maandag 26 oktober 2026

De avonturen van Baron von Münchhausen – Rudolf Erich Raspe (boekbespreking door Björn Roose)

De avonturen van Baron von Münchhausen – Rudolf Erich Raspe (boekbespreking door Björn Roose)
Baron von Münchhausen… wie kent hem niet? Op zijn minst van naam en faam. Wat telkens weer volstaat om nieuwe edities van zijn avonturen op de markt te brengen. Dat moeten ze ook gedacht hebben bij de Vlaamse Uitgevers Maatschappij die ergens in het eerste decennium van het jongste millennium een aantal boekjes ‘weggaf’ (voor een licht prijsje, neem ik aan, ik heb destijds de serie niet gevolgd) bij zijn kranten Het Nieuwsblad, De Gentenaar en Het Volk, boekjes waaronder dus ook voorliggend De avonturen van Baron von Münchhausen te vinden was. Avonturen die ik in mijn vroege jeugd zeker al eens gelezen had in ik weet niet welke vertaling, maar die niet in mijn bibliotheek zaten tot ik deze editie ergens in een kringwinkel op de kop tikte en meenam naar huis. Avonturen die ik – u hebt dit intussen in een aantal variaties al in meerdere boekbesprekingen van dit najaar (2026) vernomen – gelezen heb op reis in Italië. Avonturen waaraan in alle eerlijkheid het interessantste voor mij was dat ze vertaald werden door Godfried Bomans, die er ook een inleiding bij voorzag, en geïllustreerd door Gustave Doré (over wie achteraan in het boek ook Enkele gegevens zijn opgenomen).

Het kleine formaat van de versie in mijn bezit doet niet echt recht aan die illustraties – ik zou ze dus graag eens in grotere editie zien -, maar de Inleiding van Bomans (wiens vertaling uiteraard óók dik in orde is) maakte herlezing van dit werk de moeite waard. Alleen al omwille van het begin daarvan: “Wanneer ik psychiater was, zou ik de mensen niet van hun fouten afhelpen. Ik zou zeggen: goed, dit zijn uw gebreken en nu: wat doet u ermee? Er zijn maar weinig vormen van creativiteit, die op een surplus berusten. De meeste wortelen in tekortkomingen. Wie zich werkelijk verdiept in de levens van hen, die op deze aarde iets gepresteerd hebben, wordt telkens getroffen door het verschijnsel, dat de eigenlijke kracht van die mensen een gebrek geweest is, dat tot een kwaliteit werd omgebogen. En hoe dieper men kan zinken, des te hoger men stijgen kan. ‘Ik heb nog nooit van een misdaad gehoord,’ zegt Goethe, ‘die ik niet zelf had kunnen begaan.’ Niettemin werd hij Goethe. De ontstellende veelzijdigheid van zijn criminele mogelijkheden wist hij om te toveren in de pauwenstaart van zijn geweldige oeuvre.”

Was baron von Münchhausen dan een soort van een Goethe, is dat wat Bomans wil zeggen? Nee, al heeft hij wel degelijk bestaan: “Hij heette Hieronymus Karl Friedrich, Freiherr von Münchhausen en leefde, toen het boek verscheen, in otio cum dignitate [Bomans verwijst naar ‘otium cum dignitate’, rust in waardigheid, noot van mij] op zijn landgoed aan de Weser te Bodenwerder, waar hij zich, na als kapitein enige Russische veldtochten tegen de Turken te hebben meegemaakt, reeds in 1760 op veertigjarige leeftijd had teruggetrokken.” “Als gastheer”, vervolgt Bomans, “genoot hij een zekere vermaardheid, minder om wat zijn keuken en kelder te bieden hadden, als wel om de wijze waarop hij zijn gasten wist bezig te houden. Hij vertelde de dolste geschiedenissen met een stalen gezicht en het was deze combinatie van een fantastische inhoud met een volstrekt zakelijke toon van mededeling, die zijn verhalen allengs een lokale roep bezorgden”. Een “lokale roep” die onder andere tot bij degene leidde waarover Bomans het aan het begin van zijn Inleiding had als hij sprak over talenten wortelend in tekortkomingen, Rudolf Erich Raspe, die de baron persoonlijk kende en dus wel eens bij hem te gast was. Hij was het die anoniem een achttiental anekdoten “zonder enig onderling verband” publiceerde in het Berlijns tijdschrift Vade Mecum für Lustige Leute en vervolgens in boekvorm én in het Engels als Baron Münchhausen’s Narrative of his marvellous Travels and Campaigns in Russia. Dat alles zonder medeweten van de baron zelf, “die zich plotseling tot een legendarisch leugenaar getransformeerd zag”, zijn huis (te laat) sloot voor elk bezoek, en in 1797 (toch nog twaalf jaar na het verschijnen van het originele boek) “als een verbitterd man” stierf.

In tegenstelling tot Raspe, zou je dan kunnen denken. Immers: “Het boek sloeg in als een bom. In enkele jaren tijds was het in tientallen talen vertaald en de ene herdruk volgde op de andere (…)”. “(…) telkens met nieuwe toevoegingen verrijkt”, voegt Bomans daar echter aan toe, toevoegingen die niet altijd van Raspe zelf kwamen, en die Bomans enkel overgenomen heeft “waar de pen van Raspe nog duidelijk bespeurbaar is”. Een pen waarnaar gezocht moet worden, want Raspe had ook het boek anoniem gepubliceerd. Pas toen namelijk in 1847 een biografie van Gottfried August Bürger, de Duitser die het anoniem gepubliceerde boek van Raspe (terug) naar het Duits vertaalde en daarom zélf lange tijd voor de auteur werd gehouden (temeer omdat hij wel degelijk hele stukken toevoegde aan het origineel), verscheen, werd daarin onthuld dat Raspe de oorspronkelijke auteur was, Raspe die toen al meer dan een halve eeuw dood was: “Raspe werd”, aldus weer Bomans, “geboren in 1737 te Hannover en stierf in 1794 ergens in Engeland, waar hij de laatste twintig jaar van zijn mislukt leven heeft doorgebracht.” Een mislukking die zijn reden vond in “een grenzeloze megalomanie”, “want Baron von Münchhausen is Raspe zelf, maar dan opererend in een bijna volstrekte luchtledigheid. Hij is wat Old Shatterhand voor die andere mislukte Duitser werd: de revanche van een gedwarsboomd begaafde op de maatschappij. Er is één verschil: Karl May was trots op zijn gesublimeerd ego, Raspe echter heeft het vaderschap van de Baron nooit erkend.”

Wat eigenaardig is gezien dat vaderschap het enige is waarvoor hij nu – ondanks zichzelf – nog bekend is. Wie hecht er nog enig belang aan het feit dat hij filologie, natuurwetenschappen en rechten ging studeren aan de universiteiten van Göttingen en Leipzig? Wie is er nog geïnteresseerd in zijn werk als conservator van het munten- en edelstenenkabinet van de landgraaf van Hessen-Kassel? Wie heeft nog een hoge dunk van het feit dat hij in 1769 vanwege zijn wetenschappelijke reputatie lid kon worden van de Britse Royal Society? Wie zou nu nog, als het niet was vanwege zijn belang als auteur van De avonturen van Baron von Münchhausen, weten dat hij al van in zijn studententijd het geld over de balk gooide, de edelstenen van de landgraaf stal, moest vluchten uit Hessen-Kassel, na gevangen genomen te zijn ontkwam naar Engeland, en daar, toen ze van zijn avonturen op de hoogte werden gesteld, uit de Royal Society werd gezet? Wie zou ooit gehoord hebben van zijn poging om een satire te publiceren op wat dat eerbiedwaardige gezelschap allemaal uitstak? Wie zou zijn vertalingen van publicaties over mineralogie waarvoor de uitgever wél bereid was te betalen nu nog lezen? Wie zou er enig belang aan hechten dat kapitein Cook hem niet wou meenemen naar Tahiti, en dat zijn vrouw, die hij niet had willen meenemen toen hij Hessen-Kassel met spoed moest verlaten, van hem gescheiden was? Wie zou zich zodanig in zijn geschiedenis verdiept hebben dat hij te weten kwam dat hij zich met de geschiedenis van olieverfschilderijen ging bezighouden, in 1784 een opdracht wist te krijgen om in Cornwall bodemonderzoek te doen, zich daar in de plaats al snel bezig zou houden met het catalogiseren van edelstenen, voor mineralogisch onderzoek verkaste naar Schotland, vervolgens naar Wales, en ten slotte stierf in Ierland, alwaar hij in 1793 gearriveerd was om koper te zoeken? Het antwoord op elk van die vragen is: niemand. “Men moet natuurlijk wat zijn om de kolossale concepties, die Raspe afwisselend aanvatte en weer vallen liet, alleen maar te bedenken en in veel van zijn ideeën was hij zijn tijd ook verre vooruit”, schrijft Bomans, maar “Wat de man (…) miste was zelfkritiek. Zijn mateloosheid in alles wat hij ondernam, zijn volstrekt onvermogen om het wenselijke van het uitvoerbare te onderscheiden, de totale afwezigheid van enige introspectie en daardoor kennis van zijn medemensen, dit alles gepaard aan een uitzonderlijke begaafdheid in wat hij ook ondernam, maar zonder het geduld, de concentratie en de wetenschappelijke ootmoed om telkens de hoogste sporten van zijn vele ladders te beklimmen, al die fouten bestemden hem tot wat hij ten slotte is geworden: een charlatan.” Waarna de inleider terugkomt op die tekortkomingen en die creativiteit waarover hij het in het begin van de Inleiding had: “Vanaf het ogenblik dat hij, in die paar heldere dagen van een verregend leven, zijn eigen gebreken wist te projecteren in een gestalte op papier, schiep hij een onvergankelijk figuur. Voor één keer hoefde Raspe niet te simuleren. Hij moest vorm geven aan juist datgene, waarop hij overal elders zijn nek gebroken had: de overdrijving. Hij kon eindelijk zichzelf zijn. Door de mateloosheid centraal te stellen, zonder enige concessie aan geloofwaardigheid, zette hij een man in de wereld die helemaal van hem was en sindsdien ook is blijven leven.”

Dat alles gezegd zijnde, blijft dit natuurlijk wel een bespreking van wat De avonturen van Baron von Münchhausen inhouden. Mateloze overdrijving, inderdaad, totaal ongeloofwaardige verhalen, geen enkele poging om het verschil tussen Dichtung und Wahrheit te verdoezelen. Ik begrijp dat Bomans destijds de opdracht heeft aangenomen om voor de “eerste authentieke weergave in het Nederlands van de Engelse first edition” te zorgen (met dien verstande dat hij daarvan af en toe moest afwijken omdat de uitgever er ook de illustraties van Doré in wou hebben en dat die illustraties soms gebaseerd zijn op de Franse bewerking van de Duitse vertaling), maar z’n eigen verhalen over Pa PinkelmanenTante Pollewop steken wat dat betreft mijlenver boven die van Raspe uit. Ook wat het effect op de lachspieren betreft. Misschien was dat toen de verhalen over von Münchhausen voor het eerst verschenen anders, mensen in die tijden zullen zich allicht in de serieuze achtergronden kunnen herkend hebben, maar nu zijn ze helaas verworden tot flauwiteiten. Blazing Saddles voor wie niet bekend is met de clichés van westerns, zeg maar. Wat niet belet dat er af en toe een op zich écht humoristische passage in zit. Bijvoorbeeld de eerste lijn van het eerste verhaal, de Reis naar Rusland en Sint-Petersburg: “Ik vertrok naar Rusland in het hartje van de winter, omdat de wegen door Noord-Duitsland, Polen, Koerland en Letland, die anders onbegaanbaarder zijn dan het pad der deugd, in dat jaargetijde door sneeuw en ijs nog enige hardheid krijgen”. Of die over zijn trouwe hond in Over honden en paarden van de Baron von Münchhausen: “Hij liep zo ijverig en langdurig in mijn dienst, dat zijn poten bijna volledig waren afgesleten en ik mij gedwongen zag hem als terriër te gebruiken”. Of die over de onbetrouwbaarheid van de Fransen in Avontuur van de Baron von Münchhausen tijdens zijn gevangenschap bij de Turken: “Spoedig hierop werd er met de Turken een vredesverdrag gesloten, dat in weerwil van de Franse diplomatie voor Rusland niet ongunstig uitviel”. Of die over de dapperheid van generaals in Nog enige verrassende gebeurtenissen: “Het zal ongeveer twee maanden later geweest zijn dat ik op een ochtend met generaal Elliot aan het ontbijt zat en een granaat (want hun mortieren had ik verzuimd te vernietigen) door het plafond naar beneden kwam en midden op tafel belandde. De generaal deed, wat de meeste mensen in zulke omstandigheden doen: hij verliet terstond de kamer (…)”. Of, ten slotte, die over de gepaste bescheidenheid van kanonnenvoer in de Avonturen van de Baron von Münchhausen in de oorlog tegen de Turken: “De bescheidenheid verbiedt ons, gewone stervelingen, van enig persoonlijk aandeel te gewagen in de roemrijke gebeurtenissen te velde, die immers aan de verdiensten van de commandant worden toegeschreven, zo niet, wat nog neteliger is, aan vorstelijke personen die, behalve bij parades en militaire oefeningen, nog nimmer een vijandelijke krijgsmacht in slagorde zich ontplooien zagen”. Allemaal mooie, in bijvoorbeeld dat laatste geval zelfs nog buiten hun context citeerbare, zinnen, maar gevat in een uit los zand bestaand ‘verhaal’ dat voor de rest eigenlijk alleen nog kinderen tot kortstondig amusement kan dienen.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !