vrijdag 23 oktober 2026

De blikken trommel – Günter Grass (boekbespreking door Björn Roose)

De blikken trommel – Günter Grass (boekbespreking door Björn Roose)
Zoek Günter Grass op, op Wikipedia en de derde zin die je krijgt, is deze: “Volgens eerdere berichten werd hij tijdens de Tweede Wereldoorlog opgeroepen voor de hulptroepen van de Duitse luchtmacht. Dit bleek echter onjuist, in augustus 2006 maakte hij zelf bekend dat hij zich op 15-jarige leeftijd vrijwillig aanmeldde voor dienst op een U-boot. Daarvoor werd echter niemand meer aangenomen, waarna hij in dienst moest bij de Reichsarbeitsdienst. Op 17-jarige leeftijd (1944) werd hij als dienstplichtige opgeroepen door de Waffen-SS, waar hij dienstdeed bij de 10e SS-Pantserdivisie ‘Frundsberg’”.

Een aardig staaltje van toning down is dat. Grass beweerde zélf namelijk steeds weer dat hij opgeroepen was als Flakhelfer, het was niet iemand anders die daar “eerdere berichten” over verspreidde. En zelfs nádat hij in z’n uit 2006 daterende boek Beim Häuten der Zwiebel, meer dan zestig jaar na datum, bekend had bij de Waffen-SS gezeten te hebben, hield hij vol dat hij zulks nooit ontkend had, maar er alleen over zweeg. Terwijl hij wel naam gemaakt had door zijn landgenoten er voortdurend toe aan te zetten zich dingen te ‘herinneren’, eerlijk te zijn, omdat de naoorlogse kinderen recht hadden te weten wat hun ‘onschuldige ouders’ hadden uitgevreten tussen 1939 en 1945.

Ik had van Grass nooit wat gelezen vóór 2006, maar dat nieuws, dat toen de wereld rondging, was voldoende om me nog gedurende vele jaren verder te onthouden van lezing van zijn boeken. Misschien een beetje een overreactie van me – niks menselijks is me vreemd -, maar ik heb nu eenmaal meer respect voor een nationaal-socialist of communist die daarvoor uitkomt, ook en zeker nadat het spel verloren is, dan voor een exemplaar dat dat niet doet, al helemaal niet als dat exemplaar van een ander vraagt het wél te doen.

En toch ben ik een paar weken geleden (tegen dat deze boekbespreking gepubliceerd wordt zelfs een paar maanden geleden) begonnen aan het toen al even in mijn kast staande Die Blechtrommel, Grass’ romandebuut uit 1959, door Koos Schuur vertaald als De blikken trommel en ín die vertaling voor het eerst verschenen in 1964. Waarom? Omdat het boek daar (in mijn boekenkasten dus) stond tussen zijn Kat en muis en het eerder genoemde Beim Häuten der Zwiebel. Omdat het er toch eens van moest komen. Omdat ik dacht dat het me niet zou bevallen en ik door het te lezen wat ruimte zou scheppen in mijn boekenkasten. Waarmee ik volkomen verkeerd zat: De blikken trommel beviel me zeer en zal dus na deze bespreking zijn plaats in mijn boekenkasten terugkrijgen.

Nu, wat is De blikken trommel niét? Een anti-oorlogsroman. Iets wat er vaak van gemaakt wordt omdat de film die in 1979 werd geproduceerd op basis van het boek zich grotendeels beperkte tot de oorlogstijd – die is altijd vol gebeurtenissen en foto/filmgeniek, is het niet? -, en het verhaal niet pró oorlog is. ‘Beperkte’ inderdaad, want zelfs in een director’s cut van honderdtweeënzestig minuten kan je geen boek van meer dan vijfhonderd bladzijden kwijt dat zich grotendeels afspeelt in de gedachten van het hoofdpersonage. Al helemaal niet als de actie en de gedachten zich op hun beurt afspelen in twee tijden en op meerdere plaatsen, zijnde de psychiatrische instelling waar de verteller verblijft (al in de eerste zin van de roman lees je dat: “Ik geef toe: ik ben patiënt in een zenuwinrichting”) en het Danzig/Normandië/Düsseldorf/Parijs waar zijn voorgeschiedenis zich heeft afgespeeld. Filmmakers houden van actie, het filmpubliek ook, en van duidelijkheid (of hoogstens van de onduidelijkheid die ze zelf scheppen), het filmpubliek idem: een boek als De blikken trommel verfilmen zoals het hoort, kan eigenlijk alleen maar door dat na te laten.

Waarmee u nog niet weet waarover het boek dan eigenlijk wél gaat. Wel, over het leven van ene Oskar Matzerath (ik geef hem voor het gemak die familienaam, al wenst hij zichzelf in grote delen van het boek niet als een Matzerath te beschouwen), zogezegd geboren met het verstand van een volwassene (voor wat dat waard is, en uiteraard alleen een ‘feit’ omdat de volwassen Oskar Matzerath zulks beweert) en op z’n drie jaar – ook al zogezegd - besloten hebbend niet meer te groeien (omdat hij, volwassen als hij is, vreest zich niet meer als een kind te zullen mogen gedragen als hij fysiek groter wordt). Hij groeit ook letterlijk niet meer, iets wat voor de buitenwereld het gevolg is van een val van een keldertrap, maar ook iets waarvan de hoofdpersoon beweert dat hij die val geënsceneerd heeft. Oskar doet dus wat hij wil, Oskar wordt nooit het slachtoffer van de omstandigheden; als de omstandigheden – die Oskar nooit helemaal schijnt te vatten - een beetje vervelend worden, weet Oskar zich daar zonder grote moeite en zonder zich veel aan te trekken van het lot van z’n naasten uit te redden. Iets waar pas een einde aan komt als hij, ik zal het maar zo noemen, uiteindelijk wél eens met de vinger gewezen wordt, door een dode dan nog, na enig prakkezeren op de vlucht gaat, veroordeeld wordt door een rechtbank (op basis waarvan is niet echt duidelijk), en in een nieuwe ontsnapping aan de werkelijkheid in genoemde psychiatrische instelling terechtkomt. Waar hij dan meteen ook weer van maakt dat zulks zijn doel was: “Mijn witgelakte metalen gestichtsbed is dus een maatstaf. Voor mij is het zelfs nog meer: mijn bed is het uiteindelijk bereikte doel, het is mijn troost en het zou mij tot geloof kunnen worden, wanneer de gestichtsleiding mij toestond enkele veranderingen aan te brengen; ik zou het traliewerk wat hoger willen laten maken zodat niemand mij ooit meer te dicht benadert”. Oskar wil dus heersen in zijn wereld, Oskar wil het ritme bepalen, Oskar wil dat anderen zijn ritme volgen, en Oskar realiseert dat op twee manieren: hij schreeuwt en hij trommelt. Als hij schreeuwt, een vermogen dat hij naderhand (gedeeltelijk) lijkt kwijt te spelen, maakt hij dingen kapot. Dingen bestaand uit glas. Brillen, vensters, lampen, etalages, whatever. In het begin ongecontroleerd, zodat iedereen voortdurend op z’n tenen moet lopen om hem geen woedeaanvallen te doen krijgen, want als hij die krijgt, schreeuwt hij. Later bewust; omdat hij wil testen wat hij met zijn schreeuwen kan bereiken, omdat hij geen zin heeft in school, omdat hij anderen wil aanzetten tot criminaliteit, omdat hij de leiding wil overnemen van een bende criminelen. En als hij trommelt, op de ene blikken trommel na de andere, want hij slaat die dingen in de vernieling door er zo veelvuldig mee bezig te zijn, brengt hij zijn verhaal over aan de wereld, een wereld die geacht wordt dat verhaal uit de door hem gespeelde ritmes te halen, een wereld waarvan hij uiteindelijk leert de emoties te controleren: hij wordt professioneel muzikant en weet hele zalen, overal in Europa, aan het lachen of huilen te krijgen door zijn getrommel. Hij beheerst uiteindelijk dus z’n eigen emoties, hij schreeuwt alleen nog als het hem uitkomt, en ook die van de massa, in die zin dat die emoties toont die hij wil zien en op het moment dat hij die wil zien. Oskar is dus – in mijn ogen, ik zit wat ik hier schrijf per slot van rekening zelf te verzinnen – een psychopaat: egocentrisch tot en met, manipulerend, emotioneel zonder diepgang, zelden berouw tonend, en impulsief. Allemaal ‘diagnoses’ die ik hier verder zou kunnen uitwerken, maar die ik voor de rest van deze bespreking zal laten liggen waar ze liggen: voor uw neus. Dat Oskar een psychopaat is, is namelijk precies wat dit boek – samen met de stijl van Grass, maar daar komen we straks nog op terug – zo, tsja, leuk maakt. Oskar doet gewoon zijn zin, Oskar trekt de wijde wereld in, Oskar beleeft het ene avontuur na het andere, Oskar wordt nauwelijks geconfronteerd met ballast, en als hij daarmee geconfronteerd wordt, dan is dat alleen maar omdat hij er zélf last van heeft. De voorgeschiedenis van zijn familie is belangrijk waar hij daar zelf verklaringen voor zijn zijn kan uithalen, de huidige (en intussen vroegere) geschiedenis van zijn familie is vervelend als hij daar niks meer aan heeft. Mensen buiten zijn familie zijn belangrijk als hij hen nodig heeft voor zijn persoonlijke ontwikkeling, voor het nastreven van zijn doelen, desnoods voor het wegwerken van het occasionele trauma, maar nooit omwille van hen zelf. Polen is belangrijk omdat de man die hem volgens hem verwekt heeft daarvandaan komt; andere dwergen zijn belangrijk omdat hij in hun gezelschap wél beschouwd wordt als volwaardig, maar zij zelf dan weer niet; de nationaal-socialisten worden belangrijk als hij dankzij hen op tournee kan gaan; Danzig is belangrijk omdat hij de stad kent; maar er wordt niet getreurd als Danzig net als Polen onder de voet gelopen wordt, als de nationaal-socialisten het pleit verliezen, als de dwergen sterven (ach, misschien een beetje), want altijd weer heeft Oskar één doel voor ogen: zichzelf.

En waarom maakt dat dit boek ‘leuk’? Omdat het er, weerom samen met de stijl van Grass (waarmee ik, dat ziet u nog wel, voor de duidelijkheid niet, bijvoorbeeld, het in het hoofdstuk Beton bezichtigen of mystiek barbaars verveeld postmodernistisch inlassen van een toneelstuk bedoel), vooral een schelmenroman van maakt. Ja, het ís natuurlijk ook een historische roman – de feiten over de gevechten om Danzig, de bunkers in Normandië, de wederopbouw, de inflatie, enzovoort, zijn gewoon, inderdaad, feiten - én wat dan in het Duits een ‘Entwicklungsroman’ heet (de psychologische kant waarover ik het hierboven heb gehad), maar doordat Oskar overal brokken maakt en zich daar niks aan gelegen laat, daar ook nauwelijks voor ter verantwoording wordt geroepen (omdat zo goed als iedereen hem als een kind blijft zien), en zichzelf ook niet verantwoordelijk vindt, krijg je als lezer ook de toelating hetzelfde te doen. Als je dit werk van Grass combineert met het gegeven dat hij gedurende zestig jaar ‘zweeg’ over zijn dienst bij de Waffen-SS en van de Duitsers tegelijkertijd vroeg dat ze zich dingen zouden ‘herinneren’ zoals ze waren, dan vraag je je voornamelijk af wát hij dan het ‘herinneren’ waard vond of hoe de dingen er volgens hem werkelijk uitzagen. Of zoals Hans Magnus Enzensberger in zijn recensie voor de Süddeutscher Rundfunk zei op 18 november 1959: “Zijn blindheid voor alles wat ideologisch is, behoedt hem voor een verleiding waaraan zo veel schrijvers bezwijken: namelijk die om de nazi’s te demoniseren. Grass schildert hen in hun ware aura, een aura dat vrij is van iets Luciferiaans: het aura van muffe middelmatigheid.” Een “middelmatigheid”, een ‘normaliteit’, die dus ook te vinden is in hoe Oskar zichzelf ziet en hoe Grass dat weergeeft. Een “middelmatigheid” die er in het geval van Oskar niet ís, en daardoor dus voortdurend komisch wordt. Waarvan ik u massa’s voorbeelden kan geven omdat in dit boek zo goed als élke zin an sich het lezen waard is, iets wat er voor zorgde dat ik De blikken trommel aan een naar mijn doen ontzettend traag tempo heb gelezen en veel passages heb aangeduid. Een gegeven waarvan ik u, geduldige lezer, niet het slachtoffer zal laten worden: ik houd het bij een aantal korte citaten. Bijvoorbeeld het volgende, aan het begin van het hoofdstuk Onder het vlot: “Het is helemaal niet zo eenvoudig om hier, liggend in het met zeepsop afgeboende metalen bed van een zenuwinrichting en in het gezichtsveld van een van glas voorzien en met Bruno’s oog gewapend kijkgat, de rooksluiers van een kasjoebeis aardappelloofvuur en de arcering van een oktoberregen na te tekenen. Indien ik mijn trommel niet had gehad die, wanneer met bekwaamheid en geduld gebruikt, alles invalt wat er aan bijkomstigheden nodig is om de hoofdzaak op het papier te kunnen zetten, en wanneer ik van het gesticht niet de toestemming had om drie tot vier uren per dag mijn trommel te laten spreken, dan was ik een arme man geweest zonder aanwijsbare grootouders”. Of dit uit het hoofdstuk Het Poolse postkantoor: “De klok in de lokettenhal vertelde mij dat het twintig na vier was. Toen het eenentwintig na vier was, kon ik aannemen, dat de eerste gevechtshandelingen het uurwerk niet hadden beschadigd. De klok liep en ik wist niet of ik deze gelijkmoedigheid der tijd als een goed of een slecht teken moest uitleggen”. Of dit in Hij ligt in Saspe: “De dertig mannen evenwel – waaraan Jan nog toegevoegd kan worden – met hun opgeheven armen en de handen achter hun nek, die bracht men, nadat het filmnieuws zijn opnamen had gemaakt, eerst naar de ontruimde Viktoriaschool, daarna naar de gevangenis Schiessstange en tenslotte, begin oktober, naar het losse zand achter de muur van het vervallen en buiten gebruik geraakte kerkhof van Saspe”. Of dit helemaal aan het begin van Vijfenzeventig kilo: “Vjazma en Brjansk; toen begon de modderperiode. Ook Oskar begon midden oktober eenenveertig hevig in de modder te woelen. Hopelijk vergeeft men mij dat ik de moddersuccessen van de centrale legergroep stel tegenover mijn successen in het onbegaanbare en eveneens echt modderige terrein van mevrouw Lina Greff. Even als daarginds, vlak voor Moskou, tanks en vrachtwagens zich vastreden, zo reed ik mij vast; wel draaiden de wielen nog en wroetten de modder om, maar ook ik gaf niet op – het gelukte mij letterlijk in de Greffse modder schuim te slaan – maar van terreinwinst kon noch vlak voor Moskou noch in de slaapkamer van de Greffse woning worden gesproken”. Of dit uit De Stoffers: “In die tijd echter, toen ik midden in augustus het grafkille katholicisme op mij liet inwerken, viel er aan toerisme en aan het bezichtigen van kerken in vreemde landen alleen maar te denken als men als geüniformeerde aan de volgens plan verlopende terugtochten deelnam en misschien in zijn dagboek schreef: ‘Vandaag Orvieto ontruimd, fantastische kerkgevel, na de oorlog er met Monika heengaan en ietwat nauwkeuriger bekijken.’” Of dit uit Groei in de goederenwagon: “De trein werd gerangeerd en reed daarna naar het westen in de richting Stolp. De reis tot Stolp moet vier dagen hebben geduurd omdat de trein op open trajecten voortdurend door voormalige partizanen en Poolse jeugdbendes werd aangehouden. De jongens openden de schuifdeuren van de wagons, lieten wat frisse lucht binnen en namen met de verbruikte lucht een deel van de bagage uit de wagons. Telkens wanneer de jongens de wagen van meneer Matzerath binnenkwamen, stonden de vier nonnen op en hielden de crucifixen omhoog, die aan hun kleed hingen. De vier crucifixen maakten grote indruk op de jonge knapen en zij sloegen een kruis eer zij de rugzakken en koffers van de reizigers op de spoorbaan gooiden”. Enfin, ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan, zou het ook wel willen, ben zelfs nog heel eventjes nadat ik het begin van deze zin had neergeschreven doorgegaan met door het boek te bladeren om te beslissen of ik er niet tóch nog een citaat zou bijgooien, maar doe het niet. Nee, echt niet. Ik blader de rest van het boek alleen nog door om de gum te halen over wat ik verder gemarkeerd had, en beperk me tot het uitdrukkelijk aanbevelen der lezing van De blikken trommel.

Björn Roose

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Ook iets te vertellen ? Ga je gang !