Zoek Günter Grass op, op Wikipedia en de derde zin die je
krijgt, is deze: “Volgens eerdere berichten werd hij tijdens de
Tweede Wereldoorlog opgeroepen voor de hulptroepen van de Duitse
luchtmacht. Dit bleek echter onjuist, in augustus 2006 maakte hij
zelf bekend dat hij zich op 15-jarige leeftijd vrijwillig aanmeldde
voor dienst op een U-boot. Daarvoor werd echter niemand meer
aangenomen, waarna hij in dienst moest bij de Reichsarbeitsdienst. Op
17-jarige leeftijd (1944) werd hij als dienstplichtige opgeroepen
door de Waffen-SS, waar hij dienstdeed bij de 10e
SS-Pantserdivisie ‘Frundsberg’”.
Een aardig staaltje van toning down is dat. Grass beweerde
zélf namelijk steeds weer dat hij opgeroepen was als Flakhelfer,
het was niet iemand anders die daar “eerdere berichten” over
verspreidde. En zelfs nádat hij in z’n uit 2006 daterende boek
Beim Häuten der Zwiebel, meer dan zestig jaar na datum,
bekend had bij de Waffen-SS gezeten te hebben, hield hij vol
dat hij zulks nooit ontkend had, maar er alleen over zweeg.
Terwijl hij wel naam gemaakt had door zijn landgenoten er voortdurend
toe aan te zetten zich dingen te ‘herinneren’, eerlijk te zijn,
omdat de naoorlogse kinderen recht hadden te weten wat hun
‘onschuldige ouders’ hadden uitgevreten tussen 1939 en 1945.
Ik had van Grass nooit wat gelezen vóór 2006, maar dat nieuws, dat
toen de wereld rondging, was voldoende om me nog gedurende vele jaren
verder te onthouden van lezing van zijn boeken. Misschien een beetje
een overreactie van me – niks menselijks is me vreemd -, maar ik
heb nu eenmaal meer respect voor een nationaal-socialist of communist
die daarvoor uitkomt, ook en zeker nadat het spel verloren is, dan
voor een exemplaar dat dat niet doet, al helemaal niet als dat
exemplaar van een ander vraagt het wél te doen.
En toch ben ik een paar weken geleden (tegen dat deze boekbespreking
gepubliceerd wordt zelfs een paar maanden geleden) begonnen aan het
toen al even in mijn kast staande Die Blechtrommel, Grass’
romandebuut uit 1959, door Koos Schuur vertaald als De blikken
trommel en ín die vertaling voor het eerst verschenen in 1964.
Waarom? Omdat het boek daar (in mijn boekenkasten dus) stond tussen
zijn Kat en muis en het eerder genoemde Beim Häuten der
Zwiebel. Omdat het er toch eens van moest komen. Omdat ik dacht
dat het me niet zou bevallen en ik door het te lezen wat ruimte zou
scheppen in mijn boekenkasten. Waarmee ik volkomen verkeerd zat: De
blikken trommel beviel me zeer en zal dus na deze bespreking zijn
plaats in mijn boekenkasten terugkrijgen.
Nu, wat is De blikken trommel niét? Een anti-oorlogsroman.
Iets wat er vaak van gemaakt wordt omdat de film die in 1979 werd
geproduceerd op basis van het boek zich grotendeels beperkte tot de
oorlogstijd – die is altijd vol gebeurtenissen en foto/filmgeniek,
is het niet? -, en het verhaal niet pró oorlog is. ‘Beperkte’
inderdaad, want zelfs in een director’s cut van
honderdtweeënzestig minuten kan je geen boek van meer dan
vijfhonderd bladzijden kwijt dat zich grotendeels afspeelt in de
gedachten van het hoofdpersonage. Al helemaal niet als de actie en de
gedachten zich op hun beurt afspelen in twee tijden en op meerdere
plaatsen, zijnde de psychiatrische instelling waar de verteller
verblijft (al in de eerste zin van de roman lees je dat: “Ik geef
toe: ik ben patiënt in een zenuwinrichting”) en het
Danzig/Normandië/Düsseldorf/Parijs waar zijn voorgeschiedenis zich
heeft afgespeeld. Filmmakers houden van actie, het filmpubliek ook,
en van duidelijkheid (of hoogstens van de onduidelijkheid die ze zelf
scheppen), het filmpubliek idem: een boek als De blikken trommel
verfilmen zoals het hoort, kan eigenlijk alleen maar door dat na te laten.
Waarmee u nog niet weet waarover het boek dan eigenlijk wél gaat.
Wel, over het leven van ene Oskar Matzerath (ik geef hem voor het
gemak die familienaam, al wenst hij zichzelf in grote delen van het
boek niet als een Matzerath te beschouwen), zogezegd geboren met het
verstand van een volwassene (voor wat dat waard is, en uiteraard
alleen een ‘feit’ omdat de volwassen Oskar Matzerath zulks
beweert) en op z’n drie jaar – ook al zogezegd - besloten hebbend
niet meer te groeien (omdat hij, volwassen als hij is, vreest zich
niet meer als een kind te zullen mogen gedragen als hij fysiek groter
wordt). Hij groeit ook letterlijk niet meer, iets wat voor de
buitenwereld het gevolg is van een val van een keldertrap, maar ook
iets waarvan de hoofdpersoon beweert dat hij die val geënsceneerd
heeft. Oskar doet dus wat hij wil, Oskar wordt nooit het slachtoffer
van de omstandigheden; als de omstandigheden – die Oskar nooit
helemaal schijnt te vatten - een beetje vervelend worden, weet Oskar
zich daar zonder grote moeite en zonder zich veel aan te trekken van
het lot van z’n naasten uit te redden. Iets waar pas een einde aan
komt als hij, ik zal het maar zo noemen, uiteindelijk wél eens met
de vinger gewezen wordt, door een dode dan nog, na enig prakkezeren
op de vlucht gaat, veroordeeld wordt door een rechtbank (op basis
waarvan is niet echt duidelijk), en in een nieuwe ontsnapping aan de
werkelijkheid in genoemde psychiatrische instelling terechtkomt. Waar
hij dan meteen ook weer van maakt dat zulks zijn doel was: “Mijn
witgelakte metalen gestichtsbed is dus een maatstaf. Voor mij is het
zelfs nog meer: mijn bed is het uiteindelijk bereikte doel, het is
mijn troost en het zou mij tot geloof kunnen worden, wanneer de
gestichtsleiding mij toestond enkele veranderingen aan te brengen; ik
zou het traliewerk wat hoger willen laten maken zodat niemand mij
ooit meer te dicht benadert”. Oskar wil dus heersen in zijn wereld,
Oskar wil het ritme bepalen, Oskar wil dat anderen zijn ritme volgen,
en Oskar realiseert dat op twee manieren: hij schreeuwt en hij
trommelt. Als hij schreeuwt, een vermogen dat hij naderhand
(gedeeltelijk) lijkt kwijt te spelen, maakt hij dingen kapot. Dingen
bestaand uit glas. Brillen, vensters, lampen, etalages, whatever.
In het begin ongecontroleerd, zodat iedereen voortdurend op z’n
tenen moet lopen om hem geen woedeaanvallen te doen krijgen, want als
hij die krijgt, schreeuwt hij. Later bewust; omdat hij wil testen wat
hij met zijn schreeuwen kan bereiken, omdat hij geen zin heeft in
school, omdat hij anderen wil aanzetten tot criminaliteit, omdat hij
de leiding wil overnemen van een bende criminelen. En als hij
trommelt, op de ene blikken trommel na de andere, want hij slaat die
dingen in de vernieling door er zo veelvuldig mee bezig te zijn,
brengt hij zijn verhaal over aan de wereld, een wereld die geacht
wordt dat verhaal uit de door hem gespeelde ritmes te halen, een
wereld waarvan hij uiteindelijk leert de emoties te controleren: hij
wordt professioneel muzikant en weet hele zalen, overal in Europa,
aan het lachen of huilen te krijgen door zijn getrommel. Hij beheerst
uiteindelijk dus z’n eigen emoties, hij schreeuwt alleen nog als
het hem uitkomt, en ook die van de massa, in die zin dat die emoties
toont die hij wil zien en op het moment dat hij die wil zien. Oskar
is dus – in mijn ogen, ik zit wat ik hier schrijf per slot van
rekening zelf te verzinnen – een psychopaat: egocentrisch tot en
met, manipulerend, emotioneel zonder diepgang, zelden berouw tonend,
en impulsief. Allemaal ‘diagnoses’ die ik hier verder zou kunnen
uitwerken, maar die ik voor de rest van deze bespreking zal laten
liggen waar ze liggen: voor uw neus. Dat Oskar een psychopaat is, is
namelijk precies wat dit boek – samen met de stijl van Grass, maar
daar komen we straks nog op terug – zo, tsja, leuk maakt. Oskar
doet gewoon zijn zin, Oskar trekt de wijde wereld in, Oskar beleeft
het ene avontuur na het andere, Oskar wordt nauwelijks geconfronteerd
met ballast, en als hij daarmee geconfronteerd wordt, dan is dat
alleen maar omdat hij er zélf last van heeft. De voorgeschiedenis
van zijn familie is belangrijk waar hij daar zelf verklaringen voor
zijn zijn kan uithalen, de huidige (en intussen vroegere)
geschiedenis van zijn familie is vervelend als hij daar niks meer aan
heeft. Mensen buiten zijn familie zijn belangrijk als hij hen nodig
heeft voor zijn persoonlijke ontwikkeling, voor het nastreven van
zijn doelen, desnoods voor het wegwerken van het occasionele trauma,
maar nooit omwille van hen zelf. Polen is belangrijk omdat de man die
hem volgens hem verwekt heeft daarvandaan komt; andere dwergen zijn
belangrijk omdat hij in hun gezelschap wél beschouwd wordt als
volwaardig, maar zij zelf dan weer niet; de nationaal-socialisten
worden belangrijk als hij dankzij hen op tournee kan gaan; Danzig is
belangrijk omdat hij de stad kent; maar er wordt niet getreurd als
Danzig net als Polen onder de voet gelopen wordt, als de
nationaal-socialisten het pleit verliezen, als de dwergen sterven
(ach, misschien een beetje), want altijd weer heeft Oskar één doel
voor ogen: zichzelf.
En waarom maakt dat dit boek ‘leuk’? Omdat het er, weerom samen
met de stijl van Grass (waarmee ik, dat ziet u nog wel, voor de
duidelijkheid niet, bijvoorbeeld, het in het hoofdstuk Beton
bezichtigen of mystiek barbaars verveeld postmodernistisch
inlassen van een toneelstuk bedoel), vooral een schelmenroman van
maakt. Ja, het ís natuurlijk ook een historische roman – de feiten
over de gevechten om Danzig, de bunkers in Normandië, de
wederopbouw, de inflatie, enzovoort, zijn gewoon, inderdaad, feiten -
én wat dan in het Duits een ‘Entwicklungsroman’ heet (de
psychologische kant waarover ik het hierboven heb gehad), maar
doordat Oskar overal brokken maakt en zich daar niks aan gelegen
laat, daar ook nauwelijks voor ter verantwoording wordt geroepen
(omdat zo goed als iedereen hem als een kind blijft zien), en
zichzelf ook niet verantwoordelijk vindt, krijg je als lezer ook de
toelating hetzelfde te doen. Als je dit werk van Grass combineert met
het gegeven dat hij gedurende zestig jaar ‘zweeg’ over zijn
dienst bij de Waffen-SS en van de Duitsers tegelijkertijd
vroeg dat ze zich dingen zouden ‘herinneren’ zoals ze waren, dan
vraag je je voornamelijk af wát hij dan het ‘herinneren’ waard
vond of hoe de dingen er volgens hem werkelijk uitzagen. Of zoals
Hans Magnus Enzensberger in zijn recensie voor de Süddeutscher
Rundfunk zei op 18 november 1959: “Zijn blindheid voor alles
wat ideologisch is, behoedt hem voor een verleiding waaraan zo veel
schrijvers bezwijken: namelijk die om de nazi’s te demoniseren.
Grass schildert hen in hun ware aura, een aura dat vrij is van iets
Luciferiaans: het aura van muffe middelmatigheid.” Een
“middelmatigheid”, een ‘normaliteit’, die dus ook te vinden
is in hoe Oskar zichzelf ziet en hoe Grass dat weergeeft. Een
“middelmatigheid” die er in het geval van Oskar niet ís, en
daardoor dus voortdurend komisch wordt. Waarvan ik u massa’s
voorbeelden kan geven omdat in dit boek zo goed als élke zin an
sich het lezen waard is, iets wat er voor zorgde dat ik De
blikken trommel aan een naar mijn doen ontzettend traag tempo heb
gelezen en veel passages heb aangeduid. Een gegeven waarvan ik u,
geduldige lezer, niet het slachtoffer zal laten worden: ik houd het
bij een aantal korte citaten. Bijvoorbeeld het volgende, aan het
begin van het hoofdstuk Onder het vlot: “Het is helemaal
niet zo eenvoudig om hier, liggend in het met zeepsop afgeboende
metalen bed van een zenuwinrichting en in het gezichtsveld van een
van glas voorzien en met Bruno’s oog gewapend kijkgat, de
rooksluiers van een kasjoebeis aardappelloofvuur en de arcering van
een oktoberregen na te tekenen. Indien ik mijn trommel niet had gehad
die, wanneer met bekwaamheid en geduld gebruikt, alles invalt wat er
aan bijkomstigheden nodig is om de hoofdzaak op het papier te kunnen
zetten, en wanneer ik van het gesticht niet de toestemming had om
drie tot vier uren per dag mijn trommel te laten spreken, dan was ik
een arme man geweest zonder aanwijsbare grootouders”. Of dit uit
het hoofdstuk Het Poolse postkantoor: “De klok in de
lokettenhal vertelde mij dat het twintig na vier was. Toen het
eenentwintig na vier was, kon ik aannemen, dat de eerste
gevechtshandelingen het uurwerk niet hadden beschadigd. De klok liep
en ik wist niet of ik deze gelijkmoedigheid der tijd als een goed of
een slecht teken moest uitleggen”. Of dit in Hij ligt in Saspe:
“De dertig mannen evenwel – waaraan Jan nog toegevoegd kan worden
– met hun opgeheven armen en de handen achter hun nek, die bracht
men, nadat het filmnieuws zijn opnamen had gemaakt, eerst naar de
ontruimde Viktoriaschool, daarna naar de gevangenis Schiessstange en
tenslotte, begin oktober, naar het losse zand achter de muur van het
vervallen en buiten gebruik geraakte kerkhof van Saspe”. Of dit
helemaal aan het begin van Vijfenzeventig kilo: “Vjazma en
Brjansk; toen begon de modderperiode. Ook Oskar begon midden oktober
eenenveertig hevig in de modder te woelen. Hopelijk vergeeft men mij
dat ik de moddersuccessen van de centrale legergroep stel tegenover
mijn successen in het onbegaanbare en eveneens echt modderige terrein
van mevrouw Lina Greff. Even als daarginds, vlak voor Moskou, tanks
en vrachtwagens zich vastreden, zo reed ik mij vast; wel draaiden de
wielen nog en wroetten de modder om, maar ook ik gaf niet op – het
gelukte mij letterlijk in de Greffse modder schuim te slaan – maar
van terreinwinst kon noch vlak voor Moskou noch in de slaapkamer van
de Greffse woning worden gesproken”. Of dit uit De Stoffers:
“In die tijd echter, toen ik midden in augustus het grafkille
katholicisme op mij liet inwerken, viel er aan toerisme en aan het
bezichtigen van kerken in vreemde landen alleen maar te denken als
men als geüniformeerde aan de volgens plan verlopende terugtochten
deelnam en misschien in zijn dagboek schreef: ‘Vandaag Orvieto
ontruimd, fantastische kerkgevel, na de oorlog er met Monika heengaan
en ietwat nauwkeuriger bekijken.’” Of dit uit Groei in de
goederenwagon: “De trein werd gerangeerd en reed daarna naar
het westen in de richting Stolp. De reis tot Stolp moet vier dagen
hebben geduurd omdat de trein op open trajecten voortdurend door
voormalige partizanen en Poolse jeugdbendes werd aangehouden. De
jongens openden de schuifdeuren van de wagons, lieten wat frisse
lucht binnen en namen met de verbruikte lucht een deel van de bagage
uit de wagons. Telkens wanneer de jongens de wagen van meneer
Matzerath binnenkwamen, stonden de vier nonnen op en hielden de
crucifixen omhoog, die aan hun kleed hingen. De vier crucifixen
maakten grote indruk op de jonge knapen en zij sloegen een kruis eer
zij de rugzakken en koffers van de reizigers op de spoorbaan
gooiden”. Enfin, ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan, zou
het ook wel willen, ben zelfs nog heel eventjes nadat ik het begin
van deze zin had neergeschreven doorgegaan met door het boek te
bladeren om te beslissen of ik er niet tóch nog een citaat zou
bijgooien, maar doe het niet. Nee, echt niet. Ik blader de rest van
het boek alleen nog door om de gum te halen over wat ik verder
gemarkeerd had, en beperk me tot het uitdrukkelijk aanbevelen der
lezing van De blikken trommel.
Björn Roose

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Ook iets te vertellen ? Ga je gang !