Baron
von Münchhausen… wie kent hem niet? Op zijn minst van naam en
faam. Wat telkens weer volstaat om nieuwe edities van zijn avonturen
op de markt te brengen. Dat moeten ze ook gedacht hebben bij de
Vlaamse
Uitgevers Maatschappij
die ergens in het eerste decennium van het jongste millennium een
aantal boekjes ‘weggaf’ (voor een licht prijsje, neem ik aan, ik
heb destijds de serie niet gevolgd) bij zijn kranten Het
Nieuwsblad,
De
Gentenaar
en Het
Volk,
boekjes waaronder dus ook voorliggend De
avonturen van Baron von Münchhausen
te vinden was. Avonturen die ik in mijn vroege jeugd zeker al eens
gelezen had in ik weet niet welke vertaling, maar die niet in mijn
bibliotheek zaten tot ik deze editie ergens in een kringwinkel op de
kop tikte en meenam naar huis. Avonturen die ik – u hebt dit
intussen in een aantal variaties al in meerdere boekbesprekingen van
dit najaar (2026) vernomen – gelezen heb op reis in Italië.
Avonturen waaraan in alle eerlijkheid het interessantste voor mij was
dat ze vertaald werden door Godfried Bomans,
die er ook een inleiding bij voorzag, en geïllustreerd door Gustave
Doré (over wie achteraan in het boek ook Enkele
gegevens
zijn opgenomen).
Het kleine formaat van de versie in mijn bezit doet niet echt recht aan
die illustraties – ik zou ze dus graag eens in grotere editie zien
-, maar de Inleiding
van Bomans (wiens vertaling uiteraard óók dik in orde is) maakte
herlezing van dit werk de moeite waard. Alleen al omwille van het
begin daarvan: “Wanneer ik psychiater was, zou ik de mensen niet
van hun fouten afhelpen. Ik zou zeggen: goed, dit zijn uw gebreken en
nu: wat doet u ermee? Er zijn maar weinig vormen van creativiteit,
die op een surplus berusten. De meeste wortelen in tekortkomingen.
Wie zich werkelijk verdiept in de levens van hen, die op deze aarde
iets gepresteerd hebben, wordt telkens getroffen door het
verschijnsel, dat de eigenlijke kracht van die mensen een gebrek
geweest is, dat tot een kwaliteit werd omgebogen. En hoe dieper men
kan zinken, des te hoger men stijgen kan. ‘Ik heb nog nooit van een
misdaad gehoord,’ zegt Goethe, ‘die ik niet zelf had kunnen
begaan.’ Niettemin werd hij Goethe. De ontstellende veelzijdigheid
van zijn criminele mogelijkheden wist hij om te toveren in de
pauwenstaart van zijn geweldige oeuvre.”
Was baron von Münchhausen dan een soort van een Goethe, is dat wat
Bomans wil zeggen? Nee, al heeft hij wel degelijk bestaan: “Hij
heette Hieronymus Karl Friedrich, Freiherr von Münchhausen en
leefde, toen het boek verscheen, in otio cum dignitate [Bomans
verwijst naar ‘otium cum dignitate’, rust in waardigheid, noot
van mij] op zijn landgoed aan de Weser te Bodenwerder, waar hij zich,
na als kapitein enige Russische veldtochten tegen de Turken te hebben
meegemaakt, reeds in 1760 op veertigjarige leeftijd had
teruggetrokken.” “Als gastheer”, vervolgt Bomans, “genoot hij
een zekere vermaardheid, minder om wat zijn keuken en kelder te
bieden hadden, als wel om de wijze waarop hij zijn gasten wist bezig
te houden. Hij vertelde de dolste geschiedenissen met een stalen
gezicht en het was deze combinatie van een fantastische inhoud met
een volstrekt zakelijke toon van mededeling, die zijn verhalen
allengs een lokale roep bezorgden”. Een “lokale roep” die onder
andere tot bij degene leidde waarover Bomans het aan het begin van
zijn Inleiding
had als hij sprak over talenten wortelend in tekortkomingen, Rudolf
Erich Raspe, die de baron persoonlijk kende en dus wel eens bij hem
te gast was. Hij was het die anoniem een achttiental anekdoten
“zonder enig onderling verband” publiceerde in het Berlijns
tijdschrift Vade
Mecum für Lustige Leute
en vervolgens in boekvorm én in het Engels als Baron
Münchhausen’s Narrative of his marvellous Travels and Campaigns in
Russia.
Dat alles zonder medeweten van de baron zelf, “die zich plotseling
tot een legendarisch leugenaar getransformeerd zag”, zijn huis (te
laat) sloot voor elk bezoek, en in 1797 (toch nog twaalf jaar na het
verschijnen van het originele boek) “als een verbitterd man” stierf.
In tegenstelling tot Raspe, zou je dan kunnen denken. Immers: “Het
boek sloeg in als een bom. In enkele jaren tijds was het in
tientallen talen vertaald en de ene herdruk volgde op de andere (…)”.
“(…) telkens met nieuwe toevoegingen verrijkt”, voegt Bomans
daar echter aan toe, toevoegingen die niet altijd van Raspe zelf
kwamen, en die Bomans enkel overgenomen heeft “waar de pen van
Raspe nog duidelijk bespeurbaar is”. Een pen waarnaar gezocht moet
worden, want Raspe had ook het boek anoniem gepubliceerd. Pas toen
namelijk in 1847 een biografie van Gottfried August Bürger, de
Duitser die het anoniem gepubliceerde boek van Raspe (terug) naar het
Duits vertaalde en daarom zélf lange tijd voor de auteur werd
gehouden (temeer omdat hij wel degelijk hele stukken toevoegde aan
het origineel), verscheen, werd daarin onthuld dat Raspe de
oorspronkelijke auteur was, Raspe die toen al meer dan een halve eeuw
dood was: “Raspe werd”, aldus weer Bomans, “geboren in 1737 te
Hannover en stierf in 1794 ergens in Engeland, waar hij de laatste
twintig jaar van zijn mislukt leven heeft doorgebracht.” Een
mislukking die zijn reden vond in “een grenzeloze megalomanie”,
“want Baron von Münchhausen is Raspe zelf, maar dan opererend in
een bijna volstrekte luchtledigheid. Hij is wat Old Shatterhand voor
die andere mislukte Duitser werd: de revanche van een gedwarsboomd
begaafde op de maatschappij. Er is één verschil: Karl May was trots
op zijn gesublimeerd ego, Raspe echter heeft het vaderschap van de
Baron nooit erkend.”
Wat eigenaardig is gezien dat vaderschap het enige is waarvoor hij nu –
ondanks zichzelf – nog bekend is. Wie hecht er nog enig belang aan
het feit dat hij filologie, natuurwetenschappen en rechten ging
studeren aan de universiteiten van Göttingen en Leipzig? Wie is er
nog geïnteresseerd in zijn werk als conservator van het munten- en
edelstenenkabinet van de landgraaf van Hessen-Kassel? Wie heeft nog
een hoge dunk van het feit dat hij in 1769 vanwege zijn
wetenschappelijke reputatie lid kon worden van de Britse Royal
Society?
Wie zou nu nog, als het niet was vanwege zijn belang als auteur van
De
avonturen van Baron von Münchhausen,
weten dat hij al van in zijn studententijd het geld over de balk
gooide, de edelstenen van de landgraaf stal, moest vluchten uit
Hessen-Kassel, na gevangen genomen te zijn ontkwam naar Engeland, en
daar, toen ze van zijn
avonturen op de hoogte werden gesteld, uit de Royal
Society
werd gezet? Wie zou ooit gehoord hebben van zijn poging om een satire
te publiceren op wat dat eerbiedwaardige gezelschap allemaal uitstak?
Wie zou zijn vertalingen van publicaties over mineralogie waarvoor de
uitgever wél bereid was te betalen nu nog lezen? Wie zou er enig
belang aan hechten dat kapitein Cook hem niet wou meenemen naar
Tahiti, en dat zijn vrouw, die hij niet had willen meenemen toen hij
Hessen-Kassel met spoed moest verlaten, van hem gescheiden was? Wie
zou zich zodanig in zijn
geschiedenis verdiept hebben dat hij te weten kwam dat hij zich met
de geschiedenis van olieverfschilderijen ging bezighouden, in 1784
een opdracht wist te krijgen om in Cornwall bodemonderzoek te doen,
zich daar in de plaats al snel bezig zou houden met het catalogiseren
van edelstenen, voor mineralogisch onderzoek verkaste naar Schotland,
vervolgens naar Wales, en ten slotte stierf in Ierland, alwaar hij in
1793 gearriveerd was om koper te zoeken? Het antwoord op elk van die
vragen is: niemand. “Men moet natuurlijk wat zijn om de kolossale
concepties, die Raspe afwisselend aanvatte en weer vallen liet,
alleen maar te bedenken en in veel van zijn ideeën was hij zijn tijd
ook verre vooruit”, schrijft Bomans, maar “Wat de man (…) miste
was zelfkritiek. Zijn mateloosheid in alles wat hij ondernam, zijn
volstrekt onvermogen om het wenselijke van het uitvoerbare te
onderscheiden, de totale afwezigheid van enige introspectie en
daardoor kennis van zijn medemensen, dit alles gepaard aan een
uitzonderlijke begaafdheid in wat hij ook ondernam, maar zonder het
geduld, de concentratie en de wetenschappelijke ootmoed om telkens de
hoogste sporten van zijn vele ladders te beklimmen, al die fouten
bestemden hem tot wat hij ten slotte is geworden: een charlatan.”
Waarna de inleider terugkomt op die tekortkomingen en die
creativiteit waarover hij het in het begin van de Inleiding
had: “Vanaf het ogenblik dat hij, in die paar heldere dagen van een
verregend leven, zijn eigen gebreken wist te projecteren in een
gestalte op papier, schiep hij een onvergankelijk figuur. Voor één
keer hoefde Raspe niet te simuleren. Hij moest vorm geven aan juist
datgene, waarop hij overal elders zijn nek gebroken had: de
overdrijving. Hij kon eindelijk zichzelf zijn. Door de mateloosheid
centraal te stellen, zonder enige concessie aan geloofwaardigheid,
zette hij een man in de wereld die helemaal van hem was en sindsdien
ook is blijven leven.”
Dat alles gezegd zijnde, blijft dit natuurlijk wel een bespreking van wat
De
avonturen van Baron von Münchhausen
inhouden. Mateloze overdrijving, inderdaad, totaal ongeloofwaardige
verhalen, geen enkele poging om het verschil tussen Dichtung
und Wahrheit
te verdoezelen. Ik begrijp dat Bomans destijds de opdracht heeft
aangenomen om voor de “eerste authentieke weergave in het
Nederlands van de Engelse first edition” te zorgen (met dien
verstande dat hij daarvan af en toe moest afwijken omdat de uitgever
er ook de illustraties van Doré in wou hebben en dat die
illustraties soms gebaseerd zijn op de Franse bewerking van de Duitse
vertaling), maar z’n eigen verhalen over Pa PinkelmanenTante Pollewop steken wat dat betreft mijlenver boven die van Raspe uit. Ook wat het
effect op de lachspieren betreft. Misschien was dat toen de verhalen
over von Münchhausen voor het eerst verschenen anders, mensen in die
tijden zullen zich allicht in de serieuze achtergronden kunnen
herkend hebben, maar nu zijn ze helaas verworden tot flauwiteiten.
Blazing
Saddles voor wie niet bekend is met de clichés van westerns, zeg maar. Wat
niet belet dat er af en toe een op zich écht humoristische passage
in zit. Bijvoorbeeld de eerste lijn van het eerste verhaal, de Reis
naar Rusland en Sint-Petersburg:
“Ik vertrok naar Rusland in het hartje van de winter, omdat de
wegen door Noord-Duitsland, Polen, Koerland en Letland, die anders
onbegaanbaarder zijn dan het pad der deugd, in dat jaargetijde door
sneeuw en ijs nog enige hardheid krijgen”. Of die over zijn trouwe
hond in Over
honden en paarden van de Baron von Münchhausen:
“Hij liep zo ijverig en langdurig in mijn dienst, dat zijn poten
bijna volledig waren afgesleten en ik mij gedwongen zag hem als
terriër te gebruiken”. Of die over de onbetrouwbaarheid van de
Fransen in Avontuur
van de Baron von Münchhausen tijdens zijn gevangenschap bij de
Turken:
“Spoedig hierop werd er met de Turken een vredesverdrag gesloten,
dat in weerwil van de Franse diplomatie voor Rusland niet ongunstig
uitviel”. Of die over de dapperheid van generaals in Nog
enige verrassende gebeurtenissen:
“Het zal ongeveer twee maanden later geweest zijn dat ik op een
ochtend met generaal Elliot aan het ontbijt zat en een granaat (want
hun mortieren had ik verzuimd te vernietigen) door het plafond naar
beneden kwam en midden op tafel belandde. De generaal deed, wat de
meeste mensen in zulke omstandigheden doen: hij verliet terstond de
kamer (…)”. Of, ten slotte, die over de gepaste bescheidenheid
van kanonnenvoer in de Avonturen
van de Baron von Münchhausen in de oorlog tegen de Turken:
“De bescheidenheid verbiedt ons, gewone stervelingen, van enig
persoonlijk aandeel te gewagen in de roemrijke gebeurtenissen te
velde, die immers aan de verdiensten van de commandant worden
toegeschreven, zo niet, wat nog neteliger is, aan vorstelijke
personen die, behalve bij parades en militaire oefeningen, nog nimmer
een vijandelijke krijgsmacht in slagorde zich ontplooien zagen”.
Allemaal mooie, in bijvoorbeeld dat laatste geval zelfs nog buiten
hun context citeerbare, zinnen, maar gevat in een uit los zand
bestaand ‘verhaal’ dat voor de rest eigenlijk alleen nog kinderen
tot kortstondig amusement kan dienen.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !