maandag 19 oktober 2026

Baas en hond, een idylle – Thomas Mann (boekbespreking door Björn Roose)

Baas en hond, een idylle – Thomas Mann (boekbespreking door Björn Roose)
Vraag een lezer wat hij kent van Thomas Mann en u krijgt een antwoord met daarin De Buddenbrooks, De toverberg (oorspronkelijk Der Zauberberg), De dood in Venetië (Der Tod in Venedig), Felix Krull (voluit Bekentenissen van de oplichter Felix Krull), en daarna wellicht niks meer. Vraag een ‘fan’ van de auteur of hij nog méér boeken van hem kent en hij zal antwoorden dat (Char)Lotte in Weimar en Jozef en zijn broers (daterend uit 1933-1943, maar pas in 2014 in het Nederlands vertaald) eveneens de moeite waard zijn. Maar heeft hij wel eens Baas en hond, een idylle gelezen? Weinig kans. Nochtans trof ik, die van bovengenoemde boeken enkel Felix Krull gelezen heb en De Buddenbrooks en Dood in Venetië nog in mijn kasten zie staan, dit boekje (in de in 2013 bij Aspekt verschenen vertaling van Alfred Krans) aan in een kringwinkel en nam het – ondanks het feit dat mijn eigen teerbeminde viervoeter Burchard intussen al vele jaren dood is – daaruit mee en vervolgens op reis naar Italië, waar ik het las, en krijgt u er nu een boekbespreking van.

Op de Nederlandstalige Wikipedia wordt het boekje (in deze vertaling een kleine honderd bladzijden dik) genoemd in de bibliografie, maar meer ook niet. Op de Duitse versie is er een aparte pagina aan gewijd. Daaruit blijkt dat het verhaal, zo je het zo kan noemen, samen met Die vertauschten Köpfe (De verwisselde hoofden. Een Indische legende) de langste vertelling van Mann is, eerst (in november 1919) verscheen als privé-uitgave waarvan de opbrengst naar behoeftige schrijvers ging, geleid heeft tot een beeldengroep in Gmund am Tegernsee, en dat Bauschan, de hond waarvan sprake in de titel (en in de rest van het boek) het enige van schrijvers dieren is dat het tot protagonist in een van zijn verhalen heeft geschopt. Manns beide poedels, telkens voorzien van de naam Nico, die hij op hogere leeftijd hield, komen wel in zijn dagboeken voor, en minstens een van de twee verschijnt ook in een “Filmbericht” over de auteur, “literarisch sind sie aber nicht in Erscheinung getreten”. De bastaard die zo’n vier jaar in Manns villa in München woonde en in de winter van 1919-1920 overleed aan hondenziekte (CDV, iets waar tegenwoordig tegen gevaccineerd wordt) – ook in dit boek komt de hond in een dierenkliniek terecht, waar hij stante pede wegkwijnt, maar toch overleeft, ondanks het feit dat Mann hem er veel te lang in observatie laat terwijl de dierenarts niets vindt - werd dus vereeuwigd door de schrijver vóór hij het begaf (het boek was al ontstaan in 1918) en die schrijver deed dat goed. Meer nog, hij deed dat schitterend, zoals hij dat ook deed met de beschrijving van de mensen en de streek (het hoofdstuk Het jachtgebied, bijvoorbeeld, bestaat bijna uitsluitend uit een beschrijving van de omgeving en neemt toch zo’n drieëntwintig bladzijden in, zijnde een vierde van het geheel) waarin de idylle zich afspeelt: “Een innemend gedrongen vrouwtje met zwarte ogen, dat, bijgestaan door een stevig opgroeiende dochter, ook met zwarte ogen, in de buurt van Tölz een bergrestaurant bestiert, bracht voor ons de kennismaking met Bauschan tot stand en zijn aankoop. Dat is twee jaar geleden en hij was destijds een half jaar oud. Anastasia – zo heet de gastvrouw – wist wel, dat wij onze Percy, een Schotse herdershond en ongevaarlijk geesteszieke aristocraat, die op gevorderde leeftijd door een pijnlijke en misvormende huidziekte geteisterd werd, hadden moeten laten doodschieten en sinds jaar en dag een bewaker misten. Daarom deelde ze ons vanaf haar berg door de telefoon mee, dat er een hond, zoals we ons die slechts konden wensen, bij haar in de kost en in commissie was en te allen tijde was te bezichtigen.” De licht ironiserende stijl die Mann ook in Felix Krull hanteert, is meteen herkenbaar; dat de hond eigenlijk te laat van eigenaar gewisseld is, óók, als hij van bij de Manns op zijn eentje weer naar de “berg” is gaan lopen: “Er kwam een tijd, dat het duidelijk werd, dat hij de boerderij weliswaar uit zijn hoofd had gezet, maar bij ons ook nog niet helemaal wortel geschoten had, zodat hij in zijn ziel zonder baas en als een tuimelend blad in de wind was. Destijds moest men bij het wandelen scherp op hem letten, omdat hij er zeer toe neigde, de zwakke simpathetische band tussen hem en ons ongemerkt te verbreken en in de bossen te verdwijnen, waar hij zeker in een zelfstandig zwervend bestaan in de toestand van zijn wilde voorouders zou zijn teruggezonken. Onze zorg behoedde hem voor dit donkere noodlot, ze hield hem stevig op de hoge, door zijn geslacht in eeuwen bereikte trap van beschaving aan de zijde van de mensen en toen droeg een ingrijpende verandering van woonplaats, onze verhuizing naar de stad of voorstad, in één keer er veel toe bij, dat hij ondubbelzinnig op ons werd aangewezen en met onze huishouding stevig werd verbonden”. Dat is op een paar lijnen tijd aangeven hoe de hond ‘bestaat’, hoe zijn relatie tegenover mensen functioneert, wat ons als soorten van elkaar scheidt, en wat ons als soorten aan elkaar bindt. Dat is iets wat een schrijver als Mann zomaar uit zijn mouw lijkt te schudden, terwijl de gemiddelde gedragsbioloog er een half proefschrift voor nodig heeft. Dat is ook iets dat gevolgd wordt door hoe het leven verder verloopt voor de hond én voor zijn baas, want Bauschan wordt, een keer hij zich zo hecht aan de huishouding heeft verbonden duidelijk ook méér dan zomaar een vervanger van de vorige hond: “Zo werd hem dan het verblijf in de woonruimten van het huis en het samenzijn met mij, zo lang ik in huis was, principieel, hoewel er ook uitzonderingen waren, verboden; en hij begreep het verbod snel en voegde zich in het tegennatuurlijke, omdat dit nu eenmaal de ondoorgrondelijke wil van de baas en huisheer was. De verwijdering van mij, die vaak en vooral in de winter voor grote delen van de dag geldt, is slechts een verwijdering, geen echte scheiding en contactloosheid. Hij is niet bij me, op mijn bevel, maar dat is slechts de uitvoering van een bevel, een niet aanvaard bijmijzijn en van een zelfstandig leven van Bauschan, dat hij zonder mij tijdens deze uren voerde, kan niet worden gesproken. Ik zie wel door de glazen deur van mijn kamer, hoe hij op de kleine tuinweide voor het huis op een goedmoedige, onhandig boertige manier meedoet aan de spelletjes van de kinderen. Maar tussendoor komt hij voortdurend naar de deur, snuffelt, omdat hij mij door de vitrage aan de binnenkant niet kan zien, aan de kieren, om er zeker van te zijn, dat ik er ben en zit, met zijn rug naar de kamer gekeerd, op de trappen de wacht te houden. Ik zie hem ook wel vanaf mijn tafel op de verhoogde weg aan de overkant, tussen de oude espen, op een bedachtzaam sukkeldrafje zich voortbewegen, maar zulke promenades zijn slechts een lusteloos tijdverdrijf, zonder trots, geluk en leven en helemaal ondenkbaar blijft, dat Bauschan zich misschien op eigen gelegenheid aan het heerlijke jachtplezier zou kunnen overgeven, hoewel niemand hem daarin zou tegenhouden en mijn aanwezigheid, zoals zal blijken, daarvoor niet strikt noodzakelijk zou zijn.”

Schitterende observaties allemaal, de hond misschien enigszins verder verheffend dan hem als hond toekomt (maar daarmee niet anders doend dan zo goed als elke hondenbezitter), waar ook puur fysieke als de volgende niet voor moeten onderdoen: “Hij ligt een ogenblik met verdraaide ogen en als dood op zijn zij. Dan staat hij op, om zich uit te schudden. Hij schudt zich uit, zoals alleen hij zich kan uitschudden, zonder een hersenschudding te krijgen, hij schudt zich uit, dat het klapt en kletst, dat de oren hem onder zijn kin slaan en zijn lippen van de wit glanzende hoektanden vliegen.” Ik heb me tijdens het lezen niet echt een duidelijke fysieke voorstelling van Bauschan gemaakt, maar bij deze scène zie ik mijn golden retriever, alsof z’n vel gewoon los rond hem zat, exact diezelfde dingen doen, terwijl ik mijn retriever al sinds november 2017 niet meer in het echt iets heb zien doen (tenzij je pushing daisies als een activiteit post mortem zou willen beschouwen, natuurlijk).

En zo gaat dit boekje verder. Met dingen eigen aan Manns hond en dingen eigen aan elke hond. Het feit dat hij, omdat hij daartoe de vrijheid heeft gekregen, de schrijver afhaalt aan de tramhalte bijvoorbeeld, of het feit dat hij ook wel eens, zij het niet al te vaak, andere honden ontmoet: “Werkelijk hoort de ontmoeting buiten van twee honden, die elkaar niet kennen tot de pijnlijkste, spannendste en fataalste van alle denkbare gebeurtenissen; ze is van demonie en vreemdheid omgeven. Een gebondenheid heerst daar, die niet nader te omschrijven is; ze komen elkaar niet voorbij, het is een verschrikkelijke situatie.” Of het feit dat ze wel degelijk samen op jacht gaan, maar niet samen jagen: “De streek is rijk aan jaagbaar wild en wij jagen erop; dat wil zeggen: Bauschan jaagt erop en ik kijk toe. Op deze manier jagen wij: hazen, patrijzen, veldmuizen, mollen, eenden en meeuwen. Maar ook voor de hoge jacht schrikken we niet terug, we gaan ook op sluipjacht naar fazanten en zelfs naar een ree, als die, soms in de winter, wel eens in ons jachtgebied is verdwaald. Dat is dan een opwindend gezicht, als dat hoogbenige, licht gebouwde dier, geel tegen de sneeuw, met een hoog wippend wit achterste, voor de kleine, alle krachten verzamelende Bauschan weg vliegt – ik volg het voorval met de grootste deelneming en spanning. Niet, dat er daarbij iets zou uitkomen [alleen een muis heeft hij, zo blijkt later, wel eens opgegeten na hem gevangen te hebben, noot van mij]; dat is nog nooit gebeurd en zal ook nooit gebeuren. Maar het ontbreken van evidente resultaten vermindert noch Bauschans lust en hartstocht, noch doet het de geringste afbreuk aan mijn eigen plezier. We gaan op jacht om haar zelf, niet voor de buit, omwille van het nut en Bauschan is, zoals gezegd, het actieve deel. Van mij verwacht hij slechts morele bijstand, omdat hij een andere manier van samenwerken, een scherpere en zakelijker manier om de aangelegenheid aan te pakken, uit persoonlijke en directe ervaring niet kent.” Een “morele bijstand” die Mann uiteraard ook combineert met scherpe observatie: “(…) Bauschan zit de haas bijna op de hielen, hij is stil geworden, hij rent met op elkaar geklemde tanden, de directe geur drijft hem tot het uiterste op en – ‘nog eventjes, Bauschan!’ denk ik en zou ik willen roepen; ‘recht op je doel af en hou je kop erbij, let op de haak!’ Maar daar is de haak ook al, de tegenslag is er. De beslissende aanval gebeurde en op hetzelfde ogenblik is er ook een ruk, een kort, licht wegschieten van de haas, alsof je met je vingers knipt, in een rechte hoek op de looprichting en Bauschan schiet zijn achterste voorbij, schiet huilend, hulpeloos en remmend, zodat grind en stof omhoog vliegen, rechtuit en totdat hij tot stilstand gekomen is, van richting is veranderd, zich heeft omgekeerd en in de nieuwe richting op gang gekomen is, totdat, zeg ik, dit onder zielskwelling en jammerlijk gehuil is volbracht, heeft de haas een grote voorsprong in het kreupelhout gekregen, zijn vervolger heeft hem zelfs helemaal uit het oog verloren; want toen hij vertwijfeld remde kon hij niet zien, waar de ander naar toe ging. ‘Het is voor niets, het is mooi, maar tevergeefs,’ denk ik, terwijl de jacht in tegengestelde richting door het park verder gaat. ‘Er zouden verschillende honden moeten zijn, vijf of zes, een heel koppel. Andere honden zouden hem in de flank moeten lopen, hem van voren de weg afsnijden, hem tot staan brengen en hem de nekslag geven…’ En ik zie voor mijn opgewonden geestesoog een roedel bloedhonden verschijnen, die zich met de tongen uit de mond op de haas in hun midden storten.” En dan: “Ik denk en droom zo uit hartstocht voor de jacht, want wat heeft de haas mij gedaan, dat ik hem zo’n verschrikkelijk einde toewens? Weliswaar heb ik een nauwe relatie met Bauschan en is het vanzelfsprekend dat ik met hem mee voel en hem met mijn wensen begeleid; maar de haas is toch ook een warm levend wezen en heeft mijn jager niet uit kwaadwilligheid bedrogen, maar vanwege de dringende wens, nog een poosje aan zachte boomloten te kunnen knabbelen en zijns gelijken te verwekken.” Dat is eenvoudigweg mooi. Zelfs als dat de enige reden zou wezen, zou het nog steeds een goede zijn om dit boekje te lezen.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !