Ik heb wel eens vaker ‘eigenaardige’, en vooral niet
lezenswaardige, boekjes uitgegeven door (Boekengilde De)
Clauwaert (vzw) gelezen, maar met voorliggend Een
leeuw in Peking hebben ze daar toch wel de hoofdvogel
afgeschoten. Niet omdat dit uit 1996, en overigens onder de toen al
min of meer verenigde uitgeverij Davidsfonds/Clauwaert
uitgegeven, stammende werkje van Marcel Van Nieuwenborgh met zijn
vierenveertig bladzijden dunner is dan de andere (die dikte is bij
Clauwaert min of meer standaard), maar omdat
de inleiding, voorzien van de titel Ferdinand de handige
bijna net zo lang is als het verhaal. En omdat dat verhaal
eigenlijk uit twee verhalen bestaat: datgene waarvan de titel ook de
titel van het geheel vormt (en dat tien bladzijden lang is) en
datgene wat er aan voorafgaat, Toen de hemel zichtbaarder werd dan
de aarde (dat veertien bladzijden lang is). Een redelijk
eigenaardige constructie dus, waarvan de snel van begrip zijnde lezer
op basis van de gegevens ‘Peking’ en ‘Ferdinand’ misschien al
begrepen heeft dat ze als geheel gewijd is aan Ferdinand Verbiest, de
in 1623 in het West-Vlaamse Pittem geboren jezuïet die in 1657 als
missionaris naar China werd gezonden op vraag van een reeds aldaar
aan het keizerlijk hof verblijvende andere jezuïet, Johann Adam
Schall von Bell, en daar vervolgens tot bij zijn dood in 1688 (hij
viel van zijn paard) verbleef.
De hele geschiedenis van Verbiest geef ik u in deze boekbespreking
niet mee. Wat er interessantst aan is, kan u namelijk, mocht u dit
boekje op de kop wensen te tikken, lezen in de reeds genoemde
inleiding, zelfs al wordt daarin met geen – bad pun intended
– gebenedijd woord gesproken over de meer dan dertig boeken die de
man schreef, bijvoorbeeld zijn vertaling in het Mantsjoe van de
eerste zes boeken over de Elementen van Euclides van
Alexandrië (een serie die in totaal overigens dertien delen
besloeg). Maar goed, ook voor Marcel Van Nieuwenborgh ligt er
misschien een kern van waarheid in de eerste paragraaf van zijn
inleiding: “Henry Kissinger vertelde dat hij ooit eens aan een
Chinees historicus had gevraagd wat hij dacht over de Franse
Revolutie. De Chinees zou hem hebben geantwoord: ‘Het is nog veel
te vroeg om daarover iets te kunnen zeggen!’ Het is nu meer dan
drie eeuwen geleden dat de West-Vlaamse jezuïet Ferdinand Verbiest
in Peking overleed. En nog altijd is door de Chinese historici het
laatste woord niet gezegd of geschreven over Nan Huai Ren, zoals hij
door Chinees én Mandsjoe werd genoemd.” Een hiaat dat wellicht ten
dele toe te schrijven is aan de jezuïeten zelf: “Ze hadden
Loyola’s raad strikt opgevolgd ‘dat in brieven naar huis niets
mocht staan wat niet in de handen van elkeen kon komen’. In de 17de
eeuw wilden de jezuïetenbrieven uit China niet alleen édifiantes
zijn maar hadden ze op de eerste plaats de bedoeling gezaghebbende
kerkelijke milieus in Europa niet te ‘ontstichten’, door
bewijsmateriaal te leveren van hun grote handigheid, hun vrij
verregaande tegemoetkomingen aan de Chinese gewoonten en gebruiken en
hun haast slaafse onderdanigheid aan het centrale gezag”.
“Aanvankelijk hadden ze zich als nieuwsoortige bonzen bij de
Chinese bevolking aangemeld, maar toen ze merkten dat ze daar niet
vlug genoeg mee vooruitkwamen, hadden ze hun pij van vandaag op
morgen ingewisseld voor de tuniek van de confuciaanse intellectueel,
en in plaats van er gladgeschoren bij te lopen hadden ze zich de
lange baard van de Chinese geleerden laten groeien (…) Er ligt niet
alleen een wereld tussen de eerste gladgeschoren jezuïeten en de
lange baard van Ferdinand Verbiest maar ook tussen de eerste
‘samaritaanse daad’ van de paters die een arme Chinese bedelaar
onderdak geven (stichtend verhaal van de eerste China-jezuïeten) en
‘de gouden kooi’ waarin Verbiest, bij wijze van spreken, op het
einde van zijn dagen in de exclusieve hofkringen heeft geleefd.
Verbiest heeft zich duidelijk een aantal begoochelingen gemaakt met
betrekking tot de keizer, voor wie hij op het einde eigenlijk niet
meer is geweest dan een hooggewaardeerd huisdienaar (een
‘bond-servant’, een slaaf op vrijwillige basis).”
Nu goed, het is niet mijn bedoeling een samenvatting te maken van de
samenvatting die Van Nieuwenborgh van het leven van Verbiest en de
aanwezigheid van de jezuïeten in China maakte. Ik ga het dus niet
mét de auteur hebben over de “gadgets” die Verbiest voor
de Chinezen maakte, over “een soort van wonderfontein in de
keizerlijke hovingen en een heuse Hollandse windmolen”, noch over
het vervaarlijker spul, zijnde de kanonnen en het handboek dat hij
schreef om de Chinezen toe te laten zélf kanonnen te maken. Wat die
laatste betreft volstaat het hoe dan ook te verwijzen naar de laatste
paragraaf van de inleiding: “Nochtans hebben de kanonnen van
Verbiest hun deugdelijkheid bewezen. Het beste bewijs daarvan is dat
de wapentuigen van het merk ‘Verbiest’ in China nog jaren na zijn
dood werden vervaardigd. En de ironie van de geschiedenis heeft
gewild dat meer dan twee eeuwen later, zijn eigen kerk in Peking,
tijdens de Boksersopstand van 1900, werd in puin gelegd door een
kanon waarop de naam Verbiest prijkte.”
“Twee eeuwen later” waar we in het eerste echte verhaal, Toen
de hemel zichtbaarder werd dan de aarde, hoe dan ook nog niet aan
toe zijn: “Op kerstavond van 1668 zaten in Peking drie
jezuïeten-missionarissen, onder wie Ferdinand Verbiest, onder
huisarrest in hun eigen kerk”, - allicht die kerk dus waarover Van
Nieuwenborgh het in zijn inleiding had. “Ze zagen, op die
kerstavond van 1668, de toekomst van de Chinese missie zeer somber
in. Tot er zich in die nacht enkele onverwachte gebeurtenissen
voordeden, die we in dit verhaal pogen te reconstrueren. Aan het
woord is Ferdinand Verbiest, kroongetuige van het kerstwonder”.
Jawel, een keer je de grote inleiding gehad hebt, krijg je ook nog
een inleiding tot het eerste verhaal, wat dat verhaal zelf reduceert
tot nog amper twaalf bladzijden. Zoals de inleiding tot het tweede
verhaal dát verhaal verder verkort tot negen bladzijden. Wat echter
niet kan verhinderen dat ik ín dat eerste verhaal iets tegen kwam
dat me onmiddellijk deed terugdenken aan een ander boek dat ik recent
las, het vijfendertigste deel uit de serie Phoebus Focus,
Heilige Familie in Nazareth getiteld en van de hand van
Katharina Van Cauteren. Een boek met als ondertitel Over Diego
Quispe Tito (ca. 1611-1681), de kunst van Cuzco, en Antwerpen als
Hollywood aan de Schelde waarin Van Cauteren het onder andere
heeft over – en ik citeer even mezelf omdat ik te lui ben om het
anders te formuleren - “de gebroeders Hiëronymus en Johannes
Wierix, twee Virtuoze schobbejakken, zonen van Anton I Wierix
en broers van Anton (II, zeker?) Wierix. Het zijn zij en een latere
zoon van Anton (II) ‘die een stempel zullen drukken op de
kunstgeschiedenis: samen behoren ze tot de meest productieve graveurs
van de laatzestiende- en vroegzeventiende-eeuwse Nederlanden. In
totaal zijn de gebroeders en hun neefje goed voor niet minder dan 2
333 prenten’. Prenten die met de hulp van religieuze ordes, in
eerste instantie de jezuïeten, de markt en het land zouden
overspoelen in Peru en daar aldus hun religieuze en kunstzinnige
invloed zouden gaan uitoefenen”. Niet alleen Peru, kennelijk, want
wat lezen we bij Van Nieuwenborgh, via spreekbuis Ferdinand
Verbiest?: “De schilderijen waren zeer kostbare hulpmiddelen voor
onze missionering. Franciscus Xaverius moet reeds een goddelijke
ingeving hebben gehad toen hij naar deze streken reisde met in zijn
koffer een Vlaamse afbeelding van een madonna. En van de mooie
prenten uit Nadals bijbel, die ons uit de drukkerij van Plantijn
werden geleverd, konden de Chinezen niet genoeg krijgen. We hadden
trouwens op die kerstavond de Heilige Schrift opengelegd bij de prent
waarop de gebroeders Wierix zo kunstig de grot van Betlehem hadden uitgebeeld.”
Altijd leuk als je in een volgend boek iets tegenkomt dat je doet
terugdenken aan een vorig, maar zelfs al zijn ‘we’ (bij het
schrijven van deze tekst) bijna halferwege december, ik zal u dan
weer niet verblijden met de ontknoping van deze kersthistorie an
sich. Net zomin als ik die van Een leeuw in Peking, het
tweede kortverhaal in deze, aheum, bundel zal meegeven, al krijgt u
ook daarvan wel een deel uit de inleiding tot het verhaal te lezen:
“In het zeventiende jaar van de Qing-keizer Kangxi (1678) beval
deze, in zijn strijd om Taiwan, van waaruit de aanhangers van de
verdreven Ming-dynastie het Qing-rijk bestookten, alle kusten te
ontruimen. Op het eiland Macao kreeg de bevolking het bevel weg te
trekken en de Chinese vloot blokkeerde de vaargeul. Portugese schepen
mochten niet meer aanleggen en de Portugese versterkingen dreigden te
worden gesloopt. Voor de missionarissen in Peking betekenden deze
maatregelen een ramp. Macao was het centrum van de katholieke kerk en
de vertrekbasis voor toekomstige missionarissen op het Chinese
vasteland.” Wat me dan weer deed denken aan twee andere dingen. Ten
eerste het feit dat de vijandschap tussen het Chinese vasteland en
Taiwan dus niet, zoals ik tot nog toe dacht, dateren van het moment
dat Chiang Kai-shek en z’n aanhangers in 1949 vluchten van dat
vasteland naar Taiwan om daar de Republiek China voort te zetten
zonder het overgrote deel ervan. Een mens leest natuurlijk, onder
andere, om te leren, maar nu ik dit hiaat in mijn kennis heb ontdekt,
ben ik bijna zedelijk verplicht om op afzienbare tijd meer te lezen
over Taiwan en (de rest van) China (in Taiwan moeten ze nu ook niet
kleinzerig gaan doen als de rest van China het eiland opeist, dat
heeft Taiwan per slot van rekening ook lang genoeg gedaan voor wat
betreft het vasteland). Ten tweede de eerste prenten die ik ooit in,
als ik me niet vergis, Ons Volkske zag uit de stripreeks Bob Morane. Die kwamen namelijk uit het
album… De keizer van Macao, en ik was meteen niet alleen
onder de indruk van de tekeningen van William Van Cutsem (beter
bekend als Vance, en onder andere ook verantwoordelijk voor Howard
Flynn, Ringo, Bruno Brazil, Ramiro, Bruce
J. Hawker, en de eerste twintig albums – op één na - van
XIII), maar ook van het er wel bijzonder crimineel uitziende
Macao. Een album dat ik veel later, net zoals een groot deel van de
serie, kocht, en waarin de jezuïeten geen enkele rol spelen, maar
waar op pagina drieëntwintig (van de eerste druk bij Lombard,
voor wie het even zou willen opzoeken) zowaar in de achtergrond een
vrij grote kerk opduikt. Het is een nachtscène, dus Vance heeft de
kerk niet tot in detail uitgewerkt, maar toch goed genoeg om ze te
herkennen als een jezuïetenkerk en ze terug te vinden op het
internet. Het gaat nog louter om een façade, wat je bij Vance niet
kan zien, maar zelfs dat er alleen maar dát overschiet van de
Sint-Pauluskerk belet klaarblijkelijk niet dat dit het meest
gewaardeerde icoon van de voormalige kolonie is. Een icoon dat nog
lang na de in Een leeuw in Peking als historische achtergrond
gebruikte feiten in al zijn glorie zou blijven bestaan, maar
uiteindelijk – op genoemde voorgevel na – vernield zou worden
door brand tijdens een tyfoon die op 26 januari 1835 de kolonie trof.
Een icoon dus dat véél langer zou meegaan dan de twee leeuwen die
de jezuïeten in Afrika lieten vangen om ze cadeau te doen aan de
keizer: “Hoewel de leeuwen op hun zeven maanden lange tocht waren
vergezeld van een kapelaan, iemand die de geneeskust beheerste, een
leeuwentemmer en zes slaven, was onderweg de leeuwin gestorven”.
Nog geen maand na zijn aankomst aan het hof verwisselde ook de leeuw
het tijdelijke voor het eeuwige: “De Chinese bewaker had hem ‘s
morgens slapend aangetroffen, had voor de tralies staan tieren: ‘Hou
hsing shih tze!’, word wakker leeuw, maar het beest had niet
meer verroerd.” Eigenlijk twee stukjes petite histoire, dit
boekje, niet genoeg om het in mijn kasten te houden, maar het feit
dat het me deed denken aan een ander boek, een stukje geschiedenis,
en een strip die ik vijfenveertig jaar geleden voor het eerst onder
ogen kreeg, maakt het uurtje lezen toch het herinneren waard.
Björn Roose






