in wat ze te vertellen had. Een excuus – dat van die luide muziek – dat ik bij het lezen van een boek uiteraard niet kan aangrijpen, maar ik neem aan dat de intussen vijfenzeventig jaar oude schrijfster (als ze nog onder de levenden is) ook niet zo kwaad zal worden als dat meisje als ik ná het lezen van het hele verhaal zeg dat die zielepoterij bij mij vooral een sfeer schept die leidt tot het stante pede naar de zolder verbannen van het boek in kwestie.

Maar goed, u heeft toch wel recht op een citaatje úit dat boek. Eentje waarin genaamde Myriam in Walter haar vader terugvindt dan maar: “Ze zwijgt, slaat de deken als een schulp om zich heen. Walter gaat naar het raam, kijkt de straat op, sluit de gordijnen. En dan herkent ze de man. De beweging van zijn arm, de kracht van zijn lichaam. Op hem heeft zij gewacht. En er is geen vrees meer, geen benauwdheid om zijn woorden. Vliezen breken stuk en soepel vormen haar lippen dagen en uren tot een keten van woorden, een verhaal. Hij zet zich bij haar, hij luistert, hij kijkt. Vertellend drinkt ze gulzig zijn aandacht. Zo zij wil kan zij hem aanraken. En zij geniet als had hij haar opgesloten in zijn armen. Ze praat en praat tot ze gelooft in de leugen, het geluk.” Dat die “leugen” een bladzijde verder een leugen blijkt, spreekt voor zich.

Björn Roose

woensdag 3 december 2025

De magiër – John Fowles (boekbespreking door Björn Roose)

De magiër – John Fowles (boekbespreking door Björn Roose)
Ik denk dat het van in het begin van mijn studententijd, een begin dat intussen zo’n vijfendertig jaar achter ons ligt, geleden was dat ik voor het eerst De magiër (in het Engels The Magus) van John Fowles las. Veel van het boek was doorheen al die jaren niet bij me blijven hangen, tenzij dan dat ik de sfeer van dit in 1965 verschenen werk fantastisch vond. Reden genoeg in ieder geval om toen ik het boek ergens aan het einde van 2011 in een kringwinkel tegenkwam het ook te kopen (de eerste keer dat ik het las, had ik het geleend uit de bib).

Waarna het… bijna veertien jaar in mijn boekenkasten bleef staan vooraleer ik het opnieuw ter hand nam. Iets waar ik al een tijdje aan dacht, maar wat definitief een beslissing werd toen ik Hubert Lampo’s De zwanen van Stonehenge las, al had het feit dat Lampo het boek duidelijk óók graag las daar weinig mee te maken. Als het al hetzelfde boek was. Immers, Lampo’s De zwanen van Stonehenge dateert van 1972 en werd voor zover ik weet niet herzien, terwijl dat voor De magiër wél zo was. Lampo las dus de versie van 1965, terwijl ik de in 1977 herziene versie las, het product van een vanaf 1965 voortdurend verder werken aan het in dat jaar op de markt gebrachte boek.

Nu, was die sfeer inderdaad fantastisch? Ja, zowel in de algemeen aangenomen zin als in die van de literatuur waarover ook Lampo het heeft en die eveneens gebruikt wordt in de titel van het boek dat ik ná De magiër ga bespreken: Fantastische verhalen 1905-1921 van H.P. Lovecraft. Of toch ten dele wat die eerste zin betreft. Aan het einde van hoofdstuk 55, en daarmee op pagina 376 van mijn bij A.W. Bruna & Zoon uitgegeven editie, lijk je potentieel ook aan het einde van het boek uitgekomen. Als Fowles het dáár had afgekapt, dan zou het als geheel fantastisch, in beide zinnen van het woord, geweest zijn. Zelfs al zou de laatste zin van dat boek, zoals de laatste zin van genoemd hoofdstuk, “Ik zei: ‘Straks.’” geweest zijn, dan had dit hoofdstuk als einde perfect gewerkt.

Alleen ís dat hoofdstuk dus niet het einde. Na dat hoofdstuk volgen er nog drieëntwintig, verspreid over honderdvijfentachtig bladzijden, waarin het “maskerspel” ronduit gemeen wordt, zo gemeen en zo tot het telkens weer in kringetjes draaien van het hoofdpersonage leidend dat ik af en toe de gedachte niet kon onderdrukken dat het nu toch wel welletjes was. Als De magiër een horrorfilm was geweest, was de Freddy Krueger of de Chucky van dienst minstens vijf keer weer opgestaan binnen dezelfde film. Een beetje ergerlijk, hoe goed het verhaal als geheel, dus inclusief die laatste honderdvijfentachtig bladzijden, ook in mekaar mag zitten, zeker als je op het einde – wat ik uiteraard vergeten was – als lezer alsnog op je honger blijft zitten. Vijfhonderdzestig bladzijden lezen om dan uiteindelijk niét te vernemen of de hoofdrolspeler zijn lief, Alison, terugkrijgt, iets wat in die laatste honderdvijfentachtig bladzijden nota bene de rode draad van het verhaal vormt, dat is van het ‘goede’ te veel. En niet alleen voor mij, zo blijkt, want Fowles (overleden in 2005 en verder overigens ook bekend van The French Lieutenant’s Woman) kreeg hopen brieven van lezers die wilden weten welke van de twee mogelijke uitkomsten nu de correcte was. Een vraag waarop hij de ene keer weigerde te antwoorden, de andere keer, à la tête du client, zus zei, en weer een andere keer zo.

Het is echter niet mijn bedoeling u het leesplezier vóór die niet-ontknoping af te nemen, want dat plezier is er wel degelijk, en ik herinner me dat ik als jongeman een beetje jaloers was op Nicholas Urfe, de hoofdrolspeler, die toch zo’n ingewikkelde maar niettemin voor zijn psychische zelf (of hoe noem je dat?) leerzame dingen meemaakte. Meemaakte zonder daar zelf veel inspraak in te hebben (“Bang, maar gefascineerd; eigenlijk niet eens wensend dat het niet gebeurd was”), want als Urfe, bijna tot op het laatst, iets niet heeft, is het dat wel. Terwijl hij aan het begin van het verhaal nog de wereld in zijn handen lijkt te hebben, of dat toch van zichzelf denkt. Zijn streven om de touwtjes weer in handen te krijgen, tegenover het feit dat iemand anders zijn touwtjes in handen heeft, is dan ook precies wat de dynamiek uitmaakt van dit verhaal – dat zich grotendeels op het niet bestaande Griekse eiland Phraxos afspeelt, een eiland waarover desalniettemin massa’s mensen geschreven hebben, iets wat slechts één onderdeel is van de cultus die nog steeds rond het boek bestaat. Een cultus waarin het enige doorgangsritueel het lezen van De magiër is, in tegenstelling tot wat geldt voor het meemaken ervan.

We shall not cease from exploration / And the end of all our exploring / Will be to arrive where we started / And know the place for the first time”, citeert Fowles uit Little Gidding van T.S. Eliot en dat, dat onderzoeken om telkens weer op dezelfde plaats, bij zichzelf, uit te komen, en zichzelf te leren kennen, is inderdaad wat Nicholas Urfe de hele tijd doet, al moet hij daartoe een beetje heel erg gedwongen worden. “In ieder leven komt op een gegeven ogenblik een soort van steunpunt”, zegt Maurice Conchis, de ‘magiër’ uit de titel. “Op dat moment moet je jezelf accepteren. Het gaat er niet langer om wat je zult worden. Het gaat erom wat je bent en altijd zult zijn.”

En mij gaat het erom u toch tot het lezen van dit boek aan te zetten zonder er u meer over mee te geven. Want ik kan het hier bijvoorbeeld nog hebben over die door de voor de rest volgens mij zeer goed werk geleverd hebbende vertaler Frédérique van der Velde gemaakte kanjer van een dt-fout (“Ik wordt geacht te verdwijnen”), over de visuele ‘speciallekes’ in hoofdstuk 62, over de verhalen die Conchis vertelt over de Eerste Wereldoorlog (“De waanzin, Nicholas. Duizenden mannen die in gaten in de grond stonden, Engelsen, Schotten, Indiërs, Fransen, Duitsers, op een ochtend in maart – en waarvoor? Als er een hel is, dan is het dat. Geen vlammen, geen hooivorken. Maar een oord waar rede niet mogelijk is (…)”), over het uiterlijk van Conchis (“Nu leek hij op Picasso die Ghandi imiteerde terwijl deze een zeerover imiteerde”), over oneliners zoals “(…) als je verstandig bent, zul je nooit medelijden hebben met het verleden om de dingen die het niet heeft gekend, maar medelijden met jezelf om de dingen die het wél heeft gekend”, over zoveel meer nog, maar – “Het is, het is, het is… een gevoel” zou Hans Teeuwen gezegd hebben toen hij het nog waard was er naar te luisteren – die sfeer die ik ook zoveel jaar geleden al in het boek vond, valt simpelweg niet door te geven. Daarvoor moet u het boek zélf lezen. En dan mag u ook zelf beslissen of u het helemaal mooi vindt of niet.

De die hard fans van het boek bevelen aan het boek in één nachtelijke sessie te lezen – wat me gezien de lengte van het boek en het feit dat zelfs in de winter onze nachten geen vierentwintig uren duren nogal moeilijk lijkt – maar ik kan me ook na mijn tweede lezing nog voorstellen dat uit dit boek terugkeren zoiets is als wat het hoofdpersonage meemaakt als hij van het eiland even naar Athene gaat: “Na Bourani was de terugkeer naar het eigen tijdperk met zijn drukte en auto’s verbijsterend.” Na een film van net geen twee uren terug in dat tijdperk stappen, zal waarschijnlijk net iets minder lastig zijn, maar ik zou u – tot slot van deze boekbespreking – toch niet aanraden die shortcut te nemen: de acteurs die eind jaren zestig in de film The Magus speelden, wisten kennelijk niet waarover de film ging en welke rol ze er in speelden (zo’n beetje zoals Nicholas Urfe zelf ironisch genoeg), en John Fowles, die nochtans zelf zijn boek aangepast had naar een scenario, was er absoluut niet over te spreken. Schoenmaker, blijf bij je leest, zou ik zeggen. Niet iedereen is een magiër.

Björn Roose