zaterdag 31 augustus 2019

De Glembays (Miroslav Krleža)


Björn Roose bespreekt - De Glembays (Miroslav Krleza)
Zoals ieder jaar nam ik ook dit jaar op zomervakantie weer een boek mee. Voor de zekerheid twee eigenlijk, maar het eerste dat ik ter hand nam was De Glembays van Miroslav Krleža. Waarom? Omdat onze hoofdbestemming dit jaar Kroatië was (met een overstap van een aantal dagen naar Hongarije weliswaar en tussenstops in Oostenrijk en Duitsland) en Krleža een Kroaat was. Bovendien ging het boek, zo leidde ik af uit de achterflap over Kroatië en de geschiedenis van het land: 

"De Glembays is de virtuoos vertelde geschiedenis van de opkomst en ondergang van een aristocratische familie uit Zagreb. Aan het einde van de achttiende eeuw berooft en vermoordt de stamvader van de Glembays een handelsreiziger en legt zo het fundament voor het familiekapitaal. Honderdtwintig jaar later dansen zijn nazaten de charleston tussen de scherven van het Habsburgse keizerrijk, terwijl de nouveaux riches staan te popelen om hun priviliges over te nemen. Honderdtwintig jaar Europese geschiedenis, revolutie, kunst, oorlog, liefde, overspel en dood raast voorbij in De Glembays, een van de hoogtepunten in het oeuvre van de grote Midden-Europese schrijver Miroslav Krleža." 

Zeg nu zelf, genoeg reden om - u kent me al een beetje - dit tweedehands, voor een appel en een ei gekochte boek, mee te nemen als vakantieliteratuur. Bovendien is de schrijver, zoals de achterflap óók al meegeeft, "een groot stilist", "hij kan zichzelf geheel verliezen in een benevelende laveloosheid van taal", iets wat je al meteen van bij de eerste paragraaf merkt: 

"Nemen we alle Glembays samen, al die Glembays bij elkaar, als een driehonderd personen tellende stoet die uit het duistere gildentijdperk van Maria Theresia opstoomt naar de huidige, van gesyncopeerde negermuziek daverende tijd, dan dient zich een nogal troebele kwestie aan: waar gaan al die Glembays eigenlijk heen, en wat is de zin van dit rondwaren als sibbe in onze trieste provinciale contreien?" 

Of de daaropvolgende: "Meer dan honderdtachtig jaar zijn er verstreken sinds de dag waarop in het parochieregister van Remetinec, in de regio Medimurje, het eerste authentieke document over de Glembays werd opgesteld, en wat een bloed is er sindsdien gevloeid, wat een misdaden zijn er geweest, wat een zwendel en wat een schandalen, wat een tranen en wat een gebeden, en dat alles vanwege de Glembays en in het belang van de Glembays; hoe vaak niet is de naam van Glembays tot in de zevende of negende generatie vervloekt vanwege het kwaad en het ongeluk dat gedurende die twee eeuwen, rekenend vanaf het tijdperk van Maria Theresia tot in de nadagen van Frans Josef, door de Glembaylogica van Glembayrente en Glembayinterest aan naasten is berokkend." 

Dat is dus, voor het geval u het niet zou gezien hebben, één zin, hè, die tweede paragraaf. Genieten dus in tijden waarin korte zinnetjes meer en meer de norm worden omdat de generatie die nu op school zit niet meer in staat blijkt tot zinsontleding en de generatie die er net van is of nog niet meer dan een paar jaar die capaciteit ook al voor een groot deel kwijt is. Genieten dus ook wel een beetje omdat je dit soort werk mag en vooral kán lezen. Maar ook genieten omdat je in staat bent je te verplaatsen naar de tijden waarin dit verhaal, deze "familiekroniek", speelt, een capaciteit die inlevingsvermogen vraagt, het volledig meegaan in een verhaal, romantiek zonder emotionaliteit, niet het soort kijken dat je doet in musea waar je geconfronteerd wordt met losse stukken uit verschillende verledens, losse stukken waar je je met de uitleg erbij niet mee kunt identificeren. 

En nochtans is dit boek voor een groot deel opgevat als een verzameling losse stukken. Ja, een aantal van de hoofdstukken hangt redelijk stevig aan mekaar, met personages uit het ene hoofdstuk die je ook in het volgende ziet terugkomen, maar het lijkt er een beetje op dat de schrijver oorspronkelijk een groter plan had, een boek van, ik zeg maar wat, 1000 bladzijden, waarin hij doorheen de hele familiegeschiedenis zou wandelen, en dat hij zich achteraf gezien, misschien omdat de uitgever dat zo wou, misschien omdat hij er niet de rest van zijn leven mee bezig wou zijn, misschien omdat hij geen eeuwigheid op inkomsten kon wachten, bedacht heeft en er na de eerste 150 bladzijden alleen nog een aantal highlights uitgehaald heeft. De zeer uitgebreide genealogie van de Glembays aan het begin van het boek lijkt dat, samen met het feit dat maar een paar personen uit die stamboom uiteindelijk naar voor komen, in ieder geval te suggereren. 

Krleža geeft er in ieder geval blijk van de geschiedenis goed te kennen. Hij maakte er ook deel van uit, natuurlijk. Geboren in Zagreb (Kroatië) in 1893 ging hij naar de militaire school in Pécs (Hongarije), toen uiteraard allebei nog gelegen binnen het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Vervolgens trok hij naar de militaire academie in Budapest, liep over naar Servië, maar werd daar buitengezet als mogelijke spion. Bij zijn terugkeer naar Kroatië werd hij als gewone soldaat in het Oostenrijks-Hongaarse leger naar het Oostfront gestuurd. Maar hij wist te overleven en werd na de Eerste Wereldoorlog een leidende, maar controversiële figuur in het nieuw gestichte Joegoslavië. Hij was de drijvende kracht achter een aantal linkse literaire en politieke bladen en lid van de communistische partij, maar werd daar in 1939 uitgegooid vanwege zijn "onorthodoxe" kijk op kunst, zijn verdediging van de artistieke vrijheid tegen de doctrine van het "sociaal realisme", en zijn onwil om de Grote Zuivering van Stalin te ondersteunen en in tegendeel daarover te polemieken met zowat iedere belangrijke schrijver in Joegoslavië. 

Hij weigerde tijdens de Tweede Wereldoorlog even goed zich aan te sluiten bij de Partizanen van Tito, al had deze tijdens die polemieken bemiddeld tussen hem en de meer partijgetrouwe schrijvers. Na afloop van de oorlog kreeg hij dan ook te maken met een korte periode van sociale stigmatisering, maar in diezelfde periode was hij wel vice-voorzitter van de Academie voor Wetenschap en Kunst in Zagreb en werden zijn verzamelde werken uitgegeven door de voornaamste staatsuitgeverij. Uiteindelijk werd hij, met steun van dictator Tito, gerehabiliteerd en hoofd van zijn eigen Joegoslavisch Instituut voor Lexicografie, dat op vandaag nog steeds naar hem genoemd is. Vanaf dat jaar was hij niet alleen sterk verbonden met de dictator, maar leefde hij ook het leven van een bekende schrijver en intellectueel. 

Wetende dat hij na 1950 maar acht boeken meer heeft geschreven (en géén meer tussen 1969 en zijn dood in 1981) - vergelijk dat met die 95 boeken die hij schreef tussen 1914 en 1939 -, heeft die vriendschap hem wellicht ook tot autocensuur aangezet. Maar dat is dus een fenomeen waarvan in ieder geval in De Glembays niets te merken valt. Het toneelstuk over dezelfde familie wordt trouwens ook vandaag de dag nog opgevoerd door vele Kroatische gezelschappen en is in 1988 nog verfilmd door Antun Vrdoljak. 

Hoe dan ook, een zeer lezenswaardig boek, zelfs al zou u het alleen maar tot u nemen omwille van de stijl van de auteur en niet echt geïnteresseerd zijn in de "lokale" internationale geschiedenis. Want, eerlijk gezegd, wie dat wél is, zal bij momenten genieten van de manier waarop hij de Kroatisch-Hongaarse verhoudingen schildert in de tijd dat die er nog echt toe deden, de tijd dus dat Kroatië eigenlijk niet meer dan een langzamerhand omhoogvallende regio van Hongarije was, met aan het hoofd daarvan een ban die in essentie his master's voice was, maar er wel een hele hofhouding van ja-knikkers op na kon houden. 

Lees, als u het boek niet helemaal wil lezen, in ieder geval het hoofdstuk Barones Lenbach. Ik heb namelijk nog nooit zo'n schitterende beschrijving gelezen van een vrouw die voelt dat ze haar man aan het kwijtspelen is en dat tegelijkertijd voor zichzelf probeert te ontkennen. Het hoofdstuk is amper vijf bladzijden lang, maar elke letter ervan is prachtig. Lees ook het hoofdstuk daarna, Achter het masker, over de actrice met plankenvrees. Niet meer dan zeven bladzijden lang, maar weerom geniaal. En lees ten slotte de twee laatste hoofdstukken, De bruiloft van prefect Klanfar en Klanfar op het landgoed Várady, over hoe de nouveau riche Klanfar - die we uiteraard wel al eerder in het boek zijn tegengekomen - zich introuwt in de kaste van "oude rijken", hoe de proleet met geld, advocatenzoon van een metselaar, de afkeer opwekt van een ja-knikkende kaste die als verzet niet méér kan laten horen dan wat gemurmel, en over het feit ... dat diezelfde proleet ondanks zijn geld blijft voelen dat hij niet thuis hoort in de kaste waar hij zich ingetrouwd heeft, hoe hij zijn vrouw inruilt voor de hoerenkaste(n) en hoe hij uiteindelijk plant zijn kast van een huis te verkopen. Une place à chaque chose et chaque chose à sa place, zeggen ze dan in het Frans. En misschien leverde Miroslav Krleža, ondanks zichzelf, ondanks zijn linkse activisme, daarmee dan tóch nog kritiek op de communisten ...

Björn Roose

vrijdag 30 augustus 2019

Zoja's appartement (Michail Boelgakov)

Björn Roose bespreekt - Zoja's appartement (Michail Boelgakov)
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: Zoja's appartement is geen boek en dit is dus strikt genomen ook geen boekbespreking.

Wat is Zoja's appartement dan wel? Een toneelstuk, "een tragische farce in drie bedrijven", zoals Michail Boelgakov, de auteur, het zelf noemde. En eerlijk gezegd: ik wil een toneelstuk eigenlijk zien opvoeren om er iets over te kunnen zeggen. Enkel op basis van de tekst en een summiere beschrijving van wat er zo'n beetje geacht wordt te zien te zijn op het toneel bij de verschillende scènes een oordeel vellen over een toneelstuk lijkt me dubieus. Zo'n beetje hetzelfde als de Zevende van Beethoven beoordelen op basis van de bladmuziek.

Uitvoering is hier belangrijk. Een mening die Boelgakov trouwens deelde, zo blijkt uit het nawoord van vertaalster Manon van de Water. Het oorspronkelijke stuk is namelijk géén "farce in drie bedrijven", maar een farce in ... vier bedrijven. Boelgakov bracht daar verandering in, enerzijds omdat de acteurs van het Vachtangov Theater, voor wie het stuk geschreven was, daar om gevraagd hadden, maar anderzijds ook omdat "de geplande Parijse opvoering door het Vieux Colombier Theater in de vertaling van Marie Reinhardt (...) allerlei anti-sovjet interpolaties ingebracht had", wat Boelgakov "erg boos" maakte en hem er toe aanzette het stuk ingrijpend te herschrijven en zijn broer Nikolai, die in Parijs woonde, opdracht te geven "erop toe te zien dat de Parijse produktie volgens zijn aanwijzingen opgevoerd werd". "'Het stuk geeft geen enkele aanleiding voor zwijnerij en banaliteiten op het toneel', schreef hij Nikolai naar aanleiding van een schandaleuze Tsjechische opvoering, 'en het spreekt vanzelf dat ik hoop dat ze in Parijs begrijpen wat een tragi-komedie is. De belangrijkste voorwaarde is dat het subtiel opgevoerd wordt ...'"

Hij herschreef het stuk dan ook voor ongeveer veertig procent, maar, zo schrijft de vertaalster, "geen van de veranderingen tastte de essentie van de plotlijn aan". "Sommige veranderingen maakten het stuk minder tijd- en plaatsgebonden", laat ze daarop volgen, "en hebben waarschijnlijk ook te maken met de censuur. Zo verdwenen alle verwijzingen naar communistische leiders (Kalinin, Marx) en werd het hoofdprobleem in de eerste versie, het verkrijgen van visa, vervangen door het meer universele geldprobleem. De voorzitter van het huisvestingskomitee Alliloeja werd omgedoopt tot Portoepeja, waarschijnlijk omdat de naam Alliloeja teveel leek op die van Stalins vrouw, Alliloejeva. Andere veranderingen waren duidelijk stilistisch van aard. De taal in de tweede versie is verfijnder, de verwijzingen naar de ware aard van Zoja's appartement zijn subtieler, sommige karakters zijn minder stereotiep. Artistiek werd het stuk er beter op, alhoewel de eerste versie explicieter en dynamischer is en een beter tijdsbeeld geeft."

Kwestie is natuurlijk dat ik de eerste versie niet gelezen heb en daar al helemaal niet over kan oordelen, maar ik voel wél aan dat deze tweede versie (of zoveelste versie aangezien die al geschreven werd op basis van verschillende op dat moment circulerende versies) langs alle kanten wringt.

Ja, de tekst is héél subtiel waar het de "ware aard van Zoja's appartement" aangaat, zo subtiel zelfs dat je pas begrijpt dat het een hoerenkast is een keer een van de hoofdpersonages er zijn liefje aantreft en daar niet bijzonder gelukkig mee is. En dan wordt het nóg omschreven als dansen in luchtige kledij.

Nee, de switch van visa naar geld is niet echt geslaagd, gezien je nu eenmaal weet - en dat wisten ze toen ook al in de Sovjet-Unie en daarbuiten - dat het arbeidersparadijs verlaten dan misschien wel een kwestie van geld is, maar dat dat geld moet dienen om er ambtenaren mee om te kopen en visa vast te krijgen.

En nee, het stuk is niét verfijnd, noch is het op het eerder genoemde na subtiel. Als je de Chinezen vooltdulend, excuseer, voortdurend alle r'en laat uitspreken als l'en is dat niét subtiel. En als je een van die Chinezen dan ook nog, van je dolk-steek-weg, een moord moet laten plegen om wat geld, waarmee je dan handig een einde kan maken aan je "farce", dan is dat niet alleen weinig subtiel, het is gewoon een farce.

En ja, er zitten corrupte ambtenaren in het stuk, maar het lijkt er op dat Boelgakov ook die uit de wind heeft gezet om te ontsnappen aan de Goelag. Dat lukte hem, maar hij was duidelijk een "tweezak". Een beetje een lafaard misschien, zoals zijn personage Ametistov. Zelfs toen hij zélf gevraagd had om door de regering opgedragen te worden het land te verlaten, durfde hij toen Stalin persoonlijk met hem belde om dat te bespreken, niet doordrijven en antwoodde hij dat hij als Russisch schrijver niet buiten Rusland en de Russische taal kon leven. Stalin zorgde er dan maar voor dat Boelgakov aan het werk kon als regieassistent, librettist en vertaler, terwijl diezelfde Stalin er wel voor gezorgd had dat hij geen letter meer gepubliceerd kreeg. En dat ondanks het feit dat hij wel een fan was van het stuk De dagen van de Toerbins, gebaseerd op Boelgakovs boek De Witte Garde dat bekritiseert werd omdat het "de anti-bolsjewieken te menselijk, te sympathiek voor[stelde]". Ook later probeerde Boelgakov trouwens nog eens in de gunst van het regime te komen door een stuk over Stalin te schrijven ter gelegenheid van diens zestigste verjaardag. Het enige resultaat was dat het stuk werd verboden.

Voor de duidelijkheid: ik hoor niet tot de kaste van aan wal staande stuurlui. Het was ongetwijfeld in de Sovjet-Unie net zomin gemakkelijk voor je mening uit te komen als in nationaal-socialistisch Duitsland en er zal ook dáár weinig opdeling te maken geweest zijn tussen zwart en wit (een poging die in deze tijden uiteraard wél blijvend ondernomen wordt). Maar het is zonde gezien het talent dat Boelgakov in andere werken getoond heeft. Ik heb jaren geleden genoten van zijn Hondenhart, dat in 1925 werd verboden en dat een heel erg duidelijke kritiek op het regime vormde. Of zoals de Sovjet-krant Izvestia op 15 september 1929 schreef: "Zijn talent is overduidelijk, maar zo is ook het reactionair sociaal karakter van zijn werk". Ik heb zijn voornaamste werk De Meester en Margarita nog niet gelezen - het boek waaraan hij tussen 1928 en het jaar van zijn overlijden, 1940, werkte -, maar ook dát zou een knappe parodie zijn op Stalin en het leven in de Sovjet-Unie. Dat maakt helaas dingen als deze tweede versie van Zoja's appartement én de kniebuigingen van Boelgakov voor Stalin en het regime alleen maar spijtiger.

Björn Roose

donderdag 29 augustus 2019

Kleine Verhalen (Bjørnstjerne Bjørnson)


Zeg nu zelf, als je Björn heet, moét je vroeg of laat toch wel een boek lezen van de Noorse schrijver Bjørnstjerne Bjørnson, zelfs al ziet zo'n ø er weer net iets anders uit dan een ö. Maar dat was eigenlijk, en voor de duidelijkheid, niet de reden waarom ik dat deed. De voornaamste reden was uiteraard dat ik dit boek, uit 1909 alweer (dus de kans dat u het vind bij de, al dan niet "betere", boekhandel is klein), voor een appel en een ei op de kop tikte. En de tweede reden, ook de reden waaróm ik het kocht toen ik het tegenkwam, was dat het vertaald werd door Stijn Streuvels. Die kende ik uiteraard, zoals iedereen durf ik aannemen, als schrijver van o.a. Alma, De oogst, De Vlaschaard, Het leven en de dood in de ast, Langs de wegen, en - hoe kan het ook anders? - De teleurgang van de waterhoek, maar ik was me er niet van bewust dat hij ook als vertaler actief geweest was. Nu dus wel.

Bjørnson dan weer was, zoals zelfs Wikipedia weet te vertellen, zoon van een plattelandspredikant (geboren in 1832), maar schopte het ondanks het feit dat hij zijn studies afbrak eerst tot journalist (tegenwoordig geen compliment meer, eerder een verwijt), vervolgens tot directeur van de Noorse Schouwburg in Bergen (Noorwegen, niet Wallonië) en daarna redactielid van Aftenbladet. Hij bereisde de halve wereld en vestigde zich uiteindelijk halvelings in Parijs (waar hij stierf) halvelings op zijn boerderij in Lillehammer (sinds 1994 wereldwijd bekend vanwege de daar gehouden Olympische Winterspelen).

Tot zijn bekendste werken als schrijver behoren Sigurd Slembe uit 1862 en Maria Stuart i Skottland (1864), dat laatste uiteraard een algemeen bekend thema. Het lijdt echter geen twijfel dat zijn allerbekendste werk er eentje is waarvan de meesten niet weten dat het van hem is terwijl ze het zingen: het Noorse volkslied Ja, vi elsker dette landet (de componist ervan was zijn neef, Rikard Nordraak). Redenen genoeg (en we hebben het nog niet eens over, bijvoorbeeld, zijn samenwerking met die andere en veel bekendere componist Edvard Grieg) om tot de Grote Vier van de 19de eeuwse Noorse letterkunde gerekend te worden; redenen genoeg ook om in 1903 de Nobelprijs voor Literatuur te ontvangen. En dan was Bjørnson ook nog politicus, een fel republikein die zich inzette voor algemeen kiesrecht en tegen de macht van de kerk, voorstander van het pangermanisme en tegenstander van de toen in Noorwegen sterk voelbare invloed van de Deense cultuur.

Maar dat was allemaal lang na deze Kleine Verhalen. Okee, de publicatie van het boek in het Nederlands kwam er pas in 1909 (Bjørnson overleed in 1910), maar, zoals Streuvels zelf in zijn inleiding schrijft: "de Kleine Verhalen dagteekenen van voor en rond de jaren 1860 - merk wel, toen wij zelf nog versmoord lagen onder romantische verhalen zonder stevigen ondergrond, zonder menschelijkheid erin of eenige zielsdiepte of andere letterkundige hoedanigheden. In dien tijd waren de twee mannen - zij heeten Ibsen en Björnsön - aan 't hameren van eene sterke, werkelijke en diepgevoelde kunst en zij bewrochten den roem en de vermaardheid - zij schonken aan hun land eene nieuwe, eene eigene letterkunde - drama's en verhalen die van heel de wereld gekend, in alle talen vertaald zijn en gerekend worden bij de schoonste voortbrengselen der hedendaagse kunst."

Nu we terug bij Streuvels zijn: zijn inleiding is gewoon schitterend. De manier waarop hij Noorwegen beschrijft, de natuur van het land en de omstandigheden, de loftrompet steekt van de schrijver, zorgen ervoor dat je verwachtingen hoog gespannen geraken. En ... dat je een beetje teleurgesteld geraakt: de inleiding is gewoon mooier om te lezen dan de rest van het boek. Maar dat kan ook aan de vertaling liggen. Streuvels waarschuwt daar ook voor: "Wie Björnsön, of een anderen Noorschen dichter, in oorspronkelijke taal leest kan die eigenaardigheid aanstonds beseffen; - zijne taal of liever de taal van heel dat zwijgzame, ingekeerde volk heeft in zijne bondigheid eene kracht van uitdrukking gekregen waarvan andere volkeren geen gedacht hebben. De Noren moeten ons allen aanzien voor onverbeterlijke babbelaars. Want die bondigheid is niet alleen de manier van 't spreken, maar de taal zelf heeft door die ernstige zwijgers eene innigheid van uitdrukkingsvermogen gekregen, zoodanig dat alwie zich aan 't vertalen waagt, aanstonds gewaar wordt drie woorden of meer te moeten gebruiken waar de Noor het met één woord klaar krijgt. Dat brengt eene heel bijzondere moeilijkheid mede in 't vertalen, omdat men in 't weergeven der beteekenis altijd den stijl moet prijs geven om de betekenis en de dracht der woorden te behouden - de stijl van het Noorsch gaat verloren onder de omslachtigheid onzer uitdrukking."

En toch ... niet helemaal. Want hoewel Streuvels in zijn inleiding vrij lange zinnen gebruikt, zijn die in het boek véél minder frequent of is er druk gebruik gemaakt van bijzinnen. Hij heeft dus wel degelijk een ernstige poging ondernomen om de stijl zoveel mogelijk te behouden. En die stijl riep meteen herinneringen wakker aan degene die ik aantrof in Het geslacht Bjørndal (boekbespreking hier) van die andere Noorse schrijver, Trygve Gulbranssen, terwijl dat niet vertaald was door hem, maar door Annie Posthumus.

Misschien ligt de lichte teleurstelling dan aan het feit dat die Kleine Verhalen uiteindelijk niet zo klein zijn. Ja, Thrond neemt maar 10 bladzijden in beslag, De Vader, Het Adelaarsnest en Getrouwheid maar 4, De Berenjager 7, Eene gevaarlijke Vrijerij 6, en Uit de hooge Bergen zelfs niet meer dan 3, maar Een vroolijke knaap gaat zo maar even 103 bladzijden door en vertelt het halve leven van ene Eiwind. Van zijn kindertijd tot hij uiteindelijk mag trouwen met het meisje dat al op pagina 2 geïntroduceerd wordt. Inclusief uiteraard de blijde jeugdjaren, de lastige puberteit, de oudere rivalen, het statusverschil, de studiejaren en de weg naar de top. Een zeer klassiek en zéér dun - en dan bedoel ik qua scenario, niet qua aantal bladzijden - verhaaltje, dat dan wel in Noorwegen speelt, maar net zo goed in het Vlaanderen van die jaren (en een stuk later) had kunnen spelen. Te weinig achtergrond dus, te weinig eigenheid, om er meer dan een romantisch niemendalletje van te maken. En er komt écht geen plotwending die het plotseling weer interessant maakt.

Net zomin als in Thrond, waarvan je na de inleiding door Streuvels, hoopt dat het magisch-realistisch zal uitdraaien; of De Vader dat in zijn verdriet niet verder dan de oppervlakte gaat; of Het Adelaarsnest met een einde dat niet meer dan een maning tot nederigheid is; of Getrouwheid waarvan de hele boodschap al in de titel staat; of Uit de hooge Bergen, met óók al zo'n flinterdun stukje moraal erin; of De Berenjager, dat hoogstens voor een hoofdstuk uit De Witte van Ernest Claes kan doorgaan; of, ten slotte, Eene gevaarlijke Vrijerij dat eigenlijk een voorschot op Een vroolijke Knaap is.

Kortom, als u dit boek ooit vast krijgt, lees het dan voor de inleiding van Streuvels - die kan ik in haar geheel aanbevelen - en neem er het werk van Bjørnson bij om zo eens tussen de soep en de patatten te consumeren.

Björn Roose

zondag 28 juli 2019

Een portret van de kunstenaar als jongeman (James Joyce)


Björn Roose bespreekt - Een portret van de kunstenaar als jongeman (James Joyce)
Hoe bespreek je een werk van iemand die, aldus Wikipedia (en allicht ook voor zijn nog immer bestaande schare fans), “wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van de 20e eeuw”?

Wel, héél simpel, je begint met het te lezen en geeft na afloop daarvan – per slot van rekening word ik hier niet voor betaald en hoeft ook niemand het me me eens of oneens te zijn – je persoonlijke mening weer.

En waarom begin je nog aan het lezen van een werk dat al meer dan een eeuw oud is? Waarom niet, zou ik zeggen? Per slot van rekening zegt ook Lynch dat in antwoord op de door het hoofdpersonage zelf opgeworpen vragen “Kunnen uitwerpselen of een kind of een luis kunstwerken zijn? Zo niet, waarom niet?” Maar dichter bij de waarheid dan “waarom niet” is het feit dat ik onlangs op PhotoBlog een reeksje over de Hongaarse stad Szombathely publiceerde, een stad waaruit één van de belangrijkste karakters uit Joyces Ulysses afkomstig is, Rudolf Virág, vader van Leopold Bloom, het hoofdpersonage van het verhaal (“virág” betekent dan ook, net zoals “bloom” “bloem”). Waarom precies Joyce Szombathely als thuisstad voor Virág gekozen heeft, is nooit helemaal duidelijk geworden, maar het feitje leverde in ieder geval een standbeeld van Joyce op op Fő tér, de hoofdstraat van de stad. En het feit dat er ook een foto van dat standbeeld in dat reeksje van me te zien was, leverde een gesprekje op omtrent James Joyce, waarvan een collega-blogger Ulysses gelezen had en waarvan ik Een portret van de kunstenaar als jongeman (A portrait of the artist as a young man) in de boekenkast had staan. Meer reden was er niet nodig om dat boek úit die boekenkast te halen en het eindelijk eens te lezen.

Nu goed, een bespreking dus van een werk van het monument James Joyce. Een werk dat de naam heeft autobiografisch te zijn, maar het volgens vertalers Gerardine Franken en Leo Knuth (die het werk in 1972 onder handig mochten nemen voor uitgeverij De Bezige Bij) niet is: “het is een roman”. Maar “het autobiografisch aspect is (…) zo sterk dat het nuttig kan zijn te beginnen met een kort overzicht van een aantal feiten uit de jonge jaren van de schrijver. De lezer dient niet uit het oog te verliezen dat we, zoals uit de titel blijkt, te doen hebben met een portret (er zijn dus andere mogelijk) van de kunstenaar als jongeman (dus als onervaren, ongerijpt mens)”. Waarna het volgende komt: “James Joyce werd op 2 februari 1882 te Dublin geboren. Het gestaag groeiende gezin verhuisde in 1887 naar Bray. In 1888 kwam Joyce op het jezuïeteninternaat Clongowes Wood College, in het graafschap Kildare. In 1892 verhuisde het gezin naar Blackrock, een voorstadje van Dublin. In financieel opzicht ging het daarna snel bergafwaarts. In 1893 volgde een nieuwe verhuizing, ditmaal naar Dublin-Noord, waar de familie nooit lange tijd achtereen het geduld van eenzelfde huisbaas op de proef heeft kunnen stellen. In Dublin bezocht Joyce Belvedere College, de dagschool van de paters jezuïeten in Great Denmark Street. In 1894 vergezelde hij zijn vader op een reis naar diens geboorteplaats Cork, waarover hij in het tweede hoofdstuk schrijft. In hetzelfde jaar won hij zijn eerste geldprijs voor het beste opstel, een prestatie die hij nog enkele malen herhaalde. Na zijn eindexamen in 1898 ging hij studeren aan de katholieke universiteit, waar hij vier jaar later de graad van Bachelor of Arts behaalde, de hoogste die University College destijds in de humaniora te bieden had. Niet lang daarna verliet hij Ierland en vertrok naar Parijs.”

Wetend dat de lezer de hoofdpersoon van het boek (het vertelstandpunt verandert van derde persoon naar ik, in tegenstelling tot dat van een boek waarnaar de hoofdpersoon verwijst, waarin het vertelstandpunt verandert van ik naar de derde persoon) volgt vanaf de tijd kort vooraleer hij naar het internaat van Clongowes Wood College vertrekt, de verhuis naar Blackrock meemaakt, net zoals de verhuis naar Dublin, de reis naar Cork, de vreugde rond de geldprijs (en vooral het als sneeuw voor de zon verdwijnen daarvan), en zijn jaren aan het University College, en hem pas weer verlaat kort voor hij vertrekt uit Ierland, lijdt het weinig twijfel dat Stephen Dedalus niet alleen de nom de plume is van James Joyce, maar ook hemzelve. Dat deze autobiografie “een portret” is, verandert daar niks aan: élke autobiografie (of biografie) is “een portret”, niet meer, niet minder.

Het vervelende van de inleiding van de vertalers zit hem echter niet in deze uitleg of in het feit dat ze wijzen op het gegeven dat “naast enige kennis van Ierland (…) bekendheid met catholica voor de lezer van Joyce onontbeerlijk is” – aan “bekendheid met catholica” ontbreekt het me enigszins, zij het niet in die mate dat de wereld ervan me totaal onbekend is -, maar in de plaatsing ervan in het boek: achteraan. Ik heb namelijk niet de verderfelijke gewoonte eerst te gaan kijken naar het slot van een boek en ben dus aan Een portret van de kunstenaar als jongeman begonnen zonder inleiding en vooral zonder datgene wat nog ná die inleiding komt, zijnde … aantekeningen. Gezien er in het boek geen gebruik gemaakt wordt van voetnoten of verwijzingen, was ik me dus niet bewust van die aantekeningen tot ik het boek gelezen had. En toen was het te laat om er nog wat aan te hebben. Geen idee of de lay-out van het boek van bij de eerste uitgave (ik heb het hier over de vijfde druk bij De Bezige Bij) geweest is wat ze is, maar een inleiding op het einde van het boek en aantekeningen waarnaar niet verwezen wordt in de tekst, zou ik toch als serieuze “drukfouten” durven bestempelen.

Soit, over naar het boek zelf. Dat was de eerste tientallen bladzijden eerlijk gezegd een beetje ploeteren voor me. De stijl van Joyce is, laten we zeggen … apart. Céline en Joyce worden wel vaker in één adem genoemd en hun stijl heeft bij momenten ook wel wat gemeen (in de kortheid van de zinnen, bijvoorbeeld, niet in de vuilbekkerij). En van Céline heb ik tot op vandaag alleen maar Kanonnevoer gelezen (al staat zijn Voyage au bout de la nuit “uiteraard” wel in mijn boekenkast). En de hel en verdoemenis “predikende” jezuïeten, de invloed die religieuze denkbeelden kunnen uitoefenen op een onvolwassen geest, de excessen die daaruit voort kunnen vloeien (al kunnen die excessen natuurlijk ook perfect ontstaan zonder duivels en heiligen in het zwerk), tsja, dat zijn dingen die me niet echt kunnen boeien. Het verbaast me dan ook nauwelijks dat ik pas vanaf zo’n tweehonderd bladzijden ver in het boek hier en daar aantekeningrn heb gemaakt. De titel van het hoofdstuk kan ik niet meegeven – omdat Joyce zijn hoofdstukken geen titel geeft -, maar dat is dus ná het moment waarop Joyce er voor kiest niét op zijn beurt in te treden in de jezuïetenorde. Het moment ook waarop zijn schrijverschap het echt begint over te nemen. Iets waarover hij het heeft als volgt:

“Hij plukte een stijlbloempje uit zijn taaltuin en sprak de woorden zachtjes voor zich heen: Een dag van zeedriftwolken, bontgetitteld. De woorden en de dag en het landschap harmonieerden tot een akkoord. Woorden. Was het hun koloriet? Hij liet ze opgloeien en weer vervagen, de ene tint na de andere: goud als het zonnegloren, koperrood en groen als een appelbongerd, azuur als de golven, grijsomrand als schapewolkjes. Nee, het koloriet was het niet: het was het evenwicht, de balans van de volzin zelf. Hield hij dan meer van het ritmische golven van woorden dan van hun literaire associaties en kleur? Of beleefde hij, doordat zijn gezichtsvermogen even zwak was als zijn geest schuchter, minder vreugde aan de weerschijn van de stralende zintuiglijk waarneembare wereld door het prisma van een taal, veelkleurig en rijkgelaagd, dan aan de beschouwing van een innerlijke wereld van individuele emoties, volmaakt weerspiegeld in uit heldere soepele volzinnen opgebouwd proza?”

En dat alles in een taal, het Engels, die niet de zijne, niet de Ierse is. Zoals hij Stephen Dedalus laat denken:

“De taal waarin wij spreken is eerder de zijne dan de mijne. Hoe anders klinken de woorden thuis, Christus, bier, meester op zijn lippen dan op de mijne! Ik kan die woorden niet uitspreken of opschrijven zonder onrustig te worden in mijn hart. Zijn taal, zo vertrouwd en toch zo vreemd, zal altijd een aangeleerde taal voor mij blijven. Ik heb de woorden niet gemaakt of aanvaard. Ze verzetten zich tegen mijn stem. Mijn ziel mokt in de schaduw van zijn taal.”

Deze ambivalentie tegenover de kolonisator, Engeland, en zijn moederland en – taal, Ierland en het Iers, zou trouwens niet alleen in zijn teksten, maar ook in zijn leven blijven spelen. Hoewel hij nooit over wat anders dan Ierland schreef, keerde hij er na zijn vertrek naar Parijs nooit meer terug. Op de vraag waarom hij niet in Ierland wilde wonen, antwoordde hij: “Heb ik het ooit verlaten?” Het antwoord daarop was wellicht dat hij het niet kón verlaten omdat Ierland in hem zat. Een feit dat hij probeerde te ontvluchten, een vlucht die nooit kon slagen ondanks zijn pogingen:

“Mijn voorouders hebben hun taal afgedankt en een andere aangenomen, zei Stephen. Ze hebben zich door een handjevol buitenlanders laten onderwerpen. Denk je nou heus dat ik ten koste van mijn eigen leven en mijn eigen persoonlijkheid hun schulden ga betalen? Waarom zou ik?”

Voor onze vrijheid, zei Davin.

Vanaf de dagen van Tone tot die van Parnell, zei Stephen, is er nog nooit een rechtschapen en eerlijk man geweest die zijn leven en zijn jeugd en al wat hem lief was voor jullie heeft geofferd of jullie hebben hem aan de vijand verkocht of hem in de steek gelaten toen het erop aankwam of hem beschimpt en hem verlaten voor een ander. En jij nodigt mij uit me bij jullie aan te sluiten. Je kunt voor mijn part naar de duivel lopen.

Ze stierven voor hun idealen, Stevie, zei Davin. Onze tijd komt nog wel, geloof me.

Stephen zweeg even, verdiept in zijn eigen gedachten.

De ziel, zei hij toonloos, wordt voor het eerst geboren op de ogenblikken waar ik je van vertelde. Het is een langzame duistere geboorte, geheimzinniger nog dan de geboorte van het lichaam. In dit land probeert men de ziel van een mens reeds bij haar geboorte onder netten te strikken om haar zo in haar vlucht te belemmeren. Jij probeert mij een nationaliteit, een taal, een geloof aan te praten. Ik zal proberen die netten te ontvliegen.”

Wat Joyce duidelijk niet probeerde te ontvliegen, was de neiging om te beleren. Nooit heb ik een passage gelezen die minder een dialoog was dan diegene tussen Dedalus en Lynch over schoonheid, maar toch wordt vermomd als een dialoog. Deze passage duurt zo’n 15 bladzijden en is in essentie een essay op zichzelf, maar Joyce heeft duidelijk de behoefte gevoeld zijn gedachten omtrent dat onderwerp in te passen in dit “portret”. Wellicht omdat die gedachten hem als een belangrijk product van zijn studententijd zijn voorgekomen, zelfs al zijn die gedachten grotendeels geleend bij anderen, een waanidee waar alle studenten (nu ook nog?) wel eens last van hebben, en dat dan ook herkenbaar is voor iemand die zelf een aantal jaren als student heeft doorgebracht. Desalniettemin niet my cup of tea.

En toch … toch schijnt Joyce zich van die studentikoze zelfoverschatting bewust te zijn. Nauwelijks een paar bladzijden later trekt hij zijn belezenheid namelijk in het belachelijke door op een paar rondzwermende vogels aldus te reageren: “Waarom stond hij daar op de treden voor de zuilengalerij omhoog te staren, te luisteren naar hun schelle tweetonige roep, te kijken naar hun vlucht? Verwachtte hij een teken, goed of kwaad? Een gezegde van Cornelius Agrippa zweefde hem voor de geest en toen zweefden daar her en der vormloze overpeinzingen van Swedenborg over de overeenkomst tussen vogels en de dingen des geestes en hoe de schepselen der lucht hun eigen wetten, hun tijden en stonden kennen, daar zij, in tegenstelling tot de mens, leven in overeenstemming met de orde der dingen en deze orde niet door de rede verstoord is.”

En: “Hij glimlachte toen hij aan de beeltenis van de godheid dacht die hem deed denken aan een knobbelneuzige rechter met een pruik op, komma’s zettend op een document dat hij met gestrekte arm voor zich hield en hij wist dat hij zich de naam van de godheid nooit herinnerd zou hebben als deze niet op een Ierse krachtterm geleken had.” Of: “Hij zat alleen op het zijbalkon en keek met geblaseerde ogen naar de cultuurdragers van Dublin in de stalles en naar de prullige decors en de levende poppen in de omlijsting van de helle toneelverlichting.”

Om te eindigen met een totale relativering van zijn hele evolutie als “a young man”:

“Het is toch gek, weet je, zei Cranly bedaard, hoe oververzadigd jouw geest is van de godsdienst waarin je, volgens je eigen zeggen, niet meer gelooft. Geloofde je er wel in toen je nog op school was? Ik durf te wedden van wel.

Jazeker, antwoordde Stephen.

En was je toen niet gelukkiger? vroeg Cranly zacht. Gelukkiger dan nu, bijvoorbeeld.

Vaak gelukkig, zei Stephen, en vaak ongelukkig ook. Ik was toen een ander iemand.

Een ander iemand? Wat bedoel je daarmee?

Ik bedoel, zei Stephen, dat ik toen niet degene was die ik nu ben, die ik worden moest.”

En:

“Dan ben je dus niet van plan, zei Cranly, protestant te worden?

Ik zei dat ik mijn geloof verloren had, antwoordde Stephen, maar niet dat ik mijn zelfrespect verloren had. Wat zou dat voor bevrijding zijn een absurditeit die logisch en samenhangend is te verzaken en er een te omhelzen die onlogisch en onsamenhangend is?”

Al met al, in alle eerlijkheid, heeft lezing van Een portret van de kunstenaar als jongeman me ervan overtuigd dat ik bij een volgende gelegenheid ook eens ander werk van Joyce moet aankopen en het ook lezen. Tot de canon van de literatuur gaan behoren hoéft niet per se te betekenen dat je niet het lezen waard bent.

Björn Roose

vrijdag 26 juli 2019

Vraaggesprekken met / Liber amicorum Luc Pauwels

Tweede boekbespreking op korte tijd waarin ik meerdere boeken combineer. In dit geval echter zéker niet abnormaal gezien ze, ten eerste, over hetzelfde onderwerp gaan en ik ze, ten tweede, beide op hetzelfde moment kréég van ... dat onderwerp, Luc Pauwels. Het eerste, Vraaggesprekken met Luc Pauwels - Heel-Nederlander, Europeaan, Heiden is dan ook nog eens door hem getekend, wat dit cadeautje toch wel persoonlijk maakt.

Een woordje van uitleg over dat krijgen en tekenen, misschien. Wel, ik maak sinds een paar jaar - meer bepaald sinds het overlijden van het groen-rechtse geweten van Vlaanderen, Guy de Maertelaere - deel uit van de redactie van TeKoS. Ik gaf Guy in die hoedanigheid een podium in een ander blad waarvoor ik destijds schreef, deed al eindredactiewerk voor TeKoS, en werd vervolgens aangesproken om Guy op te volgen met een nieuwe "groene" rubriek. Nog steeds niet zeker hoe dat zo gekomen is, maar de vraag was niet aan dovemansoren gericht, dus sindsdien schrijf ik in iedere editie van Teksten, Kommentaren en Studies, al jaren afgekort tot TeKoS (bekt lekkerder en geeft ook wat meer ruimte op de omslag van het blad) een editie van Sprokkels uit de Moestuin. Soit, een hoop uitleg waaraan u - als u onbekend bent met TeKoS - niks heeft in dit verband, maar dan komt het: TeKoS is het geesteskind van Luc Pauwels, die er ook de stichter en eerste hoofdredacteur van was. En Luc heeft sinds korte tijd, na een vrijwillige "ballingschap" in Frankrijk, de redactie van zijn blad opnieuw vervoegd en had kort nadien, ook voor de mensen waarmee hij niet eerder in de redactie gezeten had (onder andere mij dus), deze twee boeken mee.

En als kennismaking met de man kunnen ze effectief tellen. Ze vertonen natuurlijk overeenkomsten, maar toch lees je ook in Vraaggesprekken met Luc Pauwels, het met grote voorsprong dunste boekje van de twee (amper 79 bladzijden), zaken die je in het andere boek niet leest.

Björn Roose bespreekt - Vraaggesprekken met Luc Pauwels (Pieter-Jan Verstraete)
Bijvoorbeeld over Lucs vader: "Voor de oorlog was vader lid van het Légion Nationale van de Luikse officier en advocaat Paul Hoornaert. Hij was hevig Belgischgezind. Volgens mij was het Légion de enige echte fascistische beweging die België ooit gekend heeft. (...) Vanaf het begin van de bezetting was vader actief binnen de Nationale Koningsgezinde Beweging, een van de eerste verzetsbewegingen nog voor er van enig communistisch verzet sprake was." En verder: "(...) vader had wel een uitgesproken politieke mening. Hij was een fervente leopoldist. Op de schoorsteenmantel in onze huiskamer stond ook een buste van Mussolini. Er hing tevens een bronzen plaquette van von Hindenburg. Ook na de oorlog weigerde vader de Mussolini-buste te verwijderen. 'Hij is door Hitler bedrogen. Waarom zou hij weg moeten?'"

Of over de standpunten van Luc Pauwels zelf: "Laat mij eerst duidelijk stellen dat in mijn ogen een organisatie als de NAVO al lang ontbonden had moeten zijn. Sinds 1989 heeft een dergelijke instelling toch geen nut meer. Tenzij dan het bestendigen van de US-hegemonie en niet meer de verdediging van het vrije Westen, zoals dat vóór 1989 nog wel het geval was. Het heeft toch geen zin meer om Rusland te provoceren. De landen die rond Rusland liggen zoals Wit-Rusland, Oekraïne, Georgië, ... behoren cultureel en op geopolitiek terrein tot de Russische invloedssfeer. Laat dat ook zo blijven. Wij moeten de Russen toch niet op stand jagen door manoeuvres te houden in een achtergebleven bergland, dat geregeerd wordt door een corrupt regime. De toekomst van Europa is, volgens mij, een getrapt lidmaatschap en dat alles in grote mate in overeenstemming met Rusland. Een sterk Europa betekent ook een sterk Rusland. Nooit heeft Europa betere tijden gekend als ten tijde van de tweede Golfoorlog van George Bush jr. Toen sprak men van een as Parijs-Berlijn-Moskou, een teken van hoop; dat was mij duidelijk op het lijf geschreven. De Amerikanen tonen slechts minachting voor het 'oude Europa'. Wij hebben op onze beurt de Amerikanen helemaal niet nodig."

Als er iets minder interessant is aan het boekje van de hand van Pieter Jan Verstraete, ook lid van de TeKoS-redactie overigens, dan is het wel dat het véél te vlug "voorbij" is. Met een man als Luc Pauwels kan je volgens mij een jaar aan een stuk iedere avond een gesprek voeren en nog niet door de gespreksonderwerpen heen zijn. Maar Pieter Jan Verstraete geeft zijn werk in eigen beheer uit, dus was er wellicht een materieel/financieel bezwaar tegen een uitgebreidere uitgave. Hij zegt in zijn voorwoord in ieder geval: "Aan gespreksstof was er helemaal geen gebrek. Integendeel! Zijn enthousiaste reisverslagen konden in het boek jammer genoeg geen plaats meer vinden. Zo reisde hij niet minder dan dertigmaal naar het prachtige vulkaaneiland IJsland. Het boek bevat heel wat namen van personen waarmee Luc Pauwels omgang had. Toch konden een aantal namen hier niet eens aangestipt worden. Een uiteenzetting over de geschiedenis van zijn bibliotheek diende eveneens geschrapt te worden."

Björn Roose bespreekt - Liber amicorum Luc PauwelsSoit, lees het boek samen met het Liber amicorum Luc Pauwels en een deel van de leemten wordt opgevuld. Ten eerste al wat de genoemde mensen betreft. Een flink aantal van de mensen die in het boekje van Pieter Jan Verstraete worden genoemd, komen hier ook ter sprake of ... leverden hun bijdrage. Voor wie immers het genre van het Liber amicorum niet zou kennen: het is een soort "poëzie", een vriendenboek dus, maar dan louter gevuld met teksten (ik heb er toch nog geen gezien die ook, bijvoorbeeld, getekende of geschilderde inhoud hadden, al lijkt me dat op zich geen bezwaar), bestemd voor publicatie (wat met een "poëzie" doorgaans niet het geval is) en dus in één keer, afgewerkt aan het feestvarken te bezorgen. Luc Pauwels kreeg dus ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag een boek aangeboden met "teksten en getuigenissen" van - op alfabetische volgorde, een volgorde die ook bij de teksten in acht genomen is (altijd een diplomatische oplossing) - Erik Arckens, Michel Aubès, Jean Henri d''Avirac, Alain de Benoist, Margit Van den Bossche, Ruud Bruijns, Maurits Cailliau, Hendrik Carette, Jurgen Ceder, Yves Christen, Bert Dekeyzer, Inge Deproost, Koen Dillen, Koen(raad) Elst, Francis Van den Eynde, Daan Goosen, Mark Grammens, Rob van Hee, Frans Hendrickx, Benoît Humblet, Piet Hein Jongbloet, Wido van Kaaster, Gérard Landry, Alain Lefebvre, Peter Logghe, Guy De Maertelaere, Michel Marmin, Michèle Delagneau, Eric Maulin, Janus Meerbosch, Néstor Luis Montezanti, Hugo Morael, Serge van Nuijs, Wilfried Patroons, Javier Portella, Geert Putman, Kurt Ravyts, Jan Sergooris, Michel Thibault, Karel Van Vaernewyck, Fabrice Valclérieux, Johan Vanslambrouck, Robin Versteeg, Pieter Jan Verstraete (zie boven), Karlheinz Weissmann, Peter van Windekens en Jean-Marcel Zagamé. Ten dele mensen die ook vandaag nog actief zijn in de TeKoS-redactie (Sergooris, Logghe, Arckens, Van den Eynde, Van Vaernewijck, Verstraete, Goosen, Van Windekens, Dekeyzer, Elst) of bij Nieuw-Rechts/Nouvelle Droite in het algemeen (met als grootste naam uiteraard Alain de Benoist, maar ook pakweg Karlheinz Weissman), ten dele compagnons de route of mensen waarvan de wegen die van Luc Pauwels op zeker moment gekruist hebben (Maurits Cailliau bijvoorbeeld), ten dele vrienden uit andere "kringen", maar hoe dan ook allemaal mensen die een rol van enige betekenis gespeeld hebben in leven en werken van het onderwerp.

Een beetje jammer dat een aantal van die mensen niet op zijn minst gepoogd heeft Luc Pauwels tot onderwerp van hun bijdrage te maken of hem ten minste wat meer te gunnen dan dienen als kapstok voor hun artikel. Ik ga bijvoorbeeld niet zeggen dat Facetten van de conservatieve revolutie. De onontkoombaarheid van Luc Pauwels' ideologisch oxymoron van Erik Arckens geen interessant artikel is (op zijn minst voor wie nog een inleiding tot de Conservatieve Revolutie kan gebruiken), maar ik krijg toch vooral de indruk dat Arckens nog eens zélf een van zijn stokpaardjes wou berijden (veertig bladzijden lang dan ook nog) en dat dit Liber amicorum daarvoor een perfect excuus was. Michel Aubès doet in zijn Du rêve européen au cauchemar de Bruxelles (inderdaad, in het Frans - gezien de Europese omvang van het netwerk van Pauwels en de sterkte van het Franse onderdeel daarvan, is er gekozen voor het zoveel mogelijk in de originele taal laten van de bijdragen, wat toch weer eens wat anders is) precies hetzelfde, al komt Pauwels nog minder in zijn verhaal te pas dan in dat van Arckens. Idem voor Mark Grammens en Serge van Nuijs, die alleen in hun titel of eerste paragraaf spreken van "opgedragen aan Luc Pauwels" (net zoals Michel Marmin/Michèle Delagneau en Eric Maulin dat doen met hun "En hommage à Luc Pauwels"), of Rob van Hee, die los daarvan met De iconografie van Vesalius: grondslag van de hedendaagse anatomie-afbeeldingen wel een interessant (doch vrij specialistisch) artikel heeft geleverd, of ten slotte Pieter Jan Verstraete, die het na twee inleidende paragrafen alleen nog over Lodewijk Dosfel heeft, maar die we wel een en ander kunnen vergeven omdat hij per slot van rekening al het eerder besproken Vraaggesprekken met Luc Pauwels publiceerde.

Nee, dan vond ik de bijdragen van bijvoorbeeld Jean Henri d'Avirac en Alain de Benoist (of Inge Deproost en Margit Van den Bossche, zijn voormalige secretaresses, of Koen Dillen, of voormalig zakenpartner Frans Hendrickx, of Piet Hein Jongbloet - over de Orde van den Prince -, of Wido van Kaaster, of Hugo Morael) een stuk interessanter, want wél rond Luc Pauwels draaiend. Goed, Luc zal zich zijn eigen leven wel kunnen herinneren - de laatste keer dat ik hem zag, en da's nog niet zo lang geleden - was hij nog perfect bij zinnen, maar gezien zo'n Liber amicorum ook voor publicatie bestemd is, zijn dit soort teksten leuker. Je leert er Luc Pauwels, ook als relatieve nieuweling bij TeKoS, beter mee kennen, krijgt doorzicht in zijn netwerk en daarmee ook in de verdere knooppunten van je eigen netwerk.

En dan zijn er ook nog bijdragen over, bijvoorbeeld, Joris van Severen, de man waaraan Luc Pauwels zijn thesis wijdde, of Nieuw-Rechts (onder andere door Peter Logghe en Francis Van den Eynde), waarvan Luc Pauwels toch de Vlaamse/Nederlandse voorman was en is, of natuurlijk zijn voornaamste geesteskind, TeKoS (en de voorloper daarvan, De Anderen). In het geval van Peter van Windekens in het bijzonder over de Bijdragen van Luc Pauwels in TeKoS.

Om deze uitgebreide boekbespreking te beëindigen besteed ik nog even aandacht aan één artikel dat me geen enkel verband lijkt te houden met Luc Pauwels en een paar artikels die ik zeer de moeite van het lezen waard vond.

Het eerste, Zeven hoofdzonden van de Belgische fiscus, werd bij mekaar gepend door Johan Vanslambrouck, verwijst nergens naar Luc Pauwels en kon net zo goed geschreven zijn voor het blad van de bedrijfsrevisoren (als ik me niet vergis is dat ook de stiel van Vanslambrouck)

Het eerste van twee artikels die ik zeer graag gelezen heb, is dan weer Luc Pauwels kampioen van het vrije woord van Geert Putman. Hij begint dat artikel met twee anekdotes van de hand van Godfried Bomans - mijn persoonlijke favoriet onder de cursiefjes-schrijvers, dus al voldoende om mij geïnteresseerd te krijgen - en gaat meteen verder met eentje over de mij verder onbekende Andries Stevens, voormalig leerkracht Duits van de auteur: "In de zeventiger jaren, na een colloquium over de hervorming van het middelbaar onderwijs waar Andries Stevens schitterend het woord had gevoerd, werd hij door een zelfgenoegzaam leerkrachtje gemaakt-vriendelijk als volgt aangesproken: 'Meneer, mag ik u vragen, bent u nu fascist of liberaal?'. Het antwoord van de heer Andries Stevens: 'Och, kiest u toch zelf.'" Voeg daar nog dit over Louis Paul Boon aan toe en een artikel kan niet meer stuk voor mij: "Louis Paul Boon, auteur van het Geuzenboek verklaarde meermaals de scheuring van 1830 te betreuren. In een vraaggesprek riep hij: 'Ik ben geen Belg godverdomme, ik ben een Nederlands schrijver, ik behoor tot de Nederlandse cultuur!'."

En het tweede was dat van Karlheinz Weissmann - van wie overigens nog steeds regelmatig artikels in TeKoS verschijnen - met als titel Oranje boven! - Zur Bedeutung von Orange als politischer Symbolfarbe. "Zum 75; Geburtstag unseres Freundes Luc Pauwels" geschreven, met als onderwerp - mocht uw Duits wat minder zijn - oranje als politieke symboolkleur. Als anti-royalistische "orangist" - wat een contradictio in terminis zou geweest zijn gedurende een zekere periode van onze vaderlandse, en dan bedoel ik Nederlandse, geschiedenis - heb ik daar heel wat van bijgeleerd. Waarvoor dank !

Björn Roose