Het is uiteraard mogelijk dat de naam Karel Van Isacker u iets zegt,
maar als u ze van mijn boekbesprekingen heeft, dan ligt dat aan zijn
broer Frans. Van die laatste besprak ik namelijk in juni van dit jaar
(2026, voor wie met een tram later arriveert) de boeken De wereld
verandert en Maar er is een uitweg,
en tijdens de bespreking van het eerste deel van dat tweeluik, De
wereld verandert dus, viel ook de naam van Karel, met name in de
eerste paragraaf:
“Verschillen zijn belangrijk. Misschien niet zo belangrijk als gelijkenissen, maar
toch. Zo is er een gelijkenis tussen Frans van Isacker en Karel van
Isacker. Hun familienaam, inderdaad, maar ook hun afkomst: beiden
waren zonen van Philip van Isacker. Beiden waren ook Vlaamsgezind
(net als hun vader), en beiden ontplooiden enige activiteit als
schrijver. Van Karel van Isacker heb ik Het land van de dwazen,
De zaak Irma Laplasse – Stukken voor een dossier,
Herderlijke brieven over politiek 1830/1966, en Ontwijding
in mijn kasten zitten; van Frans van Isacker Posthume wandeling,
Kortstondige onthoofding, Averechts verloop: Kroniek van
een meedogenloze eeuw, Vijftig aan de wand, voorliggend De
wereld verandert, en, ten slotte, Maar er is een uitweg.”
Het genoemde Het land van de dwazen heb ik ‘nu’, ‘t is te
zeggen tijdens mijn in augustus ondernomen reis naar en in Italië,
dus gelezen. Het land van de dwazen zijnde technisch gesproken
een boek, of toch boekje, maar eigenlijk een pamflet. Een pamflet in
grote letter, op net iets meer dan dertig bladzijden, en minstens zes
drukken (want mijn exemplaar maakt deel uit van de zesde druk)
beleefd hebbende bij Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel.
Zes drukken? Voor een pamflet? Dan moet dat toch razend interessant
geweest zijn? Misschien wel, maar een druk zegt ter zake niets,
tenzij je ook mag vernemen hoeveel boeken er in elke druk zaten. En
dát is info die de koper/lezer van dit boekje niet meekrijgt, in
tegenstelling tot de poging tot verkorte weergave op de achterflap:
“Het land van de dwazen, dat is het land waar de natuur
stelselmatig wordt vernield, waar schoonheid en oorspronkelijkheid
worden opgeofferd aan de welvaart; het land met de vergiftigde lucht,
met het lawaai en de stank van de steden, met het vernielde
landschap… Het land van de dwazen, dat is het land waar men het
normaal vindt acht uur per dag, vier vijfden van het leven, weg te
gooien aan een zinloos werk dat de mensen leeg maakt en verstikt; het
land waar men in ruil voor een salaris graag zijn ziel en zijn
vrijheid prijsgeeft…”
Een uniek land, klaarblijkelijk, want dit boekje heeft per slot van
rekening niet de titel ‘De landen van de dwazen’ of iets
dergelijks meegekregen. Een land ook waarvan je zou kunnen vermoeden
dat het bijna zevenenzestig jaar na publicatie van de eerste druk van
dit boekje (gedateerd op december 1969) toch wel helemáál naar de
vaantjes zou zijn. Een land dat het desondanks lang genoeg gered
heeft om me toe te laten er op dit moment nog een boekbespreking in
te schrijven.
Ja,
goed, dit “essay” – dat is althans hoe dit pamflet op de
achterflap genoemd wordt – is “niet bedoeld (…) als een
bittere, negatieve kritiek” en het “richt [zich] tot de mensen
van goede wil, die de dwaasheid nog kunnen zien en durven geloven dat
het mogelijk is anders te leven”, maar “de vraag waarmee
onvermijdelijk de jonge generatie”, die van mei ‘68 met andere
woorden, “in haar rijpe jaren zal geconfronteerd worden, indien wij
de weg der verdwazing blijven volgen”, zijnde of “er nog een
ander perspectief over[blijft] dan het angstige dilemma: de ondergang
van de wereld der techniek in de katastrofe van een atoomoorlog, of
de verknechting van het totalitaire communisme”, die de auteur zich
op de laatste bladzijde van het boek stelt, is inmiddels al door een
paar generaties verder te beantwoorden, en hoewel de kans op een
atoomoorlog en totalitair communisme nog steeds reëel blijft (in de
eerste plaats in Europa en wel op instigatie van de ‘democraten’
– “door het bedrieglijke woord democratie blijft de schijn
bewaard van een openbaar leven, geregeld met onze instemming en
volgens onze wil”, dixit Van Isacker - die ons daar zogezegd tegen
zouden willen beschermen), lijkt op z’n minst de keuze
tussen beide van het menu verdwenen: geef eurocraten en Navo-zeloten
een kans en ze schotelen u een, ons uiteraard door de hele wereld
benijde, combinatie van beide voor. Een lichte hyperbool van
mijnentwege, ik geef het toe, maar nog niet half zo hyperbolisch als
wat Van Isacker allemaal in zijn “essay” neerschrijft.
Ja, er zijn jobs waarvan het enige doel lijkt te zijn de staat rijker te
maken (doordat de staat zestig procent van het loon inpikt) of daar
een min of meer aanvaardbare reden voor te hebben (ambtenaren waarvan
het loon óók weer voor zestig procent door de staat wordt
ingepikt), maar om nu te zeggen dat werkmensen “worden opgezogen
door de kantoren en fabrieken”, om daar “zinloze dingen” te
doen zoals “schrijven en rekenen, en (…) de papieren massa’s
[vermenigvuldigen] waarmee de bureaucratie over het leven heerst”,
“achter loketten [zitten]”, “stempels [slaan] (…) kaartjes
[knippen]”, “bouwen en sjouwen en (…) als automaten aan de band
[staan]”, is misschien net iets te deprimerend samengevat om nog
correct te wezen. Iets wat allicht ook “de provo’s, de beatniks,
de hippies en de hele fauna van de jeugd in verzet” die volgens Van
Isacker toen gelijk hadden, intussen hebben ingezien: “Liever
breken met een maatschappij die uitsluitend bedacht is op geld en
prestige, dan zichzelf prijs te geven. Liever breken met het
bourgeoisbestaan in appartementen zonder geest, te midden van
bezittingen die de mens armer maken. Liever breken met een stelsel
dat berust op de consumptie van de massa en tiert naarmate het
publiek het smaken verleert en als vee naar de aankoop van het
bestgeprezen standaardartikel wordt gedreven. Liever alles afwijzen
en bezitloos zijn, maar vrij en waarachtig, werkend als het zin heeft
en de zelfgekozen weg volgend, samen met al wie het prijsgeven van
zichzelf als het ergste kwaad beschouwen. Liever in de ban leven, dan
enig aandeel te hebben in de roofbouw op de zelfstandigheid”, klonk
kennelijk goed zolang iedereen die naar de woorden luisterde (of ze
las) high was, maar al snel daarna viel de klank weg, en nog
een paar decennia later bestaat de hoogste ‘vrijheid’ er
klaarblijkelijk in je zelf- of zelfs door een ander verzonnen gender
te kunnen ‘beleven’ mét alle mogelijke luxe-artikelen bij de
hand, waarbij het feit dat omstaanders constateren dat de koning in
z’n blootje rondloopt uiteraard de fout van die omstaanders is, en
het feit dat de wereld ook zevenenzestig jaar na het voor het eerst
verschijnen van dit boekje nog steeds op den hond zijn ellebogen
trekt de fout is van de volwassenen die het probleem nu ook maar
moeten oplossen, wat toch weer eens wat anders is dan “breken met
een stelsel” of “alles afwijzen en bezitloos zijn”.
En ja, “De mensen zijn ook aan zoveel gewoon geraakt. De bruutste
beelden over de wereldnood, door de televisie in de woonkamer
gebracht, bekijken zij met dezelfde onaandachtzaamheid als een toneel
op de vismarkt of de drukdoenerij van ministers op reis naar een
conferentie. Een jaar geleden kregen wij een uitzonderlijke kluif:
het verhaal van een Nigeriaanse militair die een gevangene uit Biafra
afslachtte. Een cameraman had de gebeurtenis rustig gefilmd, zodat
men alles kon meeleven”, zal eind de jaren 1960 als heel wat
geklonken hebben, maar intussen zijn we in een wereld terechtgekomen
waarin iederéén cameraman kan spelen, waarin we zelfs de fase van
het benoemen van geweld als ‘zinloos’ voorbij zijn, en waarin het
nog nauwelijks mogelijk is een onderscheid te maken tussen kunstmatig
gecreëerde beelden en echte (uiteraard veelal door degene die ze
publiceert verknipte) beelden, waardoor we zélfs als we niet aan
“zoveel gewoon geraakt” zouden zijn geen andere keuze meer hebben
dan ofwel dat soort beelden negeren ofwel ze voor potentieel vals houden.
En ja, “Vlak buiten Antwerpen was de polder twintig jaar geleden nog
ongerept”, maar het is er ondanks het gelamenteer van Van Isacker
alleen maar gerepter op geworden. En waar het er niet gerepter
uitziet, daar bedriegen je ogen je. ‘Containernatuur’, zoals
Johan De Vriendt, auteur van Heimweeën,
het zou noemen, is namelijk alles behalve natuurlijk en dient vooral
contained te blijven.
En ja, nog steeds trekken “miljoenen vakantiegangers” naar allemaal
dezelfde plekken op de wereld – tegenwoordig gelukkig (voor mij)
vaker met het vliegtuig dan met de auto – en “zoeken zij
[bezeten] de plaatsen waar de massa het dichtst opeenligt”, maar ik
mag er niet aan denken dat ze met z’n allen, daar al dan niet toe
aangezet door een of ander influencer die zelfs het eten van
een gebakje met op de achtergrond een of andere berg tot een hype
weet te maken, naar die plekken zouden trekken waar ik, niet echt
bezeten door de drang te gaan waar iedereen gaat, mij heen begeef.
En ja, mogelijk “is de diepste eenzaamheid van de mens in deze tijd:
het uitblijven van een antwoord op de vele vragen, het zwijgen of het
verraad van de instituten die hem geloof en hoop moeten geven, en de
onmogelijkheid, hierdoor, de lot- en geestgenoten terug te vinden”,
maar wie daarnaar op zoek is, zou ik het lezen van boeken aanraden.
Van véél boeken. Van veel onderling tegenstrijdige, en daardoor
dikwijls bij mekaar aansluitende, boeken. Maar niet noodzakelijk van
deze klaagzang van Karel Van Isacker.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !