vrijdag 5 juli 2024

Hoever kan Europa oostwaarts reiken – De Russische factor - Katlijn Malfliet (boekbespreking door Björn Roose)

Hoever kan Europa oostwaarts reiken – De Russische factor - Katlijn Malfliet (boekbespreking door Björn Roose)
Ik ben al een tijdje van de gewoonte afgestapt om in de titels van mijn boekbesprekingen (voor wie die leest op mijn blog) de ondertitels van de boeken mee te geven en heb dat dus in dit geval óók niet gedaan, maar voor Hoever kan Europa oostwaarts reiken van Katlijn Malfliet wil ik op die gewoonte toch graag een uitzondering maken. De ondertitel van dit boek is namelijk De Russische factor, waarmee meteen duidelijk is dat het ondanks het feit dat het al in 2008 verscheen bij LannooCampus nog steeds hoogst actueel is.

Zo actueel zelfs dat de auteur van media die wat minder in de oorlogszuchtige ganzepas lopen (een zeer beperkt aantal) nog wel eens de vraag krijgt haar standpunten inzake de inval van Rusland in Oekraïne toe te lichten, terwijl ze intussen toch zeventig jaar op de teller heeft staan, haar brood niet verdient met politiek, in haar vrije tijd voor niemand dan voor zichzelf meer kan spreken (ze was zo’n drie decennia geleden wel voorzitster van Pax Christi Vlaanderen en van 2008 tot 2012 voorzitster van de Nationale Vrouwenraad), en beroepshalve met pensioen is (sinds 2019). Of toch met emeritaat, zoals dat in universitaire milieus heet.

Malfliet behaalde immers een master in de Oost-Europakunde aan de KU Leuven, bereidde toen de dieren nog spraken haar doctoraatsthesis over eigendomsrecht in de Sovjet-Unie voor aan de Academie van Wetenschappen in Moskou, en werd na haar studies gewoon hoogleraar aan de KU Leuven. Ze deed er onderzoek naar “de privatisering en institutionele hervormingen en de band tussen cultuur, politiek en recht”, aldus Wikipedia, en “doceerde vakken over politieke, sociale en juridische transformatie in de Midden- en Oost-Europese staten”, was “rectoraal adviseur voor gelijke kansen”, gasthoogleraar aan de Universiteit Leiden, de Karelsuniversiteit in Praag, en in Moskou, en van 2010 tot 2013 decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen. In 2013 werd ze door Rik Torfs benoemd tot vicerector Duurzaamheid, Diversiteit en Cultuur, wat ze bleef tot 2017. Niet zomaar iemand dus, zelfs los van het feit dat ze behalve voorliggend boek ook nog, onder andere, De Russische rokade – een actuele analyse van de Russische politiek (2013) en Poetinisme – Een Russisch fenomeen (2018), beide eveneens verschenen bij LannooCampus, schreef en daarmee heeft aangetoond dat ze tot degenen behoort die Poetin en de Russische machthebbers in het algemeen werkelijk begrijpen. Wat niet wil zeggen dat ze met elk van ‘s mans (of hun) acties of ideeën instemt, iets wat dan tegenwoordig verweten wordt aan de mensen die dan smalend Putinversteher genoemd worden, alsof iemand verstaan wél automatisch inhoudt dat je alles wat die iemand zegt of doet goedkeurt. Of omgekeerd – wat op een eigenaardige manier meer schijnt overeen te stemmen met de feiten – dat het een voorwaarde is iemand niét te verstaan om onvoorwaardelijk de kant van zijn tegenspelers te kiezen.

Niet te verstaan of niet te wíllen verstaan, that is, want het feit dat iemand als Katlijn Malfliet zo’n vijftien jaar na publicatie van dit boek nog altijd dezelfde boodschap moét verkondigen als toen en die boodschap nog steeds even hardnekkig genegeerd wordt, lijkt er toch wel (en ten overvloede) op te wijzen dat er andere zaken meespelen dan het retorisch gelul over democratie, oorlogsvoering tegen ‘soevereine landen’, en het volkomen idiote idee van First we take Kiev, then we take Berlin. Dezelfde boodschap als in dit boek, maar dan korter uiteraard, gezien zélfs in de alternatieve media een vraaggesprek nauwelijks toelaat dieper op kwesties in te gaan. En toch ook soms zo bondig gebracht dat het haar positie duidelijker maakt, want Hoever kan Europa oostwaarts reiken is dusdanig ‘academisch’ geschreven dat de stellingname ver te zoeken is (wat in tempore non suspecto mooi was, maar tegenwoordig jammer zou zijn, al is het maar omdat die andere geluiden er hard nodig zijn). Zoiets als dit, in een vraaggesprek met De Wereld Morgen, zal je bijvoorbeeld niét in het boek vinden: “De VS zag voortaan [t.t.z. na de val van het IJzeren Gordijn, noot van mij] in Europa via de NAVO enkel nog een uitgebreide afzetmarkt (in de eerste plaats van militaire uitrusting). De legers van de voormalige Oostbloklanden moesten dringend ‘gemoderniseerd’ worden, met andere woorden, voorzien van duur Amerikaans militair materiaal. Om de hereniging van Duitsland – dé Europese groeipool – erdoor te krijgen werd toen de belofte gedaan, dat de NAVO ‘not one inch’ zou opschuiven naar het Oosten [iets wat overigens steeds weer tegengesproken wordt door niet-Putinverstehers in die zin dat het geen getekend akkoord was, noot van mij] wanneer de Sovjet-Unie zijn troepen zou terugtrekken uit Oost-Duitsland. We kunnen ons maar afvragen waar we nu zouden staan als we ons daar aan hadden gehouden.”

We kunnen ons dat afvragen inderdaad, maar onze ‘leiders’ hebben het zich klaarblijkelijk nooit echt afgevraagd, zoals Malfliet ook al in hoofdstuk 1 van het boek stelt in verband met de steeds verder oostwaarts uitdijende Europese Unie: “Elke nieuwe lidstaat die is toegetreden tot de Europese Unie, voelt zich onbehaaglijk in zijn rol als afgetekende buitengrens van de Europese Unie, en wil dus zijn buren betrekken bij het uitbreidingsproces. Het pleidooi van Polen, dat in mei 2004 samen met zeven andere Centraal-Europese landen toetrad tot de Europese Unie, voor het lidmaatschap van Oekraïne is een sprekend voorbeeld”. In 2004, I kid you not, niét vorig jaar in reactie op de Russische inval of zo, en ook niet in 2016 toen er in Nederland een referendum werd gehouden over niet meer dan de ‘Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne’, een referendum dat – ter herinnering – glansrijk werd gewonnen door het neen-kamp en ongetwijfeld niet als bedoeld gevolg had dat er acht jaar later dan wel niet meer over die ‘Associatie’ zou gesproken worden, maar over regelrechte toetreding tot de Europese Unie.

Waarbij het uiteraard maar de vraag is of de Europese Unie zelf haar agenda bepaalt of dat de Verenigde Staten dat doen voor haar. Zoals ze dat deden (en doen) met betrekking tot Kosovo: “Voor Bosnië werd uiteindelijk in 1995 het Daytonakkoord uitgewerkt, een ingewikkeld (con)federaal concept, bewaakt door de internationale gemeenschap, dat niet de nodige rust heeft gebracht. Maar niemand heeft eind jaren negentig de betekenis van de NAVO-inval in Kosovo kunnen inschatten. Dat voorval heeft Rusland beschouwd als een onaanvaardbare zet van een aanmatigend, en zelfs militair agressief ‘Westen’. De interventie van de NAVO in Kosovo zal wellicht nog voor de belangrijkste nasleep zorgen: Rusland beschouwt deze operatie ‘out of area’ als een ware aanfluiting van de internationale gemeenschap en het internationaal recht. Rusland waarschuwt dat de onafhankelijkheid van Kosovo een precedent wordt voor alle opstandige gebieden, die zich niet thuis voelen in de staat waarin zij leven: niet alleen binnen ex-Joegoslavië, de Republika Srpska in Bosnië bijvoorbeeld, maar ook de ‘bevroren’ conflicten in Georgië (Abchazië en Zuid-Ossetië), Moldavië (Transdnjestrië) en Azerbeidzjan (Nagorno-Karabach). Als al deze gebieden beginnen te bewegen, dan is het gedaan met de relatieve rust in Oost-Europa. De meeste van die gebieden (met overwegend Russische bevolking) hebben trouwens al bij referendum beslist dat zij, wanneer zij onafhankelijk worden, zich meteen bij Rusland wensen aan te sluiten. De landen van de Europese Unie staan onder druk van de Verenigde Staten om Kosovo’s onafhankelijkheidsverklaring te erkennen. Maar dat betekent een wijziging in het beleid van de Europese Unie, die voor dergelijke beslissingen in de regel de Verenigde Naties volgt”.

Abchazië, Zuid-Ossetië, Transdnjestrië, Nagorno-Karabach… Voor al die mensen die dachten dat die strijdperken (al dan niet actief) pas van het laatste decennium dateren: think again. En voor wie zou denken dat de NAVO-uitbreiding tot aan de grens met Rusland óók al een gevolg zou zijn van de inval van die stoute Russen: idem. “Tijdens de laatste NAVO-top van begin april 2008 konden de ‘oude’ leden van de Europese Unie de Amerikaanse president er (tijdelijk) van weerhouden om Oekraïne en Georgië toe te laten tot het ‘Membership Action Plan’, dat voorbereidt op NAVO-lidmaatschap. Maar dit zal de Verenigde Staten niet verhinderen om de NAVO-uitbreidingskoers aan te houden, en de Europese Unie daardoor moreel onder druk te zetten om zich te openen naar deze landen toe. Dat is geen goede zaak voor ‘Europa’; de kracht van haar keurmerk neemt zienderogen af.” Ik benadruk het maar: 2008. Toen al wilden de Amerikanen Oekraïne inlijven bij de NAVO en ze hebben dat voornemen nooit van zich af gezet.

Als voor het leveren van de nodige ‘morele druk’ het in een oorlog lokken van de Russen een voorwaarde was, waren de Amerikanen ongetwijfeld ook bereid die voorwaarde te realiseren, denk ik dan, al was het maar omdat de Oekraïense ‘leiders’ zelf ook graag tot de NAVO wilden toetreden, zelfs als daarvoor officieel nog het in 1991 gesloten Oekraïens-Russisch Vriendschapsverdrag in de weg zat en Oekraïne daarmee als “één van zijn belangrijkste staatsprincipes [had] aanvaard dat het geen enkel blok zou vervoegen”. Maar goed, alles voor de ‘vrijheid’ toch? Awel, da’s maar de vraag: “Niemand maakte zich grote zorgen over de vraag hoe de nieuwe lidstaten zouden reageren op de ‘overstap’. De acht nieuwkomers hadden alle net hun communistische grondwetten ingeruild voor nieuwe of ingrijpend geamendeerde constituties, die hun land op de sporen van markt en democratie zouden brengen. Meer nog waren zij bezorgd om het koesteren en uitbouwen van hun herwonnen soevereiniteit. Daarom hadden de nieuwe postcommunistische grondwetten een ‘gesloten’ karakter. Een overdracht van soevereine machten aan om het even welke heerser wilden zij naar de toekomst koste wat kost uitsluiten. (…) De nieuwe postcommunistische grondwetten gaan – om historisch verklaarbare redenen – behoedzamer met hun staatssoevereiniteit om dan hun West-Europese tegenhangers.” Iets wat dus per definitie vloekt met het binnen de Europese Unie moeten (en soms echt bewust wíllen) afgeven van soevereiniteit aan het ‘hoger niveau’, iets wat de landen in Midden- en Oost-Europa dus per se wilden vermijden, iets waar sommige van die landen (bijvoorbeeld Hongarije onder Orbán) nog steeds tegen strijden, iets waar ook Oekraïne aan zal moeten geloven.

“De haast van de NAVO om Oekraïne binnen te halen is voor niets nodig”, schrijft Malfliet, “en is ronduit schadelijk voor de Europese belangen”, maar ook (en ik wijs er nogmaals op dat ze dat al in 2008 schreef): “(…) hoe zal een eventueel Oekraïens lidmaatschap van de NAVO de Russisch-Oekraïense betrekkingen beïnvloeden, en, meer in het algemeen, wat zal het Oekraïens NAVO-lidmaatschap voor Rusland betekenen in termen van globaal veiligheidsdenken en Ruslands geopolitieke verhouding tot het ‘Westen’? Hierover bestaat geen twijfel: het Oekraïens lidmaatschap betekent voor Rusland een casus belli, niet in de zin dat Rusland ten oorlog zal trekken, maar wel in die zin dat Rusland zich verplicht zal voelen om in zo’n geval zijn eigen veiligheid te verdedigen.” Precies wat Rusland veertien jaar later ook verkondigde bij de inval in Oekraïne en zelfs met dezelfde terughoudendheid wat betreft ‘oorlog’. En of “de bedreiging die Rusland vreest als gevolg van de NAVO-uitbreiding reëel is of niet, maakt niet uit: het gaat om de Russische perceptie van het proces en om het ‘verhaal’ dat Rusland hierover reeds lang heeft opgebouwd. Als dus het proces van NAVO-uitbreiding niet wordt begeleid met adequate maatregelen om politieke en militaire spanningen te vermijden, dan kan het wederzijds vertrouwen aanzienlijk afnemen en wordt de Europese stabiliteit en veiligheid ernstig bedreigd.”

Ik pik slechts een paar lijnen op uit het verhaal van Malfliet. Ze gaat immers ook véél dieper in op, bijvoorbeeld, Mensenrechten en grondrechten in Europa: niet zo’n eenduidig begrip, Ruslands keuze voor Europa, met daarin onder andere aandacht voor De ontzagwekkende leider (de “idee van de goede heerser (vadertje tsaar) [die] (…) eeuwenlang in het collectief bewustzijn van de Russen [is] gegroeid en (…) de onbeperkte macht van de heerser [legitimeert]”, de Herverdeling van de staatsrijkdom (met die eigenaardige constructie, “een liberaal feodalisme”, waardoor hele industriële sectoren in handen van een aantal individuen zijn terechtgekomen, maar die individuen ook altijd moeten zorgen dat ze de staat niet mishagen, wat er toe zou kunnen leiden dat ze hun ‘eigendom’ weer kwijtspelen), en De rol van de orthodoxie (met zijn doctrine van “patriottisch dienen”), De Groot-Russische idee (eigenlijk een soort continentale variant van de Amerikaanse doctrine om overal ‘democratie’ en vooral kapitalisme te brengen, maar dan een stuk minder hypocriet), Een oprukkend energiebeleid (intussen in een andere richting dan de Europese Unie, dat wel), het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), de Organisatie voor het Verdrag inzake Collectieve Veiligheid (CSTO), enzovoort, maar daar allemaal aandacht aan besteden zou deze boekbespreking (weer eens) veel te lang maken. De uitspraak in het vraaggesprek met De Wereld Morgen indachtig, “Je moet kijken naar wat er al die jaren aan voorafging”, zou ik echter ten zeerste aanraden dit boek te lezen. Al was het maar omdat er intussen op de mainstream markt geen boeken meer te vinden zijn die zorgen voor de achtergrondinfo die nodig is om de oorlog in Oekraïne werkelijk te kunnen begrijpen.

Björn Roose

dinsdag 2 juli 2024

Reisdoel: menselijk brein – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)

Reisdoel: menselijk brein – Isaac Asimov (boekbespreking door Björn Roose)
“Dr. Isaac Asimov, Amerikaans biochemicus van Russische oorsprong, is ontegensprekelijk de grootmeester van het moderne science fiction-verhaal. Zijn Reisdoel : menselijk brein is een ongemeen boeiende en originele bestseller die niet alleen werd bekroond door The World Science Fiction Convention, maar ook werd verfilmd onder de titel ‘Fantastic Voyage’.” Dat lees ik op de binnenflap van deze in 1976 bij D.A.P. Reinaert Uitgaven uitgebrachte vertaling (van de hand van Ruud Löbler), maar dat lijkt niet helemaal te kloppen. Voorafgaand aan het verhaal en net onder de toch wel grappige opdracht (“Opgedragen aan Mark en Marcia die anders mijn arm uit het lid gedraaid zouden hebben”) valt namelijk dít te lezen: “Dit verhaal, in boekvorm verschenen en ook reeds verfilmd, heeft verscheidene geestelijke vaders die allen op velerlei wijze aan de huidige versie het hunne hebben bijgedragen. Voor ons allemaal was het een opgave die langdurige en moeizame arbeid vergde en ons voortdurend voor problemen plaatste, maar het was ook, mag ik wel zeggen, een taak die ons grote voldoening en vreugde heeft verschaft. Toen Jay L. Bixby en ik ons oorspronkelijk verhaal schreven, konden wij niet bevroeden waar dat toe zou leiden of wat er uit zou groeien onder de handen van rijkelijk met verbeeldingskracht en kunstenaarschap begiftigde mannen – Saul David, de filmproducent; Richard Fleischer, de regisseur wiens inventieve geest fantasie tot werkelijkheid maakt; Harry Kleiner, die het filmscenario schreef; Dale Hennesy, de artistieke leider, zelf kunstschilder van klasse; en de artsen en geleerden die ons zoveel van hun tijd en kennis hebben afgestaan. En ten slotte Isaac Asimov, die met zijn pen en groot talent vorm en authenticiteit wist te geven aan dit fantastisch samengaan van feiten en fictie.” Getekend: Otto Klement.

Euh… hoe zit dat nu? Wel, zo: Moraviër Otto Klement - vóór 1933 in Berlijn actief als agent voor theater- en filmacteurs, in 1936 producent van twee Engelse films (A Woman Alone en The Amazing Quest of Ernest Bliss), en vanaf 1941 in de Verenigde Staten te vinden (waar hij in 1948 de verfilming van Triumphbogen van Erich Maria Remarque, van wie ik vorig jaar nog Drie kameraden besprak, produceerde) – en Amerikaan Jerome ‘Jay’ L. Bixby (vanaf 1949 auteur van een berg science-fictionkortverhalen en westerns, plus scripts die onder andere in The Twilight Zone-serie en Star Trek gebruikt werden) schreven inderdaad samen het verhaal waarop de film Fantastic Voyage gebaseerd werd. Richard Fleischer, die in de jaren 1980 nog (om het maar bij iets héél bekend te houden) Conan the Destroyer (het vervolg op Conan the Barbarian) en Red Sonja (het vervolg daar weer op) voor zijn rekening zou nemen, zat effectief in de regisseursstoel, en Saul David (die in 1976 de film Logan’s Run, waarvan later een serie werd gemaakt – o, jeugdherinneringen -, zou draaien) was producer van dienst. Harry Kleiner, van wie ik me nog de jaren-tachtigfilms Extreme Prejudice en Red Heat kan herinneren, tekende verantwoordelijk voor de screenplay. Maar Isaac Asimov… was in dit verhaal ei zo na niet opgedoken.

Toen Bantam Books, de uitgeverij waarvoor Saul David van 1950 tot 1960 gewerkt had, de rechten had gekocht om van de film een boek te maken (van verhaal naar film naar boek, volgt u nog?), trok die uitgeverij namelijk wel naar Asimov om dat werk voor zijn rekening te nemen, maar die weigerde. Hij vond het “Hackwork (…) Beneath my dignity”. Enig aandringen van de uitgever, wellicht vergezeld van een verhoging van de prijs, konden hem in april 1965 – toen de productie van de film al een tijdje bezig was – echter alsnog overhalen het scenario te lezen. Waarna Asimov nog steeds niet helemaal aan boord was: los van het feit dat de kern van het verhaal rond miniaturisatie draaide (iets wat volgens hem als biochemicus fysiek onmogelijk was) zat het scenario zijns inziens ook nog tjokvol gaten. Hij vroeg dus permissie om het boek te schrijven zoals híj het voor zich zag en kreeg die. Gevolg daarvan was onder andere dat die miniaturisatie véél beter uitgewerkt werd dan in het filmscenario, dat er aandacht besteed werd aan de effecten die die miniaturisatie op de tijd zou hebben, en… dat er geen losse eindjes, in casu (daar kom ik straks nog op terug) het wrak van de Proteus en het lijk van de saboteur, achter zouden blijven. Asimov begon uiteindelijk op 31 mei 1965 aan het schrijven van het boek en was daarmee klaar op 23 juli van datzelfde jaar (niet slecht voor een boek dat tweehonderddertig bladzijden dik is).

Gevolg was dat zowel de paperback-editie als de hardcover-editie (die er kwam op uitdrukkelijk verzoek van Asimov, die niet wou dat zijn boeken alleen als paperback verschenen) op de markt beschikbaar kwamen vóór de film in de bioscoopzalen te zien was. Dat laatste, te wijten aan problemen bij de productie, gebeurde immers pas in augustus 1966, terwijl zelfs de hardcover er al in maart van dat jaar was. Daardoor dacht het grote publiek dat de film gebaseerd was op het boek van Asimov, iets wat kennelijk nogal pijnlijk was voor Otto Klement: Asimov moest het stellen met het geld dat hij gekregen had voor het omzetten van het scenario in een boek, maar kreeg geen royalties gezien de rechten op het oorspronkelijke verhaal in handen van Klement bleven. Tegen de tijd dat de hardcover-editie verscheen, wist een andere uitgever Klement er echter van te overtuigen toch een kwart van de royalties aan Asimov te geven en nadat Klement zelf met The Saturday Evening Post had onderhandeld om het sterk ingekorte verhaal van Asimov in episodes te publiceren, mocht Asimov rekenen op de helft van de betaling daarvoor.

Waarmee we er zijn wat die eigenaardige introductie door Otto Klement betreft, maar nog niet wat de rest van de Fantastic Voyage en de rol van Asimov daarin aangaat. Asimov was namelijk nog niet tevreden met zijn werk: hij had dan wel een aantal aanpassingen mogen doen aan het scenario, maar als z’n eigen creatie kon hij het boek niet beschouwen. ‘Toevallig’ kreeg hij in 1984 de vraag een – jawel – Fantastic Voyage II te schrijven, waarvan dan een film zou gemaakt worden. De plannenmakers hadden zelfs al een “suggested outline” geschreven, maar Asimov zag die “outline” absoluut niet zitten, dus ging de opdracht naar Philip José Farmer, vooral bekend van de reeksen World of Tiers en Riverworld, die inderdaad een verhaal schreef dat dicht tegen die “outline” aanzat, maar dat verworpen werd, ondanks het feit dat Asimov aandrong het aan te nemen. Waarop Asimov dan maar weer zelf aan de slag ging en in 1987 bij zijn vaste uitgever (Doubleday) Fantastic Voyage II: Destination Brain verscheen, dat echter ondanks die ‘II’ géén vervolg was op Fantastic Voyage, maar een volledig nieuw, van het origineel losstaand verhaal, een ‘reboot’. Geen vervolg en ook geen voer voor een film, zo bleek. Alhoewel… sinds op zijn laatst 1997 spookt het maken van een remake (een reboot misschien?) kennelijk door het hoofd van James Cameron (u onder andere bekend van Aliens, The Abyss, Terminator, Titanic en de Avatar-serie) en die liet in april van dit jaar nog weten dat hij toch nog van plan zou zijn “very soon” met het project van start te gaan. Wat dan weer geheel losstaat van het uit 2001 daterende boek Fantastic Voyage: Microcosm van Kevin James Anderson, een science-fictionauteur die vooral bekend is als schrijver van spin-offs voor onder andere Star Wars en The X-Files en samen met Brian Herbert de series Prelude to Dune, Legends of Dune, Dune 7, Heroes of Dune, Great Schools of Dune, en The Caladan Trilogy heeft geschreven en zo een imperiumpje heeft opgebouwd op de roem die Herberts vader, Frank Herbert, wist te vergaren met de oorspronkelijke Duin-serie.

Een hele historie, inderdaad, en we zijn nog niet verder gekomen dan de intro door Otto Klement. We zullen het dus wat de inhoud betreft kort houden: een Russische geleerde, een specialist op het vlak van de al genoemde miniaturisatie, loopt over naar ‘het Westen’, maar wordt kort na zijn aankomst neergeschoten door “de Andere Zijde”. Hij overleeft het, maar een bloedklonter in zijn hersenen dreigt hem alsnog te doden. Die bloedklonter kan niet vanaf de buitenkant weggehaald worden, dus zit er niks anders op dan het vanaf de binnenkant te doen. Een binnenkant die – om in het thema te blijven – alleen maar kan bereikt worden door een team van mensen te miniaturiseren, een nooit eerder ondernomen experiment, en hen in een eveneens geminiaturiseerde duikboot de bloedbanen van de geleerde in te sturen om daar met een laser de bloedklonter te vernietigen. Op zich al goed voor een spannend avontuur, natuurlijk, een soort Il était une fois... la Vie, voor zij die zich die tekenfilmserie uit 1986 nog zouden herinneren, maar het kan altijd nog beter. Onze Russische geleerde is namelijk niet zomaar specialist op vlak van miniaturisatie: er kan nog heel wat aan verbeterd worden. Onder andere de duur ervan. Als het team, geleid door special agent Charles Grant (aan boord omdat men vermoedt dat een van de andere bemanningsleden óók wel eens voor ‘de vijand’ zou kunnen werken), ingespoten wordt in de geleerde heeft het namelijk slechts zestig minuten om zijn opdracht uit te voeren. Zestig minuten die, na de ingreep van Asimov, langer (lijken te) duren voor wie geminiaturiseerd is dan voor wie dat niet is, maar desalniettemin amper zestig minuten. Kwartiertje om vanaf het beginpunt de bloedklonter te bereiken, kwartiertje om daar het werk te doen, kwartiertje om terug te keren naar het beginpunt, kwartiertje om rustig uit het lichaam verwijderd te worden, dat alles vóór de duikboot en de bemanning weer hun oorspronkelijke grootte aannemen, wat zo niet hún dood dan toch minstens de dood van de geleerde zou betekenen en dus niet de bedoeling is. Tijd met hopen, ware het niet dat de wet van Murphy ook binnen de geleerde voluit van toepassing is – af en toe wat gestimuleerd door de saboteur uiteraard – en alles wat kán misgaan ook wel degelijk misgaat. Reisdoel: menselijk brein wordt daarmee toch wel een uniek fenomeen: een technisch-medische science fiction race tegen de klok. Met daarbovenop een detectiveverhaal, want Grant moet er in die zestig minuten ook nog achter zien te komen wie de saboteur is (en in de eerste plaats óf er wel een is), gezien die dat uiteraard niet zelf zal laten weten en er eveneens alles aan zal doen om het er zelf ook levend van af te brengen. Plus - het kan niet allemaal ernst zijn – een portie romantiek (uitgaand van onze special agent met als onderwerp de enige vrouw aan boord – o jawel, er is een vrouw aan boord!) én hier en daar wat filosofie, een element waarvan ik vermoed dat Asimov het er zelf ingestoken heeft (ik heb de film nooit gezien).

Filosofie over de vertechnisering (toen al) bijvoorbeeld: “We leven in een elektronisch tijdperk, Grant. Alles wat we doen, doen we met onze op transistors levende bedienden in de hand. Elke vijand die we hebben, verjagen we door manipulaties met stromen elektronen. We hadden de route op elke denkbare wijze beveiligd, maar uitsluitend tegen elektronische vijanden. We hebben geen rekening gehouden met een auto met een levende man aan het stuur, of met geweren met levende mannen aan de trekkers.” Of over gevaarlijke uitvindingen: “Carter interrumpeerde: ‘(…) We maken dit soort dingen al mee sinds de uitvinding van de atoombom. Er zijn altijd mensen die denken dat nieuwe gevaarlijke ontdekkingen, door geheimhouding genegeerd kunnen worden. Maar ze vergeten dat op een bepaald moment de tijd rijp is voor iets nieuws en dat je dat niet tegen kunt gaan. Als Benes was gestorven zou de formule voor ongelimiteerde miniaturisatie volgend jaar zijn gevonden of over vijf jaar of iets dergelijks. Alleen zouden Zij in dat geval de eersten geweest kunnen zijn.’ ‘En nu zijn Wij de eersten,’ zei Grant, ‘en wat gaan Wij ermee doen? Ons einde zoeken in een laatste oorlog? Misschien had (...) wel gelijk.’ Carter zei droog: ‘Of misschien zal het gezonde, menselijke verstand aan beide zijden zegevieren. Tot dusver is dat het geval geweest.’” Of, ten slotte, zelfs over de ziel, wanneer twee wetenschappers daarover discussiëren: “‘(…) Waar is de menselijke ziel Duval?’ ‘Omdat ik je die niet kan aanwijzen denk je zeker dat die niet bestaat?’ vroeg Duval. ‘Waar is het genie van Benes? Je zit nu in zijn brein. Wijs me zijn genie maar aan.’”

En dat alles te midden van passages langs watermoleculen, rode bloedlichaampjes, witte bloedcellen, enzovoort: “Het was kolossaal groot, melkachtig van kleur en pulserend. Het was granuleus en in de melkachtige massa zaten zwarte glittertjes, flonkerende stukjes die zo diepzwart waren, dat zij leken te gloeien met een onwezenlijk en verblindend licht. In het binnenste van de massa bevond zich een donkere plek, vaag zichtbaar door de melkachtige omgeving, die een vaste, onveranderlijke vorm had. De omtrekken van het hele ding waren niet goed te onderscheiden, maar plotseling strekte het een melkachtige arm uit in de richting van de slagaderwand en de massa scheen daar in te vloeien. Het was niet duidelijk meer te zien omdat het aan het gezicht werd onttrokken door de voorwerpen dichterbij. ‘Wat was dat in vredesnaam?’ vroeg Grant. ‘Een witte bloedcel natuurlijk. Er zijn er niet zoveel van; tenminste niet in vergelijking met de rode bloedlichaampjes. Er zijn ongeveer zeshonderdvijftig rode tegen één witte. De witte zijn echter veel groter en zij kunnen zich niet zelfstandig verplaatsen. Sommige kunnen zich zelfs helemaal uit een bloedvat werken. Het zijn vreesaanjagende dingen als je ze op deze schaal ziet.” Van de beschrijving van hele universa van sterren naar het universum binnen elk van ons, Asimov blijft een meester in de levend(ig)e beschrijving ervan. Zoals hij ook niet nalaat de lezer zélf aan te zetten tot wat nader onderzoek: “De biofysica van Belinski begrijp ik geloof ik wel, maar zijn wiskunde is me te machtig.”; “De beweging van Brown”; “De wetten van de hydrodynamica”; “Valvula tricuspidalis vooruit.”; “Van der Waals-krachten”; een paar regels uit The Prelude van William Wordsworth;… Enige uitleg krijg je er wel bij, wat de wetenschappelijke termen betreft in een Appendix achteraan in het boek, maar toch ook wel wat goesting om er zelf eens verder in te duiken, niet?

Wat me bij de manier brengt waarop hoofdstuk 11 eindigt: “Reid zei: ‘Ik vermoed dat het een of andere mechanische storing is.’ ‘Jij vermoedt! zei Carter met bijtend sarcasme. ‘Ik denk niet dat ze gestopt zijn om eens rustig te gaan zwemmen.’”. Waarna hij hoofdstuk 12 begint met: “Alle vier, Michaels, Duval, Cora en Grant, hadden nu hun nauwsluitende, antiseptische witte zwempakken aan. Ze hadden allemaal een zuurstofcilinder op hun rug, een schijnwerper op hun voorhoofd, zwemvliezen aan hun voeten en een radiozender en ontvanger aan hun respectieve monden en oren. ‘Je zou het kunnen vergelijken met onderwatersport,’ zei Michaels, terwijl hij zijn helm recht zette, ‘en ik heb nog nooit aan onderwatersport gedaan. Om het dan voor het eerst te moeten doen in iemands bloedbaan…’” Zeer tongue in cheek, van de ene bloedernstige passage naar een andere gaand, maar onbetwistbaar hilarisch.

In tegenstelling tot Asimovs kennis van de actuele stand van de wetenschap. Pas in 1959 had Albert Hibbs aan Richard Feynman - wiens naam u ook zal aantreffen in het door mij onlangs besproken Waarom niemand kwantum begrijpt van Frank Verstraete en Céline Broeckaert en Ruimte voor vrijheid van Gerard Bodifée - gesuggereerd dat er misschien een medisch gebruik van zijn theoretische micromachines mogelijk was, een idee dat Feynman opnam in zijn in datzelfde jaar gepubliceerde essay There’s Plenty of Room at the Bottom, maar Asimov liet het in 1965 al zeggen door een van zijn personages: “Misschien kunnen kleine huishoudrobots door de bloedvaten worden gestuurd om de rommel op te ruimen. Of misschien kan elk mens op jeugdige leeftijd worden ingespoten met een permanent leger van zulke bloedvatschoonmakers (…)”. De nanobots dus, die volgens velen nog steeds tot het rijk van de science fiction behoren, maar in de wetenschappelijke wereld al lang geen fictie meer zijn.

Soit, afsluiten doe ik graag met een knipoog van Asimov naar zijn collega Robert A. Heinlein, die ik ook al noemde in mijn recente bespreking van John Vermeulens De binaire joker en uiteraard mijn bespreking van Heinleins Het getal van het beest, waarin die laatste overigens ook knipoogt naar Asimov. Als Asimov namelijk schrijft over “een grijpermechanisme”, dat “een gigantische waldo [is], zo genoemd door enkele der eerste kerngeleerden naar een figuur uit een science fiction verhaal uit omstreeks 1940”, dan verwijst hij naar het kortverhaal Waldo dat in augustus 1942 gepubliceerd werd in Astounding Magazine, het blad waarin vanaf dat jaar ook Asimovs Foundation-trilogie in episodes verscheen. Een kortverhaal gepubliceerd onder de schrijversnaam Anson MacDonald, maar sinds 1950 in boekvorm (Waldo and Magic, Inc.) verkrijgbaar met de naam Robert A. Heinlein op de cover. Voor ik mezelf dáár weer in verlies, ga ik deze boekbespreking afsluiten.

Björn Roose

vrijdag 28 juni 2024

De wijde wereld – Bas Heijne (boekbespreking door Björn Roose)

De wijde wereld – Bas Heijne (boekbespreking door Björn Roose)
Toeval… u weet (of u leert het nu) dat het een regelmatig terugkerend thema in mijn boekbesprekingen is. Niet zozeer in de besproken boeken – al was dat uiteraard anders met Toevalstreffers van Peter Hough en speelde het ook een niet onaanzienlijke rol in de kwantumfysica waaraan Waarom niemand kwantum begrijpt van Frank Verstraete en Céline Broeckaert gewijd is -, maar bij de keuze van boeken uit mijn bibliotheek. Die bibliotheek is immers vrij uitgebreid, maar toch blijken de boeken die ik er naar mijn gevoel willekeurig uitpik wel vaker iets met mekaar te maken te hebben. Dat was met name ook het geval met Gelul van Don Croonenberg en voorliggend De wijde wereld van Bas Heijne, al is het verband niet rechtstreeks.

Bas Heijne antwoordde namelijk op de vraag “Welke schrijver is naar jouw idee het meest overschat?”, hem gesteld tijdens een vraaggesprek met De Groene Amsterdammer gepubliceerd op 12 februari van dit jaar, met: “(…) ik denk dat de meeste schrijvers overschat worden. Van alle duizenden boeken die verschijnen, zal slechts een handvol de tand des tijds doorstaan.” Da’s mogelijk, maar het verband met Gelul zit hem er in dat Don Croonenberg dat boekje aanvat met Sturgeon’s law en dat die laatste iets te maken heeft met de laatste hier geciteerde zin uit het antwoord van Heijne. Zoals ik immers uitlegde in mijn bespreking van Croonenbergs boekje was Sturgeon niet de eerste die zo’n ‘wet’ poneerde. Rudyard Kipling was een van degenen die hem daarin vooraf gingen. George Orwell eveneens. Die schreef in zijn essay Confessions of a Book Reviewer: “In much more than nine cases out of ten the only objectively truthful criticism would be ‘This book is worthless’”. Ofte: “In veel meer dan negen gevallen op de tien zou de enige objectief waarachtige kritiek zijn ‘Dit boek is waardeloos’”. En raadt eens wie al in de eerste zin van dat vraaggesprek met Heijne komt opduiken? Inderdaad, George Orwell.

Toevallig? Zou kunnen (al heeft liefde hier dan niks mee te maken, in tegenstelling tot wat geldt voor de lotsbestemming waarin Chloé en het ik-personage in Alain de Bottons Proeven van liefde zo hard willen geloven). Net zoals het feit dat bij herlezing van het vraaggesprek in kwestie mijn oog valt op de derde zin waarin Orwell genoemd wordt: “De partijdige neiging om onwelgevallige feiten te negeren – zo definieert Orwell nationalisme – is actueler dan ooit.” Dat Heijne in dit boek daar nogal frequent last van heeft, viel me namelijk op. Zelfs al beweert Heijne in het vraaggesprek met De Groene Amsterdammer: “(…) ik denk dat je jezelf voortdurend corrigeert op een instinctief soort partijdigheid. Je wil gewoon bevestigd worden in wat je vindt, dat je gelijk hebt. Die emotionele impuls heb je natuurlijk wel voortdurend, maar je bent dan ook nog wel zo intelligent dat je jezelf kunt corrigeren.”

Een oefening waarvan ik niet de indruk kreeg dat hij die gemaakt had in, vooral, het eerste deel van dit boek, We zijn, dus we zijn. In de daarin opgenomen stukken - net zoals die in de delen II, Een betere wereld, en III, Tussen geest en vlees, eerder verschenen, mogelijk in andere versies, in NRC Handelsblad – lijkt hij op zijn minst in die mate selectief omgegaan te zijn met de feiten dat ze zouden passen in een narratief dat hij van plan was te verkopen. Niet zo erg – ik verwacht geen objectiviteit van iemand die opiniestukken schrijft, of “beschouwingen over het leven op het breukvlak van twee eeuwen” zoals de schrijver van de achterflap van dit in 2000 bij Prometheus verschenen boek verkondigt -, maar dat het me was opgevallen, moest me na het lezen van dat vraaggesprek toch even van het hart.

Zoals het me óók van het hart moet dat, ondanks dat, dat eerste deel voor mij had volstaan. De verlossing voorbij, opgehangen aan de kapstok van Wagners Der Ring des Nibelungen, in het bijzonder het einde daarvan, Een zak over de abrikozenboom, met Bertolt Brecht en Hanns Eisler als hoofdrolspelers, en Held is homo, over identiteitspolitiek en Robin Hood, daar gelaten, wil ik zeggen, want dié stukken uit deel II zou ik eigenlijk als geheel willen opnemen in deze boekbespreking. Dat eerste vanwege wat ik er uit te weten kwam over Brünnhildes afscheidsscène, dat tweede niet vanwege de uitleg over het Hollywood Liederbuch, dat derde vanwege het gegeven dat Heijne daar met zijn kritiek bijna twintig jaar voorliep op veel hedendaagse schrijvers en het lef dat hij toont door de mensen die zich het slavernijverleden toe-eigenen te vergelijken met politici van het toenmalige Vlaams Blok: “Een herinnering levend houden is iets anders dan een herinnering annexeren. Je onderdeel voelen van een geschiedenis of traditie, betekent niet dat je je die geschiedenis klakkeloos kunt toe-eigenen. Dat is valse projectie. En het is niet alleen gratuit, het leidt rechtstreeks tot de hysterische rancuneleer van de eeuwige verongelijktheid, het permanente anderszijn, de wonden die nooit meer kunnen en vooral niet mogen helen. Dat komt dicht in de buurt van de denktrant van het ultra-rechtse Vlaams Blok, dat de vernederingen van de historische Vlaming rechtstreeks op de eigen miezerige levens projecteert en vervolgens politiek en cultureel in stelling brengt.”

Wat overigens niet wil zeggen dat de andere stukken van deel II en deel III geen interessante stellingen, gegevens, en dergelijke omvatten. Maar als geheel missen ze telkens iets. Dat de stichting van de Europese Unie niet de beloofde vrede op het continent bracht, is ook dezer dagen maar al te duidelijk, maar dat het idealisme verder verkondigd wordt terwijl het in de praktijk al lang vervlogen is, wordt met de dag onverteerbaarder, zelfs als Heijne zegt dat “ een ander verenigd Europa (…) [er niet] is”. Dat het stukje Durf! lollig geschreven is, is ontegenzeggelijk waar, maar het blijft wel zeer sterk in de satirische sfeer zitten. Dat politici en mediafiguren maar al te vaak aan een Robin-Hoodcomplex (of is het tóch “Robin Hood-complex”) lijden, klopt eveneens, maar die open deur is nog groter dan dat complex doorgaans is. En ja, ik denk wel een momentje dat ik The Beach eens moet lezen of Eyes Wide Shut nog een keer moet bekijken (of uiteindelijk ook eens The Matrix, net zoals David Lynch’ The Straight Story, waarvoor ik nu al twee keer een degelijke aanbeveling gelezen heb), wie weet zelfs eens ‘in het echt’ La Gioconda in het Louvre, maar de stukken uit deel III komen eerlijk gezegd nauwelijks boven het persoonlijke uit. Het zijn natuurlijk óók “beschouwingen”, maar Vederlicht en frisgewassen, Luchtdicht verpakt of Los van de wereld moeten het meer hebben van hoe ze geschreven zijn (goed), dan dat ze “de temperatuur van de tijd” weergeven, ondanks het gegeven dat Heijne die volgens de achterflap opneemt, en dat is nog meer zo met Zand, Heel veel parfum, of Een lijk kussen.

Nee, geef mij maar deel I. Al maak ik me dáár de bedenking bij dat Heijne er nogal vaak blijk geeft van iets wat hij de “Nederlandse intellectueel” voor de voeten gooit. Wat doet die namelijk volgens wat Heijne in Wat doen we met China? schrijft? “Hij kijkt televisie. (…) de enige maatschappelijke rol die nog voor de Nederlandse intellectueel is weggelegd: die van televisiecriticus (…) Hij is een lid van een soort keuringscommissie, een soort Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen. Deelt hij een keurmerk uit aan een product van de massacultuur, dan wordt er dankbaar gejubeld. Doet hij het niet, dan moet hij zo snel mogelijk worden afgeschaft.” Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat Heijne een intellectueel is – als ik het zélf was, zou ik het, gezien de negatieve geladenheid van de term, óók niet over me gezegd willen hebben -, maar hij kijkt wel wat af: naar reclamespotjes, naar praatshows, naar films (de Scream-dingen, bijvoorbeeld, of 8mm, of Hannibal, of Rounders), naar Oprah’s Book Club, naar mensen die via het internet iedereen bij hen naar binnen laten kijken, naar Explosief, naar Court TV… Een mens moet zijn inspiratie érgens vandaan halen, natuurlijk, maar voor wie niet zoveel heeft met bewegende beelden, in casu ik, zegt dat allemaal weinig.

Goed dus dat ik wel een behoorlijk uit de kluiten gewassen voorstellingsvermogen heb. Een paragraaf als deze begrijp ik dus ook zonder 8mm gezien te hebben: “Het verklaren van misdadig gedrag uit sociale omstandigheden heeft, tegen de verwachtingen in, de misdaad niet doen verdwijnen. Integendeel, alles is er alleen maar ingewikkelder door geworden. Net als de makers van moderne griezelfilms hebben de misdadigers hun eigen bewustzijn leren gebruiken ter rechtvaardiging van hun misdadigheid. Toen een paar jaar geleden de Amerikaanse gebroeders Menendez tijdens het proces waarop ze terechtstonden voor de brute moord op hun ouders, aanvoerden dat ze jarenlang door hun vader seksueel misbruikt waren, wist niemand meer of hier nu een psychologische verklaring werd gegeven of dat de psychologie misbruikt werd als excuus voor misdaad. De psychologie trok de mens niet langer uit het moeras van zijn eigen geest, het bleek zèlf een moeras. Sociale verklaringen voor asociaal gedrag bleken oneindig plooibaar en gingen elkaar steeds harder tegenspreken.”

Maar ik hoef ook geen compulsief koper te zijn om dít te begrijpen: “Er heeft een grote, onvoorziene verandering plaatsgevonden. Het oude idee van bezit als iets wat je kluistert aan het leven, dat je in staat stelt je bestaan een vaste, zichtbare vorm te geven, is vervangen door het vloeiende, altijd in beweging zijnde idee van het kopen, het shoppen. Het verwerven van spullen is een geestelijke bezigheid geworden, die nog maar weinig te maken heeft met het praktische nut van de aankoop.” Of een menseneter om het volgende te verstaan: “(…) wat voor duivel is dr. Lecter? Die zwelgende blik van hem op de bezoekers van de marteltentoonstelling zegt eigenlijk al genoeg. Dit monster is ons monster. Hij staat niet buiten ons, hij bedreigt onze onschuld niet van buitenaf. De doctor is een incubus, geschapen uit ons eigen verlangen naar gruwelijkheden. Hij is filosoof, musicus, historicus, psycholoog en een onverbeterlijke kannibalistische seriemoordenaar, kortom, een Übermensch. Hij vertegenwoordigt het beste van onze beschaving èn de gapende leegte die zich in het hart ervan bevindt.” Net zomin, ten slotte, als dat ik een begrafenisondernemer zou moeten worden om het geheel met het volgende eens te zijn: “Het oude, christelijke ritueel ontnam je het zicht op waar het werkelijk om gaat: het directe contact met degenen die je dierbaar zijn en dood. Het werd afgeschaft en vervangen door een dodenritueel dat zich laat vergelijken met de moderne beeldende kunst. In principe is alles mogelijk. In grote delen van de westerse wereld staat onze omgang met de doden steeds meer in het teken van de individuele zelfontplooiing. Je mag muziek laten horen of niet, je mag mantra’s laten uitspreken of kindergedichten, er kan gezongen worden of gemimed. Je mag het helemaal doen zoals je het wilt, want het moet persoonlijk zijn. Zoals de rest van de samenleving zijn nu ook onze doden stevig geëmancipeerd en door en door individualistisch geworden. Die ontwikkeling heeft lang een bevrijding geleken. Geen loze stoplappen meer, geen ongeïnspireerde diensten, geen verkalkte nagedachtenis. Ons rest een omgang met onze naaste doden die alleen nog persoonlijk is, niet langer meer publiek. Maar met het vertrek van de doden uit het publieke domein, werden ze ook steeds moeilijker bereikbaar voor onszelf. Waar waren ze nu? Eerst werd de hel afgeschaft, toen de hemel. Het persoonlijke raakte los van het algemene, het tijdelijke los van het eeuwige, het aardse werd voorgoed gescheiden van het hemelse. Dat is het probleem met onze doden: ze zijn zo verschrikkelijk dood. Letterlijk waren ze altijd al onzichtbaar, nu zijn ze dat ook figuurlijk geworden. We kunnen hen ons niet meer goed voorstellen op een andere, betere plaats, we koesteren geen grote verwachtingen meer met betrekking tot hen, zoals een algehele wederopstanding of een Laatste Oordeel. We herdenken ze nog wel publiekelijk, zoals op 4 mei, maar steeds minder en met minder overtuiging. Doden staan niet meer in aanzien, want ze bevinden zich niet meer in een hiernamaals dat wijzelf hopen te verdienen, en dus hebben ze ook nauwelijks meer een functie. De doden wijzen ons niet vanuit het graf op onze morele plichten, sporen ons niet meer aan tot goed gedrag. Ze vormen inmiddels de meest achtergestelde groep in de samenleving. De enige wijze waarop de doden nog publiekelijk van zich doen spreken, is wanneer ze hun geld nalaten aan goede doelen. De meeste rijken vinden het tegenwoordig echter zonde om met gulle gaven te wachten tot ze dood zijn. Bill Gates en Ted Turner doen hun miljardenschenkingen dan ook liever bij leven en welzijn. Hun nagedachtenis kan ze gestolen worden. In de hemel lopen geen cameraploegen rond.”

Enfin, Heijne verklaart in dit boek ook dingen dood die al lang weer leven, of waaraan toch weer de schijn van leven is gegeven. ‘Geëngageerde’ schrijvers, bijvoorbeeld, of het debat in Nederland. Misschien was daar inderdaad nog nauwelijks sprake van in 2000, maar tegen dat Pim Fortuyn lafhartig vermoord werd omdat dat nu eenmaal makkelijker was dan debatteren, bestond het wel weer en het is ook nooit meer weggegaan. Wat niet kan gezegd worden van het niveau van het debat: dat is nergens. Net zomin als de wereldverbeteraars der letteren nog van het toneel te denken zijn. Met dezelfde opmerking wat hun gemiddeld niveau aangaat. Het gemiddeld niveau van de stukken die Bas Heijne in De wijde wereld verzamelde is hoe dan ook een stuk hoger dan die van de debatten. Of ie de wereld denkt te verbeteren, weet ik daarentegen niet.

Björn Roose

dinsdag 25 juni 2024

Ruimte voor vrijheid – Gerard Bodifée (boekbespreking door Björn Roose)

Ruimte voor vrijheid – Gerard Bodifée (boekbespreking door Björn Roose)
Het overkomt me intussen bijna voortdurend: boeken uit mijn kasten halen die op de een of andere manier verbonden zijn met een ander boek dat ik kort tevoren gelezen heb. Dat zou kunnen willen zeggen dat de onderwerpen waarover die boeken in mijn kasten gaan zeer beperkt in aantal zijn, maar dat is helemaal niet het geval. Wat Ruimte voor vrijheid, ondertitel De onvoltooide natuur en het menselijke initiatief, van Gerard Bodifée betreft, doet dat er eigenlijk ook niet toe: het boek waarmee het nauw verbonden is, Waarom niemand kwantum begrijpt van Frank Verstraete en Céline Broeckaert, vond ik immers niet in m’n eigen kasten maar in die van de openbare bibliotheek. Dat laat echter niet weg dat ook in Ruimte voor vrijheid kwantumfysica ruimschoots aan bod komt.

Met dat verschil dat het in het boek van Bodifée niet het hoofdonderwerp is: dat hoofdonderwerp, en de reden waarom ik het op basis van de titel uitkoos om als volgende boek te lezen, is vrijheid. Ofte “datgene wat het leven”, dixit de achterflap, “het meest karakteriseert”. En volgens veel wetenschappers niet bestaat: “Wetenschap moet de nieuwe zekerheden opleveren en de wetten kenbaar maken waaraan mens en natuur gehoorzamen. De natuur, volgens de klassieke wetenschap, is een berekenbaar systeem waarvan de onderdelen wetmatig functioneren. Ook de levende wezens. Vrijheid is slechts een illusie.”

Maar zekerheid is dat ook: “Er blijken onbepaaldheden te bestaan in de natuur van de elementaire deeltjes, en een onverbreekbare samenhang tussen de waarnemer en het waargenomene. Exacte en objectieve kennis is daardoor uitgesloten. En waar de natuur complex is, verliezen de wetten hun eenduidigheid en laten ruimte voor vrijheid. In die speelruimte neemt het leven zijn initiatieven. Levende wezens zijn geen slaafse systemen, maar centra van instabiliteit, van niet-evenwicht, van opstand, en van een onvoorspelbare, scheppende activiteit.”

Waarmee de auteur van de achterflap (de inmiddels achtenzeventig jaar oude, maar ook nu nog steeds publicerende Bodifée zelf misschien?) een samenvatting heeft geschreven die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, maar die ook nauwelijks wat zegt over de aard van het boek. In dit boek neemt Bodifée de lezer immers mee langs filosofen, wetenschappers, weer filosofen, en weer wetenschappers, vanaf de Chaldeeuwse sterrenkundigen in Mesopotamië tot nu, hun theorieën kort samenvattend, hun denkrichting analyserend, hun werk inpassend in of tegenstellend aan wat door andere wetenschappers en filosofen eerder is verkondigd, steeds met niets anders voor ogen dan op het einde van het boek uitmaken of vrijheid te combineren is met wat de wetenschap ‘weet’. Hij doet daar zo’n tweehonderddertig bladzijden over, passerend langs de newtoniaanse wetenschap, de kwantumfysica, de thermodynamica en een aantal andere zijsprongen, maar verliest nooit zijn lijn uit het oog en… laat intussen niet na ook schoonheid te scheppen in zijn teksten. Iets wat je al voelt van bij de eerste paragraaf: “Tussen zekerheid en onwetendheid ligt, als een eiland vol leven, de aarzeling. Uit het licht dat zonder argwaan de ruimte vult en uit het zand dat niets beseft, groeien onzeker de vreemde vormen van planten. Tussen wolken en vallende druppels zoeken vogels een onwaarschijnlijke weg. Waar het leven verschijnt, wijkt een eeuwigheid vanzelfsprekendheid.” Hoe mooi wou u het hebben? Zo mooi als zijn intro van de Homo sapiens misschien?: “Ongewone warmte waaide over de aarde, tienduizend jaar geleden, en voerde golven van dooi en regen aan. Als een vergeten belofte kwam vanonder sneeuw en ijs de klamme grond weer te voorschijn. Een ijstijd was ten einde. Wat nog leefde, herademde. Toen kwam de mens in opstand. Allang een opmerkelijke verschijning met zijn riskante rechtopstaande houding, trad Homo sapiens plots driester op. Hij keerde zich tegen de aarde die hem had voortgebracht maar hem nauwelijks het bestaan gunde. Hij nam zijn omgeving op, kritisch, wrokkig en vol ambitie. De oude jager weigerde zijn lot, weigerde het ongelijke gevecht en weigerde de vlucht. De mens die de ijstijd doorstaan had, die dieren sterker dan hemzelf overwonnen had, die het vuur beheerste, was in staat het oude patroon te doorbreken. En hij begon te twijfelen. Met zijn onderzoekende ogen en onbegrijpelijke gedachten sloeg hij alle zekerheden weg. De natuur die nooit betrouwbaar maar altijd vertrouwd was geweest, hield op een vast gegeven te zijn. Zij werd een decor om te doorbreken, om te slopen en te gebruiken. De rebellerende mens wrong zich los uit zijn oude rol, maar begreep niets. Hij kon bouwen en afbreken; wat zou hij laten staan? Hij kon spreken; wat zou hij zeggen? Hij was in staat te doden; wie zou hij laten leven? Bezeten van zijn macht, begaf de mens zich het oerwoud van mogelijkheden in. Nooit was een dier zo gevaarlijk. Het leven op aarde, dat al zoveel beproevingen had doorstaan, vergat ijstijden en zondvloeden en begon aan de uitvoering van een nieuw plan. Het had Homo sapiens voortgebracht en liet hem nu begaan.”

Het liet hem begaan, maar hij had zelf geen plan, en wist in essentie niet wat precies te doen met zijn vrijheid. Hij keek omhoog naar de sterren, iets wat slechts mensen schijnen te doen, en ontdekte zo – weliswaar na enige tijd – dat er zoiets als regelmaat en wetmatigheid lijkt te zijn. De dwaling die vervolgens vele eeuwen zou heersen, is dat die regelmaat en wetmatigheid alles beheerst. Een uitgangspositie van waar we met Bodifée vertrekken voor een reis langs Democritos en Epicurus, langs Lucretius en de stoïcijnen, langs Sextus Empiricus en Thomas van Aquino, langs Dürer en More, langs Nicolaas van Cusa en Giordano Bruno, langs Galileï en Bacon, langs Copernicus en Kepler, langs Hobbes en de rationalisten, enzovoort, tot bij Isaac Newton en Christiaan Huygens en hun tegengestelde theorieën over de aard van licht. Tegengestelde theorieën die veel later, door de kwantumfysica zouden uitgeklaard worden, maar slechts ten koste van wat de auteur “het newtoniaanse denken” noemt, ten koste van de zekerheden. Wat immers “verloren ging in deze [newtoniaanse, noot van mij] natuurkunde, is wat aan de oorsprong ervan ligt: de menselijke vrijheid. Elke handeling van elk levend wezen is te herleiden tot fysische wisselwerkingen, bepaald door onontkoombare interacties tussen atomen en moleculen. Diep in de complexe mechanismen van het lichaam spelen zich dezelfde processen af als in alle substanties, van het zand in de aardkorst tot de gasvormige sterren. Wat mensen doen of laten, denken of ondernemen, wordt herleid tot het verloop van atomaire processen. Er bestaan dan geen initiatieven, geen keuzen en geen wil meer, alle gebeurtenissen volgen elkaar op in een ondoorbreekbare ketting van oorzaak en gevolg, overeenkomstig het newtoniaanse schema. De handelingen die we stellen, zijn de voorvallen die ons overkomen. Door de zintuigen zijn we op de hoogte van wat we verrichten, meer niet. We zijn getuige, slachtoffer eventueel, van wat ons overkomt, maar niet verantwoordelijk. Schuld bestaat niet, beloning is zinloos. Iemand verwijten dat hij zich niet behoorlijk gedraagt, is als een klok verwijten dat zij de tijd niet juist aangeeft. Alles wat mensen ondernemen, ten goede of ten kwade, is onvermijdelijk.”

“Dat is de klare en ondraaglijke boodschap”, voegt Bodifée daar even later aan toe, deze wetenschap “verwerpt de mens en alles waaraan hij waarde hecht. Zij geeft hem zelfs geen antwoord op zijn vragen. Zij ontkent de vraag.” En zij ondergraaft meteen haar eigen fundamenten: “Twijfel, vrijheid en initiatief als grondslagen van een wetenschap die slechts determinisme predikt! Plaatst de wetenschappelijke onderzoeker zichzelf en zijn gedrag dan buiten de werkelijkheid die hij bestudeert? Hoe kan hij twijfelen aan zijn opvattingen, als het slechts de enige mogelijke zijn, noodzakelijk veroorzaakt, zoals alles, door de omstandigheden van dat ogenblik?”

Hoe weinig verschil ook is daar te vinden met een zekere vorm van religie… “Hoe zou de mens in staat zijn uit vrije wil te kiezen tussen alternatieven, als God in zijn onbegrensde kennis van verleden en toekomst, reeds weet hoe de keuze zal uitvallen? Die ‘keuze’ ligt dan bij voorbaat vast. De mens kan slechts uitvoeren wat in de goddelijke kennis al aanwezig is. Maar hoe kan God de mens verantwoordelijk stellen als hij hem geen keuze laat? Waarom zou hij straffen of belonen? Waarom draagt hij op het goede te doen en het kwade te laten? Waarom de bergrede?” Een serie vragen die de filosofen van toen, bijvoorbeeld Baruch Spinoza, om een of andere reden niet zagen: “Goddelijke almacht of niet, voor vele filosofen had de idee van een menselijke vrije wil een onaantrekkelijk aspect, alsof zij een ‘gat’ laat in een voor de rest samenhangend heelal, alsof zij een onberekenbaarheid invoert in de natuur die haar op losse schroeven zet, alsof zij zou betekenen dat de schepping niet ‘af’ is.”

Maar al dat gezoek naar zekerheden moest dus leiden tot onzekerheden: “Nieuwe successen hebben het bouwwerk van de newtoniaanse natuurkunde hoger opgetrokken maar tegelijk onderaan de fundamenten weggenomen. Het monument van driehonderd jaar is niet ingestort, wankelt zelfs niet, maar zweeft. Voor wie nog droomt van de oude idealen, is de fysica onherkenbaar veranderd”. Beginnend met de thermodynamica, die kort samengevat aantoonde dat alle machines slecht lopen en zullen blijven lopen, en verder gaand met de kwantumfysica, “een produkt van de twintigste eeuw, haar meest fascinerende geschenk wellicht aan de volgende.” En langs figuren als William Thomson (de latere lord Kelvin) en Sadi Carnot, Rudolf Clausius en Henri Poincaré (wiens theorama zo ongeveer stelde dat “een leeggelopen fietsband (…) vroeg of laat vanzelf weer [zal] vollopen”), Ludwig Boltzmann en Josiah Gibbs, komen we bij Charles Darwin terecht. Een zijsprongetje – dat gebeurt nu eenmaal in de evolutie – maar wel een nuttig in dit verband: “Op het einde van de negentiende eeuw beschikt de wetenschap over twee evolutietheorieën, één voor de organische en één voor de anorganische materie, die elkaar flagrant tegenspreken. Al bestaan organische en anorganische stoffen uit dezelfde atomen en zijn ze onderworpen aan dezelfde wetten van de materie, ze evolueren in tegengestelde zin; de ene naar toenemende orde, de andere naar toenemende wanorde. (…) Een levend wezen is niet in evenwicht met zijn omgeving. Chemisch wijkt het er volkomen van af, en het moet zich op actieve wijze in stand houden. Ook als in de omgeving geen veranderingen optreden, is het voortbestaan van het levend wezen nooit verzekerd. Het wordt niet echt geduld, het moet zich voortdurend weren tegen spontane afbraakprocessen. Een kristal laat zijn omgeving met rust; een levend wezen is in opstand en gebruikt het milieu als reservoir waaruit het zijn voedsel en energie put en waarin het zijn entropie dumpt. Uiteindelijk komt een ogenblik waarop het, vermoeid of aangetast, begeeft. De afbraak treedt dan snel in en het evenwicht met de omgeving wordt hersteld. De afbraak is verklaarbaar door de thermodynamica van Clausius en Boltzmann. Maar het verzet ertegen, de inspanningen om een eigen weg te volgen, bergopwaarts, en niet weg te glijden in het dal waar alles tot rust komt, blijven mysterieus.”

Verder op weg dus. Met de kwantumfysici. Die ik hier en daar beter begrijp nu ik al voor de tweede keer in een paar weken een boek over dat onderwerp gelezen heb. Max Planck, Ernest Rutherford, Niels Bohr, Albert Einstein, Louis de Broglie, Max Born, Erwin Schrödinger, en zovele anderen die ik ook al de revue zag passeren in Waarom niemand kwantum begrijpt brengen ons tot conclusies die “meer dan ooit (…) schokkend [zijn]. De werkelijkheid wacht om werkelijkheid te worden tot iemand toekijkt. De materie wordt pas zeker van zichzelf als zij betrapt wordt. De natuurkundige, die aannam dat hij de natuur als neutrale getuige observeert, ontdekt zijn betrokkenheid. Hij kan niets doen, zelfs niet toekijken, zonder de gebeurtenissen een beslissende wending te geven. (…) De hele klassieke, rationele wetenschap is echter gebaseerd op de hypothese dat de uitwendige voorwerpen reëel bestaan en dat de verschijnselen hun eigen verloop kennen, onafhankelijk van een waarnemer. Het succes van de newtoniaanse wetenschap steunde op die evident geachte onderstelling, haar falen op het subatomaire vlak eveneens.” En “het kan waar of niet waar zijn dat quantummechanische onbepaaldheid aan de basis ligt van de biologische vrijheid, maar het kan niet ontkend worden dat het loutere bestaan van een fysische onbepaaldheid verregaande filosofische consequenties heeft. Ook in verband met de kwestie van de vrije wil. De newtoniaanse natuurkunde sloot elke vorm van vrijheid uit omdat determinisme en vrije keuze met elkaar niet te verzoenen zijn. De quantummechanica biedt voor een biologische vrijheid wellicht geen verklaring, maar neemt het obstakel weg van een absolute onverenigbaarheid met de natuurkunde. Als de natuur door niet meer dan waarschijnlijkheden bepaald is en de waarnemer met zijn tussenkomst beslissend ingrijpt, kan het cartesiaanse principe van een autonoom en wetmatig lopende materiële werkelijkheid niet langer volgehouden worden. Natuurprocessen zijn dan gekoppeld aan de intenties van de waarnemer. Ligt het initiatief voor wat zich in de natuur afspeelt dan ook niet, tenminste ten dele, bij het bewuste, kennende wezen?”

Onward, my noble steed’, denkt een Bodifée dan, wat is er voorbij of naast de kwantumfysica? De chaos, zo blijkt, of toch de chaostheorie, een theorie die zijn oorsprong kende in het erfgoed van Isaac Newton, de theoretische mechanica. Die bleek uiteindelijk al in de soep te draaien als er sprake was van méér dan twee ‘lichamen’, bijvoorbeeld planeten. Zó erg in de soep, dat de theoretische mechanica “op dat ogenblik haar deterministische karakter [verloor]”, terwijl net dat deterministische karakter haar basis was. Terwijl de baan van twee interagerende lichamen wél perfect te berekenen is, is dat met drie (of uiteraard meer) lichamen niet meer het geval. Je kan ze “met behulp van een mathematische uitdrukking van een eindig aantal termen nooit exact (…) weergeven. Enkel benaderingen zijn mogelijk. (…) De droom van een wetmatig perfecte kosmos valt in scherven.” En verder: “Een minieme afwijking kan aangroeien tot buitensporige afmetingen en op die manier beletten dat uit een waargenomen begintoestand de verdere evolutie van het systeem wordt voorspeld. (…) Als onmerkbaar kleine veranderingen in staat zijn een evolutie een totaal andere wending te geven, kan over het eindresultaat niets zinnigs meer gezegd worden. Het zal altijd weer anders zijn, zelfs in omstandigheden die bijna identiek zijn. Willekeur heerst dan in plaats van wetmatigheid, ook als niets dan welgedefinieerde wetten de evolutie besturen. Dat is chaos, ondanks, of dank zij, determinisme. (…) Chaos heerst overal. Chaos is daar waar de natuur in actie is. Maar chaos is niet zomaar wanorde. Orde gaat verloren als zich op één plaats veel niet samenhangende processen tegelijk afspelen, zoals wanneer de lucht trilt op alle toonhoogten tegelijk. Men hoort ruis. Alle tonen zitten erin, niemand herkent ze. Chaos is echter niet hetzelfde als ruis. Wat een natuurkundige onder chaos verstaat, is het onvoorspelbare gedrag van een deterministisch wetmatig processysteem, het complexe verloop van een eenvoudig proces. Zij lijkt een contradictie – de combinatie van wetmatigheid en onvoorspelbaarheid – en zij is altijd aangenomen een contradictie te zijn, maar zij bestaat waar chaos optreedt. Dat is de ontdekking van de jongste decennia. (…) Nooit zal het nog mogelijk zijn te hopen – of te vrezen – dat de toekomst voorspelbaar is. De natuurwetten lossen hun belofte niet in. Zij bieden de zekerheid niet waarvoor ze werden bedacht.”

En dan zijn we er bijna. Maar nog niet helemaal. Met de ontdekking van het DNA, ofte het molecule desoxyribonucleïnezuur, dook immers Een verrassende orde op, zoals de titel van hoofdstuk 10 luidt. DNA dat alles bepalend is voor hoe levende wezens er uit zien en functioneren, maar… zelf geen onveranderlijk gegeven is: “Het organisme zelf schikt door middel van chemische mechanismen binnen zijn cellen de atomen op zo’n manier dat de gerealiseerde DNA-structuur zinvol is voor datzelfde organisme (en voor zijn nakomelingen). Men zou kunnen zeggen dat het systeem gevormd door het DNA en zijn organisme deze schikking ‘gewild’ heeft. De biologische evolutie die naar deze configuratie van atomen geleid heeft en haar door overerving bestendigt (op mutaties na), heeft deze mogelijkheid blijkbaar ‘gekozen’. Maar willen en kiezen behoren niet tot de vermogens van moleculen. Binnen de moleculair-biologische interpretatie van het organisme, is deze terminologie onaangepast. (…) Misschien is de darwiniaanse evolutietheorie in staat een verklaring te bieden voor de ontwikkeling van het leven als een proces van toenemende zelforganisatie van de materie, maar waar kwamen de specifieke vormen en gedragingen vandaan? Toeval? Noodzaak? Of speelt er toch een wil?” Vragen waarop de, pas sinds de tweede helft van de vorige eeuw tot ontwikkeling gekomen, thermodynamica van niet-evenwichtssystemen (en dat zijn bijvoorbeeld stoomlocomotieven, maar ook wij) een antwoord kan bieden: “De natuur, althans de waarneembare natuur, gedraagt zich op de drempel van de instabiliteit wezenlijk onvoorspelbaar. De natuurwetten schieten te kort om het systeem een bepaald gedrag voor te schrijven; zij presenteren integendeel de bifurcatie. De natuur blijft als het ware ‘onvoltooid’; het systeem moet zelf een initiatief nemen over hoe het zijn gedrag zal voortzetten (…) Waar in open, niet-lineaire niet-evenwichtssystemen dissipatieve structuren optreden, vindt de natuur kwalitatief nieuwe vormen en gedragingen uit. Daar is de evolutie creatief en inventief. Wankelend op de drempel van interne instabiliteiten, speelt het systeem met mogelijkheden, probeert en selecteert het tot een half stabiel, half aarzelend nieuw regime de bovenhand krijgt (…) Waar de materie leeft, is zij vrij. Levende wezens zijn niet door specifieke hoedanigheden te karakteriseren, zij zijn zelfs niet echt te definiëren. Alles is mogelijk: de geniepige trucs van een virus om een ander zijn voortplanting te laten verzorgen, de fantasieloosheid van een bacteriekolonie, de grandioze stabiliteit van een sequoia, de vluchtigheid van een Ephemera vulgata, de ondoorgrondelijke bedoelingen van een reis naar Mars. Het zijn allemaal initiatieven van het leven. De concrete eigenschappen van de levensvormen zijn slechts de niet-noodzakelijke, niet-toevallige produkten van hun geschiedenis. Zij vormen het resultaat, niet van noodzaak, niet van willekeur, maar van keuzen.”

Nah goed, denken mensen dan die het allemaal toch nog een béétje in de hand willen houden, maar da’s dan toch allemaal zeer geleidelijk gegaan. En die geleidelijkheid toont toch aan dat die keuzes geen kwestie zijn van wil, maar van toeval. Ook daaraan twijfelt Bodifée: “Zijn alle realisaties van het leven wel te verklaren door een darwiniaans proces van moleculair schudden en ecologisch ziften? Ook het optische meesterwerk van een oog met regelbare lens? Ook de over veren en pennen voortlopende figuur van een pauwestaart? Ook het instinct van een vogel die weet hoe hij zijn nest moet bouwen met het oog op wat komt? Bij al deze complexe structuren geldt dat het bezit ervan pas voordeel oplevert als het een vergevorderde graad van perfectie bereikt heeft. Een toevallige mutatie die een onderdeel van een oog oplevert (een lens maar geen netvlies, of iets dergelijks), brengt geen enkel voordeel mee. Hoe kan zij geselecteerd worden? Het oog moet er vrijwel in zijn geheel zijn voordat het nuttig is. Eén enkele toevallige mutatie kan een dergelijke complexe constructie evenmin voortbrengen als één hamerslag een kant en klare auto uit een stuk plaatijzer kan slaan. Ofwel is het oog in afzonderlijke onderdelen ontstaan, maar dan moeten die stuk voor stuk overlevingswaarde gehad hebben. Dat vergt reeds een optimalisering van vele complexe factoren die niet van toevallige mutaties verwacht kan worden. Mensen, dieren en planten verraden een wil in wat zij doen. Ligt in de doelgerichte keuzen die zij maken, niet de verklaring voor de onwaarschijnlijke realisaties van het leven, eerder dan in de blinde mechanismen die binnenin de machine doen draaien? Een auto (en elk onderdeel ervan) is niet ‘ontstaan’, maar ‘gemaakt’. Hij beantwoordt aan een wil. Wie die wil bezat, heeft naar het doel toe gewerkt waardoor de gewenste structuur te voorschijn kwam.” Iets wat ook Darwin zélf, in zijn fameuze The Origin of Species dan nog, aan het twijfelen bracht, trouwens: “Aan te nemen dat het oog, met zijn weergaloos vernuftige inrichting om zijn brandpunt te regelen volgens de afstand, om zich aan te passen aan verschillende lichtintensiteiten, om te corrigeren voor sferische en chromatische aberratie, gevormd zou kunnen zijn door natuurlijke selectie, lijkt, moet ik toegeven, absurd in de hoogste graad.” Zo absurd dat hij, die nog steeds tegenover de mensen die geloven in ‘intelligent design’ gesteld wordt, een soort van... goddelijke hulp moest inroepen: “Zo ook, schrijft hij, moet het oog aanvankelijk een primitief orgaan geweest zijn, niet meer dan een plek van het lichaam die gevoelig is voor licht. Door een miljoenen jaren durend proces van geleidelijke veranderingen en selecties groeide het tot een geperfectioneerd beeldvormend orgaan. Daarbij moeten we aannemen” – daar komt ie – “dat een hogere macht steeds de minste veranderingen in het orgaan gadesloeg en er zorgvuldig deze uitkoos die een betere beeldvorming opleverden. ‘A power always intently watching…’ hield zich bezig met de sturing van het proces. De vader van de evolutieleer, die het boegbeeld zou worden van een wetenschappelijk atheïsme, roept een Schepper ter hulp om in te springen waar zijn theorie faalt.”

Een Schepper die dan niet op een paar dagen de mens, de dieren en de planten heeft gecreëerd, maar miljoenen jaren geduld heeft gehad om voortdurend naar toevallige mutaties te kijken en er de beste uit te halen. Een Schepper die dus behalve veel tijd ook weinig initiatief aan de dag legde, een Schepper die daarmee minder waarschijnlijk wordt dan die van Barbara McClintock, het bio-organisme zelf: “Door een langdurig onderzoek van de morfologie en chromosoomstructuur van de maïsplant, kwam Barbara McClintock erachter dat de chromosomen de invloed ondergaan van hun omgeving en dat daardoor niet alleen het DNA bepaalt hoe een organisme eruit ziet, maar dat het organisme ook mee bepaalt welke informatie het DNA bevat. McClintocks ontdekking is in strijd met het centrale dogma van de biologie dat stelt dat de genetische informatie in één richting stroomt: van het DNA naar het organisme, en niet terug. Haar conclusies herinneren aan de afgezworen opvattingen van Lamarck. Het zal onvermijdelijk geweest zijn dat deze vrouw haar onderzoek tegen onbegrip en weerstand van academische overheden in heeft moeten verrichten. Maar zij bracht uiteindelijk feiten aan het licht die de juichende darwinisten en moleculaire biologen niet zagen. De erkenning kwam in 1983 toen McClintock voor haar werk de Nobelprijs Geneeskunde ontving. Zij was toen 81.”

“Er is geen programma bekend”, besluit Bodifée na dat alles, “niet in de genen, niet in de hersenen, niet in het milieu, dat een mikkende hand haar doel oplegt. Men kan authentieke intentionaliteit in levende wezens slechts ontkennen op straffe van een radicale miskenning van de realiteit zoals die ervaren wordt. Een uitleg louter op basis van genetisch bepaalde instincten, hormonale stimuli, neurofysiologische reflexen en andere causale processen, is in zijn extravagantie volstrekt onbevredigend, en bovendien niet effectief. Geen enkele theorie op die basis is in staat haar opzet waar te maken door het gedrag van een levend wezen te voorspellen. Geen enkele theorie tout court is in staat de levensgedragingen te voorspellen, omdat wezenlijke onbepaaldheid en keuzemogelijkheid eraan ten grondslag liggen.” En: “De originaliteit van de menselijke initiatieven overtreft alles wat elders in de natuur ondernomen wordt. De grotschilderingen van Lascaux, de kosmologie van Hipparchos of de études van Chopin zijn ontstaan vanuit andere inspiraties dan die van een niet-lineair antwoord op een chemische of mechanische fluctuatie (…) Het zijn niet de kleurstoffen op de grotwanden van Lascaux, de stand van de sterren, of de snaren in Chopins piano die uit zichzelf deze realisaties hebben voortgebracht. De mens heeft er zijn inspiraties in uitgedrukt, en daartoe de natuurelementen naar zijn hand gezet. Hier manifesteren zich niet meer enkel efficiëntie of overlevingswaarde als gekozen doelen, maar andere waarden, die we schoonheid noemen, of geluk, of waarvoor we geen woord hebben. Doelgerichtheid wordt hier wilsmatigheid.”

“Deze vrijheid is zijn voorrecht”, voegt de auteur daar nog aan toe, “maar legt het gewicht van de wereld op zijn rug. Hij kan niet meer neutraal zijn, maar hij kan ook de consequenties onvoldoende overzien van wat hij doet. Het is zijn ongeluk en zijn grootsheid (…) Als complexe onbepaaldheid, als doelgerichtheid zonder doel, bestaat de mens enkel door zijn niet-bestaan. Een steen is áf, een mens moet op elk ogenblik beginnen aan zijn bestaan. Hij is het meest vrije voortbrengsel van de materie en daardoor het onvoltooide ervan. In hem is de natuur minder zelfzeker dan ooit en meer dan ooit op zoek naar haar afwerking. De mens weegt, oordeelt, beslist en verandert. Hij is de onzekerheid en plasticiteit van de wereld. (…) Het nieuwe van de mens is niet dat hij vernieuwt, niet dat hij zich ontwikkelt ten koste van andere soorten, niet dat hij het milieu transformeert en voor eigen voordeel aanwendt. Dat is oud en karakteristiek voor wat leeft. Het specifieke van de mens is dat hij criteria hanteert die niet langer beantwoorden aan biologische normen. Waar de mens als mens optreedt en zich niet slechts door een biologische erfenis laat leiden, zijn de ‘humane waarden’ zijn motieven. Die overstijgen de biologische functies of zijn er zelfs in strijd mee. Dat is het nieuwe. (…) Het menselijke is het on-biologische van de mens. Het manifesteert zich in wat hij doet als hij zijn biologische natuur doorziet, tart, negeert, gebruikt of verwerpt. Het manifesteert zich in Goethe die, met zijn beide handen aan de balustrade, de kathedraaltoren van Straatsburg beklimt om zich te oefenen tegen zijn hoogtevrees. ‘Onnatuurlijk’ menselijk is Socrates die de gifbeker kiest boven bevrijding uit de gevangenis, en de taoïst die in ascese de voltooiing zoekt van het leven. In zijn onredelijkheid en bezorgdheid onderscheidt de mens zich van de vóór-menselijke natuur. Vogels zingen, maar zij componeren niet, repeteren zelfs niet. Katten berekenen hun sprong, maar niet de loop van de planeten. Bijen leggen een wintervoorraad aan en planten slaan zetmeel op, maar verhandelen hun waar niet. Vele dieren beschermen liefdevol hun jongen, maar geen jong zorgt ook voor zijn oudgeworden ouders.”

Een mens zou er bijna van vergeten wat hij aan ‘prestaties’ van die fantastische mens allemaal rond zich ziet, maar – en daar zit toch wel een minpuntje in het verhaal – dát is volgens Bodifée dan weer niet te wijten aan de vrijheid waarvoor de mens de ruimte heeft: “Vaak richt hij zich weer naar de nog altijd vertrouwde en nog bruikbare orde van de animale natuur. Hij is amper een paar duizend jaar oud, Homo ethicus, en heeft de tijd nauwelijks gehad te groeien. In hem is het dier niet dood dat hij miljoenen jaren geweest is. De natuur met haar darwiniaanse reflexen die hij diep in zijn gedachten verwerpt, zit dieper nog in zijn genen verankerd. Telkens hij, uit onmacht, uit opportunistische keuze of uit onverholen voorkeur, zijn ethische doelstellingen niet kent of niet kiest en de biologische mechanismen vrij spel laat, vecht en moordt hij, voert hij oorlog en laat opnieuw oude wetten van macht en geweld regeren. Dan is de mens met zijn bovenmaatse technische middelen het meest gruwelijke wezen dat ooit in de biosfeer te keer ging. Dan verwoest hij wat hij heeft opgebouwd en leeft zich uit in perverse minachting voor het eigen leven.” Wie daarvan de bewijzen wil zien, kan naar de nieuwsberichten luisteren. De snaren die bespeeld worden als het om Oekraïne gaat of om Gaza zijn niet die van een piano. De lokroep die verspreid wordt, is niet die van de vrijheid: dit boek van Gerard Bodifée is letter voor letter meer dan het lezen waard, maar de mensheid heeft nog veel te leren over het gebruik daarvan.

Björn Roose

vrijdag 21 juni 2024

Proeven van liefde – Alain de Botton (boekbespreking door Björn Roose)

Proeven van liefde – Alain de Botton (boekbespreking door Björn Roose)
September 2021… Van zo lang is het intussen kennelijk geleden dat ik nog een boek van de Britse filosoof Alain de Botton gelezen en besproken heb. En dat terwijl ik intussen toch twee keer zoveel boeken van hem in mijn kasten heb staan. Toen ik immers Ode aan het kijken besprak, kon ik melden dat behalve dát boek ook nog De kunst van het reizen en Hoe Proust je leven kan veranderen in mijn bibliotheek te vinden waren, maar in 2023 kwamen daar Religie voor atheïsten, De troost van de filosofie en, ten slotte, Proeven van liefde bij. De hoogste tijd dus om er nog eens eentje ter hand te nemen en waarom dan niet meteen de jongste aankoop? Zeker omdat die jongste aankoop meteen ook zijn oudste boek is. Essays in love, zoals het boek in het Engels heet, dateert immers uit 1993, terwijl Ode aan het kijken in 2012 werd gepubliceerd.

En toch is er enige overlapping tussen beide boeken: het hoofdstuk Over waarachtigheid in Ode aan het kijken is een uittreksel uit Proeven van liefde. Of toch uit Essays in love, want het hoofdstuk Echtheid in Proeven van liefde is dan wel gebaseerd op dezelfde Engelse tekst, maar de vertaling is een andere, terwijl beide boeken toch bij dezelfde uitgeverij, Atlas, verschenen zijn. “De ironie van de liefde wil dat we het gemakkelijkst en met de meeste zelfverzekerdheid de mensen verleiden tot wie we ons het minst aangetrokken voelen, aangezien we bij een intens verlangen niet in staat zijn de daarvoor vereiste onverschilligheid op te brengen en bij een aantrekkelijk iemand worden geplaagd door een gevoel van minderwaardigheid ten opzichte van de perfectie die we de aanbedene toedichten”, zoals de eerste zin in Over waarachtigheid luidt, was in Echtheid bijvoorbeeld nog deze: “Het is een van de ironische kanten van de liefde dat we hen die ons het minst aantrekken het makkelijkst met overtuiging verleiden; de ernst van het verlangen blokkeert het noodzakelijke spel van achteloosheid en de aantrekkingskracht veroorzaakt een minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van de perfectie die we in de geliefde hebben aangetroffen.” Die laatste vertaling, van de hand van Harry Pallemans, is ondanks het feit dat ze zo’n zestig tekens korter is, eerlijk gezegd stukken leesbaarder dan de eerste, van de hand van Jelle Noorman, wat toch maar – mocht dat nog moeten – mooi aantoont dat het er wel degelijk toe doet wie een werk vertaalt.

Los daarvan: ook context is niet onbelangrijk. Noch op de achterflap noch binnenin Ode aan het kijken wordt vermeld dat de verschillende hoofdstukken van het boekje uittreksels uit andere boeken van de Botton zijn. Voor zover ik bij de bespreking van dat boekje wist, ging het hoofdstuk Over waarachtigheid dan ook “over… een afspraakje en hoe tijdens dat afspraakje jezelf te blijven”, waarna de Botton het in het hoofdstuk Over werk en geluk over “ernstiger dingen” had. Een idee waar ik van moet afstappen nu ik ook de context, zijnde de rest van Proeven van liefde gelezen heb: de Botton heeft, weliswaar op soms bijzonder grappige wijze, een ernstig werk over liefde geschreven. Niet over liefde voor de abstracte “naaste”, waarheidsliefde of iets dergelijks, maar over ‘romantische’ liefde tussen twee mensen. En nog wel in een bijzondere vorm: Proeven van liefde wordt namelijk beschouwd als fictie, maar is wel degelijk een bijzonder diepgravend filosofisch werk. Of de ik-figuur en de vrouw op wie hij verliefd wordt, Chloé, werkelijk fictief zijn, valt niet eens op te maken uit dit boek. Als ze dat wél zijn, heeft de Botton ze zéér overtuigend als echte mensen neergezet en zijn ze geen bordkartonnen personages gebleven waaraan de filosofie werd opgehangen. Wat dat geeft in de film My Last Five Girlfriends, de op het boek gebaseerde film van Julian Kemp uit 2010, weet ik niet, maar het lijkt me sterk dat een film van anderhalf uur dit boek van tweehonderdtweeëndertig bladzijden eer kan aandoen. Het feit alleen al dat Chloé in de film is opgesplitst in vijf personages lijkt dat ook duidelijk te maken.

Nu goed, dit is geen filmbespreking, terug over naar het boek. Fictie of niet, de Botton heeft niet alleen de hoofdstukken netjes in stukken gehakt (en de stukken vervolgens genummerd), maar ook de liefde. Beginnend bij de neiging van geliefden om hun ontmoeting als voorbestemd te zien en eindigend bij een zelfmoordpoging en dan opnieuw verliefd worden (zij het dan op een ander), passeert zijn ik-persoon langs de idealisering van de geliefde, verleiding, het beste van jezelf tonen zonder zo leugenachtig te worden dat er niks meer van jezelf overblijft, seks, de vraag of de ander wel echt van je houdt en wat er dan wel aan die ander mankeert om van iemand als jij te houden, Valse noten, verdraagzaamheid en hoe die zich verhoudt tot liefde, schoonheid en de subjectiviteit daarvan, Van liefde spreken, het verschil tussen de werkelijkheid en wat je in iemand ziet, waanideeën, intimiteit en het ontstaan van een gedeelde geschiedenis, het ‘ik’ in het ‘wij’, romantische heimwee (naar de mogelijke relaties die je mist door in een relatie te zitten), anhedonie, overspel en de reactie daarop, Romantisch terrorisme, ‘goed’ en ‘kwaad’ bij het beëindigen van een relatie, het vervolgens jezelf de dieperik in denken en dan weer de ander, en ten slotte het helen van de wonden. Als je dat hele pad volgt en er niets van jezelf in herkent, ben je wellicht kort van geheugen. Als je het niet helemaal kán volgen, omdat je – bijvoorbeeld – nog steeds bij je eerste lief bent, des te beter. Als je van oordeel bent dat het ik-personage het allemaal toch lichtjes overdrijft: dat kan kloppen. Dat van dat voorbestemd zijn, dat idealiseren, de verleiding, de moeilijke evenwichtsoefening tussen je beste ik en je ‘ware’ ik, je brein met moeite op halt kunnen zetten bij het vrijen, de valse noten, de vraag waar verdraagzaamheid begint en liefde ophoudt, en nog een paar van de ‘stappen’, die herken ik zeker – zij het dat ze niet altijd zo uitgesproken waren als bij de ik-persoon van dit boek, maar angst om gelukkig te zijn (anhedonie) heb ik bij mijn weten nooit gehad en zelfmoordpogingen heb ik nooit ondernomen, ook niet als het met de liefde even niet meer goed kwam. Er is de Botton wel eens verweten dat hij de moderne mens neerzet als een patiënt, “gedreven door schuld”, maar de Botton beweert in dít boek alvast nergens dat iedereen al de stadia van zijn ik-personage doorloopt en relativeert ook regelmatig de handelingen, de fixaties, het denkwerk van dat ik-personage. De beschreven fases zullen voor veel mensen, geheel of ten dele, op zich of in samenhang met een aantal andere, herkenbaar zijn, maar alleen al de allerlaatste alinea van het boek maakt duidelijk dat de Botton hier géén zelfhulpboek geschreven heeft of mensen die zich in het ik-personage herkennen naar de psychiater wenst te verwijzen: “Dergelijke lessen leken des te relevanter toen Rachel mijn uitnodiging om de volgende week uit eten te gaan aannam en alleen al de gedachte aan haar rillingen begon te veroorzaken in de streek die de dichters het hart hebben genoemd, en ik wist dat die rillingen maar één ding konden betekenen – dat ik opnieuw begon te vallen.” Het komt goed; zoals er na een begin een einde komt, komt er na een einde ook een begin.

En die relativering is ook niet alleen op het einde van het boek te vinden. Het eerste hoofdstuk, dat over Romantisch fatalisme, beëindigt hij bijvoorbeeld hiermee: “Mijn vergissing was geweest dat ik een voorbestemming om lief te hebben had verward met een voorbestemming om een bepaalde persoon lief te hebben. Het was de fout te denken dat niet de liefde maar Chloé onvermijdelijk was.” Iets wat hij dan weer onmiddellijk relativeert door daarop te laten volgen: “Maar mijn fatalistische interpretatie van het begin van ons verhaal bewees ten minste één ding: dat ik verliefd was op Chloé. Zodra ik zou vinden dat het uiteindelijk toeval was of we elkaar wel of niet tegenkwamen, niet meer dan een kans van 1 op 5840.820, zou ik ook niet meer de absolute noodzaak voor een leven met haar voelen – en dus niet meer van haar houden.” Kortom, ik ben een bijgelovige idioot, maar ik weet ook waarom. Of, zoals het op het einde van hoofdstuk 12, Scepsis en geloof, min of meer luidt, iemand met onschadelijke waanideeën: “Waanideeën zijn op zich onschadelijk, ze kunnen alleen kwaad als men de enige is die in ze gelooft, als men geen omgeving kan creëren waarin ze in stand gehouden kunnen worden. Wat maakte het uit of de bus echt rood was zolang Chloé en ik konden blijven geloven in de oneindig tere zeepbel die liefde is?” Of, uiteraard, een uiteindelijk toch niet zo heel erg goed voorbereide zelfmoordenaar: “De zelfmoordtekst [schrijven als uitgestelde zelfmoord] had vele versies gekend: er lag een stapel verkreukeld schrijfpapier naast me. Gewikkeld in een grijze jas zat ik aan de keukentafel, met als enige gezelschap het rillen van de koelkast. Ik greep abrupt een buisje pillen en slikte twintig bruistabletten vitamine C, maar dat besefte ik pas later.”

Een boek om te lezen als je niet net stapeldol verliefd geworden bent, zou ik zeggen. Een boek waarvan de inhoud je misschien voor de geest komt als je nogal hevig in een van de situaties terechtkomt die de Botton er in beschrijft. Een boek dat ongetwijfeld beter en goedkoper is dan allerlei ‘experten’: “Ik stond niet alleen in mijn utopische droom, ik was in het gezelschap van een groep mensen, laat ik ze romantische positivisten noemen, die geloofden dat met genoeg aandacht en therapie van de liefde een minder pijnlijke, zelfs bijna gezonde ervaring gemaakt kon worden. Deze verzameling psychoanalisten, predikers, goeroes, therapeuten en schrijvers erkende weliswaar dat de liefde veel problemen met zich meebracht, maar meende dat er voor echte problemen even echte oplossingen moesten bestaan. Geconfronteerd met de misère van de meeste gevoelslevens probeerden romantische positivisten oorzaken aan te wijzen – een eigenwaardecomplex, een vadercomplex, een moedercomplex, een complexencomplex – en remedies aan te dragen [regressietherapie, het lezen van De stad van God, tuinieren, meditatie]. Hamlet zou aan zijn lot hebben kunnen ontsnappen met behulp van een Jungiaanse psychiater, Othello zou zijn agressie op een therapeutisch kussen hebben kunnen uiten, Romeo had een geschikter iemand kunnen vinden via een relatieadviesbureau, Oedipus had zijn problemen in gezinstherapie kunnen bespreken.”

U kan dus kiezen voor iets beters: dit boek meenemen als u het ergens zou tegenkomen. Leesplezier zal u er alvast aan beleven.

Björn Roose

dinsdag 18 juni 2024

De binaire joker – John Vermeulen (boekbespreking door Björn Roose)

De binaire joker – John Vermeulen (boekbespreking door Björn Roose)
Dat ik de naam van een auteur niet ken, vind ik absoluut niet verbazingwekkend. Er zijn nu eenmaal zóveel auteurs in de wereld dat je al een regelrechte Encyclopedia Britannica moet zijn om die allemaal te kennen, laat staan bij te houden. Dat ik de naam van een Nederlandstalige auteur niet ken, vind ik al iets vervelender, maar eerlijk gezegd: er lijken ook in de Lage Landen iedere dag nog auteurs bij gemaakt te worden en ik lees dan wel al lang, maar ik ben ook nog geen eeuwigheid op deze planeet. Maar dat ik de naam van een Nederlandstalige science-fictionauteur niet ken, vind ik toch wel enigszins bizar. Hoeveel Nederlandstalige science-fictionauteurs kunnen er immers wezen?

Wel… geen idee, maar John Vermeulen (geboren in 1941, overleden in 2009) was er kennelijk een van. En wel al van op zijn vijftiende. Toen verscheen van hem zijn eerste boek, De vervloekte planeet, en er zouden er tot in 2007 nog tien volgen in het science-fictiongenre. Kort na voorliggend De binaire joker (gepubliceerd in 1979) en het snel daarop volgende Contract met een supermens (gepubliceerd in 1980) zou hij een pauze van meer dan vijftien jaar laten wat dat genre betreft en aan een serie thrillers beginnen, met als eerste 1000 meter van armageddon (1981) en als laatste Hellepoel (1990). In 1992 volgde zijn eerste historische roman, De Ekster op de Galg, en vanaf 1995 liepen alle genres bij Vermeulen door elkaar: behalve nog vier science-fictionboeken, evenveel thrillers en dito historische romans, kwamen er nog drie non-fictiewerken (als aanvulling op de zeven die hij er al had geschreven in de eerste helft van de jaren tachtig) en zes kinderboeken (ook daarvan had hij er al zeven geschreven in de jaren zeventig en tachtig). Over zijn toneelstukken (dertien in totaal), werken onder de naam Tessy Bénigne (een tweetal), en in allerlei tijdschriften (waaronder Playboy en Penthouse), verhalenbundels en jaarboeken opgenomen losse verhalen zwijg ik maar zedig, want daarop ingaan zou ons te ver leiden, maar, inderdaad, dat alles maakt het nog verbazingwekkender dat ik van deze auteur, die onder andere bij D.A.P. Reinaert, A.W. Bruna, De Dageraad, Standaard Uitgeverij, en Het Spectrum gepubliceerd werd, nog nooit gehoord had.

Nu, ik heb die onbekendheid wel een beetje goed gemaakt met in deze boekbespreking op ‘s mans werken te wijzen, denk ik, al is (voor mij toch) die onbekendheid misschien voor een deel te verklaren door enig gemis aan originaliteit. “Zelden lazen wij een sf-werk dat met zoveel humor en zoveel vaart werd geschreven. Een perfekte kombinatie van goede sf en goede luim”, liet Het Laatste Nieuws dan wel weten over De binaire joker, maar ik had het hele boek lang de indruk dat ik iets zat te lezen dat al eerder geschreven was op een wijze die al eerder gebruikt was. Niet slecht geschreven, daar niet van, en inderdaad geen slechte science fiction of humor, maar nergens kreeg ik de indruk dat Vermeulen een eigen stijl had ontwikkeld of dat dit verhaal alleen maar van hem had kunnen komen.

En dat nog los van het feit dat ik bij het lezen van de aanprijzende tekst op de voorkant even vreesde dat het over een soort HAL 9000 zou gaan, maar dan in een komische versie: “Het luchtige verhaal van honderdtachtig mensen, volledig overgeleverd aan de tirannieke boordcomputer van hun ruimteschip”. Toegegeven, Nestor, de boordcomputer in kwestie, begiftigd met wat toen nog niet algemeen bekend was als ‘artificiële intelligentie’, is een beetje eigenaardig en neemt initiatieven die de robots van Isaac Asimov nooit zouden kunnen nemen zonder finaal in de knoop te geraken met zichzelf, maar om hem nu ‘tiranniek’ te noemen, nee, dat niet. Hij vindt mensen maar een ongeorganiseerd zootje – niet geheel onterecht overigens -, maar gaat er desondanks van uit dat ze ook wel even hun plan kunnen trekken zónder hem. Wat, met heel wat improvisatie en ten koste van enige levens, inderdaad zo blijkt te zijn, al hebben ze hem uiteindelijk nodig om de zaak met succes af te ronden.

Die zaak zijnde dat ze een planeet – een in een serie van zes – moeten bezoeken om te kijken of die mogelijk bewoond is. Wat niet zo is, althans niet door iets dat een meer dan dierlijk niveau haalt, ondanks het feit dat ze een radiosignaal vanaf de planeet ontvangen, maar desondanks komen ze wel in de problemen terecht. Een of ander ras van aliens heeft van de planeet namelijk één groot landbouwgebied gemaakt, is geenszins gesteld op bezoekers, zit er voor geen euro mee in die te verdelgen, maar zou intussen toch graag het ruimteschip waarin ze gekomen zijn bewaren. ‘t Is per slot van rekening niet omdat je quasi onzichtbaar bent, niet spreekt (toch niet op een manier die wij kennen), en over een persoonlijk krachtveld beschikt waarmee je je zo ongeveer door alles heen kan branden, dat je niet kan verwachten nog iets te leren van de technologie van een ander.

Met dit gegeven, met een heleboel ‘relationele’ moppen (nog niet ‘woke’ overigens, geen homo’s en dergelijke te bekennen in dit boekje, al twijfelt kapitein Pendelgrass aan “het hormonenbestand” van de tweede in commando, Buddingh), discussies tussen de boordcomputer en de menselijke kapitein, en de neiging ook de signalen van de enige alien op het toneel mis te verstaan – allemaal zaken die om communicatie draaien dus (zelfs tot aan de uiteindelijke ontknoping toe) – weet Vermeulen, ondanks het reeds genoemde gebrek aan originaliteit, in ieder geval een onderhoudend boekje (zo’n honderdzeventig bladzijden in zakformaat) te vullen. Voor wie niet echt uit is op enige filosofische achtergrond (wel altijd ruim aanwezig in, bijvoorbeeld, de verhalen van de al genoemde Isaac Asimov) en, pakweg, niet bekend is met het werk van Robert A. Heinlein (van wie u eerder mijn bespreking van Het getal van het beest kon lezen), kan dat eventueel voldoende zijn. Voor wie wat beter thuis is in het science-fictiongenre is dit verhaal – waarin het enige stukje filosofie er in bestaat dat wie lang verwacht te leven ook veel banger is om dood te gaan dan wie dat niet verwacht - hoogstens een amuse-gueule, iets om even tussendoor te lezen. Maar goed, ook tussendoortjes mogen af en toe wel eens geserveerd worden.

Björn Roose