dinsdag 16 maart 2021

Biljarten om half tien – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)

Biljarten om half tien – Heinrich Böll (boekbespreking door Björn Roose)
Ik begin m’n boekbesprekingen wel eens vaker met de stelling dat het eigenlijk niet nodig zou moeten zijn om de schrijver van het boek voor te stellen, maar da’s niet altijd even eerlijk. Ook niet in het geval van Heinrich Böll. Ja, hij won de Nobelprijs voor Literatuur en was een van de bekendste Duitse naoorlogse schrijvers, maar dat van die prijs is alweer bijna vijftig jaar geleden (1972) en Böll zelf is ook al meer dan 35 jaar dood, terwijl ik tot ik Biljarten om half tien ter hand nam óók nooit wat van hem gelezen had.

Ik kende de schrijver wel van naam, maar wist ook niet dat hij geboren was in Keulen in een rooms-katholieke, pacifistische familie die zich later zou verzetten tegen het nationaal-socialisme of dat hij als lid van de Wehrmacht gevochten had in dienst van dat nationaal-socialisme op fronten in Polen, Frankrijk, Roemenië, Hongarije en de Sovjet-Unie. Tegen zijn goesting dan toch, klaarblijkelijk, want hij zou na de oorlog en in zijn geschriften ook een devoot pacifist zijn.

Dát thema is niet iets dat volop naar voor komt in Biljarten om half tien, al spelen in dit boek toch een aantal andere thema’s die – als ik Wikipedia mag geloven – ook in zijn andere werken voorkomen: protagonisten die stug ingaan tegen gevestigde instellingen en een voortdurende persoonlijke strijd tegen een achtergrond van maatschappelijke gevechten.

Goed, met zo’n omschrijving kan je alle kanten uit, maar als je weet dat Biljarten om half tien in essentie een Duitse familiegeschiedenis is die zich afspeelt tussen het einde van de 19de eeuw en ergens halverwege de 20ste eeuw, dan is “alle kanten uit” ook weer niet onlogisch. Als je dan ook nog weet dat Heinrich Fähmel, de grootvader, stichter is van een dynastie van architecten (en aanverwanten) en dat de voornaamste niet-menselijke rol gespeeld wordt door een abdij (volgens sommige bronnen gemodelleerd op die van Maria Laach – overigens een prachtige abdij in een schitterende omgeving), gebouwd door Heinrich, opgeblazen door zijn zoon Robert, en aan wederopbouw toe onder diens zoon Joseph, dan heb je sowieso al een multidimensionale verzinnebeelding van Duitsland in dezelfde periode.

Meer over de inhoud ga ik ook echt niet vertellen. Dit boek verdient gewoon gelezen te worden. Al kan dat wel een beetje een worsteling zijn. Ik kom als lezer nu niet meteen onbeslagen ten ijs, maar eerlijk, ik was bij momenten de weg wat kwijt. De raamvertelling speelt zich af op één dag, maar het camerastandpunt verandert voortdurend (elf mensen vertellen, door mekaar heen, hun verhaal en wisselen daarbij ook nog af tussen heden en verleden) en die wisselingen worden niet aangegeven door nieuwe hoofdstukken te beginnen. Aber … misschien lag die verwarring wel in de bedoeling van Böll, want op een zeker moment (aan het begin van hoofdstuk 11, zou ik zeggen, al zijn we dan al zo’n 170 bladzijden ver) gaat hij wel degelijk héél duidelijk een bepaalde richting uit en is het voor de resterende dertig bladzijden volkomen straight forward. Toch met wat je in de verwarrende hoofdstukken daarvoor opgedaan hebt aan kennis.

Je hebt wat geduld nodig dus en zo heel af en toe had ik de neiging wat tekst over te slaan, maar anderzijds vond ik het spijtig dat ik het boek niet écht als een pageturner kon behandelen (daarvoor had ik me een paar dagen moeten kunnen afzonderen). Een boek voor de, aheum, gehardere lezer dus. Het soort lezer dat om kan met dit soort zinnen (het is er één, echt waar):

“Het was voor de portier al een ceremonie geworden, een liturgie bijna, die in zijn vlees en bloed was overgegaan: elke morgen precies om half tien de sleutel van het bord halen en de lichte aanraking voelen van de droge verzorgde hand die de sleutel aanpakte; een blik op het strenge bleke gezicht met het rode litteken op het neusbeen; dan nadenkend, met een nauw merkbare glimlach die alleen zijn vrouw gezien zou hebben, Fähmel nakijkend: hoe hij het uitnodigende gebaar van de liftboy negeerde en, als hij de trap opging, met de sleutel van de biljartzaal tegen de koperen roe van de trapleuning tikte: vijf, zes, zeven maal, als het geluid van een xylofoon die maar één toon had; en een halve minuut later kwam dan Hugo, de oudste van de beide chasseurs, vroeg: ‘Het gewone?’ en dan knikte de portier, wist dat Hugo naar het restaurant zou gaan, een dubbele cognac en een karaf water zou halen en tot elf uur verdwenen was, boven in de biljartzaal.”

Een boek ook voor de lezer die kan genieten van wat ter gelijker tijd cynisch klinkt en toch helemaal aansluit bij de voorbije leefwereld van een bepaalde categorie Duitsers. Geen nationaal-socialisten, voor de duidelijkheid, maar een vorm van adel, een Germaanse versie van de stiff upper lip, een stiff upper lip die in dit geval het liedje van de nationaal-socialisten fluit vanuit … een haat voor de nationaal-socialisten:

“(…) ik had een goed team bij elkaar: natuurkundigen en architecten, en wij bliezen alles op wat ons in de weg stond; het laatste was iets groots, iets geweldigs, een heel complex van reusachtige, heel solide gebouwen: een kerk, zijgebouwen, monnikencellen, een bestuursgebouw, een hereboerderij, een hele abdij, Hugo, – hij lag precies tussen twee legers, een Duits en een Amerikaans leger, – en ik zorgde ervoor dat het Duitse leger zijn schootsveld kreeg dat het helemaal niet nodig had; toen knielden de muren voor me neer, het vee weeklaagde in de stallen en de monniken vervloekten me, maar ik was niet meer te houden, de hele Sint Antonius-abdij in het Kissadal liet ik de lucht in vliegen, drie dagen voordat de oorlog afgelopen was. Correct, jongen, steeds correct, zo ken je me.”

En dat terwijl toch ook de andere kant van de medaille nooit veraf is, het zich beklagen over het niet voldoende correct zijn: “(…) en ik wist dat ik had moeten zeggen: ik ben het met mijn vrouw eens; ik wist dat ironie niet voldoende was en nooit voldoende zou zijn.” Wat niet belet dat Böll zich af en toe ook ruim van ironie bedient: “(…) met die harde donkere krenten van ogen zag hij eruit of hij vergeefs alle beschikbare laxeermiddelen geprobeerd had en wachtte op de uitvinding van het enige echt helpende middel” of “Ik heb een Hollandse politicus bedreigd, omdat hij gezegd had dat alle Duitsers eraan moesten, – een zeer geliefde politicus; de Duitsers lieten me vrij toen ze Holland bezetten en dachten dat ik een soort martelaar voor Duitsland was; maar toen vonden ze mijn naam op hun opsporingslijst, en ik nam de vlucht voor hun liefde: naar Engeland; daar heb ik een Engelse politicus bedreigd, omdat hij zei dat alle Duitsers eraan moesten en dat alleen hun kunstwerken gered mochten worden, een zeer geliefde politicus; maar ik kreeg snel amnestie, omdat ze dachten dat ze mijn gevoelens moesten respecteren, – gevoelens die ik helemaal niet gehad had, toen ik die politicus bedreigde; zo wordt men door een misverstand gevangengenomen en door een misverstand vrijgelaten.”

Het einde van deze bespreking wil ik echter inzetten met dat ene bevel van de Führer, het zelfmoordbevel. Niet dat ik een probleem heb met de vrijdood (in tegendeel, ik zie die als een achtbare uitweg uit een spel dat sowieso niet te winnen valt), maar zeker in tijden waarin politici en “experten” met behulp van de massamedia de mensen aanpraten dat ze hun “vrijheid” enkel kunnen terugkrijgen door exact datgene te doen wat zij willen, mag er altijd op gewezen worden dat die grenzeloze volgzaamheid tot gruwelijke gevolgen kan leiden, gevolgen die voor wie zo volgzaam is niet meer zichtbaar zijn:

“(…) mijn moeder was blond en lang en droeg een blauwe uniform, en ze droeg een leuke elegante hoed, geen zwaard op haar heup; en ik had een klein broertje, hij was veel kleiner dan ik, en blond, en mijn broertje hing boven de deur met een hennep-lus om zijn hals, hij bengelde, en ik lachte, lachte nog toen mijn moeder ook een hennep-lus om mijn hals legde en mompelde: Hij heeft het bevolen, maar toen kwam er een man binnen, zonder uniform, zonder gouden kraag en zonder zwaard, hij had alleen een pistool in zijn hand, dat hij op moeder richtte, en mij rukte hij los uit haar handen, en ik huilde omdat ik die hennep-lus al om mijn hals had en dat spelletje wou spelen, dat mijn broertje daarboven mocht spelen, het spelletje: Hij heeft het bevolen (…)”

Terwijl wié beveelt, ook een keer Hij dood is, zelfs niet uitmaakt, want perfect inwisselbaar: “(…) heb je die lui beneden in de hal niet gezien? Die moesten naar drie verschillende feestdiners: naar het ene diner de linkse Oppositie, naar een ander diner “De oudste van de Oudvertrouwden”, en naar het derde diner de rechtse Oppositie; maar je zou een genie moeten zijn om te kunnen vertellen wie van hen naar welk diner moest.”

Wat nog niet wil zeggen dat je niet kan proberen een einde aan het spel te maken voor het spel een einde aan jou maakt. Of zoals aartsvader Heinrich Fähmel zegt nadat zijn vrouw op een politicus geschoten heeft: “(…) ze komt nog wel terug en dan zal ze bij ons blijven; ze zou erg bedroefd zijn als ze hoorde dat wij de wijn laten verschalen; hij is immers niet levensgevaarlijk gewond en ik hoop dat de grote verwondering nooit meer van zijn gezicht verdwijnt; die denken allemaal dat ze onsterfelijk zijn; – zo’n broos geluidje [een pistoolschot, noot van mij] kan wonderen doen.”

Björn Roose

vrijdag 12 maart 2021

Hondehart – Michail Boelgakov (boekbespreking door Björn Roose)

Hondehart – Michail Boelgakov (boekbespreking door Björn Roose)
Wie mijn boekbesprekingen volgt, zal zich misschien herinneren dat ik er eind augustus 2019 (het lijkt alweer een eeuwigheid geleden) een publiceerde over een ander werk van Michail Boelgakov, Zoja’s appartement. Ik verwijs graag naar die bespreking voor wie iets meer wil vernemen over de achtergrond van Boelgakov, maar begin de bespreking van Hondehart even graag met de conclusie van die vorige bespreking: “Voor de duidelijkheid: ik hoor niet tot de kaste van aan wal staande stuurlui. Het was ongetwijfeld in de Sovjet-Unie net zomin gemakkelijk voor je mening uit te komen als in nationaal-socialistisch Duitsland en er zal ook dáár weinig opdeling te maken geweest zijn tussen zwart en wit (een poging die in deze tijden uiteraard wél blijvend ondernomen wordt). Maar het is zonde gezien het talent dat Boelgakov in andere werken getoond heeft. Ik heb jaren geleden genoten van zijn Hondenhart (sic), dat in 1925 werd verboden en dat een heel erg duidelijke kritiek op het regime vormde. Of zoals de Sovjet-krant Izvestia op 15 september 1929 schreef: "Zijn talent is overduidelijk, maar zo is ook het reactionair sociaal karakter van zijn werk". Ik heb zijn voornaamste werk De Meester en Margarita nog niet gelezen - het boek waaraan hij tussen 1928 en het jaar van zijn overlijden, 1940, werkte -, maar ook dát zou een knappe parodie zijn op Stalin en het leven in de Sovjet-Unie. Dat maakt helaas dingen als deze tweede versie van Zoja's appartement én de kniebuigingen van Boelgakov voor Stalin en het regime alleen maar spijtiger.”

Ik heb dus nog steeds De Meester en Margarita niet gelezen (dat komt er een dezer maanden sowieso van), maar wel Hondehart (zonder tussen-n dus) opnieuw. En het boek was nog steeds zo goed als ik me herinnerde. Beter zelfs. Korte samenvatting (spoiler alert) op de achterflap van dit 140 bladzijden dikke paperbackje: “Hondehart is tegelijk de Frankenstein-achtige geschiedenis van een hond én een verbeten satire op bepaalde praktijken in het vroeg-bolsjewistische Rusland. Half verhongerd en met brandwonden overdekt wordt de hond gevonden en meegenomen door een beroemde chirurg, die zich heeft gespecialiseerd in verjongingskuren en nu een grote nieuwe stunt, een waarlijk revolutionair experiment voorheeft. De hond wordt geopereerd en krijgt de testikels en hersenen van een kort tevoren bij een gevecht omgekomen balalaikaspeler. De hond wordt nu snel: kameraad Sjarikov! Maar hij blijft als mens een monstruositeit. Zijn wezenlijke hondenatuur blijkt onveranderbaar. Hij slaat obscene taal uit, valt vrouwen op brute wijze lastig, elimineert op sadistische wijze katten, steelt, morst, probeert zelfs de assistent van de professor neer te schieten. Het experiment blijkt een jammerlijke blunder te zijn geweest: de mens met het hondehart moet maar weer hond worden.”

Zo, om de clue te weten te komen, moet u het boekje al niet meer lezen, maar u zal allicht ook niet meer opkijken van het feit dat dit werk in de Sovjet-Unie niet mocht gepubliceerd worden (helaas dook het in het Westen ook pas op toen hij al overleden was, net zoals De Meester en Margarita trouwens). Een duidelijker kritiek op het idee van de maakbare mens is nauwelijks denkbaar. En daarmee vormt het boek eigenlijk net zo goed een aanklacht tegen het nationaal-socialisme of tegen volstrekt waanzinnige moderne vormen van utopieën genre de veelbesproken Great Reset. Je kan de mens wel uit het vuilnis halen, maar niet het vuilnis uit de mens. Je kan de mens proberen aan te passen aan je communistische, nationaal-socialistische, post-modernistische ideetjes, maar de mens zal altijd een mens blijven en zelfs als er geen externe factoren meespelen – iets waar mensen als Klaus Schwab vurig naar streven door de hele wereld mee te slepen in hun waanzin –, zal je utopie aan dat simpele feit ten onder gaan.

Alleen zitten verstandige mensen daar niet op te wachten: ze weten ook dat de revolutie z’n kinderen opvreet en dat er een hele hoop kinderen zullen opgevreten zijn vooraleer de revolutie sterft. De “beroemde chirurg” waarvan sprake, Filipp Filippovitsj Preobrazjenski, beseft dat ook, maar vooraleer hij zichzelf zo ver kan krijgen niet alleen pas op de plaats te maken, maar ook rechtsomkeer, is er hoe dan ook al massa’s schade gedaan. En dan is Preobrazjenski nog bereid datgene te doen waar “experten” en politici voor zover ik weet – en ik kan me vergissen, maar laat iemand dan met een tegenvoorbeeld komen – nog nooit in geslaagd zijn: fouten erkennen en die niet proberen op te lossen door verder te gaan op het ten onrechte ingeslagen pad.

Vooraleer het zover komt – want dat gebeurt uiteraard pas op het einde van het boek – krijg je echter een schitterend boekje te lezen. Beginnend met een hoofdstuk waar de hond, sjarik in het Russisch, zijn gedachten de vrije loop laat terwijl ie ligt te creperen, een persoonsverwisseling waar de auteur aardig in geslaagd is (ik heb dit eerder gezien met een veulen, maar kan me niet meer herinneren in welk boek precies).

Gevolgd door een hoofdstuk waarin het beest de operatiekamer ingelokt wordt en de chirurg er behalve wat worst ook een stukje filosofie tegenaan gooit als hij door zijn assistent gevraagd wordt hoe hij de hond heeft meegekregen: “Kwestie van aanhalen. Dat is de enige manier waarop je wat bereikt bij levende wezens. Met terreur kom je nergens, ongeacht het ontwikkelingspeil van een dier.” Waarna dat dier ook te weten komt dat hij dan wel nieuwe testikels heeft gekregen, maar ook ontmand is: “‘Pas op, jij, of ik maak je af! Weest u maar niet bang, hij bijt niet.’ ‘Bijt ik niet?’ vroeg de hond zich verbaasd af.” En waarin we kennis maken met het “huisbestuur”, de club van communistische zeloten die ervoor moeten zorgen dat Preobrazjenski datgene doet wat ook in Dokter Zjivago van Boris Pasternak een belangrijk thema is: zijn appartement delen met alsmaar meer mensen (“inwonerstalverdichting”, zoals dat in Hondehart genoemd wordt). Op het einde van dat hoofdstuk krijgen we deze heerlijke dialoog, een dialoog die ik heden ten dage eigenlijk niet genoeg hoor. Een dialoog waarin simpelweg gezegd wordt dat iemand iets ook niet kan willen omdat hij het gewoon niet wil:

“‘… wilde ik u voorstellen …’ – bij die woorden rukte de vrouw uit haar boezem een aantal kleurige en van de sneeuw nat geworden tijdschriften, ‘een paar bladen te kopen van de kinderen in Duitsland. Een halve roebel per stuk.’

‘Nee, geen behoefte aan,’ antwoordde Filipp Filippovitsj kortaf met een schuinse blik op de blaadjes.

Op hun gezichten tekende zich nu volslagen verbijstering af en het gezicht van de vrouw hulde zich in een framboosrode gloed.

‘Waarom weigert u?’

‘Ik wil ze niet.’

‘Voelt u dan niet mee met de Duitse kinderen?’

‘Zeker wel.’

‘Kijkt u dan soms op een halve roebel?’

‘Nee.’

‘Waarom neemt u er dan geen?’

‘Ik wil niet.’”

Even vertaald naar vandaag de dag en kwestie dat wie er mij ooit om vraagt het nu al weet:

“‘… wilde ik u voorstellen …’ – bij die woorden rukte de dokter uit zijn lade een doorzichtige en van kwijl nat geworden spuit, ‘een vaccin te nemen tegen corona. Gratis.’

‘Nee, geen behoefte aan,’ antwoordde Björn Roose kortaf met een schuinse blik op de spuit.

Op het gezicht van de dokter tekende zich nu volslagen verbijstering af.

‘Waarom weigert u?’

‘Ik wil het niet.’

‘Voelt u dan niet mee met onze zwakkeren?’

‘Zeker wel.’

‘Bent u bang?’

‘Nee.’

‘Waarom neemt u er dan geen?’

‘Ik wil niet.’”

Soit, verder naar het volgende hoofdstuk. Daarin begint de langzame transformatie van hond tot mens (of van mens tot de nationaal-socialistische versie van Nietzsches Übermensch, of van koelak tot communist) en leert het beest dat het goed is geketend te zijn. Liever een dikke hond aan de ketting dan een magere wolf in het bos. “De volgende dag kreeg de hond een brede, glimmende halsband om. Toen hij zich in de spiegel bekeek, was hij het eerste moment knap uit zijn humeur. Met de staart tussen de poten trok hij zich in de badkamer terug, zich afvragend hoe hij het ding zou kunnen doorschuren tegen een kist of een hutkoffer. Maar algauw drong het tot hem door dat hij gewoon een idioot was. Zina nam hem aan de lijn mee uit wandelen door de Oboechovlaan. De hond liep erbij als een arrestant en brandde van schaamte. Maar eenmaal voorbij de Christuskerk op de Pretsjistenka was hij er al helemaal achter wat een halsband in dit leven betekent. Bezeten afgunst stond te lezen in de ogen van alle honden die hij tegen kwam en ter hoogte van het Dodenpad blafte een uit zijn krachten gegroeide straatkeffer hem uit voor ‘rijkeluisflikker’ en ‘zespoot’. Toen zij de tramrails overhuppelden keek een agent van milietsie tevreden en met respect naar de halsband (…) Zo’n halsband is net een aktentas, grapte de hond in gedachte en wiebelend met zijn achterwerk schreed hij op naar de bel-etage als een heer van stand.” Of, zoals het in het volgende hoofdstuk al heet: “Maak je zelf maar niets wijs, jij zoekt heus de vrijheid niet meer op, treurde de hond snuivend. Die ben je ontwend. Ik ben een voornaam hondedier, een intelligent wezen, ik heb een beter bestaan leren kennen. En wat is de vrijheid helemaal? Rook, een fictie, een drogbeeld, anders niet … Een koortsdroom van die rampzalige democraten …”

Maar dat beter bestaan komt met meer en meer plichten een keer je de babyfase voorbij bent, een keer je bekering in kannen en kruiken is, een keer je niet meer terug kan: Sjarikov wordt geacht beleefd te zijn, zijn plaats te kennen, wil “documenten” hebben (“Een document is de belangrijkste aangelegenheid ter wereld.”), wordt er door de communisten op gewezen dat hij “klassebewustzijn” moet kweken, terwijl hij in essentie – opnieuw – alleen maar wil vreten en achter katten aan zitten, wat dan ook precies is wat hij doet. Terwijl hij wel meer en meer eisen stelt aan zijn omgeving, want die doet niet precies wat hij wil.

Samengevat: Hondehart is een filosofisch tractaat zoals ook Frankenstein van Mary Shelley er een is (zoals aangegeven op de achterflap heeft de thematiek duidelijke raakvlakken). Maar wel een filosofisch tractaat dat leuk om lezen is, zelfs voor mensen die er niet meer in willen zien dan een verhaal van een hond die mens wordt en vervolgens weer hond. Ik weet niet of het boekje in recentere jaren nog ergens werd uitgegeven in het Nederlands (mijn exemplaar verscheen in 1969 bij de voor de gelegenheid met Uitgeverij De Arbeiderspers samenwerkende Em. Querido’s Uitgeverij in Amsterdam in een vertaling van Marko Fondse – derde druk van 1975), maar ik zou het zowel de liefhebbers van Russische literatuur, dissidenten, anti-communisme, anti-utopisme als de minder in filosofie maar dan toch in kortere vlot leesbare boeken aanraden. Een must read dus!

Björn Roose

vrijdag 5 maart 2021

Father Brown Omnibus – Gilbert Keith Chesterton (boekbespreking door Björn Roose)

Father Brown Omnibus – Gilbert Keith Chesterton (boekbespreking door Björn Roose)
Gilbert Keith (kortweg G.K.) Chesterton werd geboren in Londen in 1874 en overleed in Beaconsfield in 1936. Tussen die data door probeerde hij achtereenvolgens een opleiding tot illustrator en een tot literator, maar geen van beide pogingen slaagde. Hij kon niettemin aan de slag bij de Londense uitgevers Redway en T. Fisher Unwin tussen 1896 en 1902 en begon in diezelfde periode als freelance kunst- en literatuurcriticus. Dat was het begin van een verder wél geslaagde poging om het tot schrijver te brengen: in 1902 kreeg hij een wekelijke column in de Daily News, in 1905 een dito column in The Illustrated London News, en vanaf 1900 publiceerde hij ook een schier eindeloze stroom van gedichten, essays, verhalen, novellen, en zelfs toneelstukken. Faute à het kortlevende blad Bitter Lemon, een blad waar ik lang geleden wel eens voor schreef, en de christelijk-conservatieven die daar de dienst uitmaakten, werd z’n in 1908 gepubliceerde boek Orthodoxy het eerste van z’n hand waar ik over hoorde. Maar voorliggende Father Brown Omnibus werd het eerste dat ik ook nog las. Dit jaar pas.

Nu ja, dan heb je meteen ook álle Father Brown-verhalen gelezen (dat staat ook vermeld op de flap), zowel diegene die eerder gebundeld werden in The innocence of Father Brown (Father Brown houdt zich van den domme), als diegene die gebundeld werden in The wisdom of Father Brown (De wijsheid van Father Brown), The incredulity of Father Brown (Father Brown laat zich niet foppen), The secret of Father Brown (Het geheim van Father Brown), en The scandal of Father Brown (De blamage van Father Brown), én het niet eerder in een bundeling opgenomen The vampire of the village (Het serpent en het schandaal). Meer dan 800 bladzijden detectiveverhalen. Want Father Brown is van zijn beroep wel katholiek zielenherder, maar van zijn hobby detective. En de combinatie van dat beroep en die hobby maken hem uiteraard tot een unieke persoonlijkheid die unieke raadsels oplost op een, inderdaad, unieke manier.

Als de naam Father Brown u iets zegt terwijl u nochtans zeker weet nooit een van de verhalen gelezen te hebben: geen angst, u hebt wellicht geen last van een te grote mate aan verbeelding, maar het zou kunnen zijn dat u liefhebber bent van Britse tv-series. De BBC, daarin gevolgd door onder andere de Nederlandse KRO en het Vlaamse één, stuurt namelijk al sinds 2013 regelmatig nieuwe afleveringen van de gelijknamige tv-serie de ether in. En hoewel Chesterton in totaal “maar” 51 Father Brown-verhalen en twee raamvertellingen rond hetzelfde karakter schreef, zijn er intussen 90 afleveringen (and counting?) van de tv-serie gemaakt.

Laat het feit dat u eventueel de serie gezien heeft u echter niet afhouden van het lezen van de verhalen. Ik heb kort voor deze bespreking de eerste twee afleveringen ooit van de tv-serie bekeken (The hammer of God en The flying stars) en was er pas ongeveer halverwege de eerste aflevering achter van welk verhaal deze aflevering de verfilming was, terwijl ik er niet eens achtergekomen ben of de tweede aflevering wel gebaseerd was op een van de verhalen in deze omnibus (De vliegende sterren, blijkt nu, maar het scenario wijkt zó ver af van het oorspronkelijke verhaal dat het net zo goed twee, vagelijk gelijkende, verhalen zouden kunnen zijn; het feit dat een van de belangrijkste sidekicks van Father Brown er uit geschreven is, wijst er ook meteen op dat die sidekick, Flambeau, verder ook geen rol zal spelen in de televisieserie). Bovendien herkende ik in het televisiepersonage nauwelijks het hoofdpersonage uit het boek (dat gebeurt me wel meer) en miste ik ten zeerste de (religieuze) filosofie die de verhalen net zo aardig maken. De tv-serie is natuurlijk niet zo slecht als de Verhavert-verfilming van het Pallieter-scenario van Hugo Claus (kan ook moeilijk), maar ze staat naar mijn gevoel wél even ver af van het gedrukte origineel.

Voor de petite histoire, het vertaalwerk werd gedaan door een hele serie mensen, maar stond onder leiding van een schrijver die ik tot mijn favorieten reken: Godfried Bomans. Niet alleen onder leiding van, trouwens, want Bomans – die zich daarmee behalve (zoals bekend) een fan van Charles Dickens ook een fan van G.K. Chesterton toonde – nam zelf de vertaling op zich van onder andere Het blauwe kruis, De geheimzinnige tuin, De zonderlinge voetstappen en De onzichtbare man.

Beetje moeilijk om een beperkte keuze van citaten uit zo’n omvangrijke bundel van verhalen te … halen, maar aangezien dit eigenlijk een bespreking van vijf boeken (én een los verhaal) is, hoef ik me voor één keer ook niet zoveel aan te trekken van “in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister” en krijgt u er een serietje van me:

– “Terwijl kapitein O’Brien de twee anderen volgde, voelde hij zich beslist onwel. Hij was soldaat en hij walgde van dit stiekeme bloedbad. Waar was het eind van die onzinnige amputaties? Eerst was er een hoofd afgehakt, toen een ander. En althans in dit geval, zo dacht hij bitter, was het niet waar dat twee hoofden beter waren dan een.” (uit De geheimzinnige tuin)

– “Het lithurgisch visgerecht bestond (althans in de ogen van een gewoon sterveling) uit een monsterachtige pudding, zo groot als een bruiloftstaart, waarin een aanzienlijk aantal belangwekkende vissoorten voorgoed hun door God gegeven vorm verloren hadden.” (uit De zonderlinge voetstappen)

– “Daarom had Flambeau alleen de hoogstnodige bagage medegenomen, althans bagage die hij voor onmisbaar hield, zoals blikjes zalm indien hij honger kreeg, geladen revolvers wanneer hij een potje wilde gaan vechten, een fles brandewijn als hij misschien eens flauw zou vallen en een priester voor het geval dat hij het hoekje omging.” (uit De zonden van Prins Saradine)

– “Het brein van de kleine geestelijke was altijd een konijnenberg vol fantasieën die zo vlug sprongen dat hij ze onmogelijk allemaal kon grijpen.” (uit De man in de passage)

– “‘Een rechte stok, die precies in een bepaalde richting wijst, heeft één nadeel,’ antwoordde de geestelijke; ‘Wat dat is? Wel, het andere eind van de stok wijst altijd in de tegenovergestelde richting. Alles hangt er van af of je de stok wel bij het rechte eind hebt.’” (uit De vergissing van de machine)

– “Hij was juist zo lang, of zo kort dat alleen zijn hoofd nog door het gat in de gebroken planken stak en zo zag het er uit als het hoofd van Johannes de Doper op een schotel. Het gezicht had een uitdrukking van ontsteltenis, maar dat had het gezicht van Johannes de Doper misschien ook.” (uit De God van de Gong)

– of, ten slotte, deze uit Het serpent en het schandaal: “‘Wat bedoelt u daarmee, voor de duivel?’ vroeg de zeeman, met de goddeloze woordkeuze welke in nautische kringen gebruikelijk is.”

Veel typisch Britse humor dus (en ik heb het voor de fijne witz, niet voor de benadering van Some mothers do have them of Benny Hill), op een goed niveau vertaald door de ploeg van Bomans. En, zoals eerder gezegd, ook een flinke portie filosofie. Religieuze filosofie, maar ook politieke, want zoals Chesterton niet echt voor één christelijk gat te vangen was (al bekeerde hij zich uiteindelijk wel tot de katholieke variant), was hij ook niet weg te zetten als een overtuigd kapitalist of een dito communist.

Ook daarvan een paar voorbeelden in citaatvorm om deze bespreking te beëindigen:

– “Ziet u, de donkere eeuwen trachtten van goede mensen studie te maken. Maar onze eigen humane en verlichte eeuw heeft slechts interesse in een wetenschap over slechte. Toch geloof ik dat de algemene ervaring leert, dat ieder denkbaar soort mens een heilige is geweest. En ik vermoed dat u juist zo tot de conclusie zult komen dat ieder denkbaar soort mens een moordenaar is geweest.” (uit De man met de twee baarden)

– “ ‘(…) U neemt aan dat de arme de rijkste afperste. In feite perste de rijke man de arme af.’ ‘Maar dat is toch onzin,’ wierp de secretaris tegen. ‘Het is veel erger dan onzin; maar het is helemaal niet ongebruikelijk,’ antwoordde de ander. ‘De helft van de moderne politiek bestaat hieruit, dat rijkaards de mensen afpersen. Uw opmerking dat het onzin is, berust op twee vooropstellingen, die beide onzinnig zijn. De eerste is dat rijke mensen nooit rijker wensen te zijn; de tweede, dat iemand slechts gèld kan worden afgeperst.” (uit De verdwijning van Vaudrey)

– “Hardcastle was een veelbelovend politicus, die in de leidende kringen overal interesse voor scheen te hebben, behalve voor politiek. Men kan op sombere toon antwoorden dat iedere politicus zeer bepaald een veelbelovend politicus is. Maar om hem recht te doen wedervaren, moet gezegd worden dat hij vaak getoond had dat hij van optreden wist. Evenwel had men op de kermis geen tent voor hem opgesteld om in op te treden.” (uit De rode maan van Meru)

En als uitsmijter dit stukje uit Het hartversterkertje, kwestie van machthebbers, “experten”, politici in het algemeen een beetje in perspectief te plaatsen (want ze kunnen dat wel gebruiken): “Als een eenvoudige, praktische man van de wereld moet ik er mij van bewust worden, dat het de minister-president is, die men heeft vermoord. Als een eenvoudige, praktische man van de wereld geloof ik niet dat de minister-president ook maar iets te betekenen heeft. Uit een zuiver menselijk oogpunt zou ik zeggen dat hij nauwelijks bestaat. Geloof je dat, wanneer hij en de anderen die een openbaar ambt bekleden, morgen werden doodgeschoten, er geen andere mensen zouden zijn om hun plaats in te nemen en te verklaren dat de zaak van alle kanten werd onderzocht, of dat de regering de grootst mogelijke aandacht aan de kwestie besteedde? De leiders van de moderne wereld zijn van geen belang. Zelfs de werkelijke leiders zijn van weinig belang. Niemand waarover je ooit in de kranten las, heeft ook maar iets te betekenen.”

Alleen al voor dat soort wisecracks en filosofie – waar overigens in sommige verhalen veel verder over uitgeweid wordt, zonder dat het gaat vervelen of niet ter zake lijkt te doen voor de oplossing van het raadsel – zou je de Father Brown-verhalen moeten lezen. Als je ze dus ooit, al dan niet in gebundelde vorm, tegenkomt, aarzel dan niet ze te kopen. Je zal er plezier aan beleven.

Björn Roose

zondag 28 februari 2021

Über Tyrannei – Zwanzig Lektionen für den Widerstand – Timothy Snyder (boekbespreking door Björn Roose)

De reden dat u boven deze boekbespreking een Duitstalige titel ziet staan, is dat we op het moment waarop ik dit boekje in handen kreeg nog in net iets minder tirannieke tijden leefden. Je kon nog de grens over zonder veel controles te riskeren, je kon nog min of meer vrij door de Europese Unie bewegen (het Schengenakkoord was nog geen dode letter), je hoefde “alleen maar” in quarantaine als je uit een zogenaamd rood gebied kwam (wat overigens ook al regelrechte bullshit was), en de toekomst zag er op dat moment minstens officieel nog niet erger uit dan het verleden wat dat betreft. Er was nog hoop dat de verzamelde Europese democraturen genoegen zouden nemen met het vaccineren van iedere wappie die het bevechten van een probleem dat hij niet heeft met een middel dat geen redelijk mens in zijn lijf wil een redelijke optie vond. Inmiddels zijn we aan vaccinatiepaspoorten toe om ook die grenzen die op twintig kilometer van je deur liggen over te mogen steken zonder je te onderwerpen aan allerlei vernederingen en straffen, en kunnen we de verzamelde Europese regeringen (en de supranationale instellingen) zoniet als regelrechte doorslagjes van de voormalige Sovjet-Unie (die dissidenten dan toch nog het land uitliet als ze te veel opzien begonnen te baren) dan toch als gijzelnemers beschouwen. Gijzelnemers die bereid zijn de vrijheid die je eigen is (de vrijheid om je te bewegen naar waar je wil) “terug te geven” als je … het losgeld betaalt. Als je je dat vaccin in je lijf laat spuiten. Als je de zeggenschap over het enige waar je nog werkelijk iets over te zeggen hebt, je eigen verdomde lijf, ook opgeeft. In minder “verlichte” tijden was daar een naam voor: lijfeigenschap. In onze eigen tijden noemt men dat … vrijheid.

Nu, toen die “vrijheid” dus nog een béétje bestond – al heb ik meer dan een béétje slordig moeten zijn met de papierwinkel om daar niet te veel voor te betalen -, heb ik dit boekje meegenomen uit zo’n openbare boekenkast die je intussen overal in Oostenrijk vindt. Ik was niet in de mogelijkheid om er, zoals vriendelijk verzocht, een boekje voor in de plaats terug te leggen (wegens geen te missen boeken mee – moet ik aan denken als ik ooit nog eens kan reizen), maar ik wens de mensen van Seitenstetten (waar ik het boekje vond in de boekenkast in de tuin tegenover het Benediktinerstift) toch te bedanken. Ook voor het laatste live optreden van een fanfare dat ik sinds begin vorig jaar gezien heb, trouwens: gemoedelijk, met een niet van mondmaskers voorzien publiek, voorafgegaan door een zeer druk bezochte kerkdienst. Normaal, quoi. In tegenstelling tot hun Kanzler die zich intussen meer en meer als de “beste” leerling van het Europese Big-Pharmaklasje begint te gedragen. In tegenstelling ook tot het feit dat ik een boekje dat in 2017 in het Engels is uitgebracht – de auteur is Amerikaan – en kort daarna al in Nederlandse vertaling bij ons op de markt kwam, in het Duits gelezen heb, maar nu weet u tenminste waarom.

Dat gezegd zijnde weet u ook dat dit boekje het niét heeft over de dictatuur, de tirannie in naam van de “volksgezondheid” die we heden ten dage met z’n allen moeten ondergaan. Misschien was iemand in 2016 al op het idee gekomen om dat te gaan organiseren, maar dat idee was in ieder geval ook nog niet tot Timothy Snyder doorgedrongen en z’n referentiekader beperkt zich dan ook tot fascisme, nationaal-socialisme, communisme en … Donald Trump. Die laatste werd pas president op 20 januari 2017, maar dat belette Snyder niet hem al als een dictator te brandmerken in z’n boek dat een goede maand later verscheen (op 28 februari 2017 - en toen was het al gecorrigeerd, door de papiermolen van de uitgeverij gegaan en gedrukt, dus Trump was geen dag president geweest toen dit boekje al af was). Een enorme vooringenomenheid tegen Trump – eigen aan ongeveer de helft van de wereldbevolking, toegegeven – was dan ook wat hem inspireerde tot het schrijven van dit boekje en die sijpelt dan ook overal in het boekje door. Ik vermoed dat we van de man nooit een boekje zullen te lezen krijgen – het kon er al geweest zijn, zelfs op basis van de feiten, aan het sneltempo waarmee hij voorliggend boekje geschreven heeft – over de Biden-dictatuur (de man regeert via executive orders per slot van rekening, beslissingen dus die hij, of zijn puppet master, neemt zonder langs het parlement te passeren), maar goed, ik probeer Über Tyrannie – Zwanzig Lektionen für den Widerstand (in het Engels On Tyranny; Twenty Lessons from the Twentieth Century, in het Nederlands Over tirannie – Twintig lessen uit de twintigste eeuw) op z’n eigen merites te beoordelen.

En die zijn er. Bijvoorbeeld al in de inleiding: “Die schlechte Nachricht ist, dass die Geschichte der modernen Demokratie eine des Verfalls und des Untergangs ist”. En verder: “Die europäische Geschichte des 20. Jahrhunderts zeigt uns, dass Gesellschaften zerfallen, Demokratien untergehen, moralische Werte zusammenbrechen und ganz gewöhnliche Menschen plötzlich mit einer Schusswaffe in der Hand an Todesgruben stehen können. Es wäre für uns Heutige ganz gut, wenn wir verstehen würden, warum das so war.”  Ik probeer een en ander verder zo veel mogelijk in het Nederlands te doen (mijn vertaling uit het Duits dan), maar kan sowieso niet anders dan me aansluiten bij de stelling van de auteur dat het “voor ons, mensen van vandaag, zeer goed zou zijn te verstaan waarom” in het verleden gewone mensen zich zo lieten inschakelen in de ideeën van een dictatuur. Dat is immers géén historisch vraagstuk, het is een hedendaags vraagstuk. Wie daar aan twijfelt, kan altijd eens probéren ergens op het internet de vraag op te werpen waarom we ons zouden moeten laten vaccineren tegen een virus dat zo ongeveer nul procent kans op overlijden geeft, om een groepsimmuniteit te bekomen die er al lang geweest zou zijn als er geen tientallen variaties op lockdowns allerhande waren toegepast, en die er uiteindelijk niét zal toe leiden dat we ons weer vrij kunnen bewegen maar wel dat wie zich niet onderwerpt aan dat vaccineren, dat tot in den treure en umsonst testen, een gevangene wordt (wellicht ook nog met beperkende voorwaarden) in het eigen land. “Gewone” mensen blocken je als je zo’n vragen opwerpt, worden hyperagressief, gaan onzin verkopen over (door de in staatsdienst werkende media verspreide etiketjes genre) “corona-ontkenners”, noemen je een “massa-moordenaar”, en tonen zich heel erg bereid je met alle andere “corona-ontkenners” en “massa-moordenaars” vast te zetten in een kamp, een afgelegen dorp, op een bar eiland of je ten eeuwigen dage te voorzien van een merkteken dat aangeeft dat je niet behoort tot de good guys en dus ook niet dezelfde rechten moet hebben als hen. Als je dat dan een nieuwsoortige jodenster noemt, gaan ze op hun achterste poten staan en ben je ook nog een antisemiet, waarbij ze – uiteraard, want alles wat niet via de mainstream media komt is Lüge in hun wereld – negeren dat mensen in Israël zélf het niet hebben van het groene corona-Ausweis ook openlijk bestempelen als een nieuwe jodenster.

En dan de lessen zelf. “Wees niet bij voorbaat al gehoorzaam” omdat je denkt dat een repressievere regering erger zou kunnen zijn, want dan leer je het regime dat het verder kan gaan en zal je sowieso zélf al verder gaan dan gevraagd. Denk daarbij aan het Milgram-experiment met mensen die anderen steeds dodelijker stroomstoten konden geven en dat in groten getale ook deden.

“Neem verantwoordelijkheid voor het aangezicht van de wereld”, symbolen bepalen de realiteit van morgen. In deze tijd zelfs letterlijk. Herinner u hoe maskers eerst van wat dan ook mochten gemaakt worden, niet verplicht waren, maar wel als een symbool gezien werden dat je je inzette om “de curve plat te slaan”, en vervolgens op korte tijd, en zelfs tegen de wetenschappelijke bewijzen aangaande hun hoogstens negatieve werking in, verplicht werden, tot op de openbare weg toe, van een bepaalde soort moesten zijn, en intussen zelfs aangeraden meervoudig over het gezicht moeten geplaatst worden. Denk aan de door de gazetten verspreide posters om de “essentiële” beroepen een hart onder de riem te steken (waarbij toch meteen ook duidelijk gemaakt werd aan het overgrote deel van de belastingbetalers dat ze niét essentieel zijn waar het hun beroep betreft), denk aan het handjeklappen, het lichtje buiten zetten. Denk aan al die dingen die tonen: hier woont een Gutmensch, hier woont een zuivere, hier woont een volgzame burger.

“Behoed je voor paramilitairen”. Of, eerlijk, zo’n beetje alles dat een uniform aan heeft. Snyder gaat er van uit dat die paramilitairen sowieso ontstaan in de privé-zone en dat het echt gevaarlijk wordt als ze zich gaan vermengen met “de officiële politie en het leger”, maar iedereen weet dat dat soort clubs tegenwoordig veelal georganiseerd wordt door de staat zelf. Net zoals de staat alsmaar meer bevoegdheden geeft aan “de officiële politie en het leger”. Het leger dat winkelstraten in Antwerpen bewaakt omwille van een of andere veronderstelde terroristische dreiging, maar daar dan jaren rond blijft hangen. Politiemensen die drones over je tuin laten zweven (maar uiteraard hun ogen dichthouden terwijl ze dat doen) of zingende mensen uit elkaar slaan. Buurtwachters (of in Nederland BOA’s) die zich binnen de kortste keren ontpoppen tot mini-gestapo’s.

“Zet een teken” (en daaraan toegevoegd de laatste les in het boekje, “Wees zo moedig als mogelijk”). Trek een streep in het zand. “Iemand moet het doen. Het is makkelijk met de anderen mee te lopen. Het kan een eigenaardig gevoel geven iets anders te doen of te zeggen. Maar zonder dit onbehagen is er geen vrijheid.” Ik heb van meet af aan besloten dat ik me niet zou laten testen op corona en ook geen vaccin zou nemen. Nooit. Ik heb dat vaak genoeg duidelijk gemaakt op sociale media en in gesprekken. Maar sinds deze week heb ik ook dat teken gezet. Op mijn Twitter-profiel staat bovenaan vastgepind: “Wat je verkondigt, moet je ook doen. Bij deze dus: ik zal me nooit laten testen op corona, ik zal nooit een vaccin nemen tegen corona. Ik heb m’n grens getrokken en als die m’n einde moet betekenen, dan zal ik dat einde met trots aanvaarden.” Een miniscuul tekentje in een zee van sociale media, maar het is ook voor mezelf een daily reminder en het zal beletten dat ik me wél tot lijfeigene laat maken op dagen waarop ik het moeilijker krijg (geloof me, ik leef om te kunnen reizen; niet kunnen reizen is voor mij het moeilijkste wat er is).

“Wees vriendelijk voor onze taal.” Gebruik niet de slogans die je door politici, “experten” en media worden voorgeschoteld, ook niet als je er tegen ingaat. “Probeer je ver van het internet te houden. Lees boeken”, voegt Snyder er nog aan toe. Ik heb het zelf moeilijk met dat eerste, maar compenseer dat dan weer door geen televisie te kijken en geen radio te luisteren, en uiteraard door het laatste, boeken lezen, volop te doen. Waar het in essentie hoe dan ook op neer komt is dat taal je venster op de wereld is. En dat je door je taal te laten beheersen door een ander – en daarop zijn alle slogans, slagwoorden, vaak herhaalde “boodschappen” en beelden gericht – je venster op de wereld laat verduisteren, versmallen, heroriënteren. “De taal is gans het volk”, schreef Prudens Van Duyse. De taal is ook gans uw geest.

“Geloof aan de waarheid”. Met in de uitleg daarbij: “Die dickste Geldbörse zahlt für die blendendsten Lichter.” Snyder heeft dit ongetwijfeld niét bedoeld als een waarschuwing tegen de traditionele media, maar in tijden waarin deze bepalen wat fake news is, waarin Google bepaalt wat u ziet, waarin LinkedIn, Facebook, Twitter er vrijelijk op los censureren, daarbij steeds uiteraard bewerend dat zij “de waarheid” in pacht hebben, is dat van die dikke beurs maar al te waar. En die dikke beurs zit niet bij Pol en klein Pierke, die zit bij de mediaconcerns, bij diegenen die bepalen wat u mag zeggen en wanneer, bij de regeringen (die uw geld voor hún geld houden), en bij de rechterlijke en politionele arm die hun bevelen opvolgen. “Geloof aan de waarheid” is dus niet helemaal een juiste tip: zoék naar waarheid zou correcter zijn (de les “Frage nach und überprüfe” zou hier dus meteen aan moeten gekoppeld zijn en niet apart staan). En leer onderweg dat die zoektocht een leven lang kan duren.

“Kijk mensen in de ogen en spreek met anderen”, “Doe aan fysische politiek”, “Leid een privé-leven”, “Engageer je voor een goed doel”, “Leer van gelijkgezinden in andere landen”. Vijf hoofdstukken bij Snyder die nauwelijks los van elkaar te zien vallen en die minstens één ding gemeenschappelijk hebben: ze worden waar mogelijk bemoeilijkt, ontmoedigd door democraturen allerhande in de zogenaamde strijd tegen corona. Ogen alleen zeggen niet alles; mensen lezen gezichten, geen halve gezichten. Fysische politiek kan alleen nog als je de regels van de overheid overtreedt. Een privé-leven zit er niet meer in als je overal appjes of formulieren voor nodig hebt. Je engageren in een goed doel kan alleen nog als je dat niét fysiek wil doen. Leren van mensen in andere landen alleen nog als je voorbij de censuur van Big Tech kunt komen.

“Let op met gevaarlijke woorden”: “Gebruik de woorden extremisme en terrorisme alleen met het grootste voorbehoud. Wees je ervan bewust welke fatale betekenis begrippen als noodtoestand en uitzonderingstoestand hebben. Wees woedend als iemand vaderlandslievende woordenschat op achterbakse wijze gebruikt.” Moet ik déze nog toevoegen aan voorgaande vijf om duidelijk te maken dat als onze regimes het woord “vrijheid” gebruiken, spreken over een “team van 11 miljoen” en ter gelijker tijd spreken van “noodtoestand”, “uitzonderlijk”, “complotdenkers”, “wappies”, “extremisten”, enzovoort, dat er dan niet één belletje maar honderden zouden moeten gaan rinkelen? En dat die letterlijk bij zo goed als geen enkele politicus (in Nederland wil ik Forum voor Democratie even als een uitzondering beschouwen, in belgië zijn er geen uitzonderingen), in zo goed als geen enkel medium, bij zo goed als geen enkele opiniemaker afgaan ?

“Blijf rustig als het ondenkbare gebeurt”: “Moderne tirannie is terreurmanagement. Als het tot een terreuraanslag komt, denk er dan aan, dat autoritairen zo’n gebeurtenissen gebruiken om hun macht te vestigen”. En te versterken. En dat we zo op no time van militairen op straat naar politie in uw huis vanwege het feit dat u drie vrienden ontvangt, zijn gegaan.

Kortom, veel zinnige, zij het ook niet originele, lessen in dit boekje van Timothy Snyder. Maar altijd met de bedenking, op z’n minst van mijnentwege, dat hij dit boekje heeft geschreven vanuit een vicerale afkeer voor Trump. Trump die toen in de Verenigde Staten nog niet aan de macht was (intussen dus ook niet meer) en waartegen Snyder meende de gevestigde instellingen te moeten verdedigen. Trump was een “nationalist”, schreef hij, in hoofstuk 19, “Sei patriotisch”, maar geen patriot, een onderscheid dat de auteur maakt op basis van “universele waarden” en een of ander “ideaal” dat de nationalist niet zou hebben en de patriot wel. En daarom moet je dus “patriottisch” zijn. Een zeer eigenaardige stellingname als je weet dat fascisme, nationaal-socialisme en communisme net hun oorsprong vonden in het idee dat er “universele waarden” zijn en dat iedereen het ideaal van het “vaderland” moét volgen. “Verdedig instellingen”, schrijft hij in hoofdstuk 2, zonder er rekening mee te houden dat die instellingen perfect van binnenuit kunnen uitgehold worden en dat de beste verdediging van de instellingen er dus in kan bestaan de buitenkant ervan te slopen en ze te herstellen in hun essentie. Denk maar aan onze democratieën die zo goed als allemaal democraturen zijn geworden. “Hoed je voor de eenpartijstaat”, voegt hij er aan toe in hoofdstuk 3, zonder er voor te waarschuwen dat een systeemstaat minstens even gevaarlijk en véél geniepiger is. Politieke keuze is in landen als belgië net zo illusoir geworden als keuze tussen producten (met firma’s als Unilever, die schijnbaar concurrerende producten aanbieden) of keuze tussen media (die alleen nog in details van mekaar verschillen). Al die keuzes vinden plaats binnen een reusachtige versie van de grot van Plato, meer niet. Wie dát meent te moeten verdedigen als alternatief voor pakweg de Chinese eenpartijstaat, is ofwel een oplichter ofwel dom ofwel minstens gedeeltelijk verblind door in dat vuur te kijken waar Plato ook voor waarschuwt.

Naar mijn mening heeft Snyder net iets te lang in dat vuur gekeken. Hij heeft een aantal zaken correct gedefinieerd, geïdentificeerd bij anderen, maar heeft ook een aantal updates gemist. Beetje verloren kansen, vooral als je weet dat dit boek gedurende de hele ambtstermijn van Donald Trump een bestseller is geweest in de Verenigde Staten. Er was een correctie mogelijk geweest in zijn recent uitgebrachte boek Our malady – Lessons in liberty from a hospital diary, maar in wat ik daarover lees, zie ik weerom dezelfde blinde vlekken opduiken. Maar goed, voortschrijdend inzicht kan altijd nog optreden en met het nodige voorbehoud voor genoemde blinde vlekken, is dit boekje hoe dan ook het lezen waard.

vrijdag 19 februari 2021

De vader van Grace – Carolijn Visser (boekbespreking door Björn Roose)

De vader van Grace – Carolijn Visser (boekbespreking door Björn Roose)
Ik krijg wel eens vaker boeken in mijn handen geduwd die ik nooit zou kopen. Doorgaans omdat die gratis exemplaren mee komen met boeken waar ik wél voor betaald heb of met boeken die ik eveneens gratis gekregen heb, maar waarbij ik dan wel die “extra’s” moét meenemen. 

Dat zegt niet noodzakelijk iets over die “extra’s”, hoogstens over het feit dat ik – en da’s dus, net zoals mijn boekbesprekingen, heel subjectief – er niet voor zou betalen. Zulks was ook het geval met het voorliggende De vader van Grace, een geschenk dat ik kreeg in de Hulsterse boekenzaak Remortel bij aankoop van een tweetal andere boeken tijdens de Week van het Zeeuwse Boek ergens eind 2020. Bij deze dus een bespreking van dit gekregen paard: ik heb het niet in de bek gekeken, maar toch wel even gelezen. 

Schrijfster Carolijn Visser werd geboren in Leiden (in september 1956, wat haar dus 64 en haar foto op de omslag minstens lichtelijk gefotoshopt maakt), maar bracht een groot deel van haar jeugd door in de Zeeuwse hoofdstad Middelburg (de stad waar ik sinds mondmaskers in Vlaanderen verplicht werden mijn strips ging kopen bij Perron 2 en waar ik nu dus dankzij onze vrijheidsminnende Europese leiders niet eens meer naartoe mag). Niet verbazingwekkend dus dat de Grace waarvan sprake is in de titel eveneens een groot deel van haar jeugd doorbracht in Middelburg, zij het dat ze in een veel exotischer oord geboren werd dan Visser: in Nederlands-Indië. 

Nu ga ik heel eerlijk met u zijn: als dit zo’n – wat dan heet – “anti-racistisch” dingetje was geweest (want een dingetje is het natuurlijk wel, met zijn 95 bladzijdjes, inclusief foto’s en dankwoord), dan had ik het na een paar bladzijden al verticaal geklasseerd: ik geloof in de waardevolheid (of waardeloosheid) van ieder mens op basis van wat ik waarneem met betrekking tot diens woorden en daden, en kleur of geslacht kan me daarbij volstrekt gestolen worden, dus hoef ik ook geen zedenprekerij of racisme genre black lives matter op mijn bord (of op m’n schoot). 

Maar De vader van Grace ís geen “anti-racistisch” dingetje. Het is, in tegendeel, redelijk sec en biedt een inkijkje in een stuk geschiedenis dat ons (bels) Vlamingen eigenlijk nauwelijks bekend is. Dit verhaal “over een grote liefde, over een jong gezin dat uiteindelijk Indonesië moet ontvluchten en terechtkomt in een onbewoonbaar verklaarde woning in Middelburg, om daar het leven weer op te bouwen”, gaat over geographically challenged liefde (in tijden dat je nog niet – grenzen open of niet – in een paar uur van de ene kant van de wereld naar de andere reisde), over de moeilijkheid een leven op te bouwen in een ander land (maakt niet uit of dat nu Nederlands-Indië of Nederland is), over – tsja, het wordt niet zo genoemd, maar het was het wel – collaboratie met de bezetter en de gevolgen ervan als die bezetter het moet afbollen. En ja, racisme komt wel even ter sprake – kan ook moeilijk anders -, maar dat stukje begint met waar het in essentie moet om gaan als je niet wil dat anderen je als anders zién: “Ik voelde me helemaal niet anders. Daar was ik totaal niet mee bezig.” 

Zoals ik mezelf nooit bezig gehouden heb met hoe mensen die fysiek van elkaar gescheiden waren vroeger trouwden. Nu zouden ze een einde maken aan die fysieke scheiding, maar toen werd het opgelost door: trouwen met de handschoen. “In de jaren na de oorlog”, schrijft Carolijn Visser daarover, “was het gebruikelijk dat vrouwen, voordat ze zich bij een man in het buitenland voegden met ‘de handschoen’ trouwden, die de afwezige bruidegom symboliseerde. De handschoen werd gedragen door een broer of goede vriend, gemachtigd in zijn naam te tekenen. Zo kwam de bruid als echtgenote op haar bestemming en kon er niet geroddeld worden.” Wellicht is dat roddelen nu mínder van belang, maar in Nederland is trouwen met de handschoen bijvoorbeeld nog steeds een mogelijkheid voor wie wil trouwen met een gevangene (in belgië moét er fysieke nabijheid zijn). 

Dat weetje is op zich – en veel meer heb ik er ook niet in aangeduid – nu niet meteen een reden om een definitieve plaats in mijn boekenkasten in te ruimen voor dit boekje, maar in tijden waarin er ieder jaar een paar maanden geluld wordt over Zwarte Piet, wou ik toch graag afsluiten met dit andere citaat: “Tot slot verklaarde Soekarno op 5 december 1957 dat alle Nederlanders die zich in Indonesië bevonden als staatsgevaarlijk werden gezien en het land onmiddellijk dienden te verlaten. Zeker vijftigduizend mannen, vrouwen en kinderen moesten zich klaarmaken voor vertrek. Die dramatische vijfde december zou de geschiedenis ingaan als de ‘Zwarte Sinterklaas’” ...

Björn Roose

donderdag 11 februari 2021

Plotseling gebeurde er niets – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)

Plotseling gebeurde er niets – Herman Brusselmans (boekbespreking door Björn Roose)
Goed, terug over naar Herman Brusselmans. Na bespreking van diens De droogte, Bloemen op mijn graf, en Heilige Schrik, nu meteen maar drie boeken ineens. Niet om er rap van af te zijn (het grote werk gaat sowieso in het lezen kruipen), maar omdat Plotseling gebeurde er niets een trilogie omvat: in zevenhonderd bladzijden krijg je Ex-schrijver, Ex-minnaar en Ex-drummer voor je neus. Ik heb er even aan gedacht die alle drie apart te bespreken, maar dan word ik gewoon ex-boekenbespreker, denk ik. 

Om het maar meteen over de inhoud te hebben: die kan met de op de achterflap afgedrukte commentaar van het Utrechts Nieuwsblad op één deel ervan, Ex-schrijver, samengevat worden: het gaat “over angst, drank, vrouwen, schrijven en de dood: waar zou een boek van Brusselmans anders over moeten gaan?” Wel, over iets ánders misschien? Dat zou al eens mogen toch? Zelfs al blijven er toch wel pareltjes opduiken in dat volautomatische geschrijf van hem, genre “Het onweer ging even abrupt als het was begonnen gewoon door”, “De Meeuw wreef zodanig lang in z’n ogen dat ik vreesde dat hij z’n knokkels om zeep ging helpen, want hij had een staalharde blik.”, of “hij spande de kip, want zelfs z’n pistool was van het verwijfde type”. 

Los van de “angst, drank, vrouwen, schrijven en de dood” heeft Brusselmans het overigens ook weer over zijn jeugd in Hamme (inclusief veehandel, voetbal, kermis, moeder …) en het al dan niet met de zin van de eigenaar ontlenen van andermans auto of motorfiets, begint hij al aan het ene verhaal terwijl hij nog met het andere bezig is (Ex-drummer in Ex-minnaar), of gaat hij voor makkelijk shockeren. Door het over fietsen stelende negers te hebben bijvoorbeeld, iets wat de goegemeente zelfs als het van een fictieschrijver komt makkelijk aan het steigeren brengt; of over het in mekaar slaan van “Vlaams Blokkers” – blinde dan nog – en hun cafés, waar hij diezelfde goegemeente dan wellicht weer een plezier mee doet; of over joden, homo’s, politici en andere easy targets. Af en toe lijkt hij ook z’n échte ik binnen te brengen in de verhalen. Lijkt, zeg ik wel, want ‘t is niet omdat je het hebt over jezelf als schrijver bezig met het schrijven van een verhaal over een ex-schrijver dat eerstgenoemde schrijver werkelijk overeenkomt met jezelf als schrijver. Enfin, u begrijpt wel wat ik bedoel. 

Nah ja, Brusselmans zegt het zelf in Ex-schrijver: “(…) zij schreeuwt tegen mij: ‘Jouw romans hebben geen verhaal, dreinen maar door en door, zonder begin en zonder eind, en er gebeurt nooit iets wat de moeite waard is!’ Ze heeft het over mijn romans, maar ook over haar eigen leven. Sommige mensen worden hysterisch van wat ik heb geschreven. Omdat ik heb geschreven wat waar is: nooit gebeurt er iets wat de moeite waard is, behalve misschien de troost.” Dat kan, maar los van het feit dat ik niet hysterisch ga doen over Brusselmans’ boeken, heb ik toch de neiging mij af te vragen of ik over dat niets dan ook nog boeken wil lezen. 

Intussen zou Brusselmans misschien eens die “trilogie van lange gedichten moeten kunnen schrijven”, waarover hij het heeft in Ex-minnaar. Los van het feit dat die dan klaarblijkelijk zouden gaan over – weeral – zijn dode moeder, Gloria (gemodelleerd naar een zijner exen) en Phoebe (gemodelleerd naar, intussen ook al, een zijner exen), wat niet echt veelbelovend is. Als daar echter minstens een paar gedichten in zouden staan zoals Vader, opgenomen in datzelfde Ex-minnaar, dan wil ik die trilogie nog wel eens lezen. Vader is immers een bloedmooi gedicht. Wat dus niet kan gezegd worden van ook maar een van de verhalen in de – volgens de achterflap – “inmiddels klassieke trilogie”, ook al wint Ex-drummer het dan van de andere twee wegens het feit dat het hoofdpersonage voor de verandering eens niet meelijwekkend is (wat dan helaas weer niet kan gezegd worden van het grootste deel van de overige personages), en zijn lief een andere naam heeft dan gewoonlijk (Lio) en ook al niet triestig is uitgevallen. 

“Ik droomde” schrijft hij op het einde van dat boek, “Dat ik de beste schrijver van de wereld was. En de beste minnaar. En de beste drummer.” en wellicht is Herman Brusselmans, zoals Rob Schouten op een van de reclamebladzijden geciteerd wordt, “de opvallendste camp-schrijver in de Nederlandstalige literatuur”, maar ook Ex-drummer is niet van aard om dit Plotseling gebeurde er niets niet naar de zolder te verbannen. Daar kan het dan verder verblijven in afwachting van een of andere boekenverkoop. Wie weet zijn de “varianten” van corona op tegen 2050 en geraak ik nog van dat papier af voor ik dood ben van ouderdom ...

Björn Roose

zaterdag 6 februari 2021

‘n Leeuw van Vlaanderen – Cyriel Buysse (Boekbespreking door Björn Roose)

‘n Leeuw van Vlaanderen – Cyriel Buysse (Boekbespreking door Björn Roose)
Hoewel ik pas geboren werd in 1972, veertig jaar na zijn overlijden, was op z’n minst de naam van Cyriel Buysse nog geen dooie letter geworden toen ik in het middelbaar onderwijs zat. Ik kan me niet herinneren destijds volledige boeken van hem gelezen te hebben, maar ik ben er vrij sterk van overtuigd dat ik wel – al dan niet “verplicht” – een van z’n novellen voor de kiezen heb gekregen Wie iets over novellen wou leren, wendde zich simpelweg tot de werken van Cyriel Buysse. 

Nu denk ik niet dat Buysses naam of werken nog genoemd worden in de lessen Nederlands van tegenwoordig, noch durf ik te beweren dat ‘n Leeuw van Vlaanderen een novelle is, maar dit boek, daterend uit 1900, is wel geschreven in precies het soort stijl dat ik me van decennia geleden herinnerde: weinig dialoog en véél beschrijving. Van natuur, van mensen, van handelingen, van gedachten … En het beantwoordt ook aan een aantal voorwaarden die Fernand Lodewick, een bekend Nederlands neerlandicus (intussen ook alweer 25 jaar dood), noteerde als zijnde essentieel voor een novelle: het kent een eenvoudige intrige (en die is volledig geconcentreerd rond het hoofdpersonage), nauwelijks een ontwikkeling van karakters, en niet bijzonder veel personages. 

Anderzijds toont het – in tegenstelling tot wat typisch heet voor een novelle – de hoofdpersoon gedurende een beduidend langere periode dan “een beslissend moment van zijn leven” en is de kern van de zaak het ontwikkelen van het karakter van het hoofdpersonage. Of beter: het uitkristalliseren van dat karakter. 

Interessant in tijden waarin democratie alleen nog een hol woord is gebaseerd op een zoveeljaarlijkse bollekeskermis, is dat dat uitkristalliseren gebeurt tegen een achtergrond (bij momenten voorgrond) van sociale omwentelingen, veralgemeend (doch meervoudig) stemrecht, partijvorming, politieke campagnes en verkiezingen. Samengevat (spoiler alert): Robert La Croix, net als zijn oudere broer Alfred zoon van een fabriekseigenaar (de lijn met Buysse zelf, die net als zijn broer Arthur zoon van een fabriekseigenaar was, is hier direct), vindt plots een levensvervulling in de strijd tegen de clericaal-conservatieve regering en wordt volksvertegenwoordiger voor de nieuw opgerichte Christelijke Volkspartij (Buysses broer werd in 1909 volksvertegenwoordiger voor de toenmalige liberalen). Hij is idealistisch, niet geschikt voor het weinig verheffende schouwspel dat de politiek is (en de Gentse burgerij waarbinnen hij z’n toekomstige vrouw vindt), en geeft al snel de brui aan het parlement. Hij trekt zich terug, dreigt ook z’n toekomstige te verliezen, gaat een écht “goed” leven leiden, en wint alsnog z’n Ghislaine terug. 

Dun verhaaltje, dat wel, maar – eerlijk is eerlijk – ontroerend. En dat ondanks het feit dat Buysse een “naturalistische” schrijver was, geen romanticus. Geen “typische” naturalist echter, aldus Wikipedia, want de “wantoestanden werden in zijn schrijven expliciet bekritiseerd”. “(…) determinisme en fatalisme [overheersen], maar deze keer gepaard met engagement”. Misschien zit de kracht van het verhaal voor een hedendaagse lezer (en dat ben ik dan weer wel, ondanks mijn 48 jaar) hem zelfs net in het “simpele” ervan, in het feit dat zelfs de innerlijke strijd van het hoofdpersonage redelijk voorspelbaar is, in de duidelijk afgelijnde figuren, enfin, in alles wat een verhaal uit die tijd een verhaal uit die tijd maakt. 

En toch, aan de politique politicienne is er duidelijk niks veranderd: “Evenals aan vele superieure geesten, had de politiek aan Robert tot dus toe slechts afkeer ingeboezemd. Het laag geknoei, de leugen en ‘t bedrog, de egoïstische ambitie, de middelmatigheid of algeheele onbeduidendheid van velen die er zich mede bemoeiden, hadden in hem verduisterd en bedorven wat er waarlijk hoog en edel in kon zijn.” Of, later, als La Croix in het parlement is terecht gekomen, over de volksvertegenwoordiging: “Zóó’n opgeraapte bende, zóó’n totaal gebrek aan prestige, zóó’n slordigheid in taal, in kleeding en in houding, zóó’n laf-wanordelijke boel had hij zich nooit in de verste verte kunnen of durven voorstellen. Haast geen mensch, behalve in de publieke tribunes, luisterde er naar de redevoeringen waarin ‘s lands belangen werden behandeld. De meeste leden hielden, storend-halfluid, onder elkaar afzonderlijke gesprekken, of schreven brieven, of lazen couranten, of zaten half te slapen, of maakten grapjes met elkaar, of liepen doelloos-slenterend heen en weer tusschen de slechts half-bezette lessenaars en banken. Het leek er op een koffiehuiskamer, op ‘n café-chantant-zaal, op ‘n soort schuine kroeg, waar men niet erg verwonderd zou zijn geweest eensklaps rare juffertjes te zien optreden.” Toegegeven, het parlement ziet er heden ten dage net iets minder als een cabardouche uit, maar dat ligt alleen maar aan het feit dat onze “volksvertegenwoordigers” op dit moment voor het overgrote deel van thuis uit hun “werk” doen. 

Hoe dan ook, en ondanks het feit dat Buysse ten gevolge van een gebrek aan succes van zijn publicaties aan het einde van de 19de eeuw een zekere aversie tegen de Vlaamse Beweging en de flaminganten kweekte, heet dit boek natuurlijk nog steeds ‘n Leeuw van Vlaanderen, geen “Geschiedenis van het bels parlement” of iets dergelijks: het hoofdpersonage houdt van Vlaanderen, met al z’n gebreken; hij wordt door z’n volgers de “Leeuw van Vlaanderen” genoemd; en zélfs de socialistische kiezers/strijders – al zingen ze dan als strijdlied de later ook nog door Vlaamse christen-democratische voormannen als Yves Leterme als nationale hymne beschouwde Marseillaise - zijn op hun manier Vlaamsgezind (Vlaamsgezindheid en socialisme zou trouwens tot ver in de twintigste eeuw niet zo’n heel erg zeldzame combinatie zijn). “O! Zou het dan toch moèten uitsterven, het heerlijk Vlaanderenland! Was alle levenskracht nu uitgedoofd in dat eenmaal zoo moedig, dapper volk! Zou er niet één meer kunnen opstaan, één enkel, sterk genoeg om zijn land nog te redden, om ‘t met geweld te rukken uit zijn doodslaap, om uit elkaar te zweepen, met een forschen zwaai van grootheid, die zwaar-benauwende doodsnevelen! …” Wat niet belet dat er in Gent van de “Grand’ Rue” naar de “Grand-Place” gewandeld wordt, dat elk van de christen-democraten een Franse naam heeft en dat de heren onder mekaar – inclusief de “Leeuw van Vlaanderen” – af en toe ook een woordje Frans “plaçeren”. 

Een zeer serieus boek ten slotte, door z’n thematiek (even de naar hedendaagse normen “licht” overdreven amoureuze perikelen daar gelaten) en z’n schrijfstijl, op een paar passages na. Passages die zó tongue in cheek gebracht zijn dat je er ongewild kan óver lezen zelfs, maar ik wou déze twee toch citeren: “Ofschoon democratisch, zooals het hoorde bij christelijke democraten, was het souper vrij overvloedig en fijn.” En: “Het bleek echter al dadelijk, dat het evenwichtsvermogen der twee jeugdige artiesten niet goed meer op de hoogte van den toestand was.” 

Maar om af te sluiten toch een paar punten van kritiek: ik weet niet of het toen mode was of dat het kwam omdat Buysse een aantal keren naar Amerika gereisd was, maar het gebruik van woorden als “leader” of “teetotaler” komt in de context van dit boek bijzonder lullig over. Het opnemen van een bladzijden lange toespraak in min of meer fonetisch Gents eveneens (dialect komt voor de rest ook nauwelijks te pas in het boek). Buysse zal dat taalgebruik wellicht passend gevonden hebben voor de socialistische “leader” Kappuijns, maar als het al werkt, dan is het op het systeem. 

Wat echter dus niet kan gezegd worden van dit hele ‘n Leeuw van Vlaanderen. Mocht u het in een of andere uitgave nog kunnen vinden, laat het dan vooral niet liggen.

Björn Roose