woensdag 6 september 2023

Dood in de namiddag – Ernest Hemingway (boekbespreking door Björn Roose)

Dood in de namiddag – Ernest Hemingway (boekbespreking door Björn Roose)
Toen ik voor het laatst, en voor het eerst, een boek besprak van Ernest Hemingway, zag de toestand in mijn boekenkast er nog enigszins anders uit. Naast het toen besproken Mannen zonder vrouwen bevonden zich daarin, wat Hemingway betreft, drie andere boeken (op de een week daarvóór besproken biografie van de hand van Paul Vanderschaeghe na), zijnde – uiteraard – De oude man en de zee, Voor wie de klok luidt en En de zon gaat op… Zo’n drie jaar later zijn daar De avonturen van Nick Adams (een bundel van oorspronkelijk los van elkaar gepubliceerde verhalen over het in de titel genoemde personage), De waarheid in het ochtendlicht, en voorliggend Dood in de namiddag bij gekomen. Geen spectaculaire vermenigvuldiging, maar toch een verdubbeling, terwijl ik niet speciaal op zoek ben gegaan naar boeken van de auteur, maar deze gewoon toevallig in mijn handen gevallen zijn.

Het spreekt voor zich dat wie niet speciaal op zoek is naar boeken van Hemingway ook niet speciaal op zoek is naar wat de man over stierenvechten geschreven heeft, zélfs al was hij (ik dus) zeer onder de indruk van het kortverhaal ter zake, De onoverwinnelijken, dat opgenomen werd in het eerder genoemde Mannen zonder vrouwen. En toch gaat ook Dood in de namiddag over stierenvechten. Niet kort, maar meer dan 320 bladzijden lang (toch in de Nederlandse vertaling die verscheen bij Uitgeverij Villa in 1983). 320 bladzijden over stierenvechten? Inderdaad, of toch bijna: Hemingway - ooit zelf stierenvechter geweest, maar naar eigen zeggen “te oud, te zwaar en te stuntelig”, met “het verkeerde figuur omdat ik op alle plaatsen waar ik slank moest zijn te dik was”, waardoor hij “in de ring (…) voor weinig meer [diende] dan als boksbal voor de stieren” - heeft een paar intermezzo’s voorzien (“Een natuurlijke historie van de doden”, bijvoorbeeld), een soort pauzes om het publiek niet te zwaar te belasten met wat op Hebban omschreven wordt als een “epos over de klassieke kunst van het stierevechten”. “In zijn krachtige, soms rauwe stijl, die schitterend past bij het onderwerp”, gaat de webstek “voor lezers door lezers” verder, “beschrijft Hemingway het zweet, de geluiden, de opwinding en de tragiek van het stieregevecht. Geïnspireerd door het intense leven en de onvermijdelijke dood op die hete gewelddadige middagen, bereikt hij de toppen van zijn kunnen.”

Waarmee de auteur van die tekst bewijst... de achterflap van het boek gelezen te hebben (al klopt het dat die namiddagen best heet zijn: “El sol es el mejor torero”). Op die achterflap wordt aan het einde van het hierboven weergegeven citaat nog toegevoegd “Het boek wisselt technische informatie af met prachtige literaire passie” en dat zit toch al iéts dichter tegen de waarheid, al is het nog steeds een verkoopspraatje. Eerlijker en veelzeggender zou het geweest zijn datgene op de achterflap af te drukken wat de auteur zelf in zijn Bibliografische notitie op het einde van het boek meegeeft: “Het onderhavige werk, Dood in de namiddag, is niet bedoeld als een historisch noch als een volledig werk. Het is bedoeld als een inleiding tot het moderne stierevechten in Spanje en het probeert dat spektakel zowel emotioneel als praktisch te verklaren. Het werd geschreven omdat er geen ander boek in het Spaans of in een andere taal over bestond. De schrijver vraagt de deskundige aficionados [de liefhebbers, noot van mij] om begrip voor zijn technische uitleg. Wanneer over de uitvoering van een enkele suerte al boekdelen vol controverses geschreven kunnen worden, zal de arbitraire uitlegging van één man ongetwijfeld voor velen onaanvaardbaar zijn.”

Reken dus vooral niét op passie van schrijverswege, op tragiek, op drama, zelfs niet op “rauwe stijl”. Dood in de namiddag is een, zoals Hemingway zelf wellicht gezegd zou hebben, in een “naturalistische” stijl geschreven zo niet álle dan toch zeer veel elementen omvattende inleiding tot het stierenvechten, in Spanje en daarbuiten, in het algemeen en in het bijzonder, in het verleden en in het toenmalige nu (het oorspronkelijke boek, Death in the afternoon, dateert van 1932). Zeker niet minder interessant, en – laat ons wel wezen – ook goed geschreven, maar géén roman (bij Bol.com gaan ze zover om het een “roman over dramatische en tragedische aspecten van het stierengevecht in Spanje” te noemen). De Engelstalige Wikipedia heeft het dan ook een stuk correcter voor als het Dood in de namiddaga non-fiction book (…) about the ceremony and traditions of Spanish bullfighting” noemt, een boek dat de lezer voorziet van “a look at the history and the Spanish traditions of bullfighting” en ook “a deeper contemplation on the nature of fear and courage” bevat, maar toch in essentie “a guide book” is.

A guide book” dat, aldus de auteur in het eerste hoofdstuk, mogelijk volgens sommige lezers “geschreven is door iemand die hun verfijnde gevoelens (…) mist”, iets waartegen hij “alleen ter verdediging [kan] aanvoeren dat dit misschien wel zo is.” En toch, schrijft hij, “kan iedereen die dit leest alleen maar echt zo’n oordeel vellen wanneer hij – of zij – de dingen waarover gesproken wordt zelf gezien heeft en werkelijk weet hoe hijzelf erop zou reageren.” Aan het einde van het boek voegt de auteur een hoofdstuk toe met de titel Een aantal reacties van enkele mensen op het integrale, Spaanse stieregevecht om zulks te illustreren, en hij heeft daarbij zeker niet nagelaten, naast de achtergrond van de bevraagden, zowel negatieve als positieve reacties te vermelden, noch laat hij na al van bij zijn eerste woorden aan te geven dat hij daar begrip voor heeft: “Ik denk dat vanuit een modern moreel standpunt, dat wil zeggen vanuit een christelijk standpunt, het hele stieregevechten niet te verdedigen is; er komt zonder twijfel veel wreedheid aan te pas, er bestaat altijd gevaar, hetzij bewust gezocht, hetzij onvoorzien, en de dood speelt altijd een rol (…)” Meer nog, “[ik] ging naar Spanje om daar het stierevechten te zien en te proberen er voor mezelf over te schrijven” en “dacht dat het iets ongecompliceerds, barbaars en wreeds zou zijn en dat ik er niet van zou houden, maar dat ik een bepaalde afgebakende handeling te zien zou krijgen die me het besef van leven en dood zou geven waar het me om te doen was.” “Die afgebakende handeling vond ik. Maar het stieregevechten was zo verre van ongecompliceerd en ik hield er zoveel van dat het mijn toenmalige schrijfcapaciteiten ver te boven ging en, afgezien van vier heel korte schetsen, was ik vijf jaar lang niet in staat er iets over te schrijven”.

Ik zal hier niet op alle aspecten ingaan waarover Hemingway uiteindelijk wél besloot te schrijven (dan kan ik net zo goed het boek kopiëren) - en die gaan van het lot van de paarden over de typische verwondingen bij de matadores en de fysieke en psychische gedragingen van de stieren tot de eigenschappen van de banderillas en de verschillende soorten zakdoeken waarmee de voorzitter van de corrida kan zwaaien -, maar dit boek lezen moet de enigszins van verstand voorziene lezer toch voorbij de drempel van het zuiver emotionele kunnen dragen en zo ook tot bij het begrijpen van waarrond deze gevechten draaien en hoe ze functioneren. Ook toén al, negentig jaar geleden dus, stond de traditie trouwens ter discussie: “Het stieregevecht is een Spaans instituut; het heeft niet bestaan vanwege de vreemdelingen en toeristen maar altijd ondanks hen, en elke stap om het gevecht zo te veranderen dat het hun goedkeuring kan wegdragen, wat nooit zal gebeuren, is een stap naar het volledige verbod op het stierevechten.” “Het zou natuurlijk prettig zijn voor de mensen die het wel leuk vinden”, schreef Hemingway daarover, en we leven in tijden dat dat “het” zo ongeveer álles kan zijn waar niemand tot een jaar of tien geleden lastig over deed (van vlees eten tot vliegen, van met de auto naar je werk gaan tot van oordeel zijn dat er maar twee geslachten bestaan), “als zij die het niet leuk vinden, niet zouden menen dat ze ertegen ten strijde moeten trekken of dat ze geld moeten geven om te proberen het te verbieden, want dat is beledigend voor hen of dat vinden ze vervelend, maar dat zou te veel gevraagd zijn en alles wat bij mensen hartstochten-voor kan oproepen, zal zonder twijfel even sterke hartstochten-tegen oproepen.”

Bijvoorbeeld kan je de reden leren waarom de stier uiteindelijk sowieso gedood wordt (in of buiten de arena): “Als de stieren, evenals de stierenvechters, in de gelegenheid werden gesteld hun kennis te vergroten en als deze stieren, die niet tijdens de toebedeelde vijftien minuten in de ring gedood werden, niet na afloop in de kralen werden gedood maar opnieuw mochten vechten, zouden ze alle stierenvechters doden als die stierenvechters ze volgens de regels zouden bevechten. Het stierevechten stoelt op het feit dat het de eerste ontmoeting is tussen een ongetemd dier en een man te voet. Dit is de fundamentele premisse van het moderne stierevechten: dat de stier niet eerder in de ring heeft gestaan. In de begindagen van het stierevechten mochten stieren worden bevochten die eerder in de ring hebben gestaan, maar toen werden er zoveel mannen in de arena gedood dat paus Pius v op 20 november 1567 een edict uitvaardigde waarbij hij alle christelijke vorsten die in hun land stierevechten toelieten excommuniceerde en iedereen die in de ring werd gedood een christelijke begrafenis ontzegde. Ondanks het edict bleef in Spanje het stierevechten gestadig doorgaan en de Kerk stemde er alleen in toe het stierevechten te tolereren toen werd overeengekomen dat de stieren slechts één keer in de ring zouden verschijnen.” Een feit waarop Hemingway gedurende dit boek nog verschillende keren terugkomt: bij illegale gevechten of pleingevechten of het soort ‘stratenlopen’ die je in Pamplona ziet, worden er al wél eens stieren ingezet die ervaring in gevechten hebben. In provincialere arena’s gebeurde (of gebeurt?) het ook wel eens. Sommige stieren doen zelfs tijdens dat éne oefengevecht tijdens hun jeugd te veel ervaring op, andere leren nog tijdens hun (net daarom zeer krap bemeten) tijd in de arena zó snel dat ze slimmer worden dan de matador tegenover hen. Wat uiteraard moet opgeteld worden bij het feit dat die stieren ook worden gefokt, genetisch voorgeselecteerd, om echte vechtmachines te zijn. “Fortuna heeft krullend haar, brede polsen, is potig stoer, getrouwd met veel geld, vecht precies vaak genoeg om geld van zichzelf te hebben, is zo moedig als de stier zelf en een fractie minder intelligent”, schrijft Hemingway over “een andere grote doder van het type slagersjongen”, “Diego Mazquiarán ‘Fortuna’ uit Bilbao”.

Over Baskenland, Pamplona in het bijzonder, en reeds eerder gebruikte stieren gesproken en voor het geval u zich wel eens afgevraagd heeft waarom die stier er dan bepaalde mensen van tussen gaat halen: “(…) als gevolg van de mechanismen van de geestelijke ontwikkeling van een stier levert de gebruikte stier geen briljant kijkspel op. Na zijn eerste aanval of daaromtrent blijft hij doodstil staan en wil alleen nog aanvallen wanneer hij zeker weet dat hij de man of de jongen die hem met een cape uit zijn tent probeert te lokken, ook te pakken krijgt [dit terwijl het ritueel in de arena’s er op gericht is dat de stier voor het doek, de muleta gaat, en niet voor de man, noot van mij]. Wanneer er veel mensen zijn en de stier op hen afstormt, zal hij één man eruit kiezen en hem blijven achtervolgen, hoe hij ook ontwijkt, wegrent of wegdraait [dit weerom in tegenstelling tot de matador, die in principe blijft staan, noot van mij], totdat hij hem te pakken krijgt en in de lucht smijt.”

En nu we toch in Baskenland zijn: “Bilbao is een rijke, lelijke mijnstad waar het net zo warm kan worden als in St.-Louis, ongeacht of het St.-Louis in Missouri of St.-Louis in Senegal is, en waar ze gek zijn op stieren en niets moeten hebben van stierenvechters. Wanneer ze in Bilbao een stierenvechter mogen, blijven ze net zolang grotere en steeds grotere stieren kopen waartegen hij moet vechten dat het ten slotte slecht met hem afloopt, hetzij geestelijk, hetzij lichamelijk. Dan zegt zo’n enthousiasteling uit Bilbao: ‘Zie je wel, allemaal één pot nat – allemaal lafaards, allemaal bedriegers. Geef ze een paar flinke stieren en ze vallen direct door de mand.’ Als u met eigen ogen wilt zien wat voor grote stieren ze kunnen fokken, hoeveel hoorn ze op hun kop kunnen hebben, hoe ze over de barrera kunnen kijken zodat u het gevoel hebt dat ze direct bij u op schoot komen zitten, hoe bikkelhard een publiek kan zijn en hoe verschrikkelijk stierenvechters geterroriseerd kunnen worden, moet u naar Bilbao gaan.”

Ik weet niet of dat nu nog geldt – zoals al gezegd is dit boek negentig jaar oud en het uitzicht van een stad kan al eens veranderen (volgens iemand die er onlangs nog geweest is, is het tegenwoordig een zeer mooie stad, al heeft hij dan telkens met de metro gereisd en zo misschien de lelijke delen overgeslagen) -, maar laat duidelijk zijn dat Hemingway zich wat het (prachtig) beschrijven van dingen betreft niet helemaal beperkt heeft tot stieren, stierevechters en alles wat aan een gevecht voorafgaat of er zich rond afspeelt: “Aranjuez [bij de liefhebbers van klassieke muziek zeker bekend van de schitterende compositie Concierto de Aranjuez van Joaquín Rodrigo, geschreven in 1939, dus relatief kort nadat dit boek tot stand kwam, noot van mij] ligt maar zevenenveertig kilometer van Madrid, aan een biljart-gladde weg. Het is een oase van hoge bomen, rijke tuinen en een snel stromende rivier midden in een bruine vlakte met heuvels. Er zijn lanen met bomen zoals je die als achtergrond op de schilderijen van Velázquez ziet, en op de dertigste mei kun je, als je geld hebt, er met de auto heen rijden, of je kunt, als je geen geld hebt, een speciaal gereduceerd derde-klasretourtje per trein nemen of met de bus gaan (er vertrekt een speciale bus van de Calle de la Victoria, tegenover de Pasaje de Álvarez) en wanneer je dan uit de hete zon van het kale woestijnland aankomt, zie je opeens in de schaduw van de bomen meisjes met gebruinde armen met manden verse aardbeien op de gladde, kale, koele grond zitten, aardbeien die je met duim en wijsvinger kunt omspannen, vochtig en koel, op groene bladeren in tenen manden opgestapeld. Deze aardbeien en ook nog bosjes prachtige asperges, elke stengel wel zo dik als je duim, verkopen de meisjes en de oude vrouwen aan de reizigers die uit de speciale trein uit Madrid en Toledo stappen en aan de mensen die per auto of per bus in de stad aankomen. Bij stalletjes waar ze boven een houtskoolvuurtje koteletten grillen en kippen roosteren kun je iets eten en voor vijf peseta zoveel Valdepeñas-wijn drinken als je kunt verdragen. Je kunt in de schaduw liggen of een wandeling maken en de bezienswaardigheden bekijken totdat het tijd voor de stieregevechten is.” Om dan te eindigen met: “In de Bädeker staat welke bezienswaardigheden er zijn.” En Aranjuez is maar één van de plaatsen waar Hemingway ook los van het stierevechten aandacht aan besteedt.

Voor Spanjegangers misschien een reden te meer om dit boek te lezen: wat blijft er nog overeind van wat voor Hemingway typisch was of minstens de moeite van het op- en omschrijven? En geldt dat ook voor het stierenvechten (ik heb nog nooit een dergelijk gevecht gezien)?: “Als je over dit alles gaat nadenken moet je het óf vanuit het standpunt van de stierenvechter bekijken, óf vanuit dat van de toeschouwer. De oorzaak van de hele verwarring zit ‘m in de kwestie van de dood. Stierevechten is de enige kunst waarbij het leven van de kunstenaar gevaar loopt en waarbij de graad van briljantheid die tijdens het optreden bereikt wordt, afhankelijk is van het eergevoel van de stierenvechter. In Spanje is eer een heel concrete zaak. Ze noemen het pundodor en dat betekent eer, rechtschapenheid, moed, zelfrespect en trots, allemaal in één woord. Trots is de voornaamste eigenschap van het volk en het is een kwestie van pundodor om geen lafhartigheid te tonen. Wie eenmaal lafheid heeft getoond, wie dit duidelijk en onmiskenbaar heeft getoond, is zijn eer kwijt en dan geeft een stierenvechter alleen nog cynische voorstellingen waarbij hij zijn inspanningen mondjesmaat doseert en enkel gevaar voor zichzelf creëert wanneer de financiële noodzaak zich aandient om zijn aanzien te versterken en contracten binnen te krijgen.” “Hoe oneerlijk een Spanjaard ook is”, voegt Hemingway daar nog aan toe, “voor hem is eer net zo concreet als water, wijn of olijfolie. Er bestaat eer onder zakkenrollers en eer onder hoeren. Alleen de maatstaven verschillen gewoon van elkaar.”

Maatstaven waarvan Hemingway in ieder geval vaststelde dat ze op andere gebieden helaas veranderd waren: “De stier Oficial van de fokkerij van de gebroeders Arribas vocht op 5 oktober 1884 in Cádiz, greep en verwondde een banderillero, sprong over de barrera en verwondde de picador Cahto op drie plaatsen, verwondde een guardia civil, brak het been en drie ribben van een politieagent en de arm van een nachtwaker. Het zou een ideaal dier zijn geweest om los te laten wanneer de politie voor het stadhuis op demonstranten inhakt. Als ze hem niet gedood hadden, had er een hele stam politie-hatende stieren gefokt kunnen worden zodat het volk zijn doorslag tijdens straatgevechten, die het door het verdwijnen van de straatstenen is kwijtgeraakt, zou terugkrijgen. Een straatsteen is op korte afstand veel effectiever dan een wapenstok of een sabel. Het verdwijnen van kinderhoofdjes en straatstenen heeft meer mensen ervan weerhouden regeringen omver te werpen dan pistoolmitrailleurs, traangasgranaten en automatische handwapens. Want het is juist tijdens de botsingen waarin de regering haar burgers niet wil doden maar alleen neerknuppelen, tegen de grond rijden en met de platte kant van de sabel op de knieën krijgen, dat een regering omvergeworpen wordt. Elke regering die één keer te vaak pistoolmitrailleurs tegen haar burgers gebruikt, komt automatisch ten val. Regimes worden met knuppel en ploertendoder in het zadel gehouden en niet met pistroolmitrailleur of bajoner, en toen er nog straatstenen waren was de meute waar je op los timmerde altijd gewapend.” Wat van hem ook niet per se moest: “Als we ooit een tijd krijgen dat je gedurende een paar dagen iedereen die je wil mag neerschieten, zou ik, denk ik, voordat ik zou beginnen verscheidene politiemensen, Italiaanse staatslieden, overheidsfunctionarissen, rechters uit Massachusetts en een paar jeugdmakkers neer te knallen, eerst een patroonhouder erin schuiven om die twee ringknechten te grazen te nemen. Ik zal geen verdere details omtrent hun identiteit onthullen omdat dit, als ik hen ooit mocht neerknallen, het bewijs zou zijn dat ik het met voorbedachten rade gedaan heb. Maar van alle wreedheden die ik ooit gezien heb, hebben zij het leeuwedeel opgeëist.” Al ging het bij die twee dan niet om wreedheden tegenover mensen, zoals bij artsen: “De stier sterft binnen vijftien minuten nadat de man begonnen is hem te bespelen en alle verwondingen die hij oploopt, krijgt hij in het heetst van de strijd en als ze niet méér pijn doen dan de verwondingen die een man in het heetst van de strijd oploopt, kunnen ze niet erg veel pijn doen. Maar zolang van de mens aangenomen wordt dat hij een onsterfelijke ziel heeft en artsen hem in leven proberen te houden wanneer de dood het grootste geschenk lijkt te zijn dat de ene mens de andere kan geven, ziet het ernaar uit dat de paarden en de stieren er nog goed van afkomen en dat de mens het grootste risico loopt.” Ook om te herbeginnen als hij er weer door komt, zo blijkt uit het verhaal van Luis Freg: “In de eenentwintig jaar dat hij als matador gevochten heeft hebben de stieren hem tweeënzeventig keer ernstig verwond. Nog nooit is een stierenvechter zo door de stieren afgestraft als hij. Vijf keer zijn hem de laatste sacramenten toegediend omdat men ervan overtuigd was dat hij zou doodgaan. (…) De laatste keer dat hij in Barcelona opgegeven was, afschuwelijk opengereten, de wond vol etter, ijlend en op sterven naar iedereen dacht, zei hij: ‘Ik zie de dood. Ik zie hem heel duidelijk. Ai ai, wat verschrikkelijk!’ Hij zag de dood heel duidelijk, maar hij kwam niet. Hij is nu failliet en geeft zijn laatste serie afscheidsvoorstellingen. Hij was twintig jaar lang ten dode opgeschreven en de dood is hem nooit komen halen.”

Mocht u, iets minder serieus ingestelde lezer, nu echter denken dat Hemingway het de hele tijd over dat soort bloedernstige zaken heeft, dan vergist u zich. Hemingway – en ik geef toe dat dat niet een van de eigenschappen is waarom hij bekend staat – komt in dit boek een aantal keer bijzonder grappig uit de hoek. Als hij iets compleet in het absurde trekt: “Van de dode muildieren die ik zag lagen de meeste langs de bergwegen of aan de voet van de steile hellingen waar ze van afgeduwd waren om de weg van hun belemmerende aanwezigheid te ontlasten. In de bergen, waar je aan hun aanwezigheid gewend was, schenen ze niet zo erg uit de toon te vallen en zagen ze er minder strijdig uit dan later het geval was, in Smirna, waar de Grieken de benen van al hun lastdieren braken en ze over de kade het ondiepe water induwden om ze te laten verdrinken. Al die muildieren en paarden die met gebroken benen in het ondiepe water lagen te verdrinken riepen om een Goya om ze te schilderen, al kun je, letterlijk genomen, moeilijk zeggen dat ze om een Goya riepen omdat er maar één Goya geweest is en die was al lang dood, en het is hoogst twijfelachtig of deze dieren, zo ze konden roepen, geroepen zouden hebben om een geschilderde weergave van hun situatie, maar ze zouden veel waarschijnlijker, als ze woorden konden vormen, geroepen hebben om iemand die hun omstandigheden kon verlichten.” Of als hij zichzelf – ‘postmodern’ vóór dat een dingetje geworden was - op een zeker moment onderbreekt, bijvoorbeeld: “Maar, zo roept u, wat zit er toch weinig conversatie in dit boek. Waarom zit er niet meer dialoog in? Wat we in een boek van deze vent willen hebben, zijn mensen die met elkaar praten; dat is het enige dat hij kan, maar nu doet hij het niet. Die kerel is geen filosoof, geen geleerde, een incompetente zoöloog, hij drinkt te veel en kan niet met leestekens uit de voeten, en nu schrijft hij zelfs geen dialoog meer. Iemand moet daar een stokje voor steken. Hij is helemaal stieregek. Waarde heer, u hebt misschien wel gelijk. Laten we er daarom een beetje dialoog in stoppen.” Of als hij het... in een van de gefingeerde dialogen met “de oude dame”, heeft over een bepaald Italiaans restaurant bijvoorbeeld: “Het zit er stampvol met politici die staatslieden worden waar je bij staat.” Of in antwoord op de stelling van diezelfde “oude dame” dat het “wel erg gevaarlijk [moet] zijn om man te zijn”: “Dat is het zeker, mevrouw, en slechts weinigen overleven het. Het is een hard vak en aan het eind van de rit wacht het graf.” Of in de zeventig bladzijden lange Verklarende woordenlijst achteraan het boek, een woordenlijst waarin Hemingway aandacht besteed aan “bepaalde begrippen, termen en uitdrukkingen die bij het stierevechten gebruikt worden”, maar ook aan een aantal andere, en alleen al omwille van dat laatste de moeite waard is om óók doorgenomen te worden. Bijvoorbeeld wat betreft de term “aburrimiento” ofte “verveling”: “het overheersende gevoel wanneer het stieregevecht slecht is. Kan enigszins verholpen worden door een flesje koud bier. Als het bier [aan de kwaliteiten daarvan in verschillende Spaanse regio’s wijdt de auteur enige zinnen onder de term “cerveza”, noot van mij] niet erg koud is, neemt de aburrimiento toe.” Een fenomeen dat ook logisch te verbinden is met het woord “botella” in diezelfde woordenlijst: “een fles; deze worden door woestelingen, dronkelappen en overenthousiaste toeschouwers in de ring gegooid om hun misnoegen kenbaar te maken”; een fenomeen waarover hij het ook elders in het boek heeft: “[ik] wil (…) eraan toevoegen dat ik heilig geloof in het gooien met kussentjes van allerlei maten en gewichten, van stukken brood, sinaasappelen, groenten, allerlei kleine, dode dieren inclusief vissen, en indien noodzakelijk, van flessen, vooropgesteld dat ze niet naar het hoofd van de stierenvechters gegooid worden, en nu en dan het in brand steken van een arena wanneer een normaal fatsoenlijk protest geen effect gesorteerd heeft.” Trouwens, “de fles [is] een soeverein middel voor directe actie. Als je er niet mee kunt gooien, kun je er altijd nog uit drinken.”

Of datgene wat aan het einde van de uitleg over het woord “maricón” – een term die volgens Hemingway zeker van toepassing was op El Greco, waarvan hij op een zeker moment de werken naast die van de eerder genoemde Goya legt, een vergelijking die hij beëindigd met “Viva El Greco, el rey de los maricones!” - in diezelfde woordenlijst staat nog steeds geldig is in een Spanje dat de jongste jaren een serieuze inhaalbeweging gemaakt heeft inzake politieke ‘correctheid’, kan iemand die de gelegenheid heeft een slecht presterende stierenvechter aan het werk te zien (en volgens Hemingway is dat de meerderheid, los van het feit dat ook goed presterende stierenvechters vaak slechte gevechten laten zien) uiteraard zélf uitzoeken, maar ik geef u toch nog graag de uitleg mee. Het woord is een afgeleide van “marica”, wat een ekster is, maar wordt gebruikt voor “flikker, mietje, nicht, poot, ruigerik enzovoort. In Spanje heb je hen ook, maar onder de dikke veertig matadores de toros die er zijn ken ik er slechts twee. Dit is geen garantie dat de belanghebbende partijen die voortdurend proberen te bewijzen dat Leonardo da Vinci, Shakespeare en anderen homoseksueel waren, er niet meer zouden kunnen vinden. Van dat bewuste tweetal is de een een bijna pathologische vrek zonder enige moed, hoewel heel kundig en delicaat met de cape, een soort gevelarchitect van het stierevechten, en is de ander beroemd om zijn moed en zijn onhandigheid en nooit in staat geweest één peseta te sparen. In stierenvechterskringen wordt het woord gebruikt als schimpscheut of bespotting, of als belediging.”

Enfin, da’s niet de essentie van dit boek, de essentie is dat u er werkelijk – voor zover ik dat kan beoordelen – alles in te weten komt dat over stierevechten te weten valt, zelfs al zijn de belangrijke figuren van toen al lang vervangen door andere en zijn er altijd nieuwigheden: “Ik heb in deze opsomming alle fenomenen weggelaten en niemand opgenomen die niet heeft bewezen dat hij recht heeft op een beoordeling”, schrijft Hemingway ergens. “In het stierevechten zijn er altijd nieuwe fenomenen. Tegen de tijd dat dit boek uitkomt zullen er nog nieuwere zijn. Begoten door de publiciteit spruiten ze elk seizoen op, dank zij een goede middag in Madrid met een stier die vriendelijk voor hen was; maar de trompetwinde is een bloemenmonument van eeuwige duurzaamheid vergeleken bij deze één-triomfvechters. Over vijf jaar, met alleen af en toe iets te eten maar met hun enige goede pak altijd keurig netjes zodat ze dat naar het café kunnen aantrekken, kun je hen horen vertellen dat ze tijdens hun presentatie in Madrid beter waren dan Belmonte. Misschien is het nog waar ook. ‘En? Hoe ging het de laatste keer?’ vraag je. ‘Ik had een beetje pech bij het doden,’ zegt dan het ex-fenomeen. ‘Alleen een beetje pech.’ En jij zegt: ‘Wat jammer nou. Maar ja, je kunt niet altijd geluk hebben bij het doden,’ en voor je geestesoog zie je het fenomeen, zwetend, spierwit en ziek van angst, niet in staat naar de hoorns te kijken of er dichtbij te komen, een paar degens op de grond, capes overal om hem heen, schuin op de stier afrennend terwijl hij hoopt dat zijn degen een vitale plek zal treffen, kussentjes die de ring in zeilen en de ossen die klaar staan om binnen te komen. ‘Alleen een beetje pech bij het doden.’ Dat was twee jaar geleden en sindsdien heeft hij niet meer gevochten, behalve ‘s nachts in bed wanneer hij nat van transpiratie en angst wakker wordt, en hij zal niet meer vechten tenzij honger hem ertoe drijft en dan zal hij, omdat iedereen weet dat hij een waardeloze lafaard is, stieren moeten accepteren die niemand anders wil hebben en als hij zich voldoende vermand heeft om iets te doen wordt hij, omdat hij al lang niet meer getraind heeft, misschien door de stieren gedood. Of in het andere geval heeft hij weer ‘een beetje pech bij het doden’. Er zijn zevenhonderdzestig-en-nog-wat mislukte stierenvechters die in Spanje nog steeds hun vak proberen uit te oefenen; de vakkundigen hebben geen succes omdat ze bang zijn en de dapperen omdat ze geen talent hebben. Soms, als je pech hebt, zie je hoe de dapperen gedood worden.”

“Nee, een beetje boek is dit niet geworden”, besluit Hemingway, “maar toch moesten er een paar dingen gezegd worden. Er moesten een paar praktische dingen gezegd worden.” Wat hij met glans heeft gedaan.

Björn Roose

vrijdag 1 september 2023

Het getal van het beest – Robert A. Heinlein (boekbespreking door Björn Roose)

Het getal van het beest – Robert A. Heinlein (boekbespreking door Björn Roose)
Wie de mogelijkheid zou hebben in mijn bibliotheek te snuffelen – en virtueel kan dat altijd via Librarything – zou daar behalve voorliggend Het getal van het beest ook nog drie andere boeken in vinden waarin Robert A. Heinlein bij de auteurs vermeld staat: Supernova I, De dag erna… het leven na de bom, en Science-fiction verhalen. Allemaal bundels dus, bundels die ik gekocht heb zonder specifiek op de naam Heinlein te letten: ik ben nogal gek op Isaac Asimov, iets wat mijn vaste lezers ook al hebben kunnen afleiden uit eerdere boekbesprekingen, en als een bundeling een verhaal van hém bevat, is dat voor mij voldoende reden om die mee te nemen.

Maar los van dat laatste: ik heb nog geen van die bundels gelezen (hoe ouder ik word, hoe groter de kans dat boeken in mijn bezit ook ongelezen blijven), dus Het getal van het beest was een eerste kennismaking met een auteur die toch, sámen met Isaac Asimov en de u – minstens – van 2001: een ruimte-odyssee en 2010: Odyssee 2 bekende Arthur C. Clarke, gerekend wordt tot de Grote Drie van de science-fictionliteratuur. Een eerste en meteen ook bijna laatste kennismaking, zo dacht ik na een dertigtal bladzijden. Dat kán voor een deel aan de vertaling (van de hand van Bob van Laerhoven) gelegen hebben, en ik heb me ook doorheen het boek hier en daar nog geërgerd aan een duidelijk gebrekkige eindredactie, maar een feestje, huwelijksaanzoek, tweede huwelijksaanzoek, bomaanslag, mysterieuze vijanden, teletijdmachine én een bij momenten bijzonder op de zenuwen werkend turbotaaltje waren ongetwijfeld belangrijker redenen waarom ik eerder geërgerd dan meegesleept werd. Het feit dat in de niet ondertekende inleiding belachelijke woorden als ‘essefschrijver’ en ‘essef’ gebruikt worden en er ook nog meegegeven wordt dat de auteur “zelf aan het woord [komt] om zijn gedachten, opvattingen en wensen te verduidelijken, meestal vermomd als de hoofdpersoon Lazarus Long die, zoals zijn naam aangeeft, verschillende metamorfosen in ruimte, tijd en geslacht meemaakt en vooral werk maakt van het bespreken van twee seksuele taboes, met name de relatie tussen oudere en jongere en de incest”, zal me, in hindsight, óók al niet met een positievere indruk aan het boek hebben doen beginnen (ik zou mezelf niet omschrijven als een fan van incest), maar een bh omschrijven als ‘tietenhangmat’, van ‘afrodisiacum’ ‘aphrosidiaccum’ maken of van ‘Möbiusband’ ‘Möbisu-strip’, en patserige oneliners afwisselen met paragrafen als de volgende doén het hem voor mij niet: “Ik moet zijn transformaties zonder verder bewijs aanvaarden. Maar die transformaties zijn gebaseerd op het idee dat er zes ruimte-tijd-coördinaten zijn, drie van de ruimte, namelijk de normale drie die we zien en die we x, y en z gaan noemen, en drie tijd-coördinaten. De eerste noemen we ‘‘t zoals dit “(t)” volgens en een tweede die we tau noemen volgens het Griekse alfabet “(T)” de derde coördinaat komt van het Cyrillische alfabet “teh”. (m).” Zo’n dingen probeer ik ten hoogste gedurende twee zinnen te doorgronden en daarna haak ik af. Ik sla zo’n passages over.

Maar… ik heb het boek niét dichtgeslagen. Ik heb hier in mijn boekenkasten intussen een boek of vijf van Umberto Eco staan omdat die me ooit, bij het lezen van De slinger van Foucault, zo ver heeft gekregen dat ik na een bladzijde of honderd verdere lezing opgegeven heb en ik mezelf dat na al die jaren nog niet vergeven heb (en dus ooit eens een tweede poging wil doen), dus moet een auteur al wat langer dan een bladzijde of dertig op mijn zenuwen werken om tegenwoordig nog afgevoerd te worden. Iets wat Heinlein op de een of andere manier begrepen heeft, want na zo’n bladzijde of dertig begint Het getal van het beest inderdaad verteerbaarder te worden en op den duur zelfs interessant genoeg om meer van het soort hierboven genoemde passages grotendeels te negeren, de seksuele opvattingen van de auteur er maar bij te nemen (wetende dat hij, hoe conventioneel, drie keer trouwde en uiteindelijk ‘rechts’ in het politieke spectrum eindigde), en de spitse dialogen te zien voor wat ze zijn: spitse dialogen. Wennend ook aan de nogal aparte verhaalstructuur: ieder hoofdstuk wordt voorafgegaan door een klein fragmentje uit dat hoofdstuk (geen samenvatting zoals Godfried Bomans die geeft bij zijn Pa Pinkelman of Jörgen Lembourn bij zijn Graaf Frederik, maar echt een tekstfragmentje) én… door een ander personage verteld. De ik-figuur is daarmee nu eens Zebediah ‘Zeb’ John Carter, dan weer zijn (al snel) vrouw Dejah Thoris ‘Deety’ Burroughs, een andere keer haar vader Jacob ‘Jake’ Burroughs, en nóg een andere keer diéns (al snel) vrouw Hilda Corners (om maar te zwijgen van die paar keer dat nog een ander personage de vertelrol voor zijn/haar rekening neemt).

Klinkt knap ingewikkeld, maar is het – los van het feit dat je om de haverklap van geslacht, leeftijd en interne gedachtewereld wisselt – eigenlijk niet, en past wonderwel bij het feit dat het viertal samen met Gay Deceiver, een soort auto-annex-ruimtetuig, van universum naar universum vliegt (“als een toerist die dertig landen in twee weken probeert te bezoeken”, dixit Deety) en daarbij op verrassender locaties terechtkomt dan de diverse crews die Star Trek’s Enterprise en Voyager hebben bemand. De achterflap heeft het over “een strafkolonie op Mars, waar het Britse Rijk en Rusland oorlog voeren”, “gehoornde monsters, moordlustige Russen en een machtige Lilliputtersvloot”, maar zeker die laatste reeks getuigt toch wel van een zéér diagonale lezing van dit boek, net zoals de stelling dat de personages “met zijn drieën” – de schrijvelaar van de achterflap kan klaarblijkelijk niet eens tot vier tellen – “de aarde [verlaten] op zoek naar de thuiswereld van het Beest”, wat gewoon klinkklare nonsens is. Ze vluchten, ja, voor wezens die ze “Zwarte Hoeden” noemen (naar verluidt een vanaf de jaren 1950 typische benaming voor naamloze vijanden), en besluiten te gaan rondkijken in andere universa, die dankzij de door Jacob Burroughs uitgevonden teletijdmachine makkelijk te bereiken zijn, maar de referentie naar het getal van het Beest betreft er geen naar een bepaalde “thuiswereld”, en zelfs de ‘Zwarte Hoeden” verdwijnen gedurende een groot deel van het boek naar de achtergrond als ze – met z’n allen, want dáár zijn de vier het (in tegenstelling tot wat geldt voor vele andere dingen) volkomen over eens – besluiten dat ze op zoek moeten naar een universum/planeet waar er behoorlijke verloskundigen zijn en waar ze hun kinderen (beide vrouwen zijn behalve in no time getrouwd ook in no time zwanger geraakt) tot volwassenen kunnen laten opgroeien.

Volwassenen… tsja, maar dan wellicht toch niet zonder een stevige interesse in kinderboeken. Even passeren de vier in hun Gay Deceiver inderdaad over een vloot van Lilliputters – u ongetwijfeld bekend van Jonathan Swifts Gullivers reizen -, maar ze brengen beduidend meer tijd door in een universum waar Alice Liddell de hoofdrol speelt en een ander waar die taak opgenomen wordt door Dorothy Gale. Goed, ze duiken niet in het konijnenhol en krijgen niet af te rekenen met een smeltende heks, maar wellicht had u aan de hand van die namen alleen al Alice in Wonderland en The Wonderful Wizard of Oz herkend. Ik vertel u lekker niet wat ze daar allemaal doen en laten, maar geef u wél graag mee dat referenties naar andere boeken, inclusief die van Heinlein zelf, cameo’s, persiflages, en dergelijke meer, zijn wat dit boek waard maakt om gelezen en nóg eens gelezen te worden. Met dat laatste voor ogen houd ik het ook in mijn boekenkast. Ik ken namelijk wel een aantal “beelden” uit De tovenaar van Oz, Alice in Wonderland, Gullivers reizen, enzovoort, maar moet tot mijn scha en schande toegeven dat ik die verhalen en vele van de andere waarnaar verwezen wordt nooit gelezen heb en dus waarschijnlijk ook een massa van de ‘fijnere’ verwijzingen in Het getal van het beest over het hoofd zie. Iets wat lullig is een keer je beseft dat net dié dingen dit verhaal boven het gemiddelde ruimteavonturenverhaal uittillen.

Soms krijg je – al is dat nooit zo als hij naar eigen personages uit andere boeken verwijst (bijvoorbeeld “Slipstick Libby” of de uitgebreid optredende en al in de inleiding vermelde Lazarus Long en de Howardfamilie) - wat uitleg van de auteur zelf, bijvoorbeeld aangaande de personages ‘Deety’ en ‘Zeb’ die in een ánder verhaal, A Princess of Mars van (jawel) Edgar Rice Burroughs (zoals de familienaam van ‘Jake’ en ‘Deety’ luidt) óók een koppel vormen, een koppel dat enige avonturen beleeft op Mars, een planeet die door zijn bewoners ‘Barsoom’ wordt genoemd. Maar de verwijzing naar H.G. Wells en George Pal (György Pál Marczincsak met zijn oorspronkelijke Hongaarse naam) is ondanks het feit dat die tweede rechtstreeks aan de titel van het boek van die eerste, The Time Machine, gekoppeld wordt al veel minder expliciet, en of de naam van Jacobs overleden vrouw, Jane, een verwijzing is naar de Jane Porter van Tarzan of the Apes, wordt al helemaal niet gezegd, maar Tarzan of the Apes was wél een creatie van dezelfde Edgar Rice Burroughs die ook het Barsoom-universum schiep. En dan sta je nog maar aan het begin van het boek.

Nog terwijl ik deze boekbespreking aan het schrijven ben, kom ik er bijvoorbeeld achter dat “Gay Deceiver” ook een alternatieve naam was voor een “highwayman” ofte een reizigers overvallende rover. Dat het viertal in de hoofdrol zich doorheen het boek al eens als piraten wil identificeren, zij het dat dat thema niet echt uitgewerkt wordt, lijkt alvast ook deze verwijzing voor waarachtig te verklaren: perfecte naam voor het “schip” van deze boekaniers. Terwijl toch heus niet élke verwijzing met een omwegje gebeurt: die naar Asimov (met onder andere Nightfall, de Foundation-trilogie en de robotverhalen, of toch die waarin Susan Calvin een rol speelt) en Clarke (én Heinlein, die zichzelf en passant verwijt dat hij rare dingen geschreven heeft voor het geld) bijvoorbeeld zijn soms impliciet (in de vermomde conferentie van science-fictionauteurs waarmee het boek afsluit bijvoorbeeld – al worden ‘Isaac’ en ‘Arthur’ vervolgens aangeduid als Newton en Conan Doyle), soms expliciet (al is de verwijzing naar “Clarke’s wet” uiteraard slechts een verwijzing naar één van zijn drie wetten), maar ze zijn volkomen zichtbaar. Net zoals die naar Charles Kettering bijvoorbeeld (bekend van de ‘wet’ die stelt dat “logica (…) een georganiseerde manier [is] om het met overtuiging verkeerd te hebben”) of naar Edward Murphy (ook al bekend van een ‘wet’ en talloze varianten daarop, al is het dan verre van zeker dat die ‘wet’ effectief van Murphy is).

En dan zijn er ook nog verwijzingen waar verder – voor zover ik kan zien, want ik ken ze zoals gezegd niet goed genoeg of helemaal niet – nauwelijks nog wat mee gedaan wordt, zoals Polaris (bekend voor fans van X-Men), Ballantine Del Rey (een uitgever waarvoor onder andere de Grote Drie actief waren, maar bijvoorbeeld ook J.R.R. Tolkien en H.P. Lovecraft), Carl Sagan, (The) National Geographic, de ridders van de Ronde Tafel (in het bijzonder Galahad), de fabels van Aesopus (waarbij de vertaler óók de draad kwijt was en het niet over koning Kikker en koning Ooievaar heeft, maar het bij “koning Log” en “koning Stork” houdt, zoals ze in het Engels heten), de “broad arrow” gebruikt op gevangenenuniformen, Doctor Who (al is dat een gok van me), Samuel Johnson (u mogelijk bekend als de man met het woordenboek in episode 2 van de derde serie van Blackadder), Paul Anderson, Larry Niven (The Mote in God’s Eye, geschreven samen met Jerry Pournelle), het wiskundige werk van Charles Lutwidge Dodgson (de echte naam van Lewis Carroll) en in het bijzonder zijn boeken Symbolic Logic part 1 en part 2, het Darkover-universum van Marion Zimmer Bradley (bij een breder publiek waarschijnlijk bekender van The Mists of Avalon), Jack Williamson (Legion of Space), Poul Anderson (Polesotechnic League), Edward Elmer ‘E.E.’ Smith (Lensman, Skylark, Galactic Patrol), Lysistrata (een komedie van de Griek Aristophanes, voor het eerst opgevoerd in 411 voor onze jaartelling), Edgar Allen Poe, de Kilkenny Cats, Atlantis (een verloren gegaan continent dat zich intussen in dertien universa bevindt en waarvan de inwoners ruzie maken over waar het echte ligt), Walhalla, Bifrost, enzovoort, enzoverder. Mogelijk had Heinlein geen eind kunnen breien aan het aantal verwijzingen als zijn personages niet zelf hun bezoeken aan andere universa beperkt hadden: “Met de eliminatie van hoge bevolkingsaantallen, een te koud klimaat en een te laag technisch peil, aangeduid door een lage of helemaal niet bestaande stroom van communicatiefrequenties, bracht mijn dochter het getal op zesenzeventig werelden, plus drieëntwintig die we opnieuw moesten onderzoeken. Het was nog niet eens lunchtijd en ze had al vierduizend werelden geëlimineerd!”

Enfin, door het ontdekken van het universum van Heinlein heb ik zin gekregen om het universum van Heinlein te ontdekken. Een paradox? Misschien. Maar toch geen ergere dan bijvoorbeeld deze: “(…) het zou wel de theorie vernietigen die ik heb opgesteld en die ervoor verantwoordelijk is dat ik hier in een badkuip zit in een door de tijd reizende vliegende schotel met een fantastische man – op beide manieren – terwijl ik weet dat hij een fictief personage is uit een boek dat ik jaren geleden heb gelezen. Dat maakt ook mij tot een fictief personage, maar daar maak ik me geen zorgen over omdat ik het boek niet kan lezen waarin ik voorkom, net zoals jij het boek niet kunt lezen waarin ik over jou heb gelezen.” Terwijl dat voor mensen die door de tijd reizen natuurlijk… wél kan. Een steek die Heinlein laten vallen heeft? Of... nóg een verwijzing?

Björn Roose

dinsdag 29 augustus 2023

Achter de Muur – Oost-Duitsland 1949-1990 – Katja Hoyer (boekbespreking door Björn Roose)

Achter de Muur – Oost-Duitsland 1949-1990 – Katja Hoyer (boekbespreking door Björn Roose)
Af en toe denk ik eigenlijk dat ik me wat boeken betreft beter zou beperken tot kringwinkels, uitverkopen en rommelmarkten. Niet dat ik me bij het bezoeken van een niét op tweedehands gerichte boekhandel te buiten ga aan het kopen van romans, kookboeken of reisgidsen, maar in de afdeling Geschiedenis of Filosofie vind ik nog ál te vaak boeken die ik de moeite waard vind om ook effectief in mijn bezit te hebben en niet “gewoon” te lenen bij de bib (wat ik ook al eens doe). Dat was óók zo met Achter de Muur – Oost-Duitsland 1949-1990 van Katja Hoyer, al heb ik bij het lezen van de achterflap toch nog getwijfeld.

Op die achterflap las ik namelijk dit: “In 1990 verdween een land van de wereldkaart. In de eenenveertig jaar die Oost-Duitsland heeft bestaan, was het in Westerse ogen meer een metafoor dan een echte plek, meer het clichébeeld van het grauwe communisme dan een land van echte mensen. Na de eenwording van Duitsland werd de geschiedenis van de DDR gepolitiseerd en gebagatelliseerd. Het leek alleen maar over Stasi-agenten, de greep van het partijapparaat en de onvrijheid van de burgers te gaan. Katja Hoyer rekent af met deze achterhaalde perceptie. In Achter de Muur presenteert zij voor het eerst een volwaardige, evenwichtige geschiedenis van de DDR – een geschiedenis die enerzijds werd gemarkeerd door wachttorens aan de grens, door geheime politie en brute onderdrukking, maar anderzijds door uitgebreide sociale zorg, ongeëvenaarde gendergelijkheid en afschaffing van privileges. Er waren burgers die het zwijgen werd opgelegd, maar er waren er ook die zich voor het eerst gehoord voelden. Aan de hand van uitgebreid nieuw onderzoek en getuigenissen uit de eerste hand schrijft Hoyer over een fascinerend verleden. Van de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog tot aan de ineenstorting van de Sovjet-Unie is dit het ware verhaal van dat andere Duitsland, het Duitsland achter de Muur.”

Je kan zoiets natuurlijk nemen zoals het er staat, maar ik zou mezelf niet zijn als ik niet een béétje cynisch zou wezen over dat soort aanprijzing. Die zou namelijk – met hier en daar een woord vervangen door een ander uiteraard - even goed op een boek over Cuba van de hand van Raúl Castro kunnen staan. Beginnen met wat er fout gegaan is, met een obligaat mea culpa, maar dan vele hoofdstukken lang doorgaan over de zegeningen die vervolgens over het aanvankelijk, en ook nadien nog wel een beetje, bedrogen volk zijn uitgegoten. Een slim aangepakte apologie, zeg maar. Een captatio benevolentiae van de kritische lezer eindigend op een in liters honing verpakte leugen. Een vermoeden dat door diezelfde achterflap niet kon ontkracht worden op basis van wat die te melden heeft over de auteur: “Katja Hoyer, geboren in de DDR, is een Duits-Britse historica en journaliste. Ze studeerde aan de Friedrich Schiller Universität in Jena en is nu verbonden aan King’s College en de Royal Historical Society in Londen. Ze is columniste van The Washington Post en schrijft voor The Spectator en Die Welt. Eerder publiceerde ze het uitbundig geprezen Blood and Iron, The Rise and Fall of the German Empire, 1871-1918. Katja Hoyer woont in Sussex, Engeland.” Aangezien ik noch lezer van The Washington Post, The Spectator of Die Welt ben, noch dat “uitbundig geprezen” boek heb gelezen, noch een bijzondere hoogachting heb voor King’s College, de Royal Historical Society, of de universiteit van Jena (al is die me dan, onder andere wegens het feit dat de doorgaans minder “uitbundig geprezen” priester Cyriel Verschaeve er een eredoctoraat mocht in ontvangst nemen, wel bekend), noch het als een prestatie beschouw geboren te zijn in een land (ook niet als dat land vijf jaar na je geboorte ophoudt te bestaan) of te wonen in een ander, zegt dat me namelijk niks en kan het op geen enkele manier tot aanbeveling (of tot terzijdelegging) van een boek strekken.

Maar desondanks heb ik het er op gewaagd en dit boek gekocht. Volkomen terecht, zo bleek. Niks van de ondanks het verkooppraatje gevreesde eenzijdigheid, geen recht lullen van wat krom is, maar effectief een “volwaardige, evenwichtige geschiedenis van de DDR”. Een vlot leesbare geschiedenis bovendien én een geschiedenis die éérder begint dan bij “de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog”, aangezien die geschiedenis dáár laten starten voorbij zou gaan aan het feit dat de fundamenten van die DDR niet bovenop die puinhopen gelegd werden, maar al vanaf 1918 in de Sovjet-Unie. Een geschiedenis die ook eerder eindigt dan bij “de ineenstorting van de Sovjet-Unie” trouwens: de DDR (de Duitse Democratische Republiek) was al meer dan een jaar wijlen toen ook de Sovjet-Unie zijn laatste adem uitblies.

Vergeet die achterflap dus: bij Querido Facto (dat de vertaling van het eerder dit jaar bij Penguin Random House in het Engels verschenen Beyond the Wall in de – lijkt het mij toch – deskundige handen van Pon Ruiter, René van Veen en Saskia Wieberdink gaf) hebben ze van de achterflap iets willen maken dat óók (vooral misschien) nostalgici naar het ‘goede oude Oostblok’ kon overtuigen van aankoop, maar het feit dat er ook een aantal, minstens op het eerste zicht, aantrekkelijkere kanten van de DDR onder de aandacht worden gebracht, is geenszins van aard om van dit boek een open doekje te maken voor Walter Ulbricht, Erich Honecker, Egon Krenz of hun acolieten. En dat de auteur in haar Voorwoord én Epiloog verwijst naar Angela Merkel – zoals bekend geboren en getogen in Oost-Duitsland – verandert daar al evenmin iets aan. In dat Voorwoord gaat het immers om haar onvrede met het gegeven dat haar Oost-Duitse afkomst “in een publicatie van de Konrad-Adenauer-Stiftung, een stichting die dicht bij Merkels eigen politieke partij [de CDU, noot van mij] stond” als “ballast” werd aangeduid, “alsof dat leven vóór de hereniging er eigenlijk niet toe deed, of je er nou goede of slechte ervaringen mee had gehad”. Terwijl het in de aan de Noten, Bibliografie, en Register van personen voorafgaande Epiloog gaat over haar verzoek aan de fanfare van de Bundeswehr om bij haar aftreden in 2021 Nina Hagens Du hast den Farbfilm vergessen te spelen, een verzoek dat – dixit Hoyer en ongetwijfeld correct – “niet [was] ingegeven door het verlangen om de DDR opnieuw tot leven te wekken”, maar terugdenkend “aan haar leven voor en na de Berlijnse Muur”: “de westerse angst voor een wijdverbreide Ostalgie, zoals het verlangen naar de DDR wordt genoemd, is ongegrond gebleken. De opvolgers van de SED hebben in het oosten van Duitsland altijd meer aanhang gehad, maar een meerderheid hebben ze nooit weten te behalen. Bodo Ramelow, de premier van Thüringen [en sinds begin 2020 leider van een minderheidskabinet, noot van mij], is tot dusverre de enige politicus van Die Linke die ooit een hoge politieke functie heeft weten te bereiken. Er zijn maar weinig aanwijzingen dat de meerderheid van de Oost-Duitsers terug wil naar het socialisme van de DDR.” Wat uiteraard niét wil zeggen dat ze, zoals zovelen van ons, maar blijven genoegen nemen met wat ze ervoor in de plaats gekregen hebben: “Bij de verkiezingen van 2021 stemde een kwart van alle kiezers niet, terwijl bijna 16 procent op Alternative für Deutschland, een uiterst rechtse partij, stemde, en 7 procent op de extreemlinkse Die Linke. Als je die percentages bij elkaar optelt, kun je concluderen dat bijna de helft van het Oost-Duitse electoraat de gevestigde partijen zijn rug lijkt te hebben toegekeerd. Misnoegen over middenpartijen stuit vaak op hoon in plaats van dat daardoor een dialoog op gang komt. In 2021 zei Marco Wanderwitz, federaal staatssecretaris en tegelijk Beauftragter der Bundesregierung für die neuen Bundesländer, dat er ook na dertig jaar Oost-Duitsers waren die nog niet in de democratie waren aangekomen. Zo’n uitspraak, uitgerekend uit de mond van de man die tot taak had de situatie in de voormalige DDR te verbeteren, verraadt een verbijsterend defaitisme. In plaats van een dialoog op gang te brengen om erachter te komen waarom volgens een deel van de Oost-Duitsers het systeem niet goed functioneert, gaat men ervan uit dat het bestaande politieke systeem boven alle kritiek verheven is en dat mensen het gewoon niet begrijpen.” Wie daarin enige gelijkenissen ziet met wat hier te lande, en dan heb ik het over de hele Nederlanden, bon ton is in mainstream media en in de centrumpolitiek, ziet absoluut geen spoken.

Wie dit boek leest, deze “nieuwe geschiedenis van de DDR die het verdwenen land in al zijn facetten laat zien: van hoge politiek tot het leven van alledag”, een boek gebaseerd op vraaggesprekken met “politici zoals Egon Krenz, een van de laatste leiders van de DDR, maar ook entertainers, zoals popzanger Frank Schöbel” en “mensen die de staat draaiende hielden: leraren, accountants en fabrieksarbeiders, maar ook politieagenten en grenswachten”, zal er overigens achter komen dat die gelijkenissen niet beperkt blijven tot het nu. Damals blijken er soms óók meer gelijkenissen geweest te zijn dan verschillen tussen het Duitsland voor en achter de Muur, tussen ‘het Westen’ en ‘het Oostblok’, en ook toen werd er heus niet alleen gesmokkeld met goederen of mensen: waarden bleken niet altijd even waardevol, noch voor noch achter die Muur.

Maar ook los daarvan is dit een zéér interessant boek. Ik moet in alle eerlijkheid bekennen dat ik voorafgaand aan dit werk van Katja Hoyer wel flarden van informatie verzameld had over wat zich achter die Muur afspeelde – onder andere via mensen die wel eens aan die kant geweest waren en bij die gelegenheid activiteiten hadden ontwikkeld die ongetwijfeld niet op de wenslijst van het regime stonden – en in mijn bibliotheek over het communisme zit bijvoorbeeld ook een propagandaboekje uitgegeven door de communistische overheid aldaar (De DDR stelt zich voor, Verlag Zeit im Bild, 1974), maar mijn kennis over de voorgeschiedenis in Rusland, de machtsovername in de Russische bezettingszone, de geleidelijke overgang van bezettingszone naar “onafhankelijk” land, en de interactie tussen dat land en het officieel niet-bezette (maar tot op heden nog steeds aan de hand van Uncle Sam lopende) West-Duitsland (de BRD, Bundesrepublik Deutschland) was uitermate beperkt, een probleem waar Achter de Muur – Oost-Duitsland 1949-1990 zeker aan verholpen heeft.

Ik had er bijvoorbeeld geen idee van dat “er in het midden van de jaren dertig zo’n achtduizend Duitse politieke emigranten [communisten dus, noot van mij] in de Sovjet-Unie [verbleven]” en dus óók niet dat die mensen, ondanks het feit dat hun toewijding aan het communisme zo ver ging dat ze er hun vaderland voor hadden verlaten en vrijwillig naar de Sovjet-Unie waren geëmigreerd, op een zeker moment loslopend wild geworden waren voor Stalin. Die besloot namelijk in 1937 dat dat allemaal potentiële spionnen waren voor nationaal-socialistisch Duitsland en liet ze vanaf 29 juli van dat jaar massaal arresteren: “Hitlers vijfde colonne moest koste wat het kost worden uitgeroeid, met wortel en al. Stalins argwaan richtte zich bepaald niet alleen op de onlangs geïmmigreerde Duitse ballingen. Verdacht was iedereen die Duits sprak, de Duitse nationaliteit bezat of etnisch Duits was, en zelfs iemand die geen Duits staatsburger was, maar een connectie met Duitsland had. Stalin had tienduizenden mensen in het vizier. NKVD-bevel Nr. 00439 was het startschot voor de ‘Duitse Operatie’ waarbij in totaal 55.005 mensen werden aangehouden. Van hen werden er 41.898 doodgeschoten en 13.107 veroordeeld tot langdurige gevangenschap. Dit lot trof driekwart van alle politieke emigranten. Ooit stonden ze in de gunst van het Sovjet-regime, maar nu was niemand meer veilig. Hele gezinnen, woonblokken, straten en fabrieken werden uitgekamd. Meer leden van het uitvoerend comité van de KPD kwamen om door toedoen van Stalin dan van Hitler”… Baaam!, denk je dan, als dát niet van de regen in de drop is.

Maar communisten zijn niet slimmer (of dommer) dan nationaal-socialisten: “Niet alleen carrièrejagers en ideologische extremisten probeerden nu te bewijzen dat ze voor honderd procent loyaal aan Stalin waren. Het was een zaak van leven en dood geworden. De enige manier om aan te tonen dat je geen ‘in rood gehulde fascist’ was, was het aanbrengen van anderen die dat kennelijk wél waren. Toen Stalin in februari 1937 plotseling een woedeaanval kreeg en uitriep: ‘Iedereen in de Communistische Internationale werkt voor de vijand’, raakte de Duitse afvaardiging in paniek. Dit leidde tot een overvloed aan aantijgingen.” “Na de zuiveringen, de interne sanering bij de KPD en de potsierlijke ommezwaai na het Hitler-Stalinpact was de kring van vertrouwelingen binnen de communistische enclave in Moskou ineengeschrompeld tot een fanatieke kern. Deze kleine groep moest onvoorwaardelijk gehoorzaam zijn aan Stalin en alle banden met hun vroegere Duitse kameraden doorsnijden. De kern van deze selecte kliek werd gevormd door Walter Ulbricht en Wilhelm Pieck, die naderhand het socialisme in Duitsland in de geest van Stalin vorm moesten gaan geven.” Om maar te zeggen dat de fundamenten effectief in Moskou opgebouwd werden en dat die fundamenten op geen enkele manier in de buurt kwamen van liberté, égalité, fraternité, maar vooral te maken hadden met de bereidheid alles, ook het leven van anderen, op te offeren voor het redden van het eigen hachje én de Sovjet-Unie: “Uit Ulbrichts gedrag in zijn jaren in Moskou bleek dat hij geen stevig moreel kompas had en in de eerste plaats de Sovjet-Unie wilde dienen. Aan zijn loyaliteit [tegenover Stalin, noot van mij] hoefde niet te worden getwijfeld.” Hij en Pieck waren ook de enigen van de negen leden van het politbureau van de KPD die de ballingschap in de Sovjet-Unie overleefden en geen van de zeven anderen stierf van ouderdom.

Net zomin als vele van de Duitse vrouwen die bij de “bevrijding” door de Sovjets seks hadden met de rode soldaten dat vrijwillig deden: “Soldaten van het Rode Leger die door ondervoeding, onderkoeling en ondraaglijke tegenslagen ook maar overwogen om het op te geven dreigden (…) op bevel van Stalin te worden neergeschoten. Ongeveer 150.000 Sovjetsoldaten werden gedood door hun eigen officieren. De rest vocht door, en toen de oorlogskansen ten slotte gekeerd waren, konden zij eindelijk hun verschrikkelijke wraak ten uitvoer leggen. Ze werden opgehitst door hun bevelhebbers en door Sovjetpropagandisten, zoals de populaire schrijver Ilja Ehrenburg die in zijn infame pamfletten beweerde: ‘Duitsers zijn geen mensen’, en soldaten aanspoorde om wraak te nemen op elke Duitser en daarbij vrouwen en kinderen niet te sparen. Zo vielen in de laatste fases van de Tweede Wereldoorlog lange colonnes dronken en bandeloze mannen het oosten van Duitsland binnen. Onder de invloed van zelf meegenomen alcohol of anders van gevaarlijke chemische stoffen die ze hadden buitgemaakt bij het plunderen van nog overeind gebleven opslagplaatsen of fabrieken, leefden ze zich uit in een geweldsorgie zonder weerga. Naar schatting 2 miljoen Duitse vrouwen zijn door Sovjetsoldaten verkracht, alleen al in Berlijn rond de 100.000. In de dagen en weken dat het Rode Leger naar Berlijn trok moesten vrouwen dit lot vaak meerdere malen ondergaan, veelal in de vorm van groepsverkrachtingen .”

“‘Bevrijding’ zou altijd een bitter en hol woord blijven voor de Duitse vrouwen en meisjes die hiervoor lichamelijk en psychisch de tol hadden moeten betalen”, maar dat zou niet beletten dat ze nog vele jaren met hun “bevrijders” opgescheept bleven. De Sovjets waren niet tot in Berlijn getrokken om zich nadien terug te trekken, net zomin als de “bevrijders” van de andere kant: “Ulbricht moest onder meer bewerkstelligen dat de bevolking het Sovjetbestuur ging vertrouwen. Dat was geen sinecure. De ideologen, die de hele oorlog in ballingschap hadden doorgebracht, hadden weinig benul van de beproevingen van de gewone mensen voor wie zij deze nieuwe staat ontwierpen. Op hun beurt werden zij gewantrouwd, als lakeien van Stalin die hun vaderland de rug hadden toegekeerd. Ze werden beschouwd als verraders van landgenoten die alles voor hun land hadden opgegeven en ervoor waren gestorven. Nu waren ze als overwinnaars teruggekeerd en leken ze een kongsi te zijn aangegaan met de hordes dronken buitenlandse indringers die zich uitleefden op de straten en moordden, verkrachtten en plunderden. De vijandige stemming werd nog aangewakkerd door het gebrek aan voedsel, brandstof en andere essentiële levensbehoeften. Het idee van wederopbouw en vernieuwing sprak sommige Duitsers aan en vervulde hen met hoop, maar de gedachte dat te moeten doen onder de laars van Stalin stond velen tegen.” En dat het onder die laars zou gebeuren stond wel vast: “In Duitsland bracht Ulbricht Stalins boodschap gehoorzaam over aan de leden van zijn groep. Hij zond hen naar Berlijn om hun missie te volbrengen. Wolfgang Leonhard herinnerde zich nog dat Ulbricht hen opriep om in alle twintig districten van Berlijn antifascistische gemeentebesturen te formeren. Dat was het moment waarop Ulbricht de historische woorden uitsprak die prototypisch zouden zijn voor de Oost-Duitse politiek. Een nieuwe regering in Berlijn, zei hij tegen zijn discipelen, ‘moet er democratisch uitzien, maar we moeten alles in eigen hand houden’.”

Wat niet al te moeilijk gemaakt werd door de Amerikanen en de rest van ‘het Westen’: “Dresden en Berlijn zijn in het collectieve geheugen opgeslagen als de verschrikkelijkste voorbeelden van door oorlog verwoeste steden, maar ze zijn bepaald niet de enige. Zo werd in Rostock, een grote Duitse havenstad aan de Oostzee, zo’n 85 procent van de huizen beschadigd door Britse en Amerikaanse bombardementen. Volgens schattingen werden door de Tweede Wereldoorlog 20 miljoen Duitsers dakloos en was bijna de helft van de woningen in het land verwoest.” En: “De geallieerde overwinnaars waren overeengekomen dat het omwille van de vrede in Europa nodig was om de etnische Duitsers te verdrijven uit de gebieden ten oosten van de Oder en uit de toekomstige delen van Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Joegoslavië, Roemenië en de Sowjet-Unie. Ze verordenden dat dit ‘op ordelijke en humane wijze’ moest geschieden, maar de vluchtende of verdreven personen merkten hier weinig van. De vluchtelingen werden gehaat door de Russische soldaten en door de burgerbevolking die tijdens de oorlog zoveel had moeten lijden onder de Duitse gewelddadigheden. Daarom werden de vluchtelingen slachtoffer van buitensporige wreedheden en waren verkrachtingen en moordpartijen schering en inslag. Vaak duurden hun omzwervingen jarenlang. Te voet trokken ze voort in lange colonnes, terwijl ze hun overgebleven bezittingen op overvolle karren met zich meesleepten. (…) Rond 1950 bestond een kwart van de Oost-Duitse bevolking uit dergelijke op drift geraakte Duitsers.” Wie zoiets met z’n ongetwijfeld ‘liberale’, ‘humanitaire’, ‘vrijheidslievende’ ideologie helpt organiseren, geeft écht geen moer om inspraak van het volk, wat toch de essentie van democratie is.

En toen moest het echte werk nog beginnen, natuurlijk. Langs dat echte werk neemt Katja Hoyer je mee tot het ‘bittere’ einde van het land achter de Muur. Langs nieuwe “Grote Zuiveringen”, maar dit keer in de DDR zelf: “Tussen 1945 en 1950 werden er in totaal tien speciale kampen ingericht. Officiële cijfers van de NKVD maken gewag van in totaal 157.837 gevangenen, van wie 756 zonder enige vorm van proces werden doodgeschoten, zoals valt af te lezen uit de cijfers die de Sovjets zelf naar buiten hebben gebracht. Naar schatting is 35 procent van de gevangenen uit deze kampen omgekomen door de daar heersende mensonterende omstandigheden.” Langs de gedwongen ‘eenwording’ van sociaal-democraten en communisten onder de vlag van de “socialistische eenheidspartij” SED: “Toen in de Berlijnse cellen van de westelijke sectoren van de partij [SPD, noot van mij] een stemming werd georganiseerd over de vraag of de leden een onmiddellijke fusie met de KPD wilden, stemde 80 procent tegen, waarop de SMAD [Sowjetische Militäradministration in Deutschland, noot van mij] dergelijke stemmingen in hun sector gauw in de ban deed.” Langs de gedwongen “landhervorming”: “In totaal werd 3,3 miljoen hectare geconfisqueerd, oftewel 35 procent van de landbouwgrond in de Sovjetzone. In het noorden, in Mecklenburg-Vorpommern was het zelfs 54 procent. Behalve hun land verloren de getroffen families hun woningen, voorzieningen en hun persoonlijke bezittingen tot aan hun kleding toe, op het moment dat ze plotsklaps uit hun huis werden verdreven. Alsof dat nog niet genoeg was, was het hun verboden zich in hun eigen omgeving te vestigen, zodat iedereen kon zien dat de klassenvijand van voorheen verjaagd was. (…) Twee derde van het in beslag genomen land werd vervolgens in kleine segmenten van ongeveer 20 hectare toebedeeld aan zogenoemde nieuwe boeren, terwijl een derde in handen van de overheid bleef. Door de onervarenheid van de ‘nieuwe boeren’, in combinatie met het gebrek aan landbouwmachines en het feit dat de landsegmenten veel te klein waren om er een rendabel boerenbedrijf op te exploiteren, ging de voedselproductie onmiddellijk hard achteruit. De Oost-Duitse agrarische sector zou nog tientallen jaren de gevolgen van dit desastreuze beleid ondervinden.” Langs de Russische versie van de Amerikaanse Operation Paperclip: “Niets [toen was er nog geen Muur, noot van mij] weerhield Amerikaans of Brits personeel ervan om met Oost-Duitse wetenschappers te praten of zelfs hun locatie in de Sovjetzone te bezoeken, en dit speelde vooral in Berlijn. Daarom werd besloten om duizenden specialisten weg te halen uit de Sovjetbezettingszone. Aangezien zo’n actie niet bij alle partijen in goede aarde zou vallen, moest ze in één ruk worden uitgevoerd. Bij deze zogenoemde Osoaviakhim-operatie werden belangrijke medewerkers uit de gehele Sovjetzone in één gecoördineerde manoeuvre opgepakt. In de nacht van 22 oktober 1946 werden meer dan tweeduizend Duitse fysici, chemici, ingenieurs en andere wetenschappers opgeschrikt door het bonzen op hun deur, waarna ze onmiddellijk hun spullen moesten pakken.” Langs zoveel meer nog waar ik in het bestek van deze boekbespreking onmogelijk melding van kan maken, al is het maar omdat deze boekbespreking sowieso al zeer lang geworden is.

Ik kan u dus alleen maar aanraden dit boek zeker te kopen en kennis te maken met een wereld die – gelukkig, maar mogelijk niet voorgoed, al zal ie dan de volgende keer wellicht niet meer “communistisch” heten – verloren is gegaan en toch zó dichtbij lag dat je er in nog geen vijf uur rijden vanuit Vlaanderen kon staan…

Björn Roose

vrijdag 25 augustus 2023

De vluchtelingen – Johannes Linnankoski (boekbespreking door Björn Roose)

De vluchtelingen – Johannes Linnankoski (boekbespreking door Björn Roose)
Het voordeel van oude romans is dat je van meet af aan weet, of minstens vermoed, dat de plot niet al te ingewikkeld zal zijn. Dat is ook zo met De vluchtelingen van Johannes Linnankoski, al is die plot nu ook weer niet zo dun als je geneigd bent uit de eerste bladzijden af te leiden en wordt het filosofisch gehalte naarmate het boek vordert óók al dikker.

En nochtans is dit boek, in het Fins - de moedertaal van de schrijver – Pakolaiset geheten, gebaseerd op waargebeurde feiten. In 1902 (het boek verscheen in 1908) woonde Linnankoski in Lapinlahti, in het noorden van de regio Savo (in het boek van de Zweedse naam Savolax voorzien), toen zich daar een boerenfamilie uit Akaa (in de regio Häme, toen nog Tavasta genoemd) kwam vestigen: een boerenfamilie bestaand uit een ouder koppel en hun kinderen, waarvan één getrouwd met een weduwnaar, een man die niet zoveel jonger was dan zijn schoonvader. Een boerenfamilie ook die in Tavasta op de loop gegaan was uit schaamte voor het feit dat de getrouwde dochter een bastaard had met een andere man, wat tot roddels en een onmogelijk leven in hun geboortestreek zou geleid hebben.

Linnankoski, zelf uit een boerengezin afkomstig en vooral bekend van het in 1905 verschenen De vuurrode bloem (Laulu tulipunaisesta kukasta, een verhaal over een jonge, reizende houthakker die à la Don Juan een spoor van gebroken harten achter zich laat, maar uiteindelijk wel trouwt), maakte er zijn eigen verhaal van, weefde er een bijkomende laag in en liet het vervolgens vooral gaan over het leven in een agrarische gemeenschap, trots en vergeving. En… hij voegde er ook nog een stukje van zichzelf aan toe: de boerenfamilie koopt de Hovi-hoeve, de hoeve die Linnankoski zelf bewoonde in het dorp Alapitkä.

Ik gaf u het verhaal zoals het in werkelijkheid gebeurd was al mee, maar zoals gezegd weefde Linnankoski daar nog een bijkomende laag in: hoofdpersonage Juha Uutela is behalve weduwnaar ook bastaardzoon, is desondanks opgeklommen van boerenknecht naar – bad pun intended – goed boerend zelfstandig boer, maar wil op zijn oude dag nog de puntjes op de i zetten, of de kers op de taart, door te trouwen met de drieëntwintigjarige dochter van de eveneens zelfstandige boer naast hem: “Toen nam ik Maja en Lumikanga, hoewel Maja bijna tien jaar ouder was dan ik. Verder een uitstekend mensch, zooals je weet, een echte werkmier. En toen begon ik te toonen, wie ik was. Je herinnert je nog wel, hoe ik Lumikanga kocht en er een boerderij van maakte. Maar, Karolina, het vereischte veel werk. De brandewijnpan pruttelde bijna dag en nacht, ik toog zelf naar Åbo en Björneborg om te verkoopen, en gedurende de lange winternachten lag ik buiten in het bosch planken te zagen bij den schijn van een armzalig fakkellichtje; die jaren sliep ik niet veel nachten aan Maja’s zijde. - En toen ik daarna de Perttuhoeve kocht, weet je wat ik toen dacht? Nou, dochter van Anttila en al jullie anderen, dacht ik, wat zeggen jullie nu wel van het onechte kind en den boerenknecht? En toen ik eigenaar van Uutela werd? Wel, dochter van Anttila en al jullie anderen, dacht ik, begint het onechte kind en de boerenknecht nu misschien een geschikte partij te worden? (…) Toen ik mijn plannen en verwachtingen moest opgeven, besloot ik, dat, als ik ooit weduwnaar zou worden – vergeet niet, dat Maja tien jaar ouder was dan ik -, ik hun dan eens zou toonen wie er nog wel een boerendochter en een jong meisje zou kunnen krijgen. En nu wil ik het zoo doen – dat zij het onechte kind en den knecht vooral niet zullen vergeten!”

Een kleine wraakoefening op de wereld dus, een wraakoefening waarin hij niet gedwarsboomd wordt door zijn toekomstige schoonvader, in tegendeel, en dat weet Uutela ook: “Zie je, Karolina, Keskitalo is wel een goede huisvader en het is een achtenswaardige familie, maar alles is verpand; daarom is een schoonzoon als ik het beste wat zij zich wenschen kunnen. Anders zou alles wel eens onder den hamer kunnen komen.” Met dien verstande dat zijn schoonvader, Keskitalo, óók niet achterlijk is: Uutela heeft zelf geen kinderen, zal er op zijn leeftijd allicht ook geen meer kunnen krijgen, en dus valt bij zijn overlijden zijn hele bezit aan zijn vrouw toe, waardoor niet alleen de boerderij van Keskitalo binnen de familie blijft, maar ook het eigendom van Uutela overgaat: “‘Het was waarlijk een uitstekend idee geweest om Uutela als schoonzoon te nemen,’ hiermede eindigde hij zijn gedachten met een zelfgenoegzaam lachje om de lippen, alsof heel het huwelijk een soort slimme speculatie geweest was, waarvan slechts hij alleen de slimheid door en door begreep. Anderen zagen niets anders dan de oppervlakte en hij vond het niet noodig om van alles tekst en uitleg te geven.”

Strakke plannen, dat van Keskitalo nog meer dan dat van Uutela, maar dan duikt dus het feit op dat Manda, de kersverse bruid zwanger blijkt te zijn. Niet van tijdens het huwelijk weliswaar, maar toch van kort daarvoor, en dat doorkruist op zijn minst voor Keskitalo het plan: een erfgenaam betekent dat Keskitalo niet moet rekenen op het in zijn handen vallen van de eigendommen van Uutela, dat ook zijn dochter buitenspel zal staan en dat alles rechtstreeks naar die erfgenaam zal gaan. Een buitenechtelijke erfgenaam betekent nog iets veel ergers: niks riskeert naar wie dan ook behalve Uutela zelf te gaan, want die zal niet noodzakelijk gediend zijn van een kind dat niet het zijne is.

En dus besluit Keskitalo de vlucht vooruit te nemen: hij wil weg uit Tavastaland (zie boven), maar wil dat verkopen aan Uutela als een goede zaak. In Savolax kunnen ze samen een grote hoeve, een landgoed, kopen – samen als in de zin van: met het geld van Uutela, want die heeft intussen Keskitalo uit de schuld geholpen – en daar nog een laatste keer, op grotere schaal herbeginnen. Een keer het zover is, zal hij Uutela wel op de een of andere manier dat buitenechtelijk kind aan de man kunnen brengen ook. Uutela gaat mee in het verhaal, al wéét hij dat het stinkt: “Er is berekening in het spel, dacht hij. Groote krachtige zoons thuis hebben terrein noodig onder hun voeten. En de brief van Sontula-Gustaf droeg er wel het noodige toe bij om er haast achter te zetten; hij was bang geworden, dat de goede gelegenheid ons ontglippen zou. Maar het geheel kwam hem toch wat overhaast voor. Er was nooit tijd geweest om de kwestie eens grondig te overwegen, zooals landbouwers dat gewoon zijn, achter den ploeg, van de eene vore naar de andere, of op het pad door het bosch met de bijl op den schouder. Het meest verbazen me in ieder geval de vrouwen thuis, dacht hij. Ik had eigenlijk gedacht, dat zij te veel aan de streek gehecht waren en een beetje tegengestribbeld zouden hebben. Vooral de oude bazin… Wie weet, zij denkt misschien maar alleen aan het bestwil der kinderen. Hij keek eens naar Keskitalo. Hij heeft den draad zeker wel in handen, dacht hij. Dat had hij van het begin af al gemerkt. Wat was hij er tuk op geweest en wat had hij het druk gehad. (…) Hij voelde, hoe hij Keskitalo op dat oogenblik haatte, omdat hij hem verdacht van in het diepst van zijn ziel een geheim voor hem verborgen te houden. Waarom zegt hij het mij niet, hoewel we vrienden en familie van elkaar zijn? Wel, ik doe hem misschien toch onrecht, dacht hij daarop, als ik hem verdenk. Waarom kan hij niet heel goed het bestwil van zijn kinderen op het oog hebben, nu hij meer vasten grond onder de voeten heeft? Zoo heb ik destijds zelf immers ook gedaan – en oover zoiets praat je liever niet met anderen. En toch scheen het hem allemaal zoo zonderling. Het was of onzichtbare vingers getracht hadden hem de teugels van zijn eigen leven uit de handen te rukken. Maar de zaak was afgedaan, het goed was gekocht.”

Waarna de uittocht uit Tavastaland volgt, de aankomst in Savolax, de kleine strubbelingen met de locals, het onderwerpen van de aarde, het opkalefateren van de boerderij, maar niet datgene waarop iedereen intussen zit te wachten, het moment waarop Uutela uit zichzelf of van een ander te weten komt dat zijn vrouw zwanger is. Van bladzijde 51 tot 110 is er alleen maar gereis, geploeter, heimwee, hoop en Keskitalo die zich vóórneemt het eindelijk eens te vertellen aan Uutela, maar geen manier vind om dat te doen: “Hij begon echte gewetenswroeging te krijgen, als hij zag hoe de man zwoegde en streed te goeder trouw, zonder een zweem van wantrouwen. Ja, waarom zou hij niet tevreden en gelukkig kunnen zijn, hij die nooit iemand kwaad had gedaan? Het hinderde Keskitalo bijna, dat Uutela zo’n modelmensch was. Als hij lui was geweest of kwaadaardig of verslaafd aan den drank of andere gebreken gehad had, zou het veel gemakkelijker geweest zijn – dan zou hij als het ware zijn lot verdiend hebben. Zoo verliep de ene dag na den anderen zonder dat Keskitalo besluiten kon: nu zal het gebeuren.”

Maar áls het dan uiteindelijk gebeurt, áls Keskitalo het nieuws brengt aan Uutela, dan mag hij alle hoop laten varen dat Uutela zo naïef zou zijn om te denken dat het mogelijk zíjn kind is. Wat uit de onbekendheid met de toestand van Manda al bleek, blijkt ook werkelijkheid: het huwelijk is nooit geconsumeerd. “Wist en begreep die schurk niet, dat hij geen vleeschelijke gemeenschap met zijn vrouw gehad had, maar leefde zooals het een ouden man betaamde? Of waagde de ellendeling het om hem ook wat dit betreft voor den mal te houden?”

Wat volgt, onthoud ik u, maar de zeventig bladzijden die na de onthulling komen, lopen wél anders dan je zou verwachten. Zoals alles anders loopt dan Uutela zélf verwacht had: “Hij werd overvallen door zoo’n troosteloos gevoel van eenzaamheid en verlatenheid, dat, als zich op dat oogenblik een bijt aan zijn voeten geopend had, hij er even gaarne ingesprongen zou zijn als naar huis terug te gaan. ‘Ik heb me er altijd over verbaasd, hoe de menschen zoiets kunnen doen. Nu verbaas ik mij er niet meer over. Als er in de hele wereld niets meer te vinden is, dan… En ik heb niets… Er is niemand, die mij missen zou – behalve Karolina…’ De wind scheen zijn lichaam met fijne ijskoude naalden te prikken – nu voelde hij het, nu hij was blijven stilstaan. Hij keerde langzaam terug. ‘Het is onverschillig waar ik heenga,’ dacht hij. Maar zijn gedachten hadden bij de herinnering aan zijn zuster een andere wending genomen. ‘Nu zullen ze me zeker weer eens ‘onecht kind’ voor de voeten werpen,’ kwam het vol bitterheid in hem op. ‘En misschien wel ‘boerenknecht’ op den koop toe? Het zal wel het onechte kind van een boerenknecht zijn, dat nu door het vroegere onechte kind en den boerenknecht van vroeger bekostigd moet worden. Dat zou het toppunt zijn.’”

Misschien, maar dat kom je pas te weten als je dit boek zelf óók leest. Dan krijg je ook zicht op de filosofische beschouwingen die Linnankoski aan het verhaal koppelt. Die zijn evenzeer de moeite waard.

Björn Roose

vrijdag 4 augustus 2023

Uitersten – Beschouwingen over menselijk gedrag – A.J. Dunning (boekbespreking door Björn Roose)

Uitersten – Beschouwingen over menselijk gedrag – A.J. Dunning (boekbespreking door Björn Roose)
“De biologen die samenlevingsvormen van mens en dier bestuderen, verwerpen de scheiding die van ons biologisch apen en mensen maakt. Ze geloven dat de evolutie voor een aanpassing en selectie heeft gezorgd waarin ons gedrag in hoofdzaak wordt bepaald door genen die de overleving hebben bevorderd. Zelfs altruïsme van de enkeling die zich offert is dan een nuttige eigenschap voor de overleving van de groep, soort of stam. Wij zijn veroordeeld tot wat we zijn omdat we daardoor overleven, als stam ons territorium verdedigend, snel geïndoctrineerd, altruïstisch als het ons uitkomt, in blind geloof bereid tot oorlog en uitroeiing. Het beest verliest wel zijn haren maar niet zijn streken, de mens is een naakte aap.”

Daarmee, met die verwijzing naar – auteur van wie ik onlangs nog De naakte vrouw besprak - Desmond Morris’ De naakte aap, begint A.J. Dunning zijn boekje (slechts 175 bladzijden) Uitersten. Maar, hij zou geen cardioloog zijn als hij dat niet deed, Dunning wenst zelf the matters of the heart niet te vermijden: “Joden en christenen, maar ook vele heidenen hebben dat geprogrammeerde noodlot nooit aanvaard, want de mens heeft een bedoeling, uitreikend boven het biologische bestaan. Het bestaan in die broze schelp – de fabrica van het menselijk lichaam, zoals beschreven door de anatoom Vesalius – is maar een tijdelijke bergplaats voor de onsterfelijke, individuele ziel. De menselijke realiteit valt niet samen met zijn materiële existentie, er is meer dan het beest, al is het minder dan een engel.”

“Toch blijft”, vervolgt Dunning, “de mens een vreemdeling in de wereld die hij niet heeft geschapen. Voor sommigen is hij de schaduw van God, voor anderen is God de schaduw, de projectie van de mens. Wij slapen, naar het woord van Montaigne, op het zachte kussen van onwetendheid. Menselijk gedrag is dan ook vaak niet redelijk, al is het berekenend, gericht op fysieke overleving. Zelfs die overleving wordt prijsgegeven als soldaat, martelaar of ketter het bestaan offeren voor een hoger doel. De grijze middelmaat van alledag, die van staatsburger, belastingbetaler of kostwinner levert als aangepast gedrag minder stof dan het leven in uitersten. De uitersten markeren de hoogte en diepte waartoe mensen in staat zijn. In dat uiterste handelen ligt een symbool of mededeling van een streven dat eigen of andere grenzen overschrijdt en de redelijkheid van de norm ter discussie stelt.”

Waarmee we al op de verklaring van de titel van dit boekje gekomen zijn, maar nog niet op de inhoudelijke kant. Ook dié licht Dunning toe in zijn voorwoord, Uitersten: een spiegel: “De bundel is (...) niet meer dan een korte biomedische, beschrijvende catalogus van bekende specimina van hartstochtelijk gedrag, bedoeld tot lezing en vermaak beide en de lezer moet niet rekenen op moraal of explicatie. Want de verklaring – als die al mogelijk is – verkleint het gebeuren, brengt het terug tot begrijpelijke proporties en ontneemt er het onrustbarende aan dat zoveel uitersten kenmerkt. Het zijn levens waarin alle krachten zich verzetten tegen de dood, maar deze tenslotte ook willen aanvaarden, met de buigzaamheid van denkend riet.”

Wie ben ik om de auteur tegen te spreken, denk ik dan, maar toch zal ik het doen. Ja, biologie en geneeskunde speelt een grote rol in dit boek, maar dit boekje is méér dan een “beschrijvende catalogus” ter zake en “moraal of explicatie” blijft absoluut niet uit, ook al is die moraal dan niet noodzakelijk algemeen geldig (is ze dat ooit wel?) en kan die “explicatie” niet alles verklaren. Het zou ook verbazingwekkend geweest zijn als A.J. Dunning (waarbij A.J. staat voor Arend Jan) zich tot die droge materie had beperkt: de man (overleden in 2009) was per slot van rekening behalve cardioloog ook schrijver van columns in Elsevier en NRC Handelsblad, schreef artikelen in onder meer De Gids, was voorzitter van de kandidatencommissie van de Nederlandse Partij van de Arbeid (socialistisch), en een van de oprichters van het Republikeins Genootschap, ook al een organisatie die behalve met feitenbeschrijving toch ook wel bezig was met “moraal of explicatie”. En die – overigens onvermijdelijke, want ook in de loutere selectie van feiten zit er één - “moraal of explicatie” storen ook geenszins, in tegendeel.

Enfin, als je louter op de titels afgaat, zou je natuurlijk effectief kunnen denken dat het hier om “een korte biomedische, beschrijvende catalogus” gaat, mét een zekere voorkeur voor het eigen vakgebied: Het brandende hart, Harttransplantatie, Het soldatenhart, De anatomische les, Parthenogenesis, Anorexa religiosa, In het land der blinden. Maar andere titels maken duidelijk dat het alvast niet lóuter dat is: Een dagje aan het strand, De perfecte misdaad, Eeuwige jeugd, Viva il coltello, Ketters, Smaken scheepsjongens?, Onechte paradijzen. Terwijl de “explicatie” in de inhoudstafel bij elk van die hoofdstukken - overigens opgedeeld in Uitersten met hart en ziel, Uitersten met man en mes, Uitersten met god en gebod, en Met smaak en op de tast – ook meteen aangeeft dat het niet in alle gevallen om “bekende specimina” gaat. Ja, we beginnen met hoofdstukken die grotendeels gewijd zijn aan Jeanne d’Arc en Gilles de Rais, de heilige Marguérite en dokter Barnard, Gustav Mahler en Sigmund Freud, en ook Marie-Anne Charlotte de Corday d’Armont (kortweg Charlotte Corday) en Jean-Paul Marat (kortweg Marat, naar Dunnings zeggen “de Joseph Goebbels van zijn dagen”) komen nog langs, maar de meeste hoofdstukken hebben duidelijk geen uitgesproken hoofdrolspelers. “De zwakte van de bloedsomloop op het slagveld bij wie geen held wil zijn, “De wonderlijke wereld van de ontleedkunde en haar leermiddelen”, “Het offer van de mannelijkheid voor de Italiaanse opera” spreken wat dat betreft voor zich, al zijn een aantal van de mensen die in die hoofdstukken opduiken ongetwijfeld ook u bekend. Nicolaas Tulp zegt u misschien minder dan Carlo Broschi, of tenminste diens artiestennaam Farinelli, en Dominique de Guzman zal minder belletjes doen rinkelen dan Verlaine, maar mits toevoeging van “Rembrandt” (“hij zou vergeten zijn als Rembrandt hem niet had vereeuwigd als de Vesalius van Amsterdam”), “castraat”, “dominicaan” en “Rimbaud” zouden al die namen bij mensen met een enigszins brede algemene vorming toch her-kend moeten worden.

Zélfs als de auteur het, zoals in Het brandend hart, in het begin nog even anoniem houdt: “Ze stonden beiden dicht bij de troon, de jongen en het meisje, op grond van hun verdienste. Ze hadden om deze plaats te bereiken hun leven gewaagd in een onderneming die enkele maanden geleden onmogelijk leek. De stad waar op 17 juli 1429 de kroning plaats vond, was nog maar een dag tevoren veroverd. Binnen enkele jaren zouden beiden na een kerkelijk proces het leven op de brandstapel eindigen, de een als heks, de ander als moordenaar, maar posthuum zouden zich de wegen scheiden. Het meisje werd heilige, de jongeman Blauwbaard.” Of als hij zelfs niks van de identiteit van de tegenspelers meegeeft, maar het slechts heeft over wapen en omstandigheden, zoals aan het begin van De perfecte misdaad: “De messteek was perfect. Het wapen zelf, een simpel Frans keukenmes met een houten handvat en een blad van twintig centimeter, was net lang genoeg om diep in de borstkas door te dringen. De punt gleed tussen de bovenste ribben rechts naast het borstbeen naar binnen, naar links en beneden. Rechter long en de longslagader werden doorboord, het hartoor geraakt en uiteindelijk scheurde de lichaamsslagader, vlak bij de oorsprong. De massale bloeding was in enkele seconden fataal en het slachtoffer had maar nauwelijks gelegenheid tot een schreeuw om hulp, die op de warme zomeravond door de open ramen ook door de buren werd gehoord. De vriendin van het slachtoffer en een buurman die arts was, probeerden het naar buiten gutsende bloed te stelpen, maar het was al te laat. De omstandigheden voor een fatale messteek waren gunstig. Het slachtoffer was klein van stuk en zat vrijwel rechtop, met ontbloot bovenlijf, in een kuipbad.”

Ik had het door bij “brandstapel” en “Frans keukenmes” en kreeg de bevestiging bij “Blauwbaard” en “kuipbad”, en u? Het antwoord daarop zal allicht afhangen van de al eerder genoemde “brede algemene vorming” en uw belezenheid, maar ik kan zeggen dat het verhaal van d’Arc en de Rais me beginnen interesseren is bij het lezen van de eerste strips uit de serie Xan/Tristan (in het Frans Xan/Jhen) van scenarist Jacques Martin en tekenaar Jean Pleyers, terwijl m’n eerste actieve herinnering aan het verhaal van Corday en Marat dateert uit de tijd van de eerste Cupido-verhalen van scenarist Raoul Cauvin en tekenaar William Tai (alias Malik). Ik interesseerde me in de tweede helft van de jaren tachtig nu eenmaal méér voor strips dan voor schoolse geschiedenislessen, maar er is dan ook een en ander uit blijven hangen. Misschien komt daar nog wat bij als ik ooit Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen uit mijn boekenkasten haal of een van de vele andere boeken ga lezen die Dunning vernoemt in de literatuurlijst, maar die lijst en het feit dat hij blijk geeft die boeken daadwerkelijk te kennen, dragen sowieso ook bij aan de lezenswaardigheid van Uitersten – Beschouwingen over menselijk gedrag. Nog los van het feit dat ook referenties naar niét in de literatuurlijst genoemde auteurs niet ontbreken: naar George Bernard Shaw bijvoorbeeld, voor wie Jeanne d’Arc “in zijn toneelstuk de eerste protestantse heilige [zal] worden”, of naar Charles Perrault en de gebroeders Grimm, die allebei (als we de Grimms even als één beschouwen) mogelijk, en slechts ten dele, de Rais als model voor hun Blauwbaard zouden gebruikt hebben.

Trouwens, zelfs als u bekend bent met de basisgegevens van een aantal van de hoofdstukken, die overigens ook allemaal op een of ander manier met mekaar verbonden zijn, kan u nog wat bijleren. Dat heb ik onder andere gedaan wat betreft Prometheus: “Het hart als symbool voor leven, poëzie of behuizing voor de ziel bestaat nog maar betrekkelijk kort en heeft moeten wachten op Vesalius en Harvey. Primitieve volken, met een beperkte woordenschat, hebben vaak geen woord voor het hart, maar wel voor de lever, long of nier en als de ziel gelokaliseerd wordt is het in de botten die overblijven en zijn bezitter overleven. In Mesopotamië lag de ziel in de lever, zoals bij de vroege Grieken en hun held Prometheus, die als straf voor het stelen van goddelijk vuur, aan de rots werd geketend waarbij de adelaar zich voortdurend voedt met zijn lever. Grieken hadden een en hetzelfde woord voor hart en maag en de antieken voorspelden de toekomst uit het schouwen van buikorganen, waaronder de lever.” Dat die adelaar de lever iedere dag kwam oppeuzelen, dat wist ik, maar dat die lever beschouwd werd als de zetel van de ziel dan weer niet. Net zoals ik er bijvoorbeeld nog nooit op gelet had dat Jezus’ hart kennelijk aan de verkeerde kant zat: “De wond van de gekruisigde Christus, volgens het evangelie van Johannes ontstaan door de doodsteek van een Romeinse soldaat [Longinus, noot van mij], wordt de toegang tot zijn hart dat voor en door ons gestorven is. Dat die wond in de Christelijke iconografie steeds in de rechter borsthelft wordt afgebeeld doet er niet veel toe, want devotie is geen anatomie.” “Ook de hartdood van de Franse judas Marat”, voegt Dunning er, daarmee een van die talloze verbanden tussen de hoofdstukken leggend, trouwens aan toe, “werd niet verhinderd omdat Charlotte Corday rechts in de borst stak, maar het is wel een toevalstreffer.”

En dan hebben we het eigenlijk alleen maar over “grote” geschiedenis, terwijl bijvoorbeeld het hoofdstuk over Gustav Mahler en Sigmund Freud, samen op wandel door de Nederlandse stad Leiden, een typisch voorbeeld van (weliswaar interessante) “petite histoire” is, die alleen voor aanhangers van Freud groot belang heeft, maar ook de lezers van dit boekje wat kan bijbrengen. Over hoe verschillende mensen naar hetzelfde moment kijken, bijvoorbeeld, over de toepasselijkheid in de tijd van Mahlers Kindertotenlieder, over het soort momenten in de geschiedenis waar een hoop bekende mensen voor even samenkomen (Mahler “ziet zijn eerste compositie niet bekroond omdat jurylid Brahms er teveel Wagner in hoort”), of over de grenzeloze overschatting van het belang van Freud: “In de zomer van 1910 had hij zijn historische analyse van Leonardo da Vinci voltooid. Hij had in de aantekeningen van Leonardo een enkele jeugdherinnering gevonden, waarin een vogel op zijn wieg zit, die met zijn staart zijn lippen aanraakte. Leonardo, buitenechtelijk kind van een notaris uit Vinci bij Florence, kon verklaard worden uit die enkele regels. De vogel was, door een foutieve vertaling uit het Italiaans, voor Freud een gier geworden, Egyptisch symbool voor de moeder. Leonardo was een vaderloze man geweest, overmatig gekoesterd door een verlaten moeder. Later werd Leonardo met zijn moeder opgenomen in de huishouding van zijn vader, die inmiddels naar zijn stand getrouwd was. Leonardo kreeg zo, volgens Freud, twee moeders en een teruggetrokken vader en beeldde zichzelf af als het Christuskind, gekoesterd door de Maagd en St. Anna. Het verklaarde zijn homosexualiteit, de aard van zijn kunstenaarschap en zijn uiteindelijke keuze voor de natuurwetenschap. Hoewel velen hem later op fouten in de feiten wezen – de Duitse gier bleek een Italiaanse wouw – herriep hij zijn interpretatie nooit. Vanuit Noordwijk zou hij naar Parijs gaan om in het Louvre Leonardo’s zelfprojectie te gaan zien. Hij was een koppig man die zijn inzichten niet graag ter discussie stelde, een bron van komende twisten tussen hemzelf en zijn geestverwanten.” Maar, dixit Dunning: “Dat Freud een mens van vlees en bloed was, die zijn schoonzuster prefereerde boven zijn vrouw, tijdelijk aan cocaïne was verslaafd, afvalligen als Adler, Tausk of Jung haatte, soms een slechte dokter was en de gevaren van het nationaal-socialisme niet zag, maakt hem niet minder boeiend.” Dat hij na het in 1911 lezen van Mahlers overlijdensbericht een rekening van 300 kronen opstuurde naar diens executeur-testamentair “voor een consult van meerdere uren in augustus 1910 in Leiden, waar ik op verzoek heen ben gegaan van Noordwijk aan Zee”, maakt hem dan weer niet minder boeiend, maar toch zo op het eerste zicht een echte eikel.

In tegenstelling tot, pakweg de Hongaar Ignác Fülöp Semmelweis, de man die “de gevaren van de anatomische les (…) onderkend [had] en de vermijding ervan door handen wassen gedemonstreerd”, die géén eikel was, maar het op het einde van zijn leven wel geworden leek, “niet [werd] geloofd en (…) krankzinnig [stierf] aan de zelfkant van het medisch bestaan”. In tegenstelling ook tot mijn oud-collega Jan Huijbrechts, die voor zover ik weet helemáál geen eikel is, die in zijn De botten van Bach uitgebreid en deskundig aandacht besteedde aan een onderwerp dat ook in dit boekje terugkomt: de resurrectionisten en andere lijkenpikkers. Niet geheel in tegenstelling dan weer tot Michail Boelgakov, die met De meester en Margarita een schitterende kritiek op de Sovjet-maatschappij schreef maar met zijn aanpassing van Zoja’s appartement door de knieën ging voor datzelfde regime, wat dan weer niet belet dat ik aan zijn Hondehart moest denken bij het lezen van het hoofdstuk Eeuwige jeugd, over de werkzaamheden van Brown Séquard en zijn volgelingen, in het bijzonder Serge Voronoff, “een excentrieke Rus die in Parijs had gestudeerd en na allerlei Afrikaanse omzwervingen tenslotte de plaats van Bernard en Brown Séquard innam als hoofd van het experimenteel laboratorium van het Collège de France. Hij had zich bekwaamd in de transplantatiechirurgie van huid, schildklier, bot en ovarium bij proefdieren maar zou de wereld verbazen met testistransplantatie bij de man.” Voronoff plantte (min of meer) de testikels van apen over naar mensen, Boelgakovs chirurg plant die van een mens over naar een hond. Over testikels gesproken: “Volgens een dubieuze biografie” was Joseph Haydn bijna die van hem kwijtgespeeld en verder als castraat door het leven gegaan, “als zijn vader de koordirigent van de Stephansdom in Wenen dat niet kort voor de ingreep verboden had.” “Het was in ieder geval zorgzamer dan het te vondeling leggen of laten bedelen van kinderen”, voegt Dunning er aan toe, maar als het dan weer gedaan werd vooraleer geweten was of het kind een goede zangstem had, was het uiteraard volkomen zinloos: “Sommigen probeerden baby of kleuter te castreren maar de ingreep zelf leverde natuurlijk geen zangstem op.”

Wat dan weer niet kan gezegd worden van het lezen van een goed verhaal. Dat kan namelijk een ander goed verhaal opleveren: “Zo begint ook in de Griekse mythologie de schepping van de wereld uit de chaos met de aardmoeder Gaia, die haar zoon Uranus in haar slaap baart. Als hemelheerser bevrucht hij haar met regen en brengt de aarde tot bloei als haar zoon. Gaia laat Uranus castreren na een familieruzie en pas na een huwelijk van broer en zuster wordt Zeus geboren. De legende plaatst die geboorte op Kreta, in een grot, waar een geitje op de pasgeborene lette. Het archaïsche Bethlehem is per ezel te bereiken voor de toerist en parallellen met de geboortegrot in het heilige land zijn onontkoombaar.” Parallellen die op een zeker moment echter behoorlijk fout lopen: “De mythe van Maria heeft ook een andere, wereldser kant. Het is de theologische kapstok waaraan de Christelijke minachting voor de vrouw als gelijke van de man, tot op heden is opgehangen en sexualiteit tot oerzonde wordt gemaakt. In de kerk is voor de vrouw geen plaats. Ze zal, ondergeschikt, kinderen moeten baren, ook als ze dat niet wenst, want het is haar natuurlijke plicht. Haar sexualiteit dient alleen de voortplanting en is een tweede keuze na maagdelijkheid. De menstruatie maakt haar onrein. Maria is daarom niet het oerbeeld van de vrouw of moeder. Ze is het zinnebeeld van een Christelijke leer die het aardse leven zondig verklaart, de sexualiteit ontkent en het vrouwelijke veracht. Het is een wereld vol schuld en zonde die daarvan alleen bevrijd kan worden door afstand te doen van de biologie, dat is van zichzelf.” Een afstand die tegenwoordig elke dag weer door onze strot geramd wordt, maar dan op een andere manier. Gender, niet meer dan een mentale constructie (om niet te zeggen een waandenkbeeld), heeft zogenaamd niks met geslacht te maken, maar iedereen wordt wel geacht dat gender voor het geslacht te aanzien als dat de genderpropagandisten goed uitkomt. Mismeesterde mannen nemen nu deel aan missverkiezingen, maar daar mag je niks van zeggen omdat de dames en de toeschouwers geacht worden… afstand te doen van de biologie.

Wie dat niét doet, wordt – al heeft hij dan evenveel gelijk als alle generaties die uitstierven vóór de waanzinnige eenentwintigste eeuw – intussen zo ongeveer beschouwd als een ketter, nog zoiets waar Dunning (in het hoofdstuk Ketters) aandacht aan besteed, al zou ik er geen gokje durven op doen wat de Katharen van de transgekte zouden gedacht hebben: “(…) bij de Katharen is er sprake van een diepgeworteld geloof dat niet meer christelijk genoemd kan worden. Het is verwant aan de Perzische leer van Manes, het manicheïsme, waarin aanvankelijk ook Augustinus opgroeide. In die leer zijn twee principes, het goed en kwaad, werkzaam. Het kwaad is alle materie, stof en deze wereld is het boze rijk van Satan. De mens is een vreemdeling op deze aarde en zijn enige goed is zijn ziel die zich uit de kerker van een stoffelijk lichaam moet bevrijden, om door herhaalde reïncarnatie weer terug te keren tot het rijk van de geest, van God. De tastbare werkelijkheid was ook de tijdelijke, door kwaad beheerste, de echte werkelijkheid was de onzienbare”. De Katharen lieten zich dan ook, na enig verzet, want het was natuurlijk wel de bedoeling de leer te verspreiden, bijna vreugdevol naar de brandstapel brengen, zoals transseksuelen zich naar de operatietafel laten begeleiden. Met dat verschil dat de Katharen niet de ene materiële kerker voor de andere wilden verruilen, een idee dat ze – nu ik daar even verder over nadenk – ongetwijfeld als satanisch zouden gezien hebben, gezien dát, meer nog dan aan je lijf houden zoals het is, getuigt van échte gevangenschap, geestelijke gevangenschap. We zijn ongetwijfeld nog niet aan het einde van de gekte toe – te vrezen valt dat, zoals met ongeveer alles tegenwoordig, de slinger eerst té ver in de ene richting moet doorslaan om dan voorzichtig terug in het midden terecht te komen – maar dat is met de Katharen wel anders: “In maart 1244 worden 210 mensen op één dag levend verbrand op een kolossale brandstapel aan de voet van de berg [Montségur, noot van mij]. Geleid door hun parfaits gaan mannen, vrouwen en kinderen het vuur tegemoet en worden binnen een haag van stro en takken levend gecremeerd onder het toezicht van de inquisiteur. Daarmee eindigt de ketterij van de ‘zuiveren’ en ook de beschaving en taal van Occitanië, dat een Frans kroongewest is geworden. Ervoor en erna worden nog haarden van ketterij opgespoord en uitgeroeid, maar het Massada van de Katharen is ingenomen. De geschiedenis wordt ter plekke levend gehouden, zo goed als in andere Katharenvestingen waar hetzelfde gebeurde. Net als Basken en Bretons hebben de bewoners van de Languedoc van vandaag een verlangen naar hun vroegere taal en wortels en zijn ze Fransen uit noodzaak en niet uit begeerte.” “Parallellen zijn historisch hachelijk”, vervolgt Dunning - iets wat Maarten Asscher in zijn Appels en peren – Lof van de vergelijking zou bevestigen, maar waarvan hij ook zou zeggen dat het de vergelijking niet moet verhinderen – “maar voor een tribunaal van Neurenberg zou de Katharenmoord als genocide zijn veroordeeld en de Dominicanerorde als een misdadige organisatie. De Europese geschiedenis na het jaar 1000 ontwikkelt zich dan ook volgens de Engelse historicus Moore tot een vervolgingsmaatschappij op zoek naar weerloze slachtoffers. Hier zijn het de Katharen, vanaf de grote kruistochten de joden, maar ook de melaatsen en hoeren die worden vervolgd en uitgestoten. Ze zullen worden gevolgd door heksen en protestanten, vrijdenkers en wederdopers totdat kolonisatie, slavenhandel en oorlog de aandacht op anderen richten.” Intussen zijn we weer bij de vervolging van andersdenkenden, zeg maar gewoon denkenden, terecht gekomen, en daarvoor zijn alle middelen goed. Desnoods gaat men zelfs zover te beweren dat een politica die nooit enige moeite gedaan heeft zelfs maar rekening te houden met het feit dat er ook anders kón gedacht worden dan zij deed, maar nu daarbij niet meer de hand boven het hoofd gehouden wordt door Nederlands godfather Mark Rutte (zelf op zoek naar een “functie elders”) uit de politiek vlucht omdat zíj vervolgd wordt door die andersdenkenden. Andersdenkenden die zelfs geen burchten hebben om zich te verweren tegen de brandstapels die door pers, regime en systeemtrollen opgericht worden. “Zuidamerikaanse of Zuidafrikaanse doodseskaders vernietigen hen die zich niet voor de macht buigen”, schrijft Dunning, maar het is – denk ik – toch voor het eerst dat de macht beweert dat zij het slachtoffer is van de mensen die ze zelf wenst onschadelijk te maken en daarin ook nog gelijk krijgt van quasi de hele “publieke”, edoch betaalde, opinie.

Misschien moet er af en toe eens teruggedacht worden aan Michel de Montaigne, iets wat Dunning ook doet in het hoofdstuk over kannibalisme, Smaken scheepsjongens?: “Hij meent dat alles wordt afgemeten naar Europese maat en verstand, terwijl juist de wilden dicht bij de natuur, het instinct en de zuiverheid leven. Ze zijn anders, maar niet slechter dan hun ontdekkers. Het eten van geroosterd mensenvlees vindt hij minder afschuwelijk dan het levend radbraken, villen en verbranden van veroordeelden in christelijk Europa.” Misschien – zeker eigenlijk – is iemand die met een fakkel aan je deur staat en wat tegen je aan komt brullen wel minder erg dan iemand die je hele leven overhoop haalt, de hele geschiedenis naar de prullenbak verwijst, in naam van idealen waarvan al onze dode voorouders zouden gezegd hebben dat ze volkomen krankzinnig zijn.

Björn Roose